Omgevingsvergunning voor het tijdelijk plaatsen van een loods. Er is geen sprake van een ‘gelijksoortige uitbreiding van een gebouw’ als bedoeld in artikel 4, onderdeel 4, van Bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht. Op het punt van de afstand van de loods tot de kopergravuresloot is sprake van strijd met het bestemmingsplan, zodat gemotiveerd had moeten worden waarom de bouw van de loods geen afbreuk doet aan de kernkwaliteiten van UNESCO-werelderfgoed ‘Droogmakerij de Beemster’.

Casus

Bij besluit van 25 januari 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Purmerend (verweerder) omgevingsvergunning verleend voor het tijdelijk plaatsen van een loods in Zuidoostbeemster. Deze omgevingsvergunning is verleend voor een termijn van vijftien jaar. Eisers hebben afzonderlijk bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

Verweerder heeft op 20 september 2023 in twee afzonderlijke besluiten de bezwaren van eisers ongegrond verklaard. Verweerder heeft geconcludeerd dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2012 – partiële herziening 2021’ wat betreft de nokhoogte van de loods en de afstand van de loods tot de kopergravuresloot. Voor de nokhoogte kan volgens verweerder op grond van het vierde lid van artikel 4 van Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor) worden afgeweken van het bestemmingsplan. Ten aanzien van de afstand tussen de loods en de plaatselijke kopergravuresloot, heeft verweerder toepassing gegeven aan de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid op grond van artikel 34.1 van het bestemmingsplan.

Eisers hebben beroep tegen deze besluiten van 20 september 2023 (bestreden besluiten) ingesteld bij de rechtbank. Zij voeren aan dat verweerder geen toepassing kon geven aan artikel 4, onderdeel 4, van Bijlage II bij het Bor, omdat geen sprake is van een dakopbouw of gelijksoortige uitbreiding. Verder vinden zij – in het kader van de toepassing van de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid – dat ten onrechte niet is getoetst aan de voorwaarden die zijn gesteld aan toepassing van deze bevoegdheid.

Rechtsvragen

1. Kon verweerder in dit geval toepassing geven aan artikel 4, onderdeel 4, van Bijlage II bij het Bor?
2. Heeft verweerder toepassing van de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid afdoende gemotiveerd?

Uitspraak

1. Tussen partijen is niet in geschil dat er in dit geval geen sprake is van een dakopbouw. Het gaat dus om de vraag of in dit geval sprake van een ‘gelijksoortige uitbreiding’, zoals verweerder ter zitting heeft betoogd.
Naar het oordeel van de rechtbank is dit niet het geval. Uit jurisprudentie van de Afdeling volgt dat het begrip ‘gelijksoortige uitbreiding’ ruim moet worden uitgelegd. Zo is niet vereist dat de uitbreiding ondergeschikt is en kan ook het bouwen van een nieuwe bouwlaag of een extra verdieping met een plat dak worden aangemerkt als een ‘gelijksoortige uitbreiding’. Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 11 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2756, onder 3.1, en 5 juli 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1770, onder 9.1. Desalniettemin is de rechtbank van oordeel dat niet iedere overschrijding van de maximaal toegestane bouwhoogte kan worden geschaard onder het vierde lid van artikel 4 van Bijlage II.
Om te spreken van een dakopbouw of ‘gelijksoortige uitbreiding’ moet er ten eerste sprake zijn van een daadwerkelijke uitbreiding van een gebouw. In het onderhavige geval gaat het niet om een uitbreiding van een gebouw maar om een gebouw dat altijd al is bedacht in deze omvang en dan met name met deze hoogte. Volgens verweerder is het hoge dak nodig om te zorgen dat heftrucks de loods in en uit kunnen rijden. Dat betekent dat de loods zonder de gestelde ‘uitbreiding’ niet dezelfde functie kan hebben en dus niet op zichzelf kan bestaan ten behoeve van de beoogde doeleinden. Zo steekt ook de garagedeur in de voorgevel van de loods uit boven de toegestane 3 m. Niet valt in te zien dat het deel van de loods dat hoger is dan 3 m, waaronder dus de bovenkant van de garagedeur, slechts een uitbreiding is van een gebouw dat wel voldoet aan de bouwregels. Of nog anders gezegd: het gaat hier dus niet om een uitbreiding van een bouwwerk dat in een niet-uitgebreide vorm bestond of was gedacht. Verder is de ‘uitbreiding als zodanig’ ook niet aan te wijzen of te onderscheiden van het deel van de loods dat wel aan het bestemmingsplan voldoet. Voor zover verweerder stelt dat er sprake is van een ‘uitbreiding’, is deze dus niet zelfstandig aan te wijzen.
Ten tweede vereist het vierde lid van artikel 4 van Bijlage II dat de uitbreiding ‘gelijksoortig’ is aan een dakopbouw. Dit betekent volgens de rechtbank dat de uitbreiding op het dak van het gebouw moet worden gebouwd. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 5 februari 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:322, onder 3.1). In dit geval is het dak van de loods (en daarmee de gehele loods) 1,86 m hoger dan volgens het bestemmingsplan is toegestaan. Het gaat dus niet om een uitbreiding óp het dak van de loods. Het gaat hier louter om het omzeilen van de voorgeschreven maximale bouwhoogte en dit is niet waarvoor het begrip ‘dakopbouw of soortgelijke uitbreiding’ in het vierde lid van artikel 4 van Bijlage II is bedoeld.

2. Volgens artikel 1.52 van het bestemmingsplan zijn kopergravuresloten waterlopen met cultuurhistorische waarde. Volgens artikel 8.2.1. van het bestemmingsplan mag de zijdelingse afstand van de gebouwen tot de aanwezige kopergravuresloten niet minder dan 7,2 m bedragen. Tussen partijen is niet in geschil dat de bouw van de loods is vergund op minder dan 7,2 m van de nabijgelegen kopergravuresloot. Volgens artikel 31.4 van het bestemmingsplan kan onder bepaalde voorwaarden worden afgeweken van deze minimale bouwafstand. In dat geval dienen de kernkwaliteiten van UNESCO-werelderfgoed ‘Droogmakerij de Beemster’ te worden behouden of versterkt. Verder moet er sprake zijn van een goede landschappelijke/stedenbouwkundige inpassing die uitgevoerd en duurzaam in stand wordt gehouden en moet de omgevingsvergunning door middel van een keukentafeloverleg zijn voorbereid.
Ten eerste wijst de rechtbank erop dat bij de verlening van de omgevingsvergunning geen motivering is gegeven voor het afwijken van de minimale bouwafstand tot de kopergravuresloot. Daarom stelt verweerder op pagina 7 van het bestreden besluit op het bezwaar van eiseres 2 dat op dit punt terecht bezwaar is gemaakt tegen de verleende omgevingsvergunning en dat de omgevingsvergunning op dit punt aanpassing behoeft. Verweerder heeft daarom besloten om af te wijken van het bestemmingsplan ten aanzien van de minimale bouwafstand tot de kopergravuresloot met toepassing van artikel 31.4 van het bestemmingsplan. Verweerder heeft in het bestreden besluit op het bezwaar van eiseres 2 niet gemotiveerd waarom er wordt afgeweken van het bestemmingsplan. In het bestreden besluit op het bezwaar van eiseres 1 staat dat de nieuwe loods een bestaande loods vervangt waardoor er geen verdere inbreuk wordt gedaan op de kernkwaliteiten van het UNESCO-werelderfgoed.
Vervolgens heeft verweerder dit standpunt op de zitting ingetrokken en zich in plaats daarvan op het standpunt gesteld dat er op dit punt géén strijd is met het bestemmingsplan. Voor zover artikel 8.2.1. van het bestemmingsplan bepaalt dat de zijdelingse afstand van de gebouwen tot de kopergravuresloten niet minder dan 7,2 m mag bedragen, meent verweerder dat dit enkel ziet op de afstand vanaf de zijkant van het gebouw, in dit geval de loods, tot de kopergravuresloot. Volgens het bouwplan is de loods met de achtergevel naar de kopergravuresloot gericht. Hierom wordt de minimale zijdelingse afstand niet overschreden en is er volgens verweerder geen strijd met het bestemmingsplan.
De rechtbank volgt verweerder niet in deze motivering. De uitleg van verweerder leidt er namelijk toe dat het bestemmingsplan geen minimale bouwafstand voorschrijft tussen gebouwen en kopergravuresloten zolang de gebouwen in kwestie niet met de zijkant naar de sloot gericht zijn. Dit zou betekenen dat alleen wordt getoetst aan de voorwaarden van artikel 31.4 van het bestemmingsplan, waaronder de kernkwaliteiten van het UNESCO-werelderfgoed, indien een zijkant van een gebouw langs de sloot staat. Dit is een te beperkte uitleg die geen recht doet aan het doel van artikel 31.4. Verweerder heeft ook niet onderbouwd waarom ‘zijdelings’ in de zin van het bestemmingsplan moet worden gelezen als ‘vanaf de zijkant van het gebouw’ en niet ‘vanaf de zijkant van de sloot’, hetgeen de rechtbank aannemelijker voorkomt. Het enkele feit dat het bouwvlak wel binnen 7,2 m vanaf de sloot ligt, is ook onvoldoende onderbouwing voor verweerders standpunt. Naar het oordeel van de rechtbank is er daarom wel sprake van strijd met artikel 8.2.1. van het bestemmingsplan ten aanzien van de afstand van de loods tot de kopergravuresloot, zoals verweerder ook in de bestreden besluiten heeft erkend. Verweerder had daarom het bezwaar van eisers gegrond moeten verklaren. Verweerder had dus in de bestreden besluiten ook moeten toetsen aan de voorwaarden zoals gesteld in artikel 31.4 van het bestemmingsplan. Dit betekent dat verweerder onder andere had moeten motiveren waarom de bouw van de loods geen afbreuk doet aan de kernkwaliteiten van UNESCO-werelderfgoed ‘Droogmakerij de Beemster’. De enkele stelling van verweerder dat de nieuwe loods geen verdere inbreuk maakt dan de bestaande loods, is hiervoor onvoldoende omdat de nieuwe loods aanzienlijk groter is. De beroepen zijn ook daarom gegrond.

Rechtelijke Instantie : Rechtbank Noord-Holland
Datum Uitspraak : 12-03-2025
Eclinummer : ECLI:NL:RBNHO:2025:3181
Ruud Veenhof

Privacy beleid
STAB hecht aan het naleven van de beginselen uit de AVG. De wijze waarop we met gegevens omgaan, is vastgelegd in een privacyverklaring. Voor onze volledige privacyverklaring kunt u hier terecht.

Privacy Preference Center

Ontdek meer van STAB

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder