Voorwaardelijke verplichting. Dat de gemeente het in haar hoedanigheid als eigenaar van de gronden feitelijk in haar macht heeft om de maatregelen te realiseren, is naar het oordeel van de Afdeling in dit geval niet voldoende om van het opnemen van een planologische borging voor die gronden af te zien.
Casus
Bij besluit van 13 december 2023 heeft de raad van de gemeente Barneveld (de raad) het bestemmingsplan ‘De Eendracht’ vastgesteld. Bij besluit van 29 mei 2024 heeft de raad het bestemmingsplan ‘De Eendracht’ opnieuw en gewijzigd vastgesteld. Het plangebied ligt aan de Eendrachtstraat en Overbekerweg ten noorden van Terschuur. Het plan maakt de realisatie van 160 woningen, een schoolgebouw met kinderopvang en bijbehorende groen-, verkeers- en waterstructuren mogelijk.
Appellanten wijzen erop dat onvoldoende is verzekerd dat in het plangebied de benodigde waterbergingsvoorzieningen worden gerealiseerd. Aan een deel van de gronden van het plangebied is daartoe wel een voorwaardelijke verplichting gekoppeld, zoals is geformuleerd in artikel 16.1.3 van de planregels, maar de voorwaardelijke verplichting geldt niet voor alle gronden in het plangebied.
Rechtsvraag
Heeft de raad kunnen afzien van het planologisch borgen van de benodigde water(bergings)maatregelen ter plaatse van de gronden die in eigendom zijn bij de gemeente?
Uitspraak
Een gedeelte van de gronden in het plangebied heeft de gebiedsaanduiding ‘overige zone – voorwaardelijke verplichting 3’. De gronden die die gebiedsaanduiding hebben, zijn niet in eigendom van de gemeente, maar in eigendom van derden en zullen ook door die derden worden ontwikkeld, zo heeft de raad toegelicht. In artikel 16.1.3 van de planregels is het volgende geregeld met betrekking tot die aanduiding:
‘Ter plaatse van de aanduiding “Overige zone – voorwaardelijke verplichting 3” geldt – in afwijking van de daar geldende bestemming(en) – dat het gebruik volgens de bestemming(en) alleen is toegestaan op voorwaarde dat binnen één jaar na het inwerkingtreden van de omgevingsvergunning voor het bouwen van één of meerdere woningen, zoals bedoeld in de artikelen 8 en 9, de waterberging binnen dit aanduidingsvlak ingericht is en blijft overeenkomstig bijlage B van het waterhuishouding en rioleringsplan, zoals opgenomen in bijlage 25 van de toelichting, met dien verstande dat deze verplichting per afzonderlijk deelgebied (A., B. of C.), zoals weergegeven in bijlage 4, van toepassing is;
Indien niet aan deze verplichting wordt voldaan is het als zodanig gebruiken van de gronden waarvoor een verplichte inrichting is voorgeschreven in strijd met deze bestemmingen.’
Over de gronden in het plangebied waarvoor de voorwaardelijke verplichting uit artikel 16.1.3 van de planregels niet geldt, heeft de raad toegelicht dat de gemeente deze gronden in eigendom heeft. Op de zitting heeft de raad uitgelegd dat deze gronden, voor zover het gaat om openbaar gebied, in eigendom van de gemeente blijven en niet zullen worden verkocht aan derden. De gemeente is verantwoordelijk voor het grondwaterbeheer in het gebied, evenals voor de afvoer van regen, en zal daarom de benodigde water(bergings)maatregelen treffen. Het planologisch borgen daarvan is volgens de raad daarom niet nodig.
De Afdeling volgt de raad niet in zijn standpunt. De raad vindt het kennelijk nodig dat uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening water(bergings)maatregelen in het gebied worden getroffen, getuige de voorwaardelijke verplichting zoals neergelegd in artikel 16.1.3 van de planregels. Dat dit voor de gronden die in eigendom zijn van de gemeente anders zou zijn, is niet gebleken. Dat de gemeente het in haar hoedanigheid als eigenaar van de gronden feitelijk in haar macht heeft om de maatregelen te realiseren, is naar het oordeel van de Afdeling in dit geval niet voldoende om van het opnemen van een planologische borging voor die gronden af te zien. Daarvoor is van belang wat hiervoor is overwogen over de waterhuishouding ter plaatse en dat door het ontbreken van een planologische regeling voor de gemeentelijke gronden onduidelijk is of, en wanneer, welke maatregel wordt getroffen zodat geborgd is dat de realisatie van de maatregelen op een aanvaardbaar moment zal plaatsvinden. Het betoog slaagt ook in zoverre.
Rechtelijke Instantie : Raad van State
Datum Uitspraak : 23-04-2025
Eclinummer : ECLI:NL:RVS:2025:1840
Ruud Veenhof