Aanleg van bodemenergiesysteem en ondergrondse leidingen is onderdeel onttrekkingsvergunning artikel 6.4 Waterwet.

Casus

Eiseres drijft een inrichting op de locatie [adres] te [plaatsnaam]. Eiseres heeft eind 2007 een bodemenergiesysteem geplaatst bij deze inrichting. Vanaf 2009 is het bodemenergiesysteem vergunningplichtig onder de Waterwet. In 2013 wordt geconstateerd dat eiseres niet beschikt over een Waterwetvergunning. Daarnaast is de melding die vóór de inwerkingtreding van de Waterwet verplicht was niet uitgevoerd. Op 11 september 2017 krijgt eiseres na lange onderhandelingen een tijdelijke vergunning voor de duur van drie jaar. Op 24 september 2020 constateert de Omgevingsdienst Haaglanden dat het open bodemenergiesysteem nog in werking is, terwijl de vergunning van eiseres is verlopen. Op 10 maart 2021 wordt aan eiseres een last onder dwangsom van € 10.000 per week met een maximum van € 50.000 opgelegd vanwege het niet beëindigen van de werking van het open bodemenergiesysteem, het niet herstellen van het oorspronkelijke bodemprofiel en het niet toesturen van het bewijs van de afdichtingswerkzaamheden en de afvulstaten van de bronnen.

Eiseres betoogt dat geen sprake is van een overtreding. Hiertoe voert eiseres aan dat de vergunningplichtige activiteit, te weten de onttrekking van water ten behoeve van het bodemenergiesysteem, is beëindigd op 4 oktober 2021, terwijl de begunstigingstermijn, na verlenging, liep tot en met 21 oktober 2021. Hiermee is volgens eiseres tijdig voldaan aan artikel 6.4, eerste lid, aanhef en onder b, van de Waterwet en daarmee ook aan de last onder dwangsom. Dat in de last onder dwangsom is vermeld dat er ook voor afdichting en verslaglegging daarvan moet worden gezorgd, maakt dit volgens eiseres niet anders, aangezien dat geen dragende elementen zijn van de last. De afdichting en verslaglegging zijn niet opgenomen in artikel 6.4, eerste lid, aanhef en onder b, van de Waterwet en daarom niet vergunningplichtig.

Rechtsvraag

Vallen de aanleg van het bodemenergiesysteem en de aanleg van de ondergrondse pijpleidingen onder de vergunningplicht van artikel 6.4 Waterwet?

Uitspraak

De in het primaire besluit aan eiseres opgelegde last luidt als volgt:
‘Wij besluiten u te gelasten te voldoen aan artikel 6.4, eerste lid, aanhef en onder b, van de Waterwet. Dit kunt u doen door de onttrekking te staken en na beëindiging van het gebruik van het bodemenergiesysteem, het systeem, zonder daarbij het ondergrondse deel te verwijderen, zodanig op te vullen dat de werking van de oorspronkelijke waterscheidende lagen wordt hersteld. Na de afdichting dient u ons een verslag van de afdichting te sturen.’

Artikel 6.4, eerste lid, aanhef en onder b, van de Waterwet luidt als volgt:
‘Het is verboden zonder daartoe strekkende vergunning van gedeputeerde staten grondwater te onttrekken of water te infiltreren:
[…]
b. ten behoeve van de openbare drinkwatervoorziening of een bodemenergiesysteem.’

In de tijdelijke vergunning zijn de volgende voorschriften opgenomen:
‘29. Zo spoedig mogelijk na de beëindiging van het gebruik van het bodemenergiesysteem wordt het systeem, zonder daarbij het ondergrondse deel te verwijderen, zodanig opgevuld dat de werking van de oorspronkelijke waterscheidende lagen wordt hersteld.
30. Na buitengebruikstelling wordt binnen een maand na de afdichting een verslag van de afdichting aan het bevoegd gezag toegezonden.’

Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat onder de vergunningplicht van artikel 6.4, eerste lid, aanhef en onder b, van de Waterwet niet alleen de feitelijke onttrekking van grondwater valt, maar ook de daarmee onlosmakelijk verbonden aanleg van het bodemenergiesysteem met doorboring van waterscheidende grondlagen en aanleg van ondergrondse pijpleidingen. Verweerder was derhalve bevoegd om bij het verlenen van de tijdelijke vergunning voorschriften te stellen ten aanzien van de aanleg én het ongedaan maken van de ondergrondse installaties na beëindiging van de winning na afloop van de vergunningtermijn. De in de tijdelijke vergunning opgenomen voorschriften met betrekking tot het afdichten en de verslaglegging daarvan passen binnen dit kader.

Nu eiseres die voorschriften na afloop van de tijdelijke vergunning niet is nagekomen, is sprake van een overtreding van de vergunningvoorschriften en van artikel 6.4, eerste lid, aanhef en onder b, van de Waterwet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder dan ook het afdichten en de verslaglegging daarvan in de last onder dwangsom kunnen opnemen. Het betoog slaagt niet.

Rechtelijke Instantie : Rechtbank Den Haag
Datum Uitspraak : 07-11-2024
Eclinummer : ECLI:NL:RBDHA:2024:18420
Odile Scholte

Privacy beleid
STAB hecht aan het naleven van de beginselen uit de AVG. De wijze waarop we met gegevens omgaan, is vastgelegd in een privacyverklaring. Voor onze volledige privacyverklaring kunt u hier terecht.

Privacy Preference Center