Er zijn aanwijzingen dat significante negatieve gevolgen kunnen optreden vanwege het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in de lelieteelt. Gedeputeerde staten hebben, gelet op deze aanwijzingen, onvoldoende onderbouwd dat er geen gevolgen zijn van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op Natura 2000-gebieden en hebben daarom niet kunnen concluderen dat er geen sprake is van een overtreding van artikel 2.7 van de Wet natuurbescherming (Wnb).

Casus

Gedeputeerde staten van Drenthe hebben het verzoek van Milieudefensie om handhaving van het zonder natuurvergunning telen van lelies in de nabijheid van het Natura 2000-gebied ‘het Holtingerveld’ afgewezen. De rechtbank Noord-Nederland heeft het hiertegen ingestelde beroep gegrond verklaard. Gedeputeerde staten hebben hiertegen hoger beroep ingesteld.

Rechtsvraag

Is het voorbereiden en telen van lelies en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in de nabijheid van Natura 2000-gebied een project dat significante negatieve effecten kan hebben?

Uitspraak

De Afdeling begrijpt het betoog van het college zo dat er, ook voor 1 januari 2020, geen vergunningplicht was voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen ten behoeve van de lelieteelt op de percelen N636, N373, N830 en N910. Hiertoe acht het college van belang dat niet duidelijk is of er directe effecten zijn op Natura 2000-gebieden door het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en dat, als er al directe effecten zouden kunnen optreden, een afstand van 250 m tussen de gronden waarop gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt en het Natura 2000-gebied voldoende is om enige effecten uit te sluiten. Deze afstand hanteert het college op grond van het ‘Onderzoek Bestrijdingsmiddelen en Omwonenden’ (OBO) van het RIVM. Daarnaast begrijpt de Afdeling dat volgens het college effecten op Natura 2000-gebieden ook zijn uitgesloten omdat de gewasbeschermingsmiddelen worden getoetst en goedgekeurd door het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) en door die instantie veilig bevonden zijn voor mens en milieu.

In het door Milieudefensie aangedragen onderzoek van de Vereniging Meten=Weten staat dat er in vier Natura 2000-gebieden, waaronder het Holtingerveld, monsters van vegetatie genomen zijn. Uit dat onderzoek blijkt dat in alle vegetatiemonsters gewasbeschermingsmiddelen zijn aangetroffen. In het Holtingerveld kwamen de hoogste gehaltes gewasbeschermingsmiddelen voor. Volgens de onderzoekers zijn de hoge gehaltes aan gewasbeschermingsmiddelen in het Holtingerveld te verklaren door de nabijheid van onder meer bloembollenvelden. In bijlage 4 bij het onderzoek is een overzichtskaart bijgevoegd waarop is aangegeven op welke percelen nabij de Natura 2000-gebieden in Drenthe bloembollenteelt plaatsvindt.

Stoffen met een fungicidewerking werden het vaakst aangetroffen. In het onderzoek staat dat deze stoffen mogelijk stammen uit de nabijgelegen teelten, zoals bloembollen. Dit ligt volgens het onderzoek voor de hand, omdat stoffen met een fungicidewerking het meest worden gebruikt bij de teelt van bloembollen.

In het onderzoek worden de resultaten geïnterpreteerd aan de hand van literatuur. Onder ‘Ecologische Interpretatie’ staat dat er diverse voorbeelden zijn waarin de gevonden gewasbeschermingsmiddelen in lage concentraties effecten hebben op levende organismen zoals algen en insectenlarven. Ook wordt een relatie gelegd met de achteruitgang van insecten. Er wordt geconcludeerd dat, gelet op de alom aanwezigheid van (de gewasbeschermingsmiddelen) fungiciden, insecticiden en herbiciden in onder andere het Holtingerveld, het onwaarschijnlijk is dat deze stoffen geen negatieve effecten hebben op het functioneren van die gebieden. Mogelijke effecten die worden genoemd, zijn:
– verhoogde ziektedruk op habitattypen;
– negatieve effecten op insecten;
– negatieve effecten op bestuivers waardoor het voortbestaan van de habitattypen in gevaar komt;
– minder insecten kunnen leiden tot minder voedselvoorziening voor vogelpopulaties.

In het onderzoek wordt in de conclusie onderkend dat de huidige kennis over de negatieve effecten beperkt is en er nader onderzoek nodig is.

De Afdeling is van oordeel dat het door Milieudefensie genoemde onderzoek samen met hetgeen Milieudefensie betoogt over de insectenpopulaties in relatie tot habitattypen voldoende aanwijzingen bevatten dat het standpunt van het college dat er geen (directe) effecten zijn op het Holtingerveld door het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op de percelen van Middenweg Vledder, onvoldoende onderbouwd is. Weliswaar is er nog veel onbekend over mogelijke effecten van gewasbeschermingsmiddelen op Natura 2000-gebieden, maar aan de uitkomsten van reeds uitgevoerde onderzoeken kan in het licht van het voorzorgsbeginsel dat ten grondslag ligt aan artikel 2.7 van de Wnb, niet voorbij worden gegaan. Daarbij betrekt de Afdeling dat de door het college gegeven onderbouwing dat een afstand van 250 m voldoende zou zijn om eventuele effecten uit te sluiten, niet wetenschappelijk is onderbouwd. In het OBO is weliswaar een onderzoeksgrens aangehouden van 250 m, maar het doel van het onderzoek was om te bezien wat de gevolgen van gewasbeschermingsmiddelen zijn op omwonenden die wonen binnen een korte afstand van de percelen waarop gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast. Die gevolgen zijn vergeleken met de gevolgen voor omwonenden die wonen op meer dan 500 m van percelen waarop gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt (zie paragraaf 1.2 van het OBO). Anders dan het college meent, is de onderzoeksgrens van 250 m dus niet aangehouden omdat daarbuiten effecten, op Natura 2000-gebieden of anderszins, zijn uitgesloten. Overigens liggen niet alle percelen buiten een afstand van 250 m. Zo ligt perceel N910 op minder dan 250 m van het Holtingerveld.

Ook het enkele feit dat de door het college gehanteerde afstand groter is dan de teeltvrije zones in het Activiteitenbesluit milieubeheer is onvoldoende om eventuele effecten uit te kunnen sluiten, omdat het doel van de in het Activiteitenbesluit milieubeheer opgenomen norm is om de drift van gewasbeschermingsmiddelen naar het oppervlaktewater te reduceren (zie paragraaf 3.6 van de Nota van Toelichting, Stb. 2012, 441) en niet het uitsluiten van mogelijke gevolgen voor Natura 2000-gebieden.

Daarnaast is ook het standpunt dat een gewasbeschermingsmiddel wordt toegelaten door het Ctgb onvoldoende om te kunnen concluderen dat eventuele effecten op Natura 2000-gebieden uitgesloten zijn. Het Ctgb beoordeelt weliswaar of een middel veilig is voor mens, dier en milieu, maar dit is een andere beoordeling dan is vereist op grond van de Wnb. In de beoordeling door het Ctgb worden niet de gevolgen op specifieke Natura 2000-gebieden beoordeeld en wordt niet gekeken naar de instandhoudingsdoelstellingen van de Natura 2000-gebieden.

Gelet op de hiervoor genoemde aanwijzingen die naar voren zijn gebracht door Milieudefensie, heeft het college gelet op het bovenstaande onvoldoende onderbouwd dat er geen gevolgen zijn van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op Natura 2000-gebieden. Bij het ontbreken van een toereikende onderbouwing dat er geen gevolgen zijn voor Natura 2000-gebieden, terwijl er wel aanwijzingen zijn dat deze gevolgen kunnen optreden, volgt uit artikel 2.7 van de Wnb zoals deze bepaling voor 1 januari 2020 luidde, dat niet kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van een overtreding.

Rechtelijke Instantie : Raad van State
Datum Uitspraak : 02-04-2025
Eclinummer : ECLI:NL:RVS:2025:1428
Sybren Koopmans

Privacy beleid
STAB hecht aan het naleven van de beginselen uit de AVG. De wijze waarop we met gegevens omgaan, is vastgelegd in een privacyverklaring. Voor onze volledige privacyverklaring kunt u hier terecht.

Privacy Preference Center

Ontdek meer van STAB

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder