Stofemissies niet bewezen, toerekening van handeling aan verdachte, uitleg van de term ‘opzet’.
Casus
Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het niet melden van een ongewoon voorval als bedoeld in artikel 17.1 Wet milieubeheer en aan overtreding van voorschriften van de omgevingsvergunning en het Activiteitenbesluit, door het niet voorkomen dat bij het gieten van slakken (restproduct van staalproductie) een explosie plaatsvond en het niet voorkomen van stofemissies.
Rechtsvragen
1. Is bewezen dat sprake was van een stofemissie?
2. Is aan verdachte toe te rekenen dat is gehandeld in strijd met de omgevingsvergunning, door niet te voorkomen dat bij het kiepen van slakken in een slakput, explosies plaatsvonden?
3. Was hierbij sprake van opzettelijk handelen?
4. Is sprake van het opzettelijk niet melden van een ongewoon voorval?
Uitspraak
1. Het hof is van oordeel dat overtreding van de (vergunnings)voorschriften bij het betreffende incident niet kan worden bewezen. De toezichthouder heeft weliswaar verklaard dat er stof te zien is, maar niet uitgewerkt is op grond waarvan deze constatering is gedaan. Hetzelfde geldt voor hetgeen de toezichthouder in het aanvullend proces-verbaal van bevindingen heeft opgenomen. Daarnaast kan het hof op basis van zijn eigen waarneming niet vaststellen dat op de filmopname van 13 februari 2019 een stofemissie te zien is. Nu het hof dat niet kan vaststellen, komt het niet toe aan de beoordeling of het nodig was de locaties waar transport en opslag plaatsvond (beter) schoon te houden of te bevochtigen.
2. Uit de bewijsmiddelen volgt dat op 28 juli 2019 bij het gieten van slakken een explosie heeft plaatsgevonden, doordat vloeibare, hete convertorslak in contact is gekomen met water. Dit is feitelijk gedaan door de kraanmachinist die slakken aan het gieten was. Daarbij heeft deze machinist kennelijk de werkinstructie zich ervan te vergewissen dat de put voor het gieten droog en schoon is, niet of niet voldoende nageleefd.
Het hof is van oordeel dat deze gedraging van de kraanmachinist in redelijkheid aan [verdachte] kan worden toegerekend, omdat het niet voorkomen van een explosie bij het gieten van slakken heeft plaatsgevonden en is verricht in de sfeer van deze rechtspersoon. Het gieten van slakken door de kraanmachinist, die werkzaam was voor [verdachte], past in de normale bedrijfsvoering van [verdachte] en is de rechtspersoon dienstig geweest. Dat het niet in [verdachte]s belang was de werkinstructies niet (voldoende) na te leven, is voor het antwoord op de vraag of de gedraging is verricht in de sfeer van de rechtspersoon niet doorslaggevend.
3. Het hof is, anders dan de rechtbank, van oordeel dat [verdachte] opzet heeft gehad op het niet voorkomen van de explosie. In het economisch strafrecht moet de term opzet worden uitgelegd als kleurloos opzet. Dit betekent dat het opzet alleen gericht moet zijn op de verweten gedraging, en niet op de wederrechtelijkheid ervan. De kraanmachinist heeft, door bij het gieten van de slakken vloeibare convertorslakken in contact te brengen met water waardoor de explosie plaatsvond, opzettelijk niet voldaan aan de werkinstructie en ook niet aan voorschrift 3.13.2 van de omgevingsvergunning. Ook dit opzet moet aan de verdachte worden toegerekend. Het incident van 13 februari 2019, opzettelijk begaan, kan wettig en overtuigend worden bewezen. Het verweer van de verdediging, dat voorschrift 3.13.2. een inspanningsverplichting zou zijn, kan niet worden gevolgd. De duidelijke bewoordingen van het voorschrift, dat moet worden voorkomen dat explosies plaatsvinden, staat aan deze uitleg in de weg.
4. Het hof is, anders dan de rechtbank, van oordeel dat [verdachte] opzet heeft gehad op het niet melden van het ongewoon voorval. Zoals hiervoor vermeld moet in het economisch strafrecht de term opzet worden uitgelegd als kleurloos opzet. Dit betekent dat het opzet alleen gericht moet zijn op de verweten gedraging, en niet op de wederrechtelijk ervan. Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte, al dan niet ten gevolge van een communicatiestoornis, niet heeft voldaan aan haar wettelijke plicht.
Rechtelijke Instantie : Gerechtshof Amsterdam
Datum Uitspraak : 19-07-2024
Eclinummer : ECLI:NL:GHAMS:2024:2630
Jelle van de Poel