Weekoverzicht uitspraken omgevingsrecht

* ABRvS 13 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3804: Awb, Wro; vovo, bpl, woningbouw, omgevingsvergunning, toetsingskader, verminderde lichtinval, schaduwwerking, bezonningsstudie, maximale bouwmogelijkheden, vergunningvrije bouwmogelijkheden, verlies van uitzicht, wijzigingsbesluit, VNG-brochure, gemengd gebied, richtafstand, aanwezigheid bestaande woning, gewasbeschermingsmiddelen, geen concrete plannen, omzetting teelt in kassen naar open teelt
* ABRvS 13 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3820: Awb, Wabo, Gmw; handhaving, dwangsom, verwijderen en verwijderd houden oude woning en oude bijgebouw, overtreding, vergunde aanvraag, tekening nieuwe situatie, sloop oude woning/geen onderdeel vergunning, voorschrift, indienen melding, bewonen twee woningen, strijd bpl, alleen bouwen/niet ook afwijken bpl, impliciete afwijkvergunning, gebruiksovergangsrecht, evenredigheid handhavend optreden, concreet zicht op legalisatie, belang eventuele bewoners oude woning, judiciële lus (Rb Gelderland 20/6669 en 20/6654)
* ABRvS 13 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3875: Awb, Wabo; aanvraag omgevingsvergunning, legaliseren luifel, niet-ontvankelijk, vertrouwensbeginsel, koopovereenkomst, voormalige exploitant, college geen partij, mededeling naar aanleiding van handhavingsverzoek, aanvraag omgevingsvergunning/strijd met redelijke eisen van welstand, overtreder, handelen in strijd met bpl, in stand laten luifel/artikel 2.3a Wabo, in macht om overtreding te beëindigen, erfpachter (Rb Zeeland-West-Brabant 20/9148 en 21/3366)
* ABRvS 13 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3822: Awb, Wabo; omgevingsvergunning diverse bouwwerkzaamheden, vernieuwen bestaande aanbouw, strijd bpl, bouwovergangsrecht/vernieuwing, dossierstukken/oude aanbouw bestond, niet gebleken/gebouwd met vergunning, tekeningen, taxatieverslagen, WOZ-belasting, volledige sloop, volledig vernieuwd, besluit/artikel 6:19 Awb, opnieuw horen, advies, opnieuw in de gelegenheid stellen te worden gehoord, kenbare belangenafweging, geen tussenuitspraak/bestuurlijke lus, nieuwe inventarisatie betrokken belangen, geen geschikt instrument, judiciële lus (Rb Amsterdam 22/1102)
* ABRvS 13 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3871: Awb, Wabo; afwijzing handhavingsverzoek, verbouwingswerkzaamheden, dragende tussenmuur, dragende constructie achtergevel, gezamenlijke muur, fundering, zonder vergunning of in afwijking vergunning, ingediende stukken, goede procesorde, omgevingsvergunningen, constructieve doorbraak, bouwtekeningen, vergunningvrij, draagconstructie versterkt, verandering draagconstructie, herhalen en inlassen beroepsgronden, nieuw besluit/artikel 6:19 Awb, afzien horen belanghebbende, bezwaarschriftprocedure, artikel 6:22 Awb, constructeur, judiciële lus (Rb Rotterdam 21/2589)
* ABRvS 13 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3857: Awb, Gmw; afwijzing handhavingsverzoek, evenement, zonder natuurvergunning, procesbelang, evenement afgelast, evenement niet plaatsgevonden, geen besluitvorming, implementatie Habitatrichtlijn, geen verband met concrete geval, hoger beroep proceskostenveroordeling, procespunt, redelijke termijn niet overschreden (Rb Overijssel 22/493)
* ABRvS 13 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3855: Awb, Wm, Woningwet, Gmw; handhaving, beslissing mondeling gelasten stilleggen sloopwerkzaamheden op schrift stellen, dwangsom, werkzaamheden staken en gestaakt houden, verwijderen asbest, sloopmelding bedrijfsgebouw, verslag van bevindingen, toezichthouders, reguliere controle, vooringenomenheid bezwaarfase, overtredingen, asbestinventarisatierapport, sandwichpanelen, asbesthoudend materiaal, uitvoerder, verantwoordelijk voor het saneren, risicoclassificatie, artikel 5:31d Awb
* ABRvS 13 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3824: Awb, Wabo; weigering omgevingsvergunning, nieuw besluit genomen, weigering ingetrokken, wijzigen verleende omgevingsvergunning, aanbouw/garage, tekening, belanghebbende, naastgelegen perceel, misbruik van recht, garage, achtererfgebied, verkeersbestemming, openbaar toegankelijk gebied, gelijkheidsbeginsel, vertrouwensbeginsel, proceskostenvergoeding rechtsbijstand bezwaarfase (Rb Limburg 21/2848)
* ABRvS 13 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3858: Awb, Wabo; weigering aanvraag omgevingsvergunning afwijken bpl, winkelpand, restaurant, geluid, aanvraag, woon- en leefklimaat, beslissen op aanvraag zoals ingediend, gemeentelijk beleid, handhaving, capaciteit, evenredigheid (Rb Midden-Nederland 22/4042)
* ABRvS 13 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3858: Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouwen en afwijken bpl, tijdelijke huisvesting arbeidsmigranten, nieuwe beroepsgronden, goede procesorde, geheel nieuwe onderwerpen, wonen/logies, ladder voor duurzame verstedelijking, geen nieuwe stedelijke ontwikkeling, toegestane oppervlakte aan gebouwen neemt niet toe, functiewijziging, gemeentelijk beleid, woon- en leefklimaat, gevolgen bedrijfsvoering, verkeer, verkeersintensiteit, verkeerstellingen, verkeersveiligheid, relativiteitsvereiste, vernietiging voorschrift, mogelijkheid instellen hoger beroep, reformatio in peius (Rb Gelderland 22/2115, 22/2120, 22/2138 en 22/2143)
* ABRvS 13 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3841: Awb, Wro, Wabo; bpl, omgevingsvergunning, zonnepark, gecoördineerd voorbereid en bekendgemaakt, ontvankelijkheid beroep, geen machtiging, vertegenwoordigingsbevoegdheid, verzuim/niet hersteld, belanghebbende, rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt, gevolgen van enige betekenis, afstand, coniferen en bebouwing, zienswijze, Varkens in nood, relativiteitsvereiste, inspraak, geen onderdeel geregelde bestemmingsplanprocedure, m.e.r.-beoordelingsbesluit, substantieel karakter, landinrichtingsproject, gemeentelijk beleid, provinciale verordening, borging landschappelijk inpassingsplan, voorwaardelijke verplichting, alternatieven, soortenbescherming, relativiteitsvereiste, verwevenheid, afstand, tijdelijkheid, alsnog m.e.r.-beoordelingsbesluit genomen, rechtsgevolgen in stand laten
* ABRvS 13 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3840: Awb, Wabo; omgevingsvergunning kappen bomen, Middeleeuwse landgoed, woonwijk, aanwezige bebouwing, woonwijk, beschermd dorpsgezicht, zorgvuldigheid voorbereiding besluit, tekening, uitvoeren werk of werkzaamheden, toetsingskader in bpl, natuur- en landschapswaarden, eigendom boom, vellen houtsopstanden, APV, advies ambtelijke landschapsdeskundige, quickscan, diersoorten, vleermuizen, afzonderlijke aanvragen, besluit/artikel 6:19 Awb, vellen houtopstand, afzonderlijke belangen gewaardeerd, belangen afgewogen (Rb Noord-Holland 21/6203 en 21/6208)
* ABRvS 13 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3839: Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouw woning, nieuwe woning ter vervanging bestaande woning, woning met een kelder, twee verdiepingen en een kap, veranda, zwembad, parkeergarage, ruimtelijke gevolgen, bijzondere kapvorm/”Bergense stijl”, bouwhoogte, stedenbouwkundige/positief advies, straat- en bebouwingsbeleid, ruimtelijke karakteristiek, zijdelingse perceelsgrenzen, gebruikswaarde naburige percelen, bouwvlak (Rb Noord-Holland 22/4283 en 22/4291)
* ABRvS 13 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3859: Awb, Wro; bpl, twee bedrijfswoningen, reguliere woonbestemming, vrees aantasting bedrijfsvoering, vrees beperking uitbreidingsmogelijkheden, participatie, inspraakverordening, VNG-brochure, richtafstanden, indicatief karakter, nieuwe situatie, gemengd gebied, vergunningvrije bouw- en gebruiksmogelijkheden, bijbehorend bouwwerk, mantelzorgwoning, inwerkingtreding Omgevingswet, artikel 22.36 omgevingsplan, terugkoppeling aan de wetgever, tussenuitspraak
* ABRvS 13 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3815: Awb, Woningwet; handhaving, dwangsom, verwijderen en verwijderd houden uitrit, aanleggen rijbaan/water op doelmatige wijze afvoeren, landgoed, bouwkavels, rondweg binnenterrein, doeltreffende afwatering, artikel 6.37, derde lid, van het Bouwbesluit 2012, oordeel rechtbank, meetrapport, hoge rand/”rug”, foto’s in het dossier (Rb Oost-Brabant 23/1658)
* ABRvS 13 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3828: Awb, Wnb; natuurvergunning, tijdelijk openstellen vuurtoren, terinzagelegging, ecologische toets, tussenuitspraak rechtbank, voorschrift, aanvraag, openingstijden, rechtsgevolgen in stand gelaten, Afdeling onderschrijft oordeel rechtbank, verkeersbewegingen, passende beoordeling, stikstofdepositie, zoekverkeer, bezoekerscapaciteit, verkeersgeneratie, proceskosten, beroepsmatig verleende rechtsbijstand (Rb Den Haag 21/4175)
* ABRvS 13 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3816: Awb, Wabo, Gmw; handhaving, dwangsom, verwijderen en verwijderd houden auto, strijd bpl, overtreding, groenbestemming, bijzondere omstandigheden, geen concreet zicht op legalisatie, gemeentelijk beleid, hoofdgroenstructuur, dubbelbestemming, geen toezeggingen, gelijkheidsbeginsel, laden en lossen, gebouw bereiken met andere vervoersmiddelen, gevoel van onveiligheid (Rb Amsterdam 22/5751)
* ABRvS 13 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3860: Awb, Wro; bpl, uitbreiding bedrijventerrein, distributiecentrum, naastgelegen bedrijf, veiligheidszone, bewerking metalen met explosieven, omvang van het geschil, externe veiligheid, Explosieven Voorbereidings Ruimte (EVR), planregeling, ontplofbare stoffen subklasse 1.1, Circulaire opslag ontplofbare stoffen voor civiel gebruik, A, B en C-zones, omgevingsvergunning, dagvoorraad, verwijzing naar eerder PlanMER, rechtszekerheid, verwijzing planregels naar Circulaire, tussenuitspraak
# ABRvS 13 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3861: Awb, Wro; bpl, woningbouw, locatie voormalige gemeentekantoor, deel openbare ruimte, inspraak en rechtsbescherming, uniforme openbare voorbereidingsprocedure, terinzagelegging ontwerpbestemmingsplan, inwerkingtreding bpl, toetsingskader omgevingsvergunning, planbegrenzing, beleidsruimte, visie, bouwmogelijkheden, bezonning, privacy, uitspraak voorzieningenrechter, bezonningsstudie, planologische vergelijking, groen en water, alternatief, parkeren, parkeerdruk, uitspraak voorzieningenrechter, deskundigenbericht, voldoende parkeergelegenheid, parkeervraag, ecologisch onderzoek, bestaande situatie, uitvoerbaarheid, stikstofdepositie/relativiteitsvereiste, openbare aanbesteding, rectificatie bekendmaking, toezegging bomenkap
* ABRvS 13 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3865: Awb, Wro; bpl, woningbouw, planologische mogelijkheid bedrijfsbebouwing komt te vervallen, woon- en leefklimaat, landschappelijke kwaliteit, legakkers, ontvankelijkheid beroep, verhuizing, zienswijze, Varkens in nood, participatie, inspraak, geregelde bestemmingsplanprocedure, contactmoment, informatieavond, motie, verhouding tussen raad en college, groenstrook, gemeentelijk beleid, alternatief plan, afwijkend van vastgesteld ruimtelijk kader, vermindering doorzichten
* ABRvS 13 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3834: Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouwen dakkapel en dakopbouw, bezonning/schaduwwerking, zonnepanelen, uitbreiding omvang geschil, beroepsgronden/besluitonderdeel bouwen dakkapel achterzijde woning, efficiënte geschilbeslechting, rechtszekerheid, goede procesorde, termijn aanvullen gronden, procesrechtelijke beslissing, geen verzuim, Procesreglement bestuursrecht, goothoogte, toetsingskader artikel 2.10 Wabo, limitatief-imperatief, hemelwater, Bouwbesluit 2012, verlies rendement zonnepanelen/geen ruimte voor een belangenafweging (Rb Midden-Nederland 23/2439)
* ABRvS 13 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3845: Awb, Wabo; omgevingsvergunning ombouwen tennisvelden naar padelbanen, bouw wanden, geluidwand, uitbreiding hoofdgebouw en lichtmasten, uitleg bpl, bestemming(en) en aanduiding(en) en de daarbij behorende regels/bepalend, rechtszekerheid, letterlijke uitleg, plansystematiek, plantoelichting, bedoeling planwetgever, balsporten, padel/balsport, bewoordingen planregels duidelijk, parkeerplaatsen, parkeerplaatsen, ondergeschikt aan padelbanen, parkeerbehoefte, hoofdbestemmingen planregels, verwezenlijken bouwplan, voorschrift, tussenuitspraak (Rb Overijssel 23/923 en 23/896)
* ABRvS 13 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3835: Awb, Hwv; afwijzing aanvraag vergunning kamerbewoning, gemeentelijke verordening, kennelijke schrijffout, context, vrijwilligerswerk huurders, woonmilieu, leefbaarheid buurt, geluidsoverlast, klachten/bewoners woning, geen grond weigeren gevraagde vergunning, herroepen besluit, opdracht nemen nieuw besluit/verlening vergunning (Rb Rotterdam 21/2847 en 22/4177)
* ABRvS 13 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3831: Awb, Wabo; afwijzing handhavingsverzoek, bedrijfsactiviteiten, vermeende strijd bpl, overtreding, deugdelijke en controleerbare vaststelling van relevante feiten en omstandigheden, deskundig persoon, vastleggen op duidelijke wijze, overleggen foto’s, aard en frequentie komst en aanwezigheid werknemers, ruimtelijke uitstraling, onaangekondigde controles, momentopname, meer dan incidentele bezoeken werknemers, judiciële lus (Rb Den Haag 21/7474)
* ABRvS 13 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3873: Awb, Wabo; weigering omgevingsvergunning, kamergewijze verhuur, geldende bpl/woonbestemming, uitleg bpl, definitie “woning”, geen aansluiting normale spraakgebruik, ruimtelijk relevant, woon- en leefklimaat, huisvestingsverordening, omzettingsvergunning, verkeer, geluid, leefbaarheid, vertrouwensbeginsel (Rb Den Haag 22/3265)
* ABRvS 13 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3836: Awb, Hvw; afwijzing aanvraag vergunning, kamerbewoning, gemeentelijk verordening, vergunningplicht, overzicht meeldingen, tijdig verifiëren, optreden bij overlast, in verdediging geschaad, lockdownperiode, dichtbevolkte wijk, bron van overlast, puntensysteem, Stoplichtmodel, herroepen besluit, opdracht nemen nieuw besluit/verlening vergunning (Rb Rotterdam 22/4772 en 23/2467)
# ABRvS 13 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3866: Awb, Wgh; besluit hogere waarden, woningbouw, toepasselijke recht, Aanvullingswet geluid Omgevingswet, zones langs wegen, bpl, geen hogere waarde, akoestisch onderzoek, wettelijke voorkeursgrenswaarde, bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard, cumulatieve effecten geluidbronnen, akoestische kwaliteit cumulatie/geen wettelijk opgelegde norm, methode Miedema
# ABRvS 13 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3854: Awb, Wro; bpl, woningbouw, wegontwerp, wegcategorie, basiskenmerk Duurzaam Veilig, verkeersveiligheid, planregels, ontsluitingsweg, geluid, binnenstedelijke situaties, voorkeursgrenswaarde, sloot, planologische borging, verkeer, verkeersmodel, verkeersintensiteiten, toekomstige verkeerssituatie, provinciaal inpassingsplan, voorwaardelijke verplichting, rekenresultaten, geen reconstructie, geen geluidbeperkende maatregelen, geluidbeleid, geluidluwe buitenruimte
* ABRvS 13 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3667: Awb, Wabo; omgevingsvergunningen, woningbouw, wateroverlast, opdracht Afdeling nieuwe besluiten, vergunningen in stand gebleven, extra maatregelen/wateroverlast voorkomen, omvang van het geding, eindoordelen, niet terugkomen, uitzonderlijke gevallen, civielrechtelijke schadevergoedingsprocedure, negatieve hydrologische gevolgen, veranderingen grondwaterstanden, stedelijk waterprogramma, afvoerlocatie, monitoring, beheer en onderhoud, effectiviteit maatregel, afvoercapaciteit drain, uitspraak na judiciële lus
* ABRvS 13 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3837: Awb, Wro; bpl, woningbouw, omwonende, woon- en leefklimaat, vertrouwensbeginsel, uitzicht, afstand, maximale bouwhoogte, geen aanspraak blijvend vrij uitzicht, verkeer, verkeersstructuur, mobiliteitstoets, verkeersveiligheid, lichthinder, auto’s/draaien op de weg, waardevermindering, natuur, soortenbescherming, uitvoerbaarheid, quick scan, mitigerende maatregelen, vogelbroedseizoen, ontheffing waterspitsmuis, hinder uitvoeringsfase
* ABRvS 13 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3851: Awb, Hvw; handhaving, dwangsom, kamerverhuur, zonder vergunning, procesbelang, geen einddatum last, dwangsom nog van kracht, opheffing last/nog niet op beslist, herhaling aangevoerde in beroep, gemotiveerde bespreking rechtbank, geen toezegging (Rb Rotterdam 23/4668)
* ABRvS 13 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3850: Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouwen en afwijken bpl, bouw woning, goothoogte veranda woning, oppervlakte garage, juiste peil, hoogteverschil een gegeven, omgevingsvergunning bouwen/geen ruimte voor een belangenafweging, goede ruimtelijke ordening/aangevraagde afwijking, hoogte en oppervlakte, beperkte ruimtelijke impact, geen verhoogd risico wateroverlast (Rb Gelderland 24/2407)
* ABRvS 13 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3832: Awb, Wro; bpl, nieuwe invulling bedrijventerrein, belang bij bestaande infrastructuur, bereikbaarheid, vervallen lus, woordelijke herhaling zienswijze, gemotiveerd ingegaan bij beantwoording zienswijze, motivering/onjuist of onvolledig
* ABRvS 13 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3849: Awb, Wro; bpl, woningbouw, woon- en leefklimaat, wijzigen uitzicht, landschap, afstand, bouwhoogte, mogelijkheden voorheen geldende bpl, landschappelijke inpassing, parkeren, berekening parkeerbehoefte, CROW-publicatie 381 ‘Toekomstbestendig parkeren; van parkeerkencijfers naar parkeernormen’, gemeentelijke parkeernota, verkeersdruk, verkeersveiligheid, nota beantwoording zienswijzen
* ABRvS 13 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3826: Awb, Wm, Gmw; spoedeisende bestuursdwang, gemeentelijke afvalstoffenverordening, aanbieden huishoudelijke afvalstoffen, kosten toepassing bestuursdwang, stuk karton, bewijsvermoeden, adreslabel, foto container, onvoldoende twijfel gezaaid
* ABRvS 13 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3868: Awb, Wabo; omgevingsvergunning realiseren twee bouwwerken boven elkaar in het achterdakvlak, lessenaarsdak, woonbestemming, bouwregels, geen bouwregels dakkappelen in achterdakvlak, juiste uitleg, specifieke regeling, ruimtelijk gezien minder bezwaarlijk, planregels op zichzelf duidelijk, gebrek niet hersteld, besluit/artikel 6:19 Awb, vervanging eerder besluit/uitvoering uitspraak rechtbank, geen onderwerp geding, onvoldoende belang, andere aanvraag, identiek aan dakkapel/besluit in rechte onaantastbaar (Rb Noord-Holland 23/2453)
* ABRvS 13 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3825: Awb, TwG, BW; woning niet versterken, veiligheidsnorm, bewijsvermoeden speelt geen rol, Mijnbouwwet, Meijdam-norm, kans op overlijden door instorten woning bij aardbeving, landelijke veiligheidsnorm, Nederlandse Praktijkrichtlijn (NPR), constructeurs, geen gronden tegen motivering besluit
* ABRvS 13 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3862: Awb, Erfgoedwet; verzoek schrappen pand uit Rijksmonumentenregister, telefonische voorstel, schriftelijke verzoek, cultuurhistorische waarden, handhaven op monumentenlijst, bezwaar niet-ontvankelijk, beleidsregel, waarderingscriteria, deskundigenrapport, belangenafweging, subsidie, geen aanleiding ander oordeel, voornemen starten procedure afvoering monumentenlijst, geen gevolg aan gegeven, adviesaanvraag of wijzigingsverzoek/niet gebleken (Rb Overijssel 24/3020)
* ABRvS 13 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3863: Awb, Wm, Gmw; spoedeisende bestuursdwang, gemeentelijke afvalstoffenverordening, aanbieden huishoudelijke afvalstoffen, kosten toepassing bestuursdwang, huisvuilzak verkeerd aangeboden, in beginsel voor rekening overtreder, omstandigheid ORAC vol, verplichting om op juiste wijze ter inzameling aan te bieden, niet onevenredig bezwarend, mee terug nemen naar huis, onhygiënisch
* ABRvS 13 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3864: Awb, Wm, Gmw; spoedeisende bestuursdwang, gemeentelijke afvalstoffenverordening, aanbieden huishoudelijke afvalstoffen, kosten toepassing bestuursdwang, niet aan appellante te wijten, college heeft besluit ingetrokken, niet te betalen, toezegging/terugbetalen, geheel tegemoetgekomen aan beroep, geen belang bij inhoudelijke beoordeling, beroep/niet-ontvankelijk
* ABRvS 13 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3823: Awb, Wm, Gmw; aanwijzing locaties afvalinzameling, gemeentelijke afvalstoffenverordening, twee te realiseren woongebouwen, appartementen, nieuwbouwwijk, ondergrondse restafvalcontainer, een ondergrondse container voor PMD-afval en een Groente en Fruitafval (GF)-zuil, realiseren appartementen, voornemen verlenen omgevingsvergunning, bekendgemaakt in Gemeenteblad, hydrologische gevolgen, advies deskundige, uitgangspunten, open waterverbinding, peil watergang, afstromen watergang, maatregel
* ABRvS 13 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3867: Awb, Wm, Gmw; aanwijzing locaties plaatsen ondergrondse containers, gemeentelijke afvalstoffenverordening, één huishoudelijk restafval en één oud papier en karton, inzameling huishoudelijk afval, bewoners tegenover gelegen appartementencomplex, bekenmaking, kennelijke verschrijving straatnaam, belanghebbende, Varkens in nood, locatiekeuze, locatiecriteria, beleidsregels, geschiktheid locatie, geluid, geur, verkeer, normale omstandigheden, locatiespecifieke of andere bijzondere omstandigheden, afstand, alternatieven
* Rechtbank Midden-Nederland 13 augustus 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:4325: Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouwen en afwijken bpl, transformeren kantoorpand naar moskee, parkeren, parkeernorm per bidplaats, religiegebouw, maximale bezetting, aanvraag, bijbehorende schetsen, aantal minaretten, windwokkel
* College van Beroep voor het bedrijfsleven 12 augustus 2025, ECLI:NL:CBB:2025:412: Awb, Msw; boete, gebruiksnormen dierlijke meststoffen en stikstof, materiële bewijslast, memorie van toelichting, gebruiksnormensysteem, administratie, meststoffenhuishouding, landbouwbedrijf, concrete feiten en omstandigheden, stikstofvervluchtiging, forfaitaire productienormen, Uitvoeringsbesluit Msw, BEX-berekening, werking stalsystemen, stikstofverlies, vertrouwensbeginsel, overschrijding redelijke termijn, matiging boete (Rb Zeeland-West-Brabant 23/1612)
* ABRvS 11 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3761: Awb, Wabo, Gmw; vovo, handhaving, dwangsom, tuinhuis, hekwerk, spoedeisend belang, belangenafweging, belangen college, belang verzoekers niet hoeven afbreken tuinhuis, treffen voorlopige voorziening (Rb Den Haag 24/8796)
* Rechtbank Rotterdam 8 augustus 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:9638: Awb, Wm, Wabo; afwijzing aanvraag omgevingsvergunning beperkte milieutoets, afwijzing verzoek wijzigen maatwerkvoorschriften geluid, rechtstreeks beroep, toepasselijke recht, Invoeringswet Omgevingswet, inrichting betonmortel en metselspecie, revisievergunning, geluidvoorschriften, langtijdgemiddeld beoordelingsniveau, maximaal geluidniveau, industrieterrein, geluidzone/Koninklijk Besluit, Wgh, verbeelding bpl, eerstvolgende bpl/niet meer opgenomen, wijzigingen geluidszone, beperkingen geluidruimte, geluidzone niet gewijzigd, beste beschikbare technieken, beleidsvrijheid, terughoudend toetsen, bedrijfstijden, geluidscherm, vernietiging, nemen nieuwe besluit
* ABRvS 8 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3764: Awb, Wro; vovo, bpl, buitengebied, beschermd wonen (jong)volwassenen, maatschappelijke bestemming, onder overgangsrecht brengen gebruik, plannen woonvoorzieningen uitbreiden, aanbouw, behoefte, bestaande gebruik als zodanig moeten bestemmen, niet onder overgangsrecht mogen brengen, bodemprocedure, omgevingsvergunning voor het afwijken aanvragen, vergunningvrij realiseren, vergunningenprocedure/kosten en tijd, beperkte aard, omvang en ruimtelijke uitstraling, meer vergunningvrije bouwmogelijkheden
Rechtbank Limburg 8 augustus 2025, ECLI:NL:RBLIM:2025:7827: Awb, Ow; vovo en kortsluiten, handhaving, dwangsom, bewoning bedrijfswoning, bpl, onderdeel omgevingsplan, spoedeisend belang, ex-partner, bewoning door eiseres met haar zoon, uitleg bpl, begripsomschrijving “bedrijfswoning”, noodzakelijk c.q. gewenst, onderneming, niet gebruikt als bedrijfswoning, bevoegd tot opleggen last onder dwangsom, beginselplicht tot handhaving, bijzondere omstandigheden, gelijkheidsbeginsel, feitelijke en rechtens vergelijkbare gevallen, geen gedogen, voorkeursrecht, kadastrale splitsing, evenredigheid, hoogte dwangsom
* Rechtbank Noord-Nederland 8 augustus 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:3305: Awb, Wabo; weigering omgevingsvergunning realiseren twee padelbanen, uitleg bpl, geen strijd bpl, sportbestemming, sport- en speelvelden, geen definities “sport” en “sport- en speelvelden”, ruime definities, padelbanen toegelaten, niet-bindende plantoelichting, planregels duidelijk, geen betekenis plantoelichting, geen andere weigeringsgrond, limitatief-imperatief stelsel, vernietiging bestreden besluit, opdragen nemen nieuw besluit op bezwaar
Rechtbank Rotterdam 7 augustus 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:9750: Awb, Ow; vovo, handhaving, dwangsom, milieubelastende activiteit, glastuinbouw, Besluit activiteiten leefomgeving, overlastmeldingen, geur, cannabis, maatwerkvoorschriften, maatwerkbesluit, spoedeisend belang, ordemaatregel, schorsing/uitstrekken tot latere besluiten van dezelfde strekking, verschillende grondslagen, 2.11 Bal/voorschrift maatwerkbesluit, artikel 6:19 Awb, artikel 5:6 Awb, niet dezelfde overtreding, artikel 5:8 Awb, overtreding, niet evident onrechtmatig, duidelijkheid last, geuronderzoek, geurbeleid, hinderniveau, evenredigheid, lengte begunstigingstermijn
* Rechtbank Noord-Nederland 7 augustus 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:3255: Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning realiseren twee padelbanen, tennisclub, omgevingsplan, sport- en groenbestemming, onverwijlde spoed, niet kortsluiten, nader onderzoek, geluidsmetingen (laten) verrichten, meetresultaten, recreatiewoningen en tenten, richtwaarden, Handreiking Padel en Geluid Januari 2023, verblijfsklimaat, geen geluidsgevoelige objecten, belangenafweging, akoestische kwalificatie aard omgeving, akoestische gevolgen, geluidwerende voorzieningen, toewijzing verzoek, opdracht tot verrichten geluidmetingen, opdracht motiveren kwalificatie aard omgeving
* Rechtbank Zeeland-West-Brabant 7 augustus 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:5357: Awb, Wnb; vovo, niet tijdig nemen beslissing op handhavingsverzoek, handhavingsbesluit gedeeltelijk toe- en afgewezen, visserij, vaartuigen, maximale jaarlijkse vangsthoeveelheid ensis (quotum) per Natura 2000-gebied, natuurvergunning, vis- en vaaruren per stikstofvlak, stikstofdepositie, bereiken gezamenlijke quotum in de vergunning, relativiteitsvereiste, bezwaarprocedure/beroepsprocedure, spoedeisend belang, quotum nog niet bereikt, Visserijbond, handhavend optreden doorvissen, activiteiten voortzetten in andere gebieden, minder lucratief, financieel belang/in beginsel geen voldoende spoedeisend belang, afwijzing verzoek
* Rechtbank Midden-Nederland 7 augustus 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:4242: Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning afwijken bpl, gestapelde flexwoningen, spoedprocedure, onomkeerbare gevolgen voorkomen, onverwijlde spoed, spoedeisend belang, belanghebbende, reguliere voorbereidingsprocedure, afstand, direct zicht, parkeren, parkeerplaatsen, duur, Chw, Bor, vergunningvoorschrift, beslissen op de aanvraag, locatie, alternatieve locaties, ladder voor duurzame verstedelijking, stedelijk gebied, behoefte, terughoudende toets, woningcrisis, provinciale verordening, bodemdaling, gemeentelijk beleid, Bouwbesluit 2012, uitrit, verkeersveiligheid, verkeersbewegingen, verkeerscapaciteit, belangenafweging
* Gerecht in eerste aanleg van Curaçao 6 augustus 2025, ECLI:NL:OGEAC:2025:166: Lar; bouwvergunning appartementen, zes bouwblokken, ontvankelijkheid, belanghebbende, rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt, gevolgen van enige betekenis, afstand, omvang project, zicht, geen machtiging, rechtsgeldige wijze vertegenwoordigd/niet gebleken, Bouw- en woningverordening, Tourism Masterplan, begrip “toeristisch project”, aanvraag en toelichting daarop, woningdichtheid, bouwhoogte, belangenafweging, planwetgever, gevelrooilijn, flora en fauna
* Rechtbank Limburg 6 augustus 2025, ECLI:NL:RBLIM:2025:7734: Awb, Arbeidsomstandighedenwet; schorsing procescertificaat asbestverwijdering, Certificatieschema voor Procescertificaten Asbestinventarisatie en Asbestverwijdering, certificerende instelling, procesbelang, wettelijke grondslag, audit, voorbereidende werkzaamheden, asbestverwijderingswerkzaamheden, eindbeoordeling, decontaminatie, risico arbeidsveiligheid en verspreiding asbestvezels, hardheidsclausule
* Rechtbank Limburg 6 augustus 2025, ECLI:NL:RBLIM:2025:7738: Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouwen en milieu, veranderen varkenshouderij en bouwen varkensstal, bedrijfsmatig houden varkens, Hinderwetvergunning, Wm-vergunning, revisievergunning, feitelijke situatie, onduidelijkheid, bestaande rechten nog golden, tijdig indienen beroep, uitgebreide voorbereidingsprocedure, eerste dag terinzagelegging, nieuwe beroepsgronden/strijd goede procesorde, artikel 2.14 Wabo, bestaande toestand milieu, AERIUS-verschilberekening, milieubeleidsplan, BBT, ammoniakemissie, Besluit emissiearme huisvesting/intern salderen, huisvestingssystemen, BBT-conclusie van 1 tot en met 34, actualiseren vergunningvoorschriften
* Rechtbank Midden-Nederland 6 augustus 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:4191: Awb, Wabo; revisievergunning, luchthaven, omgevingsvergunning milieuactiviteit, artikel 2.14 Wabo, bescherming van het milieu, beoordelingsruimte, beslissen op aanvraag, grondgebonden activiteiten, aantal vliegtuigbewegingen, groot handelsverkeer, luchthavenbesluit, financiële uitvoerbaarheid, nieuwbouw, natuurvergunning, Wabo/bijzondere regeling, abbb/Awb, geluid, exceptieve toetsing
* Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 5 augustus 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:4883: BW; kort geding, geitenhouderij, klachten geur en geluid, grondwal, procedure/ongedaan maken verwijderen grondwal, omgevingsdienst, last, verwijderen wal zonder omgevingsvergunning, spoedeisend belang, schriftelijke verklaringen, omwonenden gezamenlijk opgesteld, reden voor voorzichtigheid, gezondheidsrisico’s, met een redelijke mate van zekerheid dreigen, onrechtmatige hinder/zonder grondwal, aard en omvang hinder, geen misbruik van recht of bevoegdheid
* Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 5 augustus 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:4875: BW; omgevingsvergunning bouw werktuigenberging, gemeente vergunning geweigerd, besluit vernietigd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, schadevergoeding, gestegen bouwkosten, huurkosten, omvang schade, schadeperiode, offertes, facturen en betalingsbewijzen/sluiten niet aan op de schadeperiode, peildata, schade kan niet concreet worden berekend, indexcijfers, nieuwbouwwoningen, bouwkostenstijging, staalprijsindex, kosten grondwerk, aanleg nutsvoorzieningen en verharding buitenterrein, belanghebbende, bestuursrechtelijk rechtsmiddel aanwenden, formele rechtskracht, motiveringsbeginsel, volgen deskundigenadvies, artikelen 3:2 en 3:9 Awb, strekt niet tot bescherming vermogensbelangen, concentratie debat, spoedige afdoening geschil, memorie van grieven, waarheidsplicht artikel 21 Rv, cessie/akte nodig
* Rechtbank Noord-Holland 5 augustus 2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:8688: BW; kort geding, gemeente grondeigenaar, recht van opstal verleend, oprichten en exploiteren windmolen, opnieuw recht van opstal, “enige serieuze gegadigde”, Didam-arrest, gelegenheid meedingen opstalrecht, gebod intrekken publicatie, verbod verdere uitvoering voornemen uitgeven opstalrecht, openbare selectieprocedure organiseren, spoedeisend belang, objectieve, toetsbare en redelijke criteria, daadwerkelijk opwekken duurzame energie, participatie, netcongestie
* Rechtbank Noord-Holland 5 augustus 2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:9342: Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouw nieuwbouw woning, strijd bpl/afwijkingen vergund, verlaging dakhelling, bebouwingsbeeld, de landschappelijke waarden en gebruiksmogelijkheden omliggende gronden, betonnen muur, erfafscheiding, redelijke eisen van welstand
* Rechtbank Overijssel 5 augustus 2025, ECLI:NL:RBOVE:2025:5139: Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouwen en afwijken bpl, appartementencomplex, tussenuitspraak, herstelbesluit na tussenuitspraak, wijzigen perceelnummer, strijdigheid bpl, bouwen buiten bouwvlak, overschrijding maximale bouwhoogte, aanvulling motivering, herhaling eerder aangevoerde, oordeel gegeven in tussenuitspraak, gebreken hersteld, rechtsgevolgen in stand laten, einduitspraak na tussenuitspraak
* Rechtbank Gelderland 5 augustus 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:6407: Awb, Msw; boetes, overschrijding gebruiksnorm dierlijke meststoffen, stikstofgebruiksnorm en fosfaatgebruiksnorm, onderzoek NVWA, voor twee kalenderjaren opgelegde boetes/één besluit, overtredingen, uitkomsten analyse monsters, dunne fractie, regulier vervoer meststoffen, voorgeschreven methode, gemiddelde fosfaat- en stikstofgehalte, werkelijke fosfaat- en stikstofgehaltes, zelf in de zaak voorzien, herroepen boetebesluiten, overschrijding redelijke termijn, schadevergoeding (Rb Midden-Nederland 548326)
* Rechtbank Amsterdam 5 augustus 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:5773: Awb, Gmw; afwijzing verzoek om nadeelcompensatie, bagelzaak, omzetschade, herinrichting Waterlooplein, gemeentelijke verordening, voorzienbaarheid, investeringsbeslissing, redelijk denkend en handelend ondernemer, concrete beleidsvoornemens die openbaar zijn gemaakt, beleidsnotitie, situatie in nadelige zin zou veranderen, aard, ernst, omvang en duur van de hinder, overschrijding redelijke termijn, schadevergoeding
Rechtbank Noord-Holland 4 augustus 2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:8901: Awb, Ow; vovo, handhaving, dwangsom, overtreding omgevingsplan, botenhuis, beginselplicht tot handhaving, tijdsverloop, zicht op legalisatie, ontvankelijke aanvraag, geen medewerking afwijken omgevingsplan, aanvraag buiten behandeling gesteld, gelijkheidsbeginsel, prioriteitsstelling, handhavingsplan, gemeentelijke nota, geen rechtens relevant onderscheid, afwijzing beroep gelijkheidsbeginsel/onvoldoende gemotiveerd, opschorting begunstigingstermijn, afbreken botenhuis zoals gelast/ingrijpend, belang voorkomen afbreken, belang niet langer hoeven dulden verlies aan uitzicht, toewijzing verzoek
* Rechtbank Noord-Nederland 1 augustus 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:3257: Awb, TwG, BW; bezwaar niet-ontvankelijk, aanvraag toekennen schadevergoeding, fysieke schade woning, overeenkomst, akte van levering, cessie, rechtspraak Hoge Raad, Haviltex-maatstaf, prejudiciële vragen aan de Afdeling, zuiver taalkundige uitleg, maatschappelijke kringen, rechtskennis, standaardbepaling, mijnbouw, bedoeling van partijen, geen wilsovereenstemming, geen (stille) cessie
Rechtbank Noord-Holland 31 juli 2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:8844: Awb, Ow; vovo, mededeling geen omgevingsvergunning benodigd technische bouwactiviteit en omgevingsplanactiviteit voor bewoning, weigering aanvraag omgevingsvergunning voor bopa en omgevingsplanactiviteit in verband met parkeren, bruidsschat/voormalige rijksregels, tijdelijk deel omgevingsplan, redelijke kans van slagen bezwaar, Besluit bouwwerken leefomgeving, indeling brandcompartimenten, schorsing/geen gevolgen, geen (expliciete) toestemming voor realiseren woon- en bouwplannen, nader overleg
* Rechtbank Noord-Nederland 31 juli 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:3149: Awb, TwG, BW; mijnbouwschade, fysieke schade, gedeeltelijke afwijzing aanvraag vergoeding schade woning, omvang van het geding, verschillende trajecten, politiek besluit, versterkingstraject, Agroprogramma, beoordeeld door NAM, herstelmethode, calculatiemodel, NCG, expliciete taakverdeling, aanvullende vergoeding, prijspeil, zelf in de zaak voorzien
Rechtbank Limburg 30 juli 2025, ECLI:NL:RBLIM:2025:7756: Awb, Ow; vovo, handhaving, dwangsom, houten gebouw, zeecontainer met aangebouwde overkapping, spoedeisend belang, begunstigingstermijn, sloop/onomkeerbaar, zienswijze, overtreding, strijd tijdelijk deel omgevingsplan, geen omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit, beginselplicht tot handhaving, bijzondere omstandigheden, vertrouwensbeginsel, gelijkheidsbeginsel, fair play, hoogte begunstigingstermijn, duur begunstigingstermijn, ordemaatregel, schorsen begunstigingstermijn, tijd om zelf maatregelen te treffen, voldoen aan last/zonder verbeuren dwangsommen
Rechtbank Noord-Holland 30 juli 2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:8816: Awb, Ow; vovo, handhaving, dwangsom, werkzaamheden, aanleg elektriciteits- en watervoorzieningen, geen omgevingsvergunning, controle, verdergaande graafwerkzaamheden, leiding en kabel aangelegd en aangesloten, voornemen invordering, (spoedeisend) belang, lod overtreden, inmiddels uitgewerkt, geen dwangsom meer kunnen verbeuren, doel schorsing, niet meer worden bereikt/geen belang meer bij, nog geen invorderingsbeschikking/nog geen belang, geen spoedeisend belang, afwijzing verzoek
* Rechtbank Rotterdam 30 juli 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:9562: Awb, Wm, Gmw; aanslag afvalstoffenheffing, gemeentelijke verordening, verplichting inzameling huishoudelijke afvalstoffen, waar huishoudelijke afvalstoffen kunnen ontstaan, instellen heffing, feitelijk gebruik maken perceel, tarief, huishoudens zonder container, inzamelingsplicht, inzamelen door een derde partij, heffingsambtenaar bevoegd/opleggen aanslag afvalstoffenheffing
* Rechtbank Noord-Nederland 30 juli 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:3271: BW; aardbevingszaak, eigenaresse appartementencomplex, verduurzamen, vergroten hoog- en laagbouw, constructeur, renovatieplannen/beoordeling aardbevingsbestendigheid, NPR 9998, seismische ontwerpeisen, vordering/schadevergoeding, meerkosten aardbevingsbestendig renoveren, aansprakelijkheid, risicoaansprakelijkheid NAM, maatregel redelijk, dubbele redelijkheidstoets, wettelijk bewijsvermoeden, verzwaarde stelplicht, steenstrips langsgevels, burg over de laagbouw, windverbanden, metselwerk balkons (borstweringen)< maatregel kopgevels, interne kosten, projectmanager, gedeeltelijke toewijzing vordering
* Rechtbank Den Haag 29 juli 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:14486: Awb, Wabo; omgevingsvergunning verandering inrichting, (maatwerk)voorschriften, productie synthetische organische polymeren, belanghebbende, volkstuin, PFAS, rapport RIVM, afstand, gevolgen van enige betekenis, ILT/geen belanghebbende, rol toezichthouder onvoldoende, meetfrequentie, meetregime, PFOA, PFPA, ZZS, onderzoeksverplichting, noodplan, calamiteiten, interne ongevallen, relativiteitsvereiste
* Rechtbank Den Haag 29 juli 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:14482: Awb, Wabo; omgevingsvergunning veranderen inrichting, (maatwerk)voorschriften, productie synthetische organische polymeren, PFAS, drinkwaterbedrijven, belanghebbende, potentiële cumulatie, wetenschappelijke onzekerheid, ZZS, procesbelang, Besluit activiteiten leefomgeving, voorzorgsbeginsel, Activiteitenbesluit milieubeheer, milieutechnische beoordelingsruimte, belang bescherming van het milieu, VWEU, Mededeling, REACH-verordening, pZZS, OSPAR-verdrag, toepassing voorzorgsbeginsel, ECHA-beoordelingslijsten, afvalwater, meetfrequentie, hemelwater, procesinstallaties
* Rechtbank Den Haag 29 juli 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:14481: Awb, Wabo; omgevingsvergunning veranderen inrichting, (maatwerk)voorschriften, productie synthetische organische polymeren, PFAS, drinkwaterbedrijven, belanghebbende, potentiële cumulatie, wetenschappelijke onzekerheid, ZZS, volkstuin, rapport RIVM, documenten aanvraag/onderdeel vergunning, belang bescherming van het milieu, onduidelijkheid en rechtsonzekere situaties, handhaafbaar, bodemrisico-inventarisatie, nulsituatiebodemonderzoek, algemene opmerkingen, REACH, procesbelang, Besluit activiteiten leefomgeving, voorzorgsbeginsel, Activiteitenbesluit milieubeheer, milieutechnische beoordelingsruimte, VWEU, Mededeling, REACH-verordening, pZZS, OSPAR-verdrag, toepassing voorzorgsbeginsel, ECHA-beoordelingslijsten, doorkruising Wm, ongewoon voorval, niveau afvalstof, Besluit melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen, doelmatig beheer afvalstoffen, afvalpreventieonderzoek, landelijke overheidsbeleid, geldende afvalbeheerplan, Algemene beoordelingsmethodiek, procesinstallaties
* Rechtbank Gelderland 28 juli 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:6477: Awb, Wabo; omgevingsvergunning beperkte milieutoets, natuurvergunning, aanvraag niet in behandeling, geen belanghebbende, verbod provinciale verordening/vestiging geitenhouderij, aanvrager/belanghebbende, uitzonderingen, voorkomen inefficiëntie, geldende beoordelingssystematiek, gefaseerde aanvraag, publiekrechtelijke variant privaatrechtelijke belemmering
* Rechtbank Limburg 25 juli 2025, ECLI:NL:RBLIM:2025:7322: Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouwen, aanleggen, afwijken bpl en verstoren rijksmonument, natuurzwemvijver, redelijke eisen van welstand, monumentencommissie, locatiebezoek, akkoord, geen aanleiding om te twijfelen aan inhoud of totstandkoming advies, aangevraagde gebruik, strijdigheid bpl, aanlegvergunning, onevenredige aantasting beschermde waarden, waterbuffering, waterhuishouding, natuurwaarde, ecologische rapporten, ruimtelijke impact, ruimtelijke onderbouwing, precedentwerking
* Rechtbank Den Haag 25 juli 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:13508: Awb, Wabo; weigering aanvraag omgevingsvergunning realiseren gebouw, aanvullende motivering, geen bouwvlak, beleidsruimte, afwegen betrokken belangen, behoud ruimte in plassengebied, toestaan (recreatie)woning, druk op natuur- en landschapswaarden, evenredigheid, woonbestemming, aankoop, toekennen andere bestemming, mogelijkheid realiseren berghut/schuilhut, recreëren, gebrek hersteld, einduitspraak na tussenuitspraak
* Rechtbank Limburg 25 juli 2025, ECLI:NL:RBLIM:2025:7381: Awb, Wabo, Gmw; handhaving, dwangsom, huisvesting arbeidsmigranten, overtreding, paraplubestemmingsplan, geen verbod tot huisvesten arbeidsmigranten, binnenplanse afwijkingsbevoegdheid, ook geen impliciet verbod, bestemmingsplan zelf, begrip “bedrijfswoning”, werkzaam op andere locaties, noodzakelijk, hobbymatig agrarisch gebruik, melkveehouderij, beginselplicht tot handhaving, evenredigheid, overlast, planologische uitgangspunten, precedentwerking, weigering omgevingsvergunning afwijken bpl, criterium “in de nabijheid van”, werkgelegenheidsgebied, normale spraakgebruik, zekere fysieke of geografische nabijheid, afstand, functionele verbondenheid, niet voldaan aan cumulatieve voorwaarden, passeren gebrek
* Rechtbank Limburg 24 juli 2025, ECLI:NL:RBLIM:2025:7287: Awb, Wabo, Wm; afwijzing handhavingsverzoeken, vliegactiviteiten, modelvliegsportvereniging, overtreding, bpl, sportbestemming, vlieggebied op grond van maatwerkvoorschriften, uitleg planregels, rechtszekerheid, letterlijke uitleg, gronden/luchtruim, voorbereiding, controles, vliegen buiten vlieggebied, (incidentele) overtredingen, preventieve last onder dwangsom, motiveringsgebrek
* Rechtbank Gelderland 23 juli 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:6476: Awb, Wnb; ontheffing, besluit tot verlenging werkingsduur ontheffing, projectplan, maatregelenpakket, verbeteren natuurkwaliteit en klimaatrobuustheid, poelkikker, waterspitsmuis, relativiteitsvereiste, natuurlijke personen, afstand, verwevenheid, bedrijven, bedrijfsvoering op een relevante wijze wordt beïnvloed, voorschriften, geschikt leefgebied, schade, artikel 8 EVRM, geen inbreuk op het privéleven
* Rechtbank Den Haag 23 juli 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:13850: Awb, Wro; afwijzing aanvraag tegemoetkoming in planschade, waardevaststelling, planschadebeoordelingen, hetzelfde planschadeadviesbureau, getaxeerde waardevermindering, onafhankelijke deskundige op het gebied van planschade, geen tegenadvies, zorgvuldig tot stand gekomen, redenering begrijpelijk, vergoedbaarheid, normaal maatschappelijk risico, overzichtsuitspraak, actualisering planologisch regime, (verhoogd) NMR, wettelijke looptijd, wettelijk minimumforfait, ruimtelijke structuur omgeving, stedenbouwkundige inpassing ontwikkeling in het gebied, reeks van jaren gevoerd ruimtelijk beleid, overige omstandigheden, voorzienbaarheid
* Rechtbank Den Haag 22 juli 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:13986: Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouwen, vergroten woning door maken dakopbouw, goede procesorde, zorgvuldigheid bezwaarprocedure, dossier, bouwtekening, relativiteitsvereiste, welstand, welstandsadvies, geen concrete aanknopingspunten voor twijfel, planregels beschermd stadsgezicht, welstandscommissie, na aanpassing positief geadviseerd, geen strijd bpl, dakterras/opgenomen op bouwtekening, onderdeel aanvraag en vergund
* Rechtbank Rotterdam 22 juli 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:9656: Sr, Sv, Wed, Wm; containers, afvalstoffen, Europese verordening nr. 1013/2006, EVOA, procedures grensoverschrijdende overbrenging afvalstoffen, aard afvalstof, beoogde wijze verwerken en land van bestemming/welke procedure, kennisgevingsprocedure, bewijsmiddelen, afvalstoffen, indirect bestuurder en aandeelhouder, samenwerking, samenwerkingsovereenkomst, op de hoogte van EVOA-wetgeving, onmisbare schakel, nauwe en bewuste samenwerking, toerekening aan rechtspersoon, medewerking verdachte rechtspersoon, arbeidsrelatie, normale bedrijfsvoering, recyclingbedrijf, dienstig geweest, in haar macht of gedragingen al dan niet zouden plaatsvinden, strafbaarheid, motivering straf, ernstige feiten, vervuiling, geldboete
* Rechtbank Rotterdam 22 juli 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:9651: Sr, Sv, Wed, Wm; containers, afvalstoffen, Europese verordening nr. 1013/2006, EVOA, procedures grensoverschrijdende overbrenging afvalstoffen, aard afvalstof, beoogde wijze verwerken en land van bestemming/welke procedure, kennisgevingsprocedure, (indirect) bestuurder, samenwerking, samenwerkingsovereenkomst, op de hoogte van EVOA-wetgeving, normale bedrijfsvoering, in de macht, niet voldoende zorg betracht/voorkomen verboden gedragingen, nauwe en bewuste samenwerking, opzet, feitelijk leidinggeven, strafbaarheid, motivering straf, vervuiling, ernst en omvang feiten, grootschaligheid en stelselmatige karakter overtredingen, forse overschrijding redelijke termijn, taakstraf
* Rechtbank Rotterdam 22 juli 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:9631: Sr, Sv, Wed, Wm; ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel, veroordeling, meermaals opzettelijk overtreden van een voorschrift gesteld bij artikel 10.60, tweede lid, van de Wm, overbrengen van containers met afvalstoffen naar derde landen, EVOA, ontvankelijkheid OvJ, goede procesorde, ontnemingsrapport, opbrengst container, facturen, valsheid in geschrifte, schatting voordeel, overschrijding redelijke termijn, draagkracht
* Rechtbank Limburg 22 juli 2025, ECLI:NL:RBLIM:2025:7188: Awb, Wabo; tijdelijke omgevingsvergunning, afwijken bpl, woonurgente doelgroepen, verklaring van geen bedenkingen, delegatiebesluit, beleidskaders, woningbouwprogramma, vertrouwensbeginsel, geen toezegging, kans op overlast, geluidoverlast, toereikende beheersmaatregel, privacy, verkeer, verkeersgeneratie, eigen parkeergelegenheid, vergunningvoorschrift, handhaven, rechtszekerheidsbeginsel
* Rechtbank Midden-Nederland 21 juli 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:3538: Awb, Wvw 1994; verkeersbesluit, twee parkeerplaatsen, aanwijzing voor opladen elektrische voertuigen, geen machtiging overgelegd, niet-ontvankelijk, beslistermijn bezwaar, adviescommissie ingesteld, hoorzitting, tijdig op bezwaar beslist, beoordelingsruimte, belangenafweging, beleidsruimte, evenredigheid, beleidsregels, publieke laadpaal, toetsingscriteria, loopafstand, bezettingsgraad, oplaadlocatie, verkeersveiligheid, afmeting parkeerplekken, alternatieve locaties, meting bezettingsgraad, tussenuitspraak
Rechtbank Midden-Nederland 18 juli 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:3551: Awb, Ow; vovo, omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken, tekeningen, data, alleen de woning/geen overige bouwwerken, inhoudsmaat, peil, hoogte van de weg ter plaatse van de hoofdtoegang, gemiddelde hoogte aansluitende afgewerkte maaiveld, welstand, geen welstandsnota, welstandscriterium, recht van overpad, overlast tijdens bouwwerkzaamheden, belangenafweging, eigen rekening en risico
* Rechtbank Midden-Nederland 18 juli 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:3548: Awb, Gmw; aanvraag omgevingsvergunning oprichten agrarische stal, opleggen leges, weigering omgevingsvergunning, ontvankelijkheid beroep, bezwaar maken, leges opgelegd aan eiser persoonlijk, bevoegdheid vorderen leges, betalingsverplichting, bekendmaking beschikking, 30 dagen na dagtekening legesaanslag, buiten toepassing laten legesverordening, opbrengstlimiet, totaal geraamd lasten, verantwoording achteraf programmarekening
* Rechtbank Midden-Nederland 18 juli 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:3549: Awb, Wabo; handhaving, dwangsom, verwijderen en verwijderd houden paardenstal, ontvankelijkheid beroep, bezwaar maken, last opgelegd aan eiser persoonlijk, overtreding, omgevingsvergunning ingetrokken, geen omgevingsvergunning voor bouwen en strijdig gebruik, constateringsrapport, beginselplicht tot handhaving, zicht op legalisatie, aanvraag omgevingsvergunning geweigerd, aanvraag/ander bouwplan, conceptverzoek, gebonden beschikking, evenredigheid, vertrouwensbeginsel, bevoegdheid invordering verbeurde dwangsommen/verjaring, communicatie begunstigingstermijn, professionele partijen, woord “opschorten”, dwangsommen van rechtswege verbeurd, mogen invorderen
* Rechtbank Gelderland 17 juli 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:5662: Awb, Wabo; handhaving, dwangsom, bestuurder, BV, belanghebbende, ambtshalve beoordelen, feitelijke gevolgen ondervindt, gevolgen van enige betekenis, aangrenzende percelen, bebossing, geen zicht, afstand, verkeersbewegingen, invordering, geen beroep tegen lod, uitzonderlijk geval, geen bijzondere omstandigheden, overtredingen beschreven, overtredingen nog niet zijn beëindigd/gemotiveerd, adequate handhaving, effectuering sancties, invordering verbeurde dwangsommen
* Rechtbank Gelderland 16 juli 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:6541: BW; gemeente grondeigenaar, uitgifte bedrijfskavels, Didam, uitgifteprocedure met loting, afwijzing vorderingen, geen koopovereenkomst tot stand gekomen, aanbod en aanvaarding, conceptkoopovereenkomst, kavelpaspoort, opschortende voorwaarde, elektriciteitsaansluiting, netwerkcapaciteit, precontractuele fase, geen verplichting dooronderhandelen, gerechtvaardigd vertrouwen, Didam I-arrest, gelijkheidsbeginsel, voldeed niet aan de eisen, selectiecriterium, onvoldoende mededingingsruimte, uitgifteprocedure, reserveringsovereenkomst, evenredigheidsbeginsel, geen schending abbb, geen nietigheid, geen vernietigbaarheid
* Rechtbank Midden-Nederland 16 juli 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:4133: BW; gemeente en projectontwikkelaar, samenwerkingsovereenkomst, ontwikkeling nieuwbouwwoningen, onvoldoende ingespannen, vertraging, alternatieve invulling, verklaring voor recht, onvoorziene omstandigheden, motie, dassenburcht ontdekt, onredelijke eis, afnamedatum, causaal verband, winstgevend bouwplan
* Rechtbank Midden-Nederland 16 juli 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:3851: Awb, Wvw 1994; verkeersbesluit, aanwijzing parkeerplaatsen voor opladen elektrische auto’s, beoordelingsruimte, belangenafweging, evenredigheid, stimuleren vervoer zonder emissie, doelstellingen emissieloos rijden, verbetering luchtkwaliteit, rechtszekerheid, behoefte, feitelijke mogelijkheid willekeurige beslissing in de toekomst opengelaten, bezettingsgraad laadpalen, parkeerdruk, alternatieven, niet naar juiste alternatieve locatie gekeken
* Rechtbank Limburg 15 juli 2025, ECLI:NL:RBLIM:2025:7210: Awb, Wabo; afwijzing handhavingsverzoek, welstand, welstandsexces, kleur buitenkozijnen, schilderwerkzaamheden, gewoon onderhoud, detaillering, profilering en vormgeving, in ernstige mate in strijd met redelijke eisen van welstand, advies welstandscommissie, stedenbouwkundige uitgangspunten, niet onzorgvuldig, innerlijk concludent
* Rechtbank Den Haag 11 juli 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:13980: Awb, Wabo; omgevingsvergunning kappen esdoorn, APV, discretionaire bevoegdheid, belangenafweging, advies groenbeheerder, natuur-, milieu-, en milieuwaarden, belevings- en gebruikswaarden, kroon, deskundigenadvies, geen concrete aanknopingspunten voor twijfel, (lucht)foto’s, alternatieven, ontbreken bijzondere waarden, hoorzitting in bezwaar
* Rechtbank Noord-Nederland 10 juli 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:3258: Awb, Wabo; ambtshalve wijziging vergunningvoorschriften, actualisatieplicht, ontstaan of verspreiding van legionella, BBT-conclusies, BREF-documenten, wettelijke systematiek, technische mogelijkheden tot bescherming van het milieu, grondslag, algemene informatie, briefrapport RIVM, GGD, IPLO, bedrijfsproces, afvalwaterstroom
* Rechtbank Noord-Nederland 10 juli 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:3301: Awb, TwG, BW; schadevergoeding schade woning, trillingen mijnbouwactiviteiten, melding acuut onveilige situatie (AOS-melding), omvang beoordeling, bewijsvermoeden, evidente en autonome oorzaak, vergewisplicht, advies deskundige, concrete aanknopingspunten voor twijfel, zettingsschade, meetgegevens grondwaterstand, verzakking, grenswaarden SBR Trillingsrichtlijn A, scheurvorming en wijking muur, thermische werking materialen, in bezwaar opgevoerde schades, vernietiging bestreden besluit, zelf in de zaak voorzien
* Rechtbank Midden-Nederland 9 juli 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:3533: Awb, Wabo; omgevingsvergunning afwijken bpl, biologische tuin- en akkerbouwbedrijf, toezending besluit, betrokkenheid gemeenteraad, verklaring van geen bedenkingen, artikel 6.5 lid 3 Bor, uitzonderingsbesluit, omgevingsvisie, tussenuitspraak
* Rechtbank Midden-Nederland 9 juli 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:3498: Awb; vovo, verzoek om een voorlopige voorziening, tenuitvoerlegging bestuursdwang, kennelijk ongegrond, uitspraak zonder zitting, last onder bestuursdwang, woonarken, drijvende terras, drijvende vlonder, motorboot, openbaar vaarwater, coulance, schorsen aangekondigde bestuursdwang, geen besluit, aanzegging bestuursdwang, maatregelen/om tenuitvoerlegging te voorkomen, daadwerkelijk toepassen, feitelijk handelen/niet aangemerkt als besluit in de zin van artikel 1:3 Awb, bezwaar geen kans van slagen, geen ruimte voor een belangenafweging
* Rechtbank Noord-Nederland 4 juli 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:3304: Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning vergroten en verduurzamen woning, ontvankelijkheid verzoekster, aangeboden bij postbedrijf, adressering bestreden besluit, juiste woonadres met bijbehorende postcode, niet aangetekend verstuurd, geen verzendregistratie, tijdig beroep ingesteld, onverwijlde spoed, stand van zaken bouwwerkzaamheden, werkzaamheden zo goed als afgerond, geen spoedeisend belang, emoties, onvoldoende objectief bepaald/om spoedeisend belang aan te nemen, afwijzing verzoek
* Rechtbank Noord-Nederland 2 juli 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:3303: Awb, Hvw; weigering omzettingsvergunning voor onttrekken woonruimte voor kamerverhuur, gemeentelijke huisvestingsverordening, 3/3-situatie, 3 bewoners in 3 kamers, huurovereenkomst, verklaringen oud-bewoners, taxatieverslag, overgangsrecht uitspraak Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, één groot studentenpand, uiterlijke omstandigheden, één pand, discretionaire bevoegdheid, beleid, bijzondere omstandigheden
Rechtbank Midden-Nederland 2 juli 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:3345: Awb, Ow; vovo, handhaving, dwangsom, leegstaand kantoorpand, Besluit bouwwerken leefomgeving, brandveiligheid, vluchtroutes, zorgplicht brandveilig gebruik, begunstigingstermijn, zwaarwegend, acuut spoedeisend, korte opschorting last, schorsen last, ordemaatregel, verzoek om voorlopige voorziening, spoedig behandelen op zitting
* Rechtbank Midden-Nederland 2 juli 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:3461: Awb, Wabo; afwijzing aanvraag omgevingsvergunning, wijzigen gebruik, bedrijfswoning naar reguliere bewoning, toepasselijke recht, Invoeringswet Omgevingswet, Wabo van toepassing, afwijkingsbevoegdheid, beleidsruimte, recreatieve functies/puur recreatief houden, richtafstanden, voorgeschiedenis, persoonlijke en financiële redenen, belangenafweging
Rechtbank Midden-Nederland 2 juli 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:3201: Awb, Ow; handhaving, dwangsom, bedrijfsactiviteiten, bodembedreigende activiteiten, peilbuis, verhoogd stikstofgehalte (N-Kjeldahl), bodemkwaliteit, saneren, toepasselijke recht, Activiteitenbesluit milieubeheer, Omgevingswet, Besluit activiteiten leefomgeving, moment verzending voornemen handhavend optreden, verplichting herstellen bodemkwaliteit, overgangsrecht Wet bodembescherming, aanvullingswet bodem Omgevingswet, schakelbepalingen, belangenafweging, bob/op korte termijn nemen, inspanningen verzoekster, bodemspecialist RUD, acute gevaarzetting voor personen of het milieu, schorsing last
* Rechtbank Midden-Nederland 1 juli 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:3406: Awb, Wabo, Woningwet, Gmw; afwijzing handhavingsverzoek, ventilatie-units, renovatiewerkzaamheden, gevelroosters, warmte-terugwin-unit, geluid, woon- en leefklimaat, ontbreken verslag hoorzitting, niet in belangen geschaad, passeren gebruik, artikelen 3.8 en 3.9 Bouwbesluit 2012, rechtszekerheidsbeginsel, 40 dB verblijfsgebied, maximaal toegestane geluidsniveau, meetrapporten, NEN-normen, cumulatie, enkelvoudige norm, artikel 7.22 Bouwbesluit 2012, nota van toelichting, restbepaling, voorschrift, Regeling bouwbesluit, artikel 13 Woningwet, APV, EVRM
* Rechtbank Midden-Nederland 30 juni 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:3288: Awb, Wabo; weigering omgevingsvergunning bouwen en afwijken bpl, uitbreiden woning en verwijderen berging, binnenplanse/buitenplanse afwijking, bouwvlak, uitleg bouwregels bpl, “hoofdgebouw” planregels, “oorspronkelijk hoofdgebouw” Bor, planwetgever, verschil in uitkomsten bouwmogelijkheden, beheersverordening, finale geschilbeslechting, tussenuitspraak
* Rechtbank Midden-Nederland 27 juni 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:3459: Awb, Wabo; omgevingsvergunning ter legalisering gewijzigd uitvoeren eerder vergund bouwplan, realiseren airco-unit op dak woning, goede procesorde, belanghebbende, bouwkundig en functioneel te onderscheiden, besluitonderdeel, zicht, afstand, gevolgen van enige betekenis, geluid, Bouwbesluit 2012, onlosmakelijk samenhangende activiteiten, privaatrechtelijke belemmeringen, Europees recht, artikel 8 EVRM, geen aanknopingspunten voor oordeel/niet-gerechtvaardigde of disproportionele inbreuk, artikel 1 EP EVRM, detailtekeningen, aannemelijkheidstoets, kruimelgevallenregeling, gelijkheidsbeginsel, geluidemissie airco-unit, geluidsdeskundige gemeente gecontroleerd, handhavingsverzoek indienen, afwijzing handhavingsverzoek, omgevingsvergunning ter legalisering verleend, geen overtreding
* Rechtbank Midden-Nederland 26 juni 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:3216: Awb, Wabo; afwijzing aanvraag (tijdelijk) plaatsen tiny house, ingebrekestelling, uitblijven beslissing op aanvraag, beroep tegen niet tijdig beslissen, inmiddels beslist/geen belang, beroep niet-ontvankelijk, vergunning van rechtswege, vervallen onder overgangsrecht invoering Omgevingswet, ongelijke behandeling van gelijke gevallen, alle aanvragen gelijk behandeling, exceptieve toetsing, bepaling onverbindend of buiten toepassing laten, effect dat wordt verwezenlijkt/bedoeling wetgever bij opstellen overgangsrecht, te laat beslist, vaststellen dwangsom, toepasselijke bpl, bouwvlak bewust wegbestemd, buitenplans afwijken, aanvraag gewijzigd opvatten, wijziging is niet van ondergeschikte aard
* Rechtbank Den Haag 20 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:13993: Awb, Wabo; omgevingsvergunning splitsen woning en realiseren dakterras, sloop woning/geen onderdeel vergunning, verslag adviescommissie, ECLI-nummer uitspraak/tikfout, kennelijke verschrijving, Bouwbesluit 2012, bouwverordening, toestemming buren
* Rechtbank Midden-Nederland 2 juni 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:3854: Awb, Wvw 1994; verkeersbesluiten, aanwijzing parkeerplaatsen voor opladen elektrische auto’s, stimuleren vervoer zonder emissie, doelstellingen emissieloos rijden, verbetering luchtkwaliteit, inventariseren individuele belangen, belangenafweging, alternatieve locaties, zienswijze over het hoofd gezien, verdeling laadpalen over de gemeente, meewegen genoemde belangen
Rechtbank Noord-Nederland 30 mei 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:3251: Awb, Ow; vovo en kortsluiten, gedoogplichtbeschikking, aanleg en instandhouding van een afvalwatertransportleiding, erkenningsbesluit, concessie Belemmeringenwet Privaatrecht, artikel 4.26 lid 1 Invoeringswet Omgevingswet, wetsgeschiedenis, openbaar belang, tracékeuze
* Rechtbank Noord-Nederland 30 mei 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:3302: Awb, TwG, BW; afwijzing aanvraag vergoeding bijkomende kosten, schadeafhandeling woning, vertrouwensbeginsel, vaststellingsovereenkomst, vaste vergoeding, hoorzitting, keuze aan Instituut gelaten, mondelinge toelichting ter zitting
* Rechtbank Midden-Nederland 15 mei 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:3215: Awb, Wabo, Gmw; omgevingsvergunning realiseren uitweg, uitweg, verlies openbare parkeerplaats, parkeerdruk, foutief parkeren, strijd met geldende regels, stoep/geen openbare parkeerplaats, verkeersveiligheid, draaicurve, berekeningen verkeerskundige gemeente, maatvoering op de tekening, gehanteerde maatvoering, haaks of langsparkeren, parkeernota, cijfers CROW, draaicirkel, programma Autoturn, digitale programma, andere uitgangspositie, meerdere keren manoeuvreren, doelmatigheid weg, dode hoek situaties, achteruit inparkeren, hypothetisch voertuig
* Rechtbank Midden-Nederland 13 mei 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:3622: Awb, Msw; boete, melkveebedrijf, toezichthouder NVWA, controle, rapport van bevindingen, gebruiksnormen dierlijke meststoffen, stikstofgebruiksnorm, fosfaatgebruiksnorm, vervoersbewijs, memorie van toelichting, systeem normstelling, alternatieve gegevens en bepalingswijzen, berekeningswijze, objectieve en verifieerbare bewijsstukken, eindvoorraad, pluimveemest, fosfaatgebruiksruimte, werkingscoëfficiënt, mengsel, matiging, boetebeleid, beheervoorwaarden pachtovereenkomsten, normale agrarische bedrijfsvoering, gebruiksruimte
Rechtbank Noord-Nederland 12 mei 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:3252: Awb, Ow; vovo, omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit (bouwactiviteit), tijdelijke mantelzorgwoning, spoedeisend belang, definitie omgevingsplanactiviteit, artikel 22.26 omgevingsplan, Besluit kwaliteit leefomgeving, tijdelijk deel omgevingsplan, bruidsschat, begrip “bijbehorend bouwwerk”, achtererfgebied, strijd omgevingsplan, artikel 22.36, geen bestaand bouwwerk
* Rechtbank Midden-Nederland 24 april 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:3447: Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouwen en afwijken bpl, vervangen steiger, procesbelang, goede procesorde, terrassteiger, niet vergund/handhavingsprocedure, rekening gehouden met legaal aanwezige steigers, voorschriften, belang betrokken activiteit, aparte steigers, illegaal bouwwerk/handhavend optreden, situatie niet vergelijkbaar
* Rechtbank Midden-Nederland 14 april 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:3455: Awb, Wabo, Gmw; handhaving, dwangsom, invordering verbeurde dwangsom, omvang van het geding, besluitonderdelen, dichtmaken zijkanten veranda/bouwen bouwwerk, constructie enig omvang, steun op de grond, bedoeld ter plaatse te functioneren, omgevingsvergunning, vergunningvrije activiteiten, bijbehorend bouwwerk, berging/geen hoofdgebouw, strijd regels bpl, oppervlakte, drijvend huisjes, woonboten/bouwwerken, langere tijd op dezelfde plaats aangemeerd, beginselplicht tot handhaving, geen concreet zicht op legalisatie, geen bijzondere omstandigheden, invordering/onderliggende dwangsombeschikking, bouwstop
* Rechtbank Den Haag 5 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:13669: BW; verbintenissenrecht, verklaring voor recht/nakoming koopovereenkomst, veroordeling vergoeding schade, dwaling, verklaring voor recht/onrechtmatig handelen, redelijk bekwaam en redelijk handelend makelaar, bestemmingsplan, woning, bijgebouw, eigenschappen, ontbindende voorwaarde, geen situatie/twee woningen, bedoeling verkoop/één object, bestemmingsplan te (laten) checken, bebouwingsmogelijkheden, zorgplicht, algemeen antwoord, gebruik en maatvoering
Rechtbank Midden-Nederland 28 februari 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:3615: Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning voor tijdelijke huisvesting in een bedrijfswoning, onverwijlde spoed, tijdelijke gebruik bedrijfswoning als burgerwoning, afwijking regels omgevingsplan, geen betrekking op bouw- en sloopactiviteiten, beslissing op bezwaar/binnen afzienbare termijn verwacht, schriftelijk verklaard/geen gebruik maken vergunning, veiligheid, aannemer, geen onverwijlde spoed, geen spoedeisend belang, kennelijk ongegrond, afwijzing verzoek

¶ = uitspraak waarop de Omgevingswet materieel van toepassing is (dus niet de uitspraken die vallen onder het overgangsrecht)
# = betrokkenheid STAB
= (nog) niet gepubliceerd

Bijzondere overwegingen

* ABRvS 13 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3820: Awb, Wabo, Gmw; handhaving, dwangsom, verwijderen en verwijderd houden oude woning en oude bijgebouw, overtreding, vergunde aanvraag, tekening nieuwe situatie, sloop oude woning/geen onderdeel vergunning, voorschrift, indienen melding, bewonen twee woningen, strijd bpl, alleen bouwen/niet ook afwijken bpl, impliciete afwijkvergunning, gebruiksovergangsrecht, evenredigheid handhavend optreden, concreet zicht op legalisatie, belang eventuele bewoners oude woning, judiciële lus (Rb Gelderland 20/6669 en 20/6654)
5.2. In de vergunde aanvraag voor de nieuwe woning en de daarbij behorende stukken staat niet dat de oude woning gesloopt zal worden. In het aanvraagformulier staat wel dat de bebouwde oppervlakte van het terrein vóór uitvoering van de bouwwerkzaamheden 0 m2 bedraagt en op een bij de aanvraag behorende tekening van de nieuwe situatie is de oude woning niet opgenomen. De Afdeling kan zich voorstellen dat het college er hierdoor van uitging dat de oude woning gesloopt zou worden. Maar de rechtbank heeft terecht geconcludeerd dat dit onvoldoende is om aan te nemen dat de sloop van de oude woning onderdeel uitmaakt van de aanvraag voor de nieuwe woning. In zoverre maakt de sloop van de oude woning ook geen onderdeel uit van de omgevingsvergunning voor de nieuw woning. Daarnaast is in de omgevingsvergunning voor de nieuwe woning ook geen voorschrift opgenomen tot sloop van de oude woning. Het voorschrift in die vergunning dat er een sloopmelding moet worden ingediend voor het slopen van de bestaande bouwwerken houdt niet een plicht tot sloop van de oude woning in. Ook in onderlinge samenhang bezien heeft de rechtbank in de door het college aangevoerde omstandigheden terecht geen grond gezien voor het oordeel dat de oude woning gesloopt had moeten worden op grond van de omgevingsvergunning voor de nieuwe woning. De rechtbank heeft daarom terecht geoordeeld dat het college niet bevoegd was om een last op te leggen om de oude woning te laten slopen. Het betoog slaagt niet.
6.2. De rechtbank heeft overwogen dat het in strijd is met het bestemmingsplan om twee woningen op het perceel te bewonen. Dat oordeel is in hoger beroep niet bestreden en is ook juist. Het perceel heeft de bestemming “Agrarisch met waarden – Natuur- en landschapswaarden” en ter plaatse van de woningen de aanduiding “specifieke vorm van agrarisch – plattelandswoning”. Op grond van artikel 4.1, aanhef en onder a, en artikel 4.2.4, aanhef en onder a, van de planregels zijn gronden met die aanduiding uitsluitend bestemd voor één plattelandswoning met bijbehorende bouwwerken. Daarnaast heeft de rechtbank terecht overwogen dat ten behoeve van de nieuwe woning alleen een omgevingsvergunning is verleend voor de activiteit bouwen en dus niet voor de activiteit gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan. Maar de rechtbank had niet kunnen oordelen dat het college ten onrechte handhavend heeft opgetreden vanwege de omstandigheid dat voor het bouwen van beide woningen een vergunning is verleend en in de vergunning voor de nieuwe woning staat dat die in overeenstemming is met het bestemmingsplan. Die omstandigheid doet namelijk niet af aan het feit dat het in strijd is met het bestemmingsplan om twee woningen op het perceel te gebruiken als plattelandswoning en dat voor dat strijdige gebruik geen omgevingsvergunning is verleend. Voor zover de rechtbank heeft bedoeld dat met de omgevingsvergunning voor het bouwen van de nieuwe woning impliciet toestemming is gegeven voor het afwijken van het bestemmingsplan voor het gebruik van een tweede woning, overweegt de Afdeling het volgende. De rechtspraak over de impliciete afwijkingsvergunning (zie bijvoorbeeld onder 5.1 van de uitspraak van de Afdeling van 21 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2519) houdt in dat toestemming voor een gebruik van een bouwwerk dat in strijd is met het bestemmingsplan kan worden geacht rechtstreeks voort te vloeien uit een voor dat bouwwerk verleende vergunning, als uit de bouwaanvraag zonder meer kan worden afgeleid dat het bouwwerk in strijd met het bestemmingsplan zal worden gebruikt en het bevoegde bestuursorgaan, zich bewust van het voorgenomen gebruik, de vergunning in weerwil van de planregels heeft verleend. Zo’n situatie doet zich hier niet voor, omdat in de aanvraag voor de nieuwe woning stond dat de bebouwde oppervlakte van het terrein vóór uitvoering van de bouwwerkzaamheden 0 m2 was en het college er bij de vergunningverlening daarom van uit is gegaan dat de oude woning zou worden gesloopt. Ook anderszins ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat omdat voor het bouwen van beide woningen een vergunning is verleend, er in strijd met het bestemmingsplan twee woningen op het perceel mogen worden gebruikt voor wonen. Het betoog slaagt.
10.1. Het college heeft in de besluitvorming niet of nauwelijks aandacht besteed aan het belang van eventuele bewoners van de oude woning. Het college heeft het advies van de bezwaarschriftencommissie overgenomen en daarin staat alleen dat de afspraak dat de toenmalige bewoonster er mocht blijven wonen civielrechtelijk van aard is en dat die bewoonster, [wederpartij A] en [wederpartij B] dat onderling moeten oplossen. Dat is geen deugdelijke motivering voor het standpunt dat handhaving niet onevenredig is. Dit geldt nog meer, omdat het college op de zitting bij de rechtbank duidelijk heeft gemaakt dat het niet wilde dat de toenmalige bewoonster op straat kwam te staan en dat het bereid was om mee te werken aan een ruimere begunstigingstermijn. Ook is hierbij nog van belang dat het college er in de besluitvorming van uit is gegaan dat de oude woning gesloopt moet worden, maar zoals hiervoor is overwogen, is het college niet bevoegd om een last op te leggen om de oude woning te laten slopen. Het college is alleen bevoegd om handhavend op te treden tegen het gebruik van twee woningen op het perceel. De conclusie is daarom dat het college niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom handhavend optreden in dit geval niet onevenredig is. Het betoog slaagt.

* ABRvS 13 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3822: Awb, Wabo; omgevingsvergunning diverse bouwwerkzaamheden, vernieuwen bestaande aanbouw, strijd bpl, bouwovergangsrecht/vernieuwing, dossierstukken/oude aanbouw bestond, niet gebleken/gebouwd met vergunning, tekeningen, taxatieverslagen, WOZ-belasting, volledige sloop, volledig vernieuwd, besluit/artikel 6:19 Awb, opnieuw horen, advies, opnieuw in de gelegenheid stellen te worden gehoord, kenbare belangenafweging, geen tussenuitspraak/bestuurlijke lus, nieuwe inventarisatie betrokken belangen, geen geschikt instrument, judiciële lus (Rb Amsterdam 22/1102)
10.1. Een bestuursorgaan is bij het opnieuw nemen van een besluit op bezwaar, ter voldoening aan een uitspraak van de bestuursrechter, op grond van artikel 7:2 van de Awb niet verplicht opnieuw te horen. Maar dit kan uit oogpunt van zorgvuldigheid, op grond van artikel 3:2 van de Awb, anders zijn. Dit is het geval bij nieuwe feiten en omstandigheden, zoals bedoeld in artikel 7:9 van de Awb (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 17 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1261, onder 5.2). Het besluit van 31 mei 2023 is gebaseerd op een advies van de bezwaarschriftencommissie. Dat advies is op zijn beurt weer gebaseerd op een advies van de afdeling Vergunningen. De Afdeling is van oordeel dat dit advies van de afdeling Vergunningen een feit is in de zin van artikel 7:9 van de Awb, zodat dit advies aanleiding had moeten zijn om [partij] opnieuw in de gelegenheid te stellen om hierover te worden gehoord. Daarnaast is het zo dat [partij] door de rechtbank in het gelijk is gesteld en er als gevolg van die uitspraak van de rechtbank andere onderwerpen van belang zijn geworden bij het nemen van een nieuw besluit. Als gevolg van de uitspraak was de discussie over het overgangsrecht namelijk beslecht en kwam het accent bij het beoordelen van het bouwplan op andere aspecten te liggen, zoals een goede ruimtelijke ordening en een goed woon- en leefklimaat. Het betoog slaagt.

* ABRvS 13 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3871: Awb, Wabo; afwijzing handhavingsverzoek, verbouwingswerkzaamheden, dragende tussenmuur, dragende constructie achtergevel, gezamenlijke muur, fundering, zonder vergunning of in afwijking vergunning, ingediende stukken, goede procesorde, omgevingsvergunningen, constructieve doorbraak, bouwtekeningen, vergunningvrij, draagconstructie versterkt, verandering draagconstructie, herhalen en inlassen beroepsgronden, nieuw besluit/artikel 6:19 Awb, afzien horen belanghebbende, bezwaarschriftprocedure, artikel 6:22 Awb, constructeur, judiciële lus (Rb Rotterdam 21/2589)
15.3. Van het horen van een belanghebbende kan slechts worden afgezien in de in artikel 7:3 van de Awb genoemde situaties. Die situaties zijn in dit geval niet aan de orde. Het college heeft daarom ten onrechte afgezien van het horen van de VvE. Hoewel het horen een essentieel onderdeel vormt van de bezwaarschriftprocedure, kan dit gebrek naar het oordeel van de Afdeling in dit geval worden gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 van de Awb. In artikel 6:22 is namelijk bepaald dat een besluit waartegen beroep is ingesteld, ondanks schending van een rechtsregel in stand kan worden gelaten indien aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld. Naar het oordeel van de Afdeling is aannemelijk dat de VvE door het afzien van horen in de bezwaarprocedure niet is benadeeld. Haar standpunt in beroep dat zij tijdens een hoorzitting een laatste kans zou hebben gehad om te spreken met een constructeur van de gemeente, is geen reden om aan te nemen dat de VvE is benadeeld. Hierbij neemt de Afdeling de toelichting van het college op de zitting in aanmerking dat bij een hoorzitting in de regel geen constructeur aanwezig is. Ook voor het overige is de VvE in beroep in de gelegenheid gesteld haar standpunt naar voren te brengen en dus te zeggen op welke punten zij iets had willen zeggen tijdens een hoorzitting. Ook andere eventuele belanghebbenden zijn niet benadeeld. Onder deze omstandigheden is het betoog terecht voorgedragen, maar leidt het niet tot het oordeel dat het besluit van 8 mei 2023 in strijd met artikel 7:2 van de Awb is.

* ABRvS 13 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3841: Awb, Wro, Wabo; bpl, omgevingsvergunning, zonnepark, gecoördineerd voorbereid en bekendgemaakt, ontvankelijkheid beroep, geen machtiging, vertegenwoordigingsbevoegdheid, verzuim/niet hersteld, belanghebbende, rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt, gevolgen van enige betekenis, afstand, coniferen en bebouwing, zienswijze, Varkens in nood, relativiteitsvereiste, inspraak, geen onderdeel geregelde bestemmingsplanprocedure, m.e.r.-beoordelingsbesluit, substantieel karakter, landinrichtingsproject, gemeentelijk beleid, provinciale verordening, borging landschappelijk inpassingsplan, voorwaardelijke verplichting, alternatieven, soortenbescherming, relativiteitsvereiste, verwevenheid, afstand, tijdelijkheid, alsnog m.e.r.-beoordelingsbesluit genomen, rechtsgevolgen in stand laten
9.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 14 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2770, onder 3.2) hangt het antwoord op de vraag of sprake is van een landinrichtingsproject als bedoeld in het Besluit m.e.r. ervan af of de ontwikkeling in het buitengebied een voldoende substantieel karakter heeft. Daarbij heeft de Afdeling erop gewezen dat in zijn algemeenheid geen uitspraak is te doen over de vraag wanneer sprake is van een ontwikkeling met een voldoende substantieel karakter. Dit hangt af van de feiten en omstandigheden van het geval. Het zonnepark dat in deze procedure mogelijk wordt gemaakt heeft een totale oppervlakte van 35 ha. Daarvan is 23,5 ha bestemd voor de zonnepanelen. Binnen het plangebied worden sloten gedempt en worden andere sloten verbreed. Verder worden grondwallen aangelegd om het zicht op de zonnepanelen te ontnemen. Gelet op de oppervlakte van het project in combinatie met de landschappelijke maatregelen die genomen worden, heeft het project een substantieel karakter. De Afdeling oordeelt daarom dat sprake is van een landinrichtingsproject als bedoeld in het Besluit m.e.r. Er is ten onrechte geen m.e.r.-beoordelingsbesluit genomen. Het betoog slaagt.
20. De Afdeling zal hierna onderzoeken of er aanleiding is de rechtsgevolgen van het besluit van 4 juli 2023 in stand te laten.
21. Het college heeft op 20 juni 2024 alsnog een m.e.r.-beoordelingsbesluit genomen en zich op het standpunt gesteld dat een milieueffectrapportage niet is vereist. [appellant sub 2] heeft geen redenen aangevoerd waarom dat standpunt onjuist is. De Afdeling ziet daarom aanleiding om de rechtsgevolgen van het besluit van 4 juli 2023 in stand te laten.

* ABRvS 13 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3859: Awb, Wro; bpl, twee bedrijfswoningen, reguliere woonbestemming, vrees aantasting bedrijfsvoering, vrees beperking uitbreidingsmogelijkheden, participatie, inspraakverordening, VNG-brochure, richtafstanden, indicatief karakter, nieuwe situatie, gemengd gebied, vergunningvrije bouw- en gebruiksmogelijkheden, bijbehorend bouwwerk, mantelzorgwoning, inwerkingtreding Omgevingswet, artikel 22.36 omgevingsplan, terugkoppeling aan de wetgever, tussenuitspraak
7.4. De Afdeling stelt vast dat uit paragraaf 2.1.5 van de plantoelichting blijkt dat de raad bij het maken van de ruimtelijke afweging aansluiting heeft willen zoeken bij de VNG-brochure. Deze brochure geeft richtafstanden aan die moeten worden gehanteerd tussen aan de ene kant de grens van de bestemming die bedrijven toelaat en aan de andere kant de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunningvrij bouwen mogelijk is. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 12 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1021, onder 5.3. Als aan deze richtafstanden wordt voldaan, kan er in beginsel vanuit worden gegaan dat een aanvaardbaar woon-en leefklimaat kan worden gegarandeerd. De VNG-brochure heeft een indicatief karakter, waarvan gemotiveerd kan worden afgeweken.
7.7. De Afdeling stelt vast dat de raad bij het beantwoorden van de vraag of aan de richtafstanden uit de VNG-brochure wordt voldaan, geen rekening heeft gehouden met de vergunningvrije bouw- en gebruiksmogelijkheden op de percelen Parallelweg-Noord 14 en 16. De mogelijkheid bestaat om op grond van artikel 2, aanhef en onderdeel 3, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (hierna: Bor) onder bepaalde voorwaarden een bijbehorend bouwwerk te bouwen, zonder dat daarvoor een omgevingsvergunning voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a of c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) is vereist. Deze bouwwerken kunnen dan op grond van artikel 2, aanhef en onderdeel 22 worden gebruikt voor de huisvesting in verband met mantelzorg. (…) Daarmee is niet uitgesloten dat de bedrijfsvoering van [appellante] en anderen wordt beperkt. De inwerkingtreding van de Ow en de daarbij behorende regelgeving maakt deze conclusie niet anders. Ook op grond van artikel 22.36, aanhef en onder a, van de regels van het omgevingsplan van de gemeente Zuidplas bestaat de mogelijkheid om onder voorwaarden vergunningvrij een bijbehorend bouwwerk in achtererfgebied te bouwen. Ook kan vergunningvrij een bestaand bouwwerk voor huisvesting in verband met mantelzorg worden gebruikt. (…)
Terugkoppeling aan de wetgever
9. De Afdeling heeft onder 7.7 overwogen dat ook onder het stelsel van de Ow het niet wordt uitgesloten dat de bedrijfsvoering van [appellante] en anderen wordt beperkt door de mogelijkheid van het vergunningvrij bouwen van bijbehorende bouwwerken en het vergunningvrij gebruiken van bestaande bouwwerken voor huisvesting in verband met mantelzorg. De Afdeling onderkent dat de wetgever er van uit gaat dat die beperking onder het stelsel van de Ow er niet meer is, voor zover het gaat om een vergunningvrij bouwwerk waarop geluid, geur en/of trillingen worden veroorzaakt door een op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit toegelaten activiteit. Dit heeft de wetgever beoogd te regelen in de artikelen 5.55, 5.79 en 5.90 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (hierna: het Bkl). De Afdeling leidt dit standpunt van de wetgever af uit de nota van toelichting bij het Bkl (Stb. 2018, 292, blz. 708). In de toelichting staat:
“Bij het toelaten van een (wijziging van een) activiteit wordt alleen gekeken naar het geluid door die activiteit op geluidgevoelige gebouwen die toegelaten zijn op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een afwijkactiviteit. (…). Ook betekent dit, dat een geluidgevoelig gebouw dat vergunningvrij gebouwd is, zoals een mantelzorgwoning, niet onder het toepassingsbereik van paragraaf 5.1.4.2 valt. Immers, deze geluidgevoelige gebouwen zijn niet toegelaten bij omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een afwijkactiviteit. Dit is een voortzetting van de regeling uit de Wet milieubeheer op grond waarvan de planologische status bepalend is voor de bescherming tegen geluid. Het feitelijke gebruik van een gebouw is daarbij niet van belang. Andersom geldt hetzelfde: bij het toelaten van een (wijziging van een) geluidgevoelig gebouw wordt alleen gekeken naar het geluid op dat gebouw door die activiteit die is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een afwijkactiviteit.”
Op bladzijden 728 en 734 van de toelichting staan vergelijkbare passages over trillingen en geur. Omdat volgens deze passages in de toelichting de instructieregels voor geluid, trillingen en geur niet zien op de bescherming van vergunningvrije bouwwerken, zou daaruit kunnen worden afgeleid dat het niet noodzakelijk is dat de raad alsnog toereikend motiveert waarom het bestemmingsplan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening of dat het niet nodig is een gewijzigd of een nieuw besluit te nemen. Het bestemmingsplan “Verzamelplan Zuidplas 2023” maakt immers deel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Zuidplas.
9.1. De Afdeling is van oordeel dat de artikelen 5.55, 5.79 en 5.90 van het Bkl niet regelen wat de wetgever heeft beoogd te regelen. De instructieregels over geluid zijn – kort gezegd – van toepassing op het toelaten van een activiteit, anders dan het wonen, die geluid veroorzaakt op een geluidgevoelig gebouw dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan. De instructieregels zijn ook van toepassing op het toelaten van een geluidgevoelig gebouw waarop geluid wordt veroorzaakt door een toegelaten activiteit, anders dan het wonen. Voor trillingen en geur gelden soortgelijke instructieregels. In het vervolg van de overweging wordt vanwege de leesbaarheid alleen ingegaan op de instructieregels over ‘geluid’, maar voor de instructieregels over trillingen en geur geldt hetzelfde. De mogelijkheid om vergunningvrij een bijbehorend bouwwerk te bouwen, in stand te houden en te gebruiken en het gebruiken van een bestaand bouwwerk voor huisvesting in verband met mantelzorg is geregeld in artikel 22.36 van de bruidsschat. De bruidsschat maakt deel uit van het tijdelijke deel van het omgevingsplan, tenzij gemeenten dat artikel hebben verwijderd uit de bruidsschat en een andere regeling hebben opgenomen in het omgevingsplan. In de gemeente Zuidplas maakt artikel 22.36 deel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan, wat betekent dat – onder voorwaarden – het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bijbehorend bouwwerk en het gebruiken van een bestaand bouwwerk voor huisvesting in verband met mantelzorg op grond van het omgevingsplan is toegelaten. Omdat in artikel 22.36 van de regels van het omgevingsplan van de gemeente Zuidplas een vergunningvrij geluidgevoelig gebouw is toegelaten zijn de instructieregels, anders dan waarvan de wetgever uitgaat, nog steeds van toepassing. Ook de wetgever heeft in het latere wetgevingsproces onderkend dat het omgevingsplan vergunningvrije bouwwerken toelaat. Dat volgt uit het overgangsrecht van hoofdstuk 12 van het Bkl. Daarin heeft de wetgever juist een bepaling opgenomen inhoudende dat toegelaten vergunningvrije bouwwerken worden uitgezonderd van de toepassing van instructieregels. In artikel 12.8 van het Bkl is namelijk bepaald dat bij de toepassing van de instructieregels over geluid vanwege wegen, spoorwegen en industrieterreinen een geluidgevoelig gebouw niet in aanmerking wordt genomen als het gaat om een bijbehorend bouwwerk dat is toegelaten op grond van artikel 22.36, aanhef en onder a, 1° of 2°, van het tijdelijk deel van het omgevingsplan of een bouwwerk waarin huisvesting in verband met mantelzorg is toegelaten op grond van artikel 22.36, aanhef en onder c, van het omgevingsplan. Hoofdstuk 12 van het Bkl is toegevoegd met het Aanvullingsbesluit geluid Ow. Als de wetgever de voornoemde beperking wil opheffen, dan ligt het voor de hand een soortgelijke bepaling op te nemen als staat in artikel 12.8 van het Bkl.

* ABRvS 13 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3860: Awb, Wro; bpl, uitbreiding bedrijventerrein, distributiecentrum, naastgelegen bedrijf, veiligheidszone, bewerking metalen met explosieven, omvang van het geschil, externe veiligheid, Explosieven Voorbereidings Ruimte (EVR), planregeling, ontplofbare stoffen subklasse 1.1, Circulaire opslag ontplofbare stoffen voor civiel gebruik, A, B en C-zones, omgevingsvergunning, dagvoorraad, verwijzing naar eerder PlanMER, rechtszekerheid, verwijzing planregels naar Circulaire, tussenuitspraak
8.2. De bestaande EVR wordt onder meer gebruikt als dagvoorraad van maximaal 25 kg aan explosieven. Dat is geen geringe hoeveelheid. Ook als er geen sprake is van opslag in de zin van de Circulaire, neemt dat niet weg dat de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening rekening moet houden met de externe veiligheid van de EVR, daargelaten of de EVR valt onder opslag in de zin van de Circulaire. De enkele verwijzing van de raad naar het eerdere PlanMER is onvoldoende om te onderbouwen dat bij de vaststelling van het plan voor de uitbreiding van Bol.com in het kader van externe veiligheid geen rekening hoeft te worden gehouden met de EVR. Gelet op wat ter zitting naar voren is gekomen lijken de bij de zaak betrokken partijen bereid om in samenspraak alsnog maatregelen te nemen om de risico’s die de EVR in het kader van externe veiligheid met zich brengt te mitigeren. Dat kunnen feitelijke maatregelen zijn zoals de door 3D Metal Forming genoemde barricade en/of juridische maatregelen zoals het opnemen van een veiligheidszone voor de EVR. Deze maatregelen zouden dan in het plan moeten worden vastgelegd. Door dit niet reeds bij de voorbereiding van het plan te ondervangen heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling het plan onzorgvuldig vastgesteld. Het betoog slaagt.

* ABRvS 13 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3831: Awb, Wabo; afwijzing handhavingsverzoek, bedrijfsactiviteiten, vermeende strijd bpl, overtreding, deugdelijke en controleerbare vaststelling van relevante feiten en omstandigheden, deskundig persoon, vastleggen op duidelijke wijze, overleggen foto’s, aard en frequentie komst en aanwezigheid werknemers, ruimtelijke uitstraling, onaangekondigde controles, momentopname, meer dan incidentele bezoeken werknemers, judiciële lus (Rb Den Haag 21/7474)
3.4. Zoals de rechtbank heeft overwogen, is handhavend optreden alleen mogelijk als sprake is van een overtreding. Aan een sanctiebesluit moet een deugdelijke en controleerbare vaststelling van relevante feiten en omstandigheden ten grondslag liggen. Dit brengt met zich dat de vaststelling of waarneming van feiten en omstandigheden die leiden tot de conclusie dat sprake is van een overtreding dient te worden gedaan door een ter zake deskundige medewerker van het bevoegd gezag, door een ter zake deskundig persoon in opdracht van het bevoegd gezag of door een ter zake deskundige persoon wiens bevindingen het bevoegd gezag voor zijn rekening heeft genomen. De vastgestelde of waargenomen feiten en omstandigheden dienen op een duidelijke wijze te worden vastgelegd. Dat kan geschieden in een schriftelijke rapportage, maar in bepaalde gevallen ook met foto’s of ander bewijsmateriaal. Duidelijk moet zijn waar, wanneer en door wie de feiten en omstandigheden zijn vastgesteld of waargenomen en welke werkwijze daarbij is gehanteerd. Voor zover de vastgestelde feiten en omstandigheden in een geschrift zijn vastgelegd, dient een inzichtelijke beschrijving te worden gegeven van hetgeen is vastgesteld of waargenomen (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 9 september 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2188, onder 13.4). Het is daarbij niet zo dat alle relevante feiten en omstandigheden daadwerkelijk door toezichthouders zelf dienen te zijn waargenomen. Relevante feiten en omstandigheden kunnen door toezichthouders ook worden vastgesteld, bijvoorbeeld door deze af te leiden uit door hen aangetroffen stukken (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 26 juni 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1997, onder 2.3).
3.7. In dit geval heeft [appellant] echter ook na de hangende bezwaar uitgevoerde controles foto’s gemaakt en aan het college toegezonden. Hoewel deze foto’s, zoals de rechtbank ook heeft geoordeeld, niet ondubbelzinnig aantonen dat sprake is van een overtreding, wekken zij, mede in het licht van de verklaring van een andere omwonende, op zijn minst de indruk dat werknemers van het bedrijf van [partij A] frequent, meerdere keren per week en soms per dag, op de [locatie 1] langskwamen. Ook blijkt uit die foto’s dat er geregeld meerdere bedrijfsvoertuigen op straat tegenover de woning stonden geparkeerd. Deze indruk wordt ondersteund door de verklaring van [partij A], in eerste aanleg en op de zitting bij de Afdeling, dat werknemers geregeld overdag bij hem langskomen en dat in het verleden één van de werknemers dagelijks een bedrijfsbus kwam halen en weer terugbrengen. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college daarom niet kunnen volstaan met verwijzing naar de uitgevoerde controles, nu ook deze naar hun aard een momentopname betreffen, en had het college in de door [appellant] overgelegde foto’s en verklaring aanleiding moeten zien voor nader onderzoek naar de aard en frequentie van de komst naar en aanwezigheid van de werknemers van [partij A] bij (het kantoor in) de woning. Zoals in 3.5 is overwogen staat het bestemmingsplan een bedrijfsactiviteit aan huis immers alleen toe als die activiteit een ruimtelijke uitstraling heeft die in overeenstemming is met de woonfunctie ter plaatse. De Afdeling merkt daarbij op dat twijfelachtig is in hoeverre aan die voorwaarde is voldaan bij meer dan incidentele bezoeken van werknemers, overdag en met bedrijfsvoertuigen zoals op de zitting is toegelicht. Dit betekent dat de beslissing op bezwaar onvoldoende zorgvuldig is voorbereid. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Het betoog slaagt in zoverre.

* ABRvS 13 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3868: Awb, Wabo; omgevingsvergunning realiseren twee bouwwerken boven elkaar in het achterdakvlak, lessenaarsdak, woonbestemming, bouwregels, geen bouwregels dakkappelen in achterdakvlak, juiste uitleg, specifieke regeling, ruimtelijk gezien minder bezwaarlijk, planregels op zichzelf duidelijk, gebrek niet hersteld, besluit/artikel 6:19 Awb, vervanging eerder besluit/uitvoering uitspraak rechtbank, geen onderwerp geding, onvoldoende belang, andere aanvraag, identiek aan dakkapel/besluit in rechte onaantastbaar (Rb Noord-Holland 23/2453)
4.1. In artikel 18.2 van de planregels staan bouwregels voor gronden met de bestemming “Wonen”. Deze bouwregels bevatten een bepaling over dakkapellen in het voordakvlak en in een naar het openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak. Dergelijke dakkapellen zijn toegestaan onder de in de planregels genoemde voorwaarden. De Afdeling constateert dat de planregels geen bouwregels bevatten over dakkapellen in het achterdakvlak. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank een juiste uitleg gegeven aan de planregels en terecht overwogen dat het bouwplan niet in strijd is met de bouwregels van het bestemmingsplan. Uit de omstandigheid dat in de bouwregels een specifieke regeling is opgenomen voor dakkapellen in het voordakvlak en een naar openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak, kan niet worden afgeleid dat dakkapellen in het achterdakvlak, die in het algemeen ruimtelijk gezien minder bezwaarlijk zijn, niet zijn toegestaan. De planregels bevatten immers geen bouwregel die een dakkapel in het achterdakvlak uitsluit. De Afdeling komt in zoverre dus terug van haar uitspraak van 13 december 2023. Omdat de planregels op zichzelf duidelijk zijn, is de bedoeling van de planwetgever, zoals die volgens het college uit de plansystematiek zou blijken, niet relevant. Het betoog slaagt niet.

* Rechtbank Rotterdam 8 augustus 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:9638: Awb, Wm, Wabo; afwijzing aanvraag omgevingsvergunning beperkte milieutoets, afwijzing verzoek wijzigen maatwerkvoorschriften geluid, rechtstreeks beroep, toepasselijke recht, Invoeringswet Omgevingswet, inrichting betonmortel en metselspecie, revisievergunning, geluidvoorschriften, langtijdgemiddeld beoordelingsniveau, maximaal geluidniveau, industrieterrein, geluidzone/Koninklijk Besluit, Wgh, verbeelding bpl, eerstvolgende bpl/niet meer opgenomen, wijzigingen geluidszone, beperkingen geluidruimte, geluidzone niet gewijzigd, beste beschikbare technieken, beleidsvrijheid, terughoudend toetsen, bedrijfstijden, geluidscherm, vernietiging, nemen nieuwe besluit
7.1. Deze beroepsgrond slaagt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college ten onrechte geweigerd de OBM te verlenen en de maatwerkvoorschriften aan te passen op de grond dat de grens van de geluidzone rondom industrieterrein HW Zanen gelijkloopt aan de gemeentegrens en dat er daarom sprake is van een overschrijding op de zonegrens. Zoals hierboven al is overwogen is de geluidzone rondom industrieterrein HW Zanen in 1991 vastgesteld. Voor zover die geluidzone is gelegen in de gemeente Molenlanden (destijds de gemeente Giessenlanden), is die geluidzone opgenomen op een verbeelding in bestemmingsplan “Landelijk Gebied Giessenlanden (1998)”. In het eerstvolgende bestemmingsplan “Buitengebied Giessenlanden (2013)”, komt de geluidzone niet meer terug. De rechtbank legt artikel 41, tweede lid, van de Wgh zo uit dat die bepaling geacht wordt de inrichtingen op een gezoneerd industrieterrein te beschermen tegen wijzigingen van een geluidzone die ertoe leiden dat reeds vergunde activiteiten tot een overschrijding van de geluidzone leiden, waardoor zij in hun geluidruimte worden beperkt. Niet is gebleken dat de raad van (destijds) de gemeente Giessenlanden de bedoeling heeft gehad om de geluidzone te wijzigen. Integendeel, de raad van de gemeente Molenlanden heeft in zijn schriftelijke reactie het standpunt ingenomen dat er geen sprake kan zijn van een wijziging van de geluidzone en gaat ervan uit dat de geluidzone nog steeds aanwezig is. Gelet op het voorgaande had het college er naar het oordeel van de rechtbank van uit moeten gaan dat de geluidzone zoals die is vastgesteld bij Koninklijk Besluit van 27 juni 1991 met de vaststelling van bestemmingsplan “Buitengebied Giessenlanden (2013)” niet is gewijzigd.
8.1. Het college komt beleidsvrijheid toe bij de beantwoording van de vraag of hij gebruik zal maken van de bevoegdheid om maatwerkvoorschriften te stellen en dient daarbij een belangenafweging te maken. De rechter moet de beslissing van verweerder terughoudend toetsen.
8.2. Deze beroepsgrond slaagt niet. Niet in geschil is dat de gewijzigde bedrijfstijden van eiseres zullen leiden tot een toename van de geluidbelasting op een woning in de buurt van de inrichting. Het college heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat die toename alleen gerechtvaardigd is als aan de eis van beste beschikbare technieken is voldaan. Het college mocht dan ook van eiseres verlangen dat zij onderzocht of het mogelijk is een geluidscherm te plaatsen teneinde de toename van de geluidbelasting van de betreffende woning te beperken. Het college heeft in redelijkheid kunnen stellen dat eiseres vooralsnog niet adequaat heeft aangetoond dat het plaatsen van een geluidscherm niet mogelijk is. [bedrijf] heeft in haar rapporten slechts toegelicht waarom een geluidscherm op het terrein van de inrichting niet mogelijk is, zonder die conclusie met stukken te onderbouwen. Het college hoefde met de enkele toelichting van [bedrijf] geen genoegen te nemen.

Rechtbank Noord-Holland 31 juli 2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:8844: Awb, Ow; vovo, mededeling geen omgevingsvergunning benodigd technische bouwactiviteit en omgevingsplanactiviteit voor bewoning, weigering aanvraag omgevingsvergunning voor bopa en omgevingsplanactiviteit in verband met parkeren, bruidsschat/voormalige rijksregels, tijdelijk deel omgevingsplan, redelijke kans van slagen bezwaar, Besluit bouwwerken leefomgeving, indeling brandcompartimenten, schorsing/geen gevolgen, geen (expliciete) toestemming voor realiseren woon- en bouwplannen, nader overleg
3. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Met de inwerkingtreding van deze wet geldt in elke gemeente een omgevingsplan dat regels bevat over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. Dat omgevingsplan bestaat thans – onder meer – uit een tijdelijk deel waarin onder meer alle bestemmingsplannen zijn opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden. Daarnaast maakt de zogenaamd Bruidschat (tijdelijk) onderdeel uit van het omgevingsplan. Daarin zijn door het Rijk per 1 januari 2024 gestelde regels neergelegd, die – deels met aanpassing – tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel waren van rijksregels in met name het Besluit omgevingsrecht.
11. In het verweerschrift heeft het college erkend dat toetsing aan artikel 39.1.1 van het Parapluplan enkel in beeld komt in geval er voor verzoekers een vergunningplicht is voor een omgevingsplanactiviteit. Omdat eisers niet het plan hadden het bebouwde oppervlak of het bouwvolume te vergroten en ook geen sprake is van een bouwwerk als bedoeld in artikel 2.29 onder b tot en met r, van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl), waaraan het bouwwerk niet voldoet, volgt uit artikel 22.27 van de Bruidsschat dat als zodanig in het (tijdelijk deel van het) omgevingsplan is opgenomen, dat er geen omgevingsvergunning nodig is voor een omgevingsplanactiviteit, waardoor via die weg niet kan worden getoetst aan artikel 39.1.1 van het Parapluplan. Tussen partijen is zodoende niet in geschil dat het besluit van 1 mei 2025 niet deugt.
13. De voorzieningenrechter is niet overtuigd van de motivering van het college dat een omgevingsvergunning voor de technische bouwactiviteit noodzakelijk is en dat bij de beoordeling of tot verlening daarvan moet worden overgegaan, kan worden getoetst aan het omgevingsplan. Op grond van artikel 8.3b van het Besluit kwaliteit leefomgeving wordt een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit die het verbouwen van een bestaand bouwwerk inhoudt, (alleen) verleend als aannemelijk is dat wordt voldaan aan de regels van hoofdstuk 5 Bbl. Hieruit volgt niet dat het college de ruimte heeft om bij het, naar aanleiding van een aanvraag, al dan niet verlenen van een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit mag toetsen aan regels uit het omgevingsplan die geen betrekking hebben op de (technische) bouwactiviteit. Dit geldt te meer nu partijen het erover eens zijn dat het bouwplan qua gebruik geen omgevingsplanactiviteitvergunningplicht meebrengt zoals bedoeld in artikel 5.1, eerste lid onder a, van de Omgevingswet, omdat het gebruik van het appartementen voor woondoeleinden is toegestaan.

* Rechtbank Den Haag 29 juli 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:14481: Awb, Wabo; omgevingsvergunning veranderen inrichting, (maatwerk)voorschriften, productie synthetische organische polymeren, PFAS, drinkwaterbedrijven, belanghebbende, potentiële cumulatie, wetenschappelijke onzekerheid, ZZS, volkstuin, rapport RIVM, documenten aanvraag/onderdeel vergunning, belang bescherming van het milieu, onduidelijkheid en rechtsonzekere situaties, handhaafbaar, bodemrisico-inventarisatie, nulsituatiebodemonderzoek, algemene opmerkingen, REACH, procesbelang, Besluit activiteiten leefomgeving, voorzorgsbeginsel, Activiteitenbesluit milieubeheer, milieutechnische beoordelingsruimte, VWEU, Mededeling, REACH-verordening, pZZS, OSPAR-verdrag, toepassing voorzorgsbeginsel, ECHA-beoordelingslijsten, doorkruising Wm, ongewoon voorval, niveau afvalstof, Besluit melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen, doelmatig beheer afvalstoffen, afvalpreventieonderzoek, landelijke overheidsbeleid, geldende afvalbeheerplan, Algemene beoordelingsmethodiek, procesinstallaties
7.3. De beroepsgrond slaagt voor zover die betrekking heeft op het opnemen van de toelichting in het bestreden besluit. Deze toelichting betreft een document van in totaal 46 pagina’s, waarin niet alleen de activiteiten van de inrichting worden omschreven, maar onder meer ook de milieugevolgen die de activiteiten veroorzaken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college onvoldoende onderbouwd dat het in het belang van de bescherming van het milieu nodig is om deze toelichting in zijn geheel onderdeel te laten uitmaken van de revisievergunning. Het door het college gewenste toezicht op de milieugevolgen van de activiteiten van eiseres kan ook geschieden aan de hand van die toelichting als deze geen onderdeel vormt van het bestreden besluit. Daarbij komt dat het opnemen van de volledige toelichting tot onduidelijkheid en rechtsonzekere situaties kan leiden. Weliswaar prevaleren in geval van strijdigheid tussen de aanvraag en de voorschriften uit de revisievergunning de vergunningvoorschriften, maar de toelichting bevat ook onderwerpen die niet verder worden gereguleerd in de voorschriften. Door deze onderwerpen onderdeel te laten uitmaken van de revisievergunning worden deze wel handhaafbaar. Gelet op het voorgaande heeft het college naar het oordeel van de rechtbank de toelichting alleen onderdeel kunnen laten uitmaken van het bestreden besluit voor zover het gaat om de in hoofdstuk 4 van die toelichting beschreven activiteiten van eiseres.
19.2. De rechtbank overweegt dat zij in haar uitspraken van 16 maart 2023 (ECLI:NL:RBDHA:2023:3302) en 6 april 2024 (ECLI:NL:RBDHA:2024:6657) heeft geoordeeld dat het, onder omstandigheden, is toegestaan om in een omgevingsvergunning verplichtingen op te leggen in aanvulling op en ter nadere invulling van de artikelen 10.38 en 10.39 van de Wm. De rechtbank ziet geen aanleiding daar thans anders over te oordelen.
19.3. De rechtbank heeft in diezelfde uitspraken ook geoordeeld dat voorschriften in de omgevingsvergunning met betrekking tot het registreren van het gehalte van ZZS in afvalstoffen geen letterlijke of inhoudelijke herhaling vormen van de verplichtingen die volgen uit 10.38, eerste lid, aanhef en onder c en artikel 10.39, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wm en het daarop gebaseerde Besluit melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen (Besluit melden). De rechtbank ziet geen aanleiding daar thans anders over te oordelen. Weliswaar is artikel 10, tweede lid, van het Besluit melden inmiddels gewijzigd, in die zin dat dit artikel is aangevuld met een informatieplicht over de aanwezigheid van ZZS in afvalstoffen, maar deze wijziging is eerst per 1 juli 2025 in werking treden. Een dergelijke verplichting gold nog niet ten tijde van het nemen van het bestreden besluit. Daarbij komt dat de Wm en het daarop gebaseerde Besluit melden geen verplichting kennen om het gehalte van ZZS te registreren of te rapporteren. Naar het oordeel van de rechtbank zijn voorschriften 2.3.1 tot en met 2.3.3 dan ook aan te merken als een aanvulling op de op eiseres rustende verplichtingen op grond van de Wm en het Besluit melden. De rechtbank ziet bevestiging hiervan in de Nota van Toelichting bij het wijzigingsbesluit van het Besluit melden. Zie de Nota van Toelichting bij het Besluit van 11 april 2024 tot wijziging van het Besluit melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen in verband met het toevoegen van informatie over zeer zorgwekkende stoffen aan de omschrijving van aard, eigenschappen en samenstelling van afvalstoffen en tot wijziging van twee andere besluiten, Staatsblad 2024, 118, p. 11 en 19. Hierin staat dat het Besluit melden niets wijzigt aan de mogelijkheid voor bevoegde gezagen van ontdoeners en verwerkers van afvalstoffen om zo nodig in vergunningen nog aanvullende informatieverplichtingen op te leggen, op basis van artikel 8.29, eerste lid, onder b, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (voorheen: artikel 5.7, eerste lid, aanhef en onder c, van het Bor). Daarbij valt bijvoorbeeld te denken aan opname in de vergunning van een verplichting om informatie over het gehalte van ZZS of andere schadelijke stoffen te verstrekken aan de ontvanger van de afvalstoffen, als een gebrek aan informatie over deze stoffen in het afval tot extra risico kan leiden in de verwerking van dat afval.
20.2. De rechtbank stelt voorop dat het niet op voorhand zeker is dat de kennis van het gehalte van ZZS in afvalstoffen altijd nodig is voor de bescherming van het milieu. Dat is bijvoorbeeld niet het geval als de verwerking van de afvalstof zonder meer leidt tot vernietiging van de ZZS. Ook kan de behoefte aan nauwkeurigheid en frequentie van metingen van het gehalte van ZZS in afvalstoffen van geval tot geval verschillen. Zoals staat vermeld in het Nota van Toelichting bij het Besluit melden is dat ook de reden waarom in dat besluit aan ontdoeners niet de verplichting wordt opgelegd om gehaltes van ZZS in afvalstoffen te bepalen. Als de afvalverwerker het gehalte van ZZS of andere aanvullende informatie nodig heeft voor zijn risicobeoordeling, dan kan hij de ontdoener daarom vragen. Partijen kunnen ook onderling afspreken wie eventueel benodigd onderzoek uitvoert. Dit betekent dat de afvalverwerker en de ontdoener met elkaar in gesprek moeten over de voor de afvalverwerking benodigde informatie. Dit laat de mogelijkheid echter onverlet dat het bevoegd gezag bij vergunningvoorschrift de ontdoener kan verplichten om informatie over ZZS in afvalstoffen te registreren indien dat het doelmatig beheer van ZZS-houdende afvalstoffen dient. Het bevoegd gezag zal dat milieubelang in dat geval moeten motiveren aan de hand van de concrete afvalstromen binnen de inrichting.
20.3. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college onvoldoende onderbouwd waarom het voor de transporteur of afvalverwerker van belang is om te weten wat het gehalte van ZZS in de afvalstoffen van eiseres is. In zijn nadere reactie heeft het college toegelicht dat het niet onredelijk is te verwachten dat er bij eiseres ZZS-houdende afvalstromen kunnen ontstaan. Daarbij heeft het college zich gebaseerd op de lijst met afgevoerde afvalstromen uit tabel 5.1 van paragraaf 5.8 van de aanvraag van eiseres. Met de enkele verwijzing naar de bij eiseres aanwezige afvalstromen heeft het college naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd dat de kennis over het gehalte van ZZS in al die verschillende afvalstromen nodig is voor de bescherming van het milieu. Weliswaar heeft het college diverse redenen genoemd waarom hij het gehalte aan ZZS in afvalstoffen milieurelevant acht, maar daarbij worden slechts in algemene termen risico’s genoemd zonder dat dit concreet per afvalstroom wordt onderbouwd.
23.4. Anders dan eiseres stelt, is het in overeenstemming met het doel van het landelijke overheidsbeleid uit het geldende afvalbeheerplan om zoveel mogelijk ZZS uit de leefomgeving te weren (B.14.1 en D.3.2.3 van LAP3). Om dat doel te bereiken, wordt niet alleen ingezet op het waar mogelijk voorkomen van de vervaardiging van nieuwe stoffen met ZZS maar ook op een goede omgang met reeds aanwezige of toekomstige stoffen met ZZS, waaronder acceptatie, verwerking, hergebruik en vernietiging. In het kader van het doelmatig beheer van afvalstoffen heeft het college de onderzoeksverplichtingen in voorschrift 2.4.2 en 2.4.3 daarom kunnen stellen. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de onderzoeksverplichtingen ook niet onevenredig bezwarend voor eiseres. Van eiseres wordt niet verwacht om activiteiten te ontplooien die zij niet heeft aangevraagd en ook niet vergund heeft gekregen.

* Rechtbank Den Haag 29 juli 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:14482: Awb, Wabo; omgevingsvergunning veranderen inrichting, (maatwerk)voorschriften, productie synthetische organische polymeren, PFAS, drinkwaterbedrijven, belanghebbende, potentiële cumulatie, wetenschappelijke onzekerheid, ZZS, procesbelang, Besluit activiteiten leefomgeving, voorzorgsbeginsel, Activiteitenbesluit milieubeheer, milieutechnische beoordelingsruimte, belang bescherming van het milieu, VWEU, Mededeling, REACH-verordening, pZZS, OSPAR-verdrag, toepassing voorzorgsbeginsel, ECHA-beoordelingslijsten, afvalwater, meetfrequentie, hemelwater, procesinstallaties
6.1. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de drinkwaterbedrijven aan te merken als belanghebbende. In reactie op het betoog van eiseres heeft [naam 7] van Oasen N.V. ter zitting toegelicht dat Oasen N.V. meerdere zuiveringsstations heeft bij de Lek in de nabijheid van de inrichting van eiseres. Eiseres stelt dat de drinkwaterinnamepunten van de zuiveringsstations op minstens 10 km afstand liggen, maar dat is volgens hem onjuist, omdat zij het drinkwaterinnamepunt bij de Noord ten onrechte als dichtstbijzijnde drinkwaterinnamepunt heeft aangemerkt. Hij heeft verduidelijkt dat het dichtstbijzijnde drinkwaterinnamepunt van Oasen N.V. in Zwijndrecht nabij de Oude Maas ligt, op 6 km afstand van de inrichting van eiseres. De rechtbank gaat daarom uit van deze afstand. Ter zitting is namens Evides N.V. onweersproken naar voren gebracht dat zij een productielocatie in Dordrecht heeft, recht tegenover het industriële complex. Daarbij acht de rechtbank het van belang dat het bestreden besluit mede betrekking heeft op het lozen van PFAS; een groep van gevaarlijke en persistente stoffen, die moeilijk afbreekbaar zijn in water. Eiseres heeft er weliswaar op gewezen dat deze stoffen slechts in zeer kleine hoeveelheden in het water zitten, maar volgens de rechtbank staan negatieve effecten niet volledig buiten kijf vanwege potentiële cumulatie en de wetenschappelijke onzekerheid op het gebied van PFAS. Gelet op de toelichting die de drinkwaterbedrijven hebben gegeven ten aanzien van de aanwezige innamepunten en gelet op de aard van PFAS, kan volgens de rechtbank niet uitgesloten worden dat de drinkwaterbedrijven gevolgen van enige betekenis kunnen ondervinden. (…)
10.3. De rechtbank overweegt dat het college, gelet op artikel 2.3b, eerste lid, van het Activiteitenbesluit, de bevoegdheid heeft om stoffen waarvan wetenschappelijk vaststaat dat die aan een of meer van de voorwaarden of criteria van artikel 57 REACH voldoen te classificeren als ZZS. Het college heeft milieutechnische beoordelingsruimte bij de evaluatie van de wetenschappelijke gegevens die de conclusie dat wordt voldaan aan die voorwaarden of criteria onderbouwen. In deze zaak gaat het echter om stoffen waarvan (nog) niet wetenschappelijk vaststaat dat deze voldoen aan een of meer van de criteria van artikel 57 REACH. Het betoog slaagt in zoverre.
10.4. Volgens de jurisprudentielijn die de Afdeling met de door eiseres genoemde uitspraken heeft ingezet, geeft het toetsingskader van artikel 2.14, derde lid, van de Wabo het bevoegd gezag niet de ruimte om een omgevingsvergunning voor de activiteit milieu uitsluitend uit voorzorg te weigeren. Het college moet nagaan of het belang van de bescherming van het milieu eraan in de weg staat dat de vergunning wordt verleend. Dit betekent dat het aan het bevoegd gezag is de belangen te benoemen die zich verzetten tegen het toelaten van de aangevraagde milieuactiviteit. Alleen belangen waarover voldoende duidelijkheid en zekerheid bestaat, kunnen volgens de Afdeling in dit verband een rol spelen. Ook voor belangen die zijn gerelateerd aan gezondheid betekent dit dat op grond van algemeen wetenschappelijk aanvaarde inzichten moet vast staan dat de activiteit waarvoor de vergunning wordt gevraagd zodanige risico’s oplevert, dat om die reden nadere voorschriften aan de vergunning moeten worden verbonden dan wel dat de vergunning om die reden moet worden geweigerd.
10.5. De door eiseres aangehaalde uitspraken van de Afdeling hebben betrekking op het toetsingskader van artikel 2.14 van de Wabo. Naar het oordeel van de rechtbank gaat het in die uitspraken niet alleen om de vraag of uit voorzorg een omgevingsvergunning kan worden geweigerd, maar ook of uit voorzorg voorschriften aan een vergunning kunnen worden verbonden. Op grond van artikel 2.14, in samenhang bezien met artikel 2.22 van de Wabo, geldt dat het verbinden van voorschriften aan de omgevingsvergunning voor de activiteit milieu alleen kan wanneer dit in het belang van de bescherming van het milieu is. Het bestreden besluit is een revisievergunning als bedoeld in artikel 2.6, eerste lid, van de Wabo. Op grond van artikel 2.6, derde lid, van de Wabo is niet artikel 2.14, eerste lid, van de Wabo, maar artikel 2.31, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wabo de grondslag voor het opleggen van de in geding zijnde voorschriften. Op grond van laatstgenoemde bepaling kan het bevoegd gezag voorschriften van een omgevingsvergunning wijzigen voor zover dat in het belang van de bescherming van het milieu is. Die beoordelingsmaatstaf is derhalve gelijk aan die van artikel 2.14 van de Wabo, bezien in samenhang met artikel 2.22 van de Wabo. Ook binnen het toetsingskader van onderhavige revisievergunning ligt derhalve de vraag voor of het college, mede gelet op de uitspraken van de Afdeling, in het belang van de bescherming van het milieu uit voorzorg door middel van het stellen van voorschriften voor pZZS en Gelijkwaardige zorg-stoffen het voor ZZS geldende beschermingsniveau mocht hanteren.
10.6. De rechtbank heeft in eerdere uitspraken in vergelijkbare zaken reeds geoordeeld dat er in beginsel wel ruimte bestaat om het voorzorgsbeginsel toe te passen, mits dat op de juiste manier gebeurt (Rb Den Haag, ECLI:NL:RBDHA:2023:3302; Rb Den Haag, ECLI:NL:RBDHA:2023:17156 en Rb Den Haag, ECLI:NL:RBDHA:2024:6657). De rechtbank leidt uit de uitspraken van de Afdeling niet af dat het voorzorgsbeginsel binnen het toetsingskader van artikel 2.14, derde lid, van de Wabo en artikel 2.31, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wabo geen enkele rol kan spelen bij de vraag welk beschermingsniveau in het belang van het milieu nodig is en welke voorschriften met het oog daarop nodig zijn. De beoordelingsruimte die het bevoegd gezag heeft bij de invulling van het begrip “in het belang van de bescherming van het milieu” geeft hem naar het oordeel van de rechtbank ruimte om te bepalen welk beschermingsniveau nodig is. Zoals blijkt uit de totstandkomingsgeschiedenis van de Wet milieubeheer (Wm) heeft de wetgever nadrukkelijk overwogen dat bij de invulling van dat begrip flexibiliteit gewenst is, gelet op het dynamische karakter van het milieu (artikel 2.14, derde lid van de Wabo is in de plaats gekomen van artikel 8.10, eerste lid van de Wm. In de memorie van toelichting bij artikel 2.14 van de Wabo staat dat de beoordeling op basis van de bestaande toetsingscriteria niet wijzigt. Kamerstukken II, 2006/2007, 30844, nr. 3, p. 104). Dan kan namelijk worden ingespeeld op nieuwe ontwikkelingen van inzichten in en maatschappelijke opvattingen over de werking van het milieu en de aard van de gevolgen van menselijke handelingen voor het milieu. Zie Kamerstukken II, 1989/90, 21 087, nr. 6, p. 42-43, Kamerstukken II, 1990/91, 21 087, nr. 13, p. 25. Zie in dit verband ook: T.C. Leemans, De toetsing door de bestuursrechter in milieugeschillen, Over rechterlijke toetsingsintensiteit, bestuurlijke beslissingsruimte en deskundigenadvisering, Den Haag: Boom Juridisch 2008, hfst. 4, par. 2.2.2 en par. 3.4, en de daarin genoemde verwijzingen naar de wetsgeschiedenis, de annotatie van A. Collignon bij ABRvS 23 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:556, M en R 2022/50, de annotatie van V.M.Y. van ’t Lam bij ABRvS 8 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1598, AB 2023/145 en J.K. van de Poel, ‘Geen ruimte meer voor toepassing van het voorzorgsbeginsel bij de omgevingsvergunning milieu’, M en R 2023/25. Het voorzorgsbeginsel, mits goed toegepast, kan daar naar het oordeel van de rechtbank bij uitstek een rol in vervullen.
10.7. De rechtbank acht daarbij van belang dat in artikel 191, tweede lid, van Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) is vastgelegd dat de Europese Unie in haar milieubeleid streeft naar een hoog niveau van bescherming en dat het voorzorgsbeginsel een van de pijlers is waar het Europese milieubeleid op berust. In de Mededeling van 2 februari 2000 (Mededeling van de Commissie over het voorzorgsbeginsel, COM/2000/0001; de Mededeling) heeft de Europese Commissie een nadere duiding gegeven van het in artikel 191, tweede lid, van het VWEU opgenomen voorzorgsbeginsel en richtsnoeren voor de toepassing daarvan geformuleerd. Hoewel artikel 191, tweede lid, van het VWEU primair gericht is op het optreden van de instanties van de Europese Unie, en deze bepaling niet kan worden ingeroepen om de toepassing van een nationale regeling te bestrijden (zie bijvoorbeeld ABRvS 21 september 2016, ECLI:RVS:2016:2518, is het voorzorgsbeginsel in diverse Europese richtlijnen en verordeningen expliciet van toepassing verklaard (artikel 4, tweede lid van de Kaderrichtlijn Water (Richtlijn EG/2008/98), artikel 7, eerste lid, van Algemene verordening inzake levensmiddelen (EG) 178/2002 (PbEG 2002, L 031), artikel 1, vierde lid, van de Verordening gewasbeschermingsmiddelen (EG) 1107/2009 (PbEG 2009, L 309/1)). Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft verder geoordeeld dat het voorzorgsbeginsel ook in acht moet worden genomen bij de uitleg en toepassing van richtlijnen, ook al is dat beginsel niet expliciet in de betreffende richtlijn vastgelegd (bijvoorbeeld bij de toepassing van de Richtlijn inzake industriële emissies (RIE), zie arrest van het HvJ EU 9 maart 2023, ECLI:EU:C:2023:173, punt 51, en bij toepassing van artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn, zie HvJ EU 16 juli 2020, ECLI:EU:C:2020:580).
10.8. Het voorzorgsbeginsel is ook vastgelegd in de REACH-verordening (zie artikel 1, eerste en derde lid, van de Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 L 396/1 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH), (EG) 1907/2006, (PbEG 2006, L 396)). De REACH-verordening geeft regels over de beoordeling, registratie en autorisatie van chemische stoffen en heeft rechtstreekse werking in de lidstaten van de Europese Unie. Blijkens het eerste lid van artikel 1 is het doel van de verordening onder meer om een hoog niveau van bescherming van de gezondheid van de mens en het milieu, inclusief de bevordering van alternatieve beoordelingsmethoden voor gevaren van stoffen, te waarborgen. In het derde lid staat dat de verordening mede is gebaseerd op het voorzorgsbeginsel.
10.9. Nu in het Europese milieurecht een belangrijke rol is weggelegd voor het voorzorgsbeginsel en dat beginsel bij de uitleg en toepassing van meerdere richtlijnen en verordeningen op het gebied van het milieurecht ook door de lidstaten in acht moet worden genomen, is het voorzorgsbeginsel naar het oordeel van de rechtbank ook een belangrijke pijler geworden van het Nederlandse milieurecht, Gelet hierop ziet de rechtbank niet in dat het bevoegd gezag, gelet op de hem toekomende beoordelingsruimte die het Nederlandse milieurecht hem geeft, het voorzorgsbeginsel niet zou mogen toepassen bij de beoordeling welk beschermingsniveau met het oog op bescherming van het milieu geboden is.
10.10. De rechtbank voegt daaraan toe dat het voorzorgsbeginsel juist wordt toegepast als een voorlopige objectieve wetenschappelijke evaluatie uitwijst dat er gegronde redenen zijn om te vrezen dat potentieel gevaarlijke gevolgen voor het milieu of de gezondheid van mensen, dieren en planten onverenigbaar met het gekozen beschermingsniveau zouden kunnen zijn. Daarbij komt dat het antwoord op de vraag wat het gewenste beschermingsniveau van stoffen is niet statisch is, maar continu aan verandering onderhevig. Ten aanzien van stoffen als PFAS wordt inmiddels algemeen aanvaard dat deze forse risico’s voor het milieu en de gezondheid met zich kunnen brengen, omdat het om stoffen gaat die na emissie (zeer) persistent aanwezig zijn in het milieu.
10.11. De rechtbank komt op grond van het vorenoverwogene tot de conclusie dat het college binnen de hem toekomende beoordelingsruimte in beginsel ruimte heeft om, anticiperend op een definitieve kwalificatie als ZZS, uit voorzorg het voor ZZS geldende beschermingsregime voor pZZS en Gelijkwaardige zorg-stoffen te hanteren. Daarvoor is dan wel vereist dat wordt voldaan aan de richtsnoeren voor de toepassing van het voorzorgsbeginsel uit de Mededeling. Het betoog slaagt dus niet voor zover is betoogd dat er geen ruimte bestaat om het voorzorgsbeginsel toe te passen.
11. De rechtbank stelt vast dat PFAS die voldoen aan de PFAS-definitie van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling, in 2023 als groep is opgenomen onder het OSPAR-verdrag. Deze omstandigheid dateert van na het bestreden besluit, zodat deze omstandigheid bij de beoordeling van het beroep geen rol kan spelen. Dat betekent dat de rechtbank ook niet toekomt aan de vraag of de PFAS die onder het OSPAR-verdrag zijn gebracht allemaal als ZZS kunnen worden aangemerkt. Voor zover op basis van deze opname al zou moeten worden aangenomen dat alle PFAS inmiddels als ZZS zijn aan te merken, volgt uit de wetssystematiek dat die ZZS-status en de daarmee verband houdende verplichtingen pas gelden vanaf het moment dat deze stoffen ZZS zijn geworden. Nog afgezien van het feit dat het behandelen van pZZS en Gelijkwaardige zorg-stoffen als ZZS niet alleen op PFAS ziet, volgt de rechtbank het college daarom niet in zijn standpunt dat daarmee een rechtvaardiging is gegeven voor het ten tijde van het nemen van het bestreden besluit uit voorzorg behandelen van PFAS als ZZS.
12.1. In haar uitspraken van 16 maart 2023 (ECLI:NL:RBDHA:2023:3302), 31 oktober 2023 (ECLI:NL:RBDHA:2023:17156) en van 9 april 2024 (ECLI:NL:RBDHA:2024:6657) heeft de rechtbank geoordeeld dat het college in die zaken niet aan de toepassingsvoorwaarden voor het voorzorgsbeginsel heeft voldaan. De toepassing van het voorzorgsbeginsel vereist dat eerst een risico-evaluatie wordt gemaakt. Dit betekent dat een wetenschappelijke evaluatie van de mogelijke schadelijke gevolgen van een gebeurtenis moet zijn gemaakt. Zowel voor de stoffen die het RIVM op de pZZS-lijst heeft geplaatst als de stoffen die volgens het RIVM op basis van haar individuele stofklasseadviezen met gelijkwaardige zorg moeten worden behandeld, heeft de rechtbank geoordeeld dat die risico-evaluatie ontbreekt.
12.4. De rechtbank volgt het college niet in zijn standpunt dat met het plaatsen van een stof op één van de ECHA-beoordelingslijsten reeds een risico-evaluatie heeft plaatsgevonden als bedoeld in de Mededeling. Op deze lijsten staan ook stoffen waarvan de zorg niet gerelateerd is aan de criteria van artikel 57 REACH. Voor zover de zorg daaraan wel gerelateerd is, heeft het college niet inzichtelijk gemaakt en onderbouwd dat de wetenschappelijke screeningsactiviteiten die vooraf zijn gegaan aan het voorstel om een stof te laten identificeren als zeer zorgwekkend aan alle beoordelingselementen voldoen die de risico-evaluatie uit de Mededeling verlangt. Ook de beoordeling door het RIVM is naar het oordeel van de rechtbank niet aan te merken als de in de Mededeling bedoelde risico-evaluatie. (…) Ten aanzien van de stoffen die overblijven, is de rechtbank niet gebleken dat het RIVM een risico-evaluatie als bedoeld in de Mededeling verricht, waarbij wordt onderzocht welke schadelijke gevolgen kunnen optreden door uitstoot van de betrokken stoffen, of het onwenselijk is dat deze stoffen, gelet op het belang van de bescherming van het milieu en/of de volksgezondheid, worden uitgestoten en welke maatregelen bij onwenselijkheid hiervan getroffen moeten worden. Het college heeft in het verweerschrift ook erkend dat het RIVM geen inhoudelijke beoordeling doet en dat een risico-evaluatie ook niet door het college zelf is verricht.
12.5. Gelet op het voorgaande komt tot de rechtbank tot de conclusie dat het college het voorzorgsbeginsel onjuist heeft toegepast. Zij ziet dan ook geen aanleiding om terug te komen van haar eerdere oordeel in de uitspraken van 16 maart 2023, 31 oktober 2023 en van 9 april 2024. Het college heeft onvoldoende gemotiveerd waarom op grond van het voorzorgsbeginsel het voor ZZS geldende beschermingsniveau voor pZZS en Gelijkwaardige zorg-stoffen moet worden gehanteerd. Dat betekent dat het college geen voorschriften aan het bestreden besluit heeft kunnen verbinden op grond waarvan pZZS en Gelijkwaardige zorg-stoffen als ZZS moeten worden behandeld.

* Rechtbank Den Haag 29 juli 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:14486: Awb, Wabo; omgevingsvergunning verandering inrichting, (maatwerk)voorschriften, productie synthetische organische polymeren, belanghebbende, volkstuin, PFAS, rapport RIVM, afstand, gevolgen van enige betekenis, ILT/geen belanghebbende, rol toezichthouder onvoldoende, meetfrequentie, meetregime, PFOA, PFPA, ZZS, onderzoeksverplichting, noodplan, calamiteiten, interne ongevallen, relativiteitsvereiste
5.1. Eiser heeft gewezen op het feit dat hij beschikt over een volkstuintje op 1,5 km afstand van de inrichting. Hij stelt dat de grond en het slootwater verontreinigd zijn met poly- en perfluoralkylstoffen (PFAS), hoofdzakelijk afkomstig van de inrichtingen van Dow en Chemours, waardoor hij geen groenten meer kan verbouwen. Hij wijst daarbij op het rapport “Risicobeoordeling van PFAS in moestuingewassen uit moestuinen in de gemeenten Dordrecht, Papendrecht, Sliedrecht en Molenlanden” (2022-0010) van het RIVM. Uit voormeld onderzoek van het RIVM naar gehaltes van PFAS in gewassen in moestuinen rondom de inrichtingen van Dow en Chemours, blijkt dat de concentraties PFAS in de gewassen in het moestuincomplex van eiser hoger zijn dan op referentielocaties zonder een bekende contaminatiebron en dat het eten van deze gewassen zal leiden tot een hogere inname van PFAS. Geadviseerd wordt om het eten van deze gewassen af te wisselen met groente en fruit uit de winkel. De volkstuin van Naafs is onderdeel van het project “Moestuinherstel”.
5.2. De rechtbank merkt eiser aan als belanghebbende. Gelet op de afstand tussen de volkstuin en de inrichting van Dow, is het niet uitgesloten dat eiser gevolgen van enige betekenis voor zijn leefklimaat ondervindt, veroorzaakt door activiteiten van de inrichting. Dat dat risico aanwezig is, kan worden afgeleid uit voormeld rapport van het RIVM.
5.3. Naar het oordeel van de rechtbank is de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) niet aan te merken als belanghebbende. De rol van de ILT als toezichthouder is hiervoor onvoldoende. De ILT wordt daarom niet (langer) toegelaten als derde-partij.
6. Voorschrift 3.3.6 luidt als volgt: “Indien vergunninghouder, na ten minste vier metingen, kan aantonen dat aan de lozingseisen voor temperatuur, pH, gehalte aan onoplosbare bestanddelen uit voorschrift 3.1.2 en de lozingseisen voor FRD 902/903, PFOA en PFPA uit voorschrift 3.2.1 voldaan kan worden, kan in afwijking van voorschrift 3.3.2 de meetfrequentie op verzoek van de vergunninghouder, na goedkeuring door het bevoegd gezag, verlaagd worden tot minimaal eenmaal per jaar.”
6.4. Naar het oordeel van de rechtbank biedt de enkele omstandigheid dat FRD-902/903, PFOA en PFPA (inmiddels) ZZS zijn onvoldoende aanleiding om een permanente meetfrequentie van één keer per kwartaal voor te schrijven. Gelet op de voorwaarden waaraan voldaan moet worden om een frequentieverlaging te mogen toepassen, is dit niet nodig in het belang van de bescherming van het milieu. Ook volgt de rechtbank eiser niet in zijn standpunt dat voorschrift 3.3.6 meer ZZS zou moeten omvatten. De aanwezigheid van FDR-902/903, PFOA en PFPA in het afvalwater van Dow staat vast en is aangevraagd en vergund. De enkele omstandigheid dat een stof (inmiddels) een ZZS is, is onvoldoende reden om een zwaarder meetregime voor te schrijven. Bovendien heeft het college in voorschrift 3.4.1 ook een onderzoeksverplichting voor overige PFAS opgelegd aan Dow, waardoor er al een voldoende gevoelig ‘waarschuwingssysteem’ ontstaat. Het voorschrijven van een strenger meetregime met een nog veel breder toepassingsbereik is niet gerechtvaardigd.

* Rechtbank Gelderland 28 juli 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:6477: Awb, Wabo; omgevingsvergunning beperkte milieutoets, natuurvergunning, aanvraag niet in behandeling, geen belanghebbende, verbod provinciale verordening/vestiging geitenhouderij, aanvrager/belanghebbende, uitzonderingen, voorkomen inefficiëntie, geldende beoordelingssystematiek, gefaseerde aanvraag, publiekrechtelijke variant privaatrechtelijke belemmering
4.2. De rechtbank oordeelt als volgt. Als uitgangspunt geldt dat een aanvrager als belanghebbende moet worden aangemerkt bij zijn aanvraag. Zoals het college terecht heeft opgemerkt zijn er op die regel uitzonderingen mogelijk. Een uitzondering kan bijvoorbeeld aan de orde zijn als bij een aanvraag voor een bouwvergunning in afwijking van het bestemmingsplan op voorhand duidelijk is dat uitvoering van wat is aangevraagd niet mogelijk zal zijn vanwege een evidente privaatrechtelijke belemmering. Zo’n uitzonderingsgeval doet zich echter hier niet voor. Het doel van het college is kennelijk geweest om inefficiëntie te voorkomen. Hij heeft geconstateerd dat eiseres meerdere vergunningen nodig heeft voor een volledige uitvoering van haar project, en dat hij niet verwacht dat al die vergunningen kunnen worden verleend. Maar het alleen om die reden niet in behandeling nemen van de aanvraag van eiseres past niet binnen de geldende beoordelingssystematiek en de mogelijkheid die artikel 2.5 van de Wabo biedt om een gefaseerde aanvraag in te dienen. Dat is in dit geval gebeurd: door eiseres is een gefaseerde aanvraag ingediend, en de eerste fase ziet alleen op een OBM en een natuurvergunning. Er is geen ruimte voor het betrekken van een inhoudelijk oordeel over niet-aangevraagde activiteiten bij de beoordeling van de belanghebbendheid van eiseres bij nu wel aangevraagde activiteiten. Dat is ook de reden dat een publiekrechtelijke variant van de privaatrechtelijke belemmering, zoals het college heeft aangenomen, in de rechtspraak niet bestaat. Het college heeft eiseres ten onrechte niet als belanghebbende aangemerkt en niet inhoudelijk op de aanvraag beslist.
4.3. Als het college meent dat provinciale regelgeving inhoudelijk in de weg staat aan de verlening van bepaalde (andere) benodigde vergunningen, dan moet die opvatting uiteindelijk zijn neerslag vinden in een besluit op de aanvraag van die vergunningen. Op die manier kan het inhoudelijke debat tussen partijen over de vraag welke regels van toepassing zijn, en de vraag of eiseres aanspraak kan maken op toepassing van de in de provinciale verordening opgenomen hardheidsclausule, voldragen worden gevoerd in het kader van het vergunningtraject waar dat thuishoort.

* Rechtbank Limburg 25 juli 2025, ECLI:NL:RBLIM:2025:7381: Awb, Wabo, Gmw; handhaving, dwangsom, huisvesting arbeidsmigranten, overtreding, paraplubestemmingsplan, geen verbod tot huisvesten arbeidsmigranten, binnenplanse afwijkingsbevoegdheid, ook geen impliciet verbod, bestemmingsplan zelf, begrip “bedrijfswoning”, werkzaam op andere locaties, noodzakelijk, hobbymatig agrarisch gebruik, melkveehouderij, beginselplicht tot handhaving, evenredigheid, overlast, planologische uitgangspunten, precedentwerking, weigering omgevingsvergunning afwijken bpl, criterium “in de nabijheid van”, werkgelegenheidsgebied, normale spraakgebruik, zekere fysieke of geografische nabijheid, afstand, functionele verbondenheid, niet voldaan aan cumulatieve voorwaarden, passeren gebrek
28. De rechtbank stelt vast dat werkgelegenheidsgebied in het paraplubestemmingsplan in artikel 1.39 is gedefinieerd, namelijk: ‘een gebied dat behoort tot de werkgelegenheidsgebieden, zoals deze zijn aangegeven in de bijlage ‘Werkgelegenheidsgebieden beleidsnotitie 2019’, welke deel uitmaakt van deze regels’. Over de inhoud van dat begrip bestaat tussen partijen geen discussie. Het debat spitst zich in beroep toe op de vraag wat moet worden verstaan onder ‘in de nabijheid van’. De rechtbank stelt vast dat niet nader is gedefinieerd wat moet worden verstaan onder ‘gelegen in de nabijheid van werkgelegenheidsgebieden’ uit artikel 6.1, sub a, van het paraplubestemmingsplan. Omdat ‘in de nabijheid van’ dus niet in de planregels of de toelichting is uitgewerkt, komt betekenis toe aan de uitleg die in het normale spraakgebruik daaraan wordt gegeven. ‘Nabijheid’ duidt daarbij op een zekere fysieke of geografische nabijheid, in de zin van ‘dichtbij gelegen’. In zoverre onderschrijft de rechtbank de analyse van het college over de vraag wanneer sprake is van gelegen ‘in de nabijheid van’.
29. De rechtbank volgt het college echter niet in zijn standpunt dat voor de vraag of een perceel nabij is gelegen of niet gekeken moet worden naar de afstand tot het dichtstbijzijnde werkgelegenheidsgebied uit de bijlage ‘Werkgelegenheidsgebieden beleidsnotitie 2019’. Dat volgt niet uit de letterlijke lezing van die planregel. Immers in sub a van artikel 6.1 van het paraplubestemmingsplan is het begrip “werkgelegenheidsgebieden” in het meervoud geformuleerd. Naar het oordeel van de rechtbank kan dit niet anders betekenen dan dat de planwetgever heeft bedoeld dat het perceel in de nabijheid van meerdere (dus meer dan één) werkgelegenheidsgebieden moet liggen. Het begrip moet zodanig worden uitgelegd dat aan de betreffende voorwaarde is voldaan wanneer het perceel zich in de nabijheid van ten minste twee werkgelegenheidsgebieden bevindt.
30. De rechtbank is van oordeel dat het college in redelijkheid tot zijn standpunt heeft kunnen komen dat het perceel niet in de nabijheid van werkgelegenheidsgebieden ligt. De afstand tot het dichtstbijzijnde werkgebied is hemelsbreed ruim zes kilometer. Het daarna volgende dichtstbijzijnde gelegen werkgelegenheidsgebied ligt volgens het college tenminste negen kilometer van het perceel vandaan. Het gaat dus om die afstand van negen kilometer en niet om de afstand van zes kilometer. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college die afstand in redelijkheid niet als ‘in de nabijheid van’ kunnen kwalificeren. Immers, een dergelijke afstand zal in het dagelijks taalgebruik niet als ‘dichtbij’ worden aangemerkt en ook kan bij die afstand niet meer in redelijkheid aangenomen worden dat sprake is van een functionele verbondenheid tussen wonen en werken wat de rechtbank met het college aanneemt de onderliggende reden is geweest voor het opnemen van deze voorwaarde. (…) Gelet op deze beleidsdoelstelling en de ligging van het perceel in een landelijk gebied zonder directe werkgelegenheid in de buurt, heeft het college in redelijkheid kunnen besluiten dat niet aan de voorwaarde onder artikel 6.1, onder a, van het paraplubestemmingsplan is voldaan.

* Rechtbank Limburg 24 juli 2025, ECLI:NL:RBLIM:2025:7287: Awb, Wabo, Wm; afwijzing handhavingsverzoeken, vliegactiviteiten, modelvliegsportvereniging, overtreding, bpl, sportbestemming, vlieggebied op grond van maatwerkvoorschriften, uitleg planregels, rechtszekerheid, letterlijke uitleg, gronden/luchtruim, voorbereiding, controles, vliegen buiten vlieggebied, (incidentele) overtredingen, preventieve last onder dwangsom, motiveringsgebrek
15.1. De rechtbank volgt eisers niet in hun betoog dat uitsluitend boven gronden met de bestemming ‘Sport’ mag worden gevlogen. Daartoe stelt de rechtbank voorop dat uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat een planregel omwille van de rechtszekerheid letterlijk moet worden uitgelegd, nu de rechtszekerheid vereist dat van wat in het bestemmingsplan is bepaald, kan worden uitgegaan. Zie bijvoorbeeld de uitspraken van 10 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2307, 17 maart 2021, ECLI:NL:RVS:2021:583 en 14 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2402. In dit geval is in artikel 3.1 van de planregels opgenomen dat “de voor ‘Agrarisch’ aangewezen gronden bestemd zijn voor (…)”. Gelet op een letterlijke uitleg leidt de rechtbank hieruit af dat alleen het gebruik van de gronden en dus niet (ook) het luchtruim onder deze planregel valt. Vast staat dat het stijgen en landen van de vliegtuigen alleen binnen de bestemming ‘Sport’ en niet binnen de bestemming ‘Agrarisch’ van het bestemmingsplan plaatsvindt. Gelet daarop heeft verweerder terecht geconcludeerd dat geen sprake is van een overtreding van de planregels uit het bestemmingsplan.

* Rechtbank Noord-Nederland 10 juli 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:3258: Awb, Wabo; ambtshalve wijziging vergunningvoorschriften, actualisatieplicht, ontstaan of verspreiding van legionella, BBT-conclusies, BREF-documenten, wettelijke systematiek, technische mogelijkheden tot bescherming van het milieu, grondslag, algemene informatie, briefrapport RIVM, GGD, IPLO, bedrijfsproces, afvalwaterstroom
6.2. De rechtbank stelt vast dat het college de voorschriften in het nieuwe hoofdstuk 1 aan de vergunning verbonden heeft ter actualisatie van de vergunning als bedoeld in artikel 2.31, eerste lid, onder b, van de Wabo. Tussen partijen is niet in geschil dat, ná verlening van de revisievergunning, nieuwe voor het bedrijf relevante BBT-conclusies zijn gepubliceerd. Op grond van artikel 2.30, eerste lid, en artikel 2.31, eerste lid, onder b, van de Wabo in samenhang met artikel 5.10, eerste lid, van het Bor is het college in dat geval onder de in artikel 2.31, eerste lid onder b, van de Wabo genoemde omstandigheden gehouden de vergunningvoorschriften te actualiseren. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het college in beginsel bevoegd was de voorschriften te wijzigen.
6.3. De rechtbank overweegt echter dat het college de actualisatieplicht niet op een rechtmatige manier heeft toegepast. Uit de wettelijke systematiek volgt dat het college eerst zelf moet onderzoeken of actualisatie van de vergunningvoorschriften nodig is. Artikel 2.30, eerste lid, van de Wabo draagt het college op regelmatig te bezien of de voorschriften die aan een omgevingsvergunning verbonden zijn, nog toereikend zijn gezien de ontwikkelingen op het gebied van de technische mogelijkheden tot bescherming van het milieu. Onder ontwikkelingen op het gebied van technische mogelijkheden tot bescherming van het milieu wordt mede verstaan de vaststelling van nieuwe of herziene BBT-conclusies. In artikel 5.10, eerste lid, onder a, van het Bor is deze onderzoeksplicht nader geconcretiseerd. Het college dient, binnen vier jaar na publicatie van de relevante BBT-conclusies te toetsen of de vergunningvoorschriften voldoen aan de nieuwe BBT-conclusies, die sinds het verlenen van de vergunning zijn vastgesteld of herzien. De rechtbank leidt hieruit af dat het college zelf moet beoordelen of in dit concrete geval de aan de vergunning verbonden voorschriften nog voldoen aan de BBT-conclusies.
6.4 De rechtbank stelt vast dat het college in dit geval volstaan heeft met het verzenden van de brief van 4 mei 2022 aan eiseres, waarin eiseres verzocht werd aan te geven in hoeverre zij voldeed aan de BBT-conclusies van de door het college genoemde BREF’s. Eiseres heeft niet gereageerd op dit verzoek. Het college heeft vervolgens geen nadere uitvraag meer bij eiseres gedaan en heeft ook niet op andere wijze onderzocht of het nodig was de vergunningvoorschriften te actualiseren. In plaats daarvan heeft het college de in het nieuwe hoofdstuk 1 opgenomen voorschriften aan de vergunning verbonden waarmee het college eiseres opdraagt zelf te analyseren in hoeverre het bedrijf voldoet aan de BBT-conclusies.
6.5. De rechtbank is gelet op het bovenstaande van oordeel dat het college eiseres in strijd met de wet in de vergunningvoorschriften heeft opgedragen om te onderzoeken of zij voldoet aan de nieuwe BBT-conclusies, terwijl die onderzoeksplicht op grond van artikel 2.30, eerste lid, van de Wabo en artikel 5.10, eerste lid, van het Bor bij het college ligt. Zonder deze toets van de geldende vergunningvoorschriften aan de nieuwe BBT-conclusies kon het college zich niet op het standpunt stellen dat actualisatie van de vergunningvoorschriften noodzakelijk was. Voorschriften 1.1.1 tot en met 1.1.3 kunnen daarom niet in stand blijven.
7.2.1. De rechtbank leidt uit het bestreden besluit af dat het college de voorschriften 2.1.1 tot en met 2.1.8 aan de vergunning verbonden heeft op grond van artikel 2.31, tweede lid, onder b, van de Wabo. (…) Het college heeft voorts in het besluit, ten aanzien van deze voorschriften, niet vermeld dat er sprake was van nieuwe technische ontwikkelingen of ontwikkelingen in de kwaliteit van het milieu, zoals benoemd in artikel 2.31, eerste lid, onder b, van de Wabo. Omdat wijziging van de vergunningvoorschriften op grond van artikel 2.31, tweede lid, onder b, van de Wabo alleen kan worden toegepast in het belang van bescherming van het milieu, lag het op de weg van het college om aannemelijk te maken dat er een risico voor het milieu bestond waardoor wijziging van de voorschriften noodzakelijk en gerechtvaardigd was. Dit betekent dat het college in dit geval aannemelijk moest maken dat er in het bedrijf van eiseres een concreet risico bestond op het ontstaan en de verspreiding van legionella, waardoor het noodzakelijk was de vergunningvoorschriften op dit punt aan te passen.
7.5. (…) Onder die omstandigheden is het niet aannemelijk dat de temperatuur van (een gedeelte van) het afvalwater door verwarming in de buitenlucht de risicovolle bandbreedte bereikt. (…) Tegen die achtergrond constateert de rechtbank dat het college, afgezien van het hierboven geciteerde rapport waaruit niet blijk van een concreet risico op de vorming van legionella, geen nader onderzoek heeft gedaan in de inrichting naar deze specifieke afvalwaterstroom waaruit kon blijken dat er wel een zodanig concreet risico bestaat. Het college heeft evenmin op andere wijze gemotiveerd dat er een concreet aanknopingspunt bestaat om aan te nemen dat in het bedrijf van eiseres een risico bestaat op het ontstaan of de verspreiding van legionella. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het college niet heeft aangetoond dat het risico op de ontplooiing van een besmettingsbron zich voordoet bij het bedrijf van eiseres en dat het opnemen van de bestreden nieuwe voorschriften daarom nodig zijn ter bescherming van het milieu. Het bestreden besluit is op dit punt in strijd met artikel 3:2 van de Awb onzorgvuldig voorbereid en in strijd met artikel 3:46 Awb niet deugdelijk gemotiveerd. De nieuwe voorschriften 2.1.1 tot en met 2.1.8 kunnen niet in stand blijven.

Rechtbank Midden-Nederland 2 juli 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:3201: Awb, Ow; handhaving, dwangsom, bedrijfsactiviteiten, bodembedreigende activiteiten, peilbuis, verhoogd stikstofgehalte (N-Kjeldahl), bodemkwaliteit, saneren, toepasselijke recht, Activiteitenbesluit milieubeheer, Omgevingswet, Besluit activiteiten leefomgeving, moment verzending voornemen handhavend optreden, verplichting herstellen bodemkwaliteit, overgangsrecht Wet bodembescherming, aanvullingswet bodem Omgevingswet, schakelbepalingen, belangenafweging, bob/op korte termijn nemen, inspanningen verzoekster, bodemspecialist RUD, acute gevaarzetting voor personen of het milieu, schorsing last
3. De bestreden last onder dwangsom is gebaseerd op het Activiteitenbesluit milieubeheer (het Activiteitenbesluit). Deze regeling is met de inwerking van de Omgevingswet en het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) per 1 januari 2024 vervallen. De voorzieningenrechter stelt vast dat het college het voornemen tot handhavend optreden op 15 januari 2025 aan verzoekster heeft verzonden. Met een besluit van 5 februari 2025 heeft het college ook daadwerkelijk een last onder dwangsom aan verzoekster opgelegd. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is daarom op dit bestuurlijk handhavingsbesluit niet het Activiteitenbesluit, maar het Bal van toepassing. De voorzieningenrechter verwijst hierbij naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 3 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2645 en het daarbij door de Afdeling gepubliceerde stroomschema. Ook daarin is de verplichting opgenomen om bij het beëindigen van bodembedreigende activiteiten de bodemkwaliteit te herstellen (artikelen 5.3 tot en met 5.7 van het Bal). Dit betekent naar het oordeel van de voorzieningenrechter dat het college in de te nemen beslissing op bezwaar de rechtsgrond van de opgelegde last onder dwangsom zal moeten herstellen.
4. Vlak voor de zitting heeft het college in een nader overgelegd stuk nog gewezen op het overgangsrecht voor de Wet bodembescherming (Wbb), zoals dat is opgenomen in de Aanvullingswet bodem Omgevingswet. Het college heeft op de zitting toegelicht dat volgens hem ook sprake is van een overtreding van artikel 13 van de Wbb zoals dat tot 1 januari 2024 luidde. Volgens het college is artikel 13 van de Wbb nog niet aan de tweede last onder dwangsom ten grondslag gelegd, maar is deze bepaling op grond van het overgangsrecht voor de Wbb via schakelbepalingen hier wel van toepassing. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter zal het college dit verder duidelijk moeten maken in het te nemen besluit op bezwaar. Overigens wijst de voorzieningenrechter erop dat tegen besluiten die werden genomen op grond van de Wbb beroep moest worden ingesteld bij de Afdeling en de rechtbank dus niet bevoegd is een oordeel te geven over een eventueel bodemgeding over een besluit dat is gebaseerd op de Wbb (artikel 2, van bijlage 2, bij de Algemene wet bestuursrecht, zoals dit luide tot en met 31 december 2023).

Rechtbank Noord-Nederland 30 mei 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:3251: Awb, Ow; vovo en kortsluiten, gedoogplichtbeschikking, aanleg en instandhouding van een afvalwatertransportleiding, erkenningsbesluit, concessie Belemmeringenwet Privaatrecht, artikel 4.26 lid 1 Invoeringswet Omgevingswet, wetsgeschiedenis, openbaar belang, tracékeuze
6. De voorzieningenrechter is met de minister van oordeel dat het onherroepelijke erkenningsbesluit als grondslag geldt voor het opleggen van de gedoogplichtbeschikking. Dat volgt namelijk uit artikel 4.26, eerste lid, van de Invoeringswet Ow.
6.1. De voorzieningenrechter is verder van oordeel dat de minister mocht concluderen dat het opleggen van de gedoogplicht gerechtvaardigd was vanwege het in dat besluit erkende openbare belang. De voorzieningenrechter verwijst in dit verband naar de wetsgeschiedenis bij artikel 4.26, eerste lid, van de Invoeringswet Ow: “Op grond van de Belemmeringenwet Privaatrecht zijn er twee besluiten: de erkenning van het openbaar belang en de beschikking voor de gedoogplicht (zie ook artikel 2, vijfde lid, en artikel 3, tweede lid, van die wet). Deze twee besluiten worden samengevoegd in artikel 10.21 van de Omgevingswet. De erkenning van het openbaar belang wordt al meegenomen bij de totstandkoming van de gedoogplichtbeschikking. Dat betekent voor het overgangsrecht het volgende: als een openbaar belang is erkend blijft deze erkenning door de eerbiedigende werking ervan bestaan, ook al is er nog geen gedoogplichtbeschikking afgegeven. De erkenning kan vervolgens als grondslag dienen voor een gedoogplichtbeschikking als bedoeld in artikel 10.21, eerste lid, van de Omgevingswet.” (Kamerstukken II, 2017/2018, 34 986, nr. 3, p. 495 (MvT))
6.2. Aangezien het openbaar belang is erkend, en die erkenning onherroepelijk is, is de voorzieningenrechter van oordeel dat het openbare belang in deze procedure niet meer aan de orde kan komen. De enkele omstandigheid dat de minister in de gedoogplichtbeschikking herhaalt wat er in het erkenningsbesluit over het openbaar belang is vermeld, maakt dat niet anders. De voorzieningenrechter acht daarvoor van belang dat de minister ter motivering van het openbaar belang uitdrukkelijk heeft verwezen naar het erkenningsbesluit. Het betoog slaagt niet.

Rechtbank Noord-Nederland 12 mei 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:3252: Awb, Ow; vovo, omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit (bouwactiviteit), tijdelijke mantelzorgwoning, spoedeisend belang, definitie omgevingsplanactiviteit, artikel 22.26 omgevingsplan, Besluit kwaliteit leefomgeving, tijdelijk deel omgevingsplan, bruidsschat, begrip “bijbehorend bouwwerk”, achtererfgebied, strijd omgevingsplan, artikel 22.36, geen bestaand bouwwerk
7. De voorzieningenrechter stelt voorop dat sinds de inwerkingtreding van de Ow de vergunning voor een bouwactiviteit is gesplitst in een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit (geregeld in artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Ow) en een omgevingsvergunning voor de (technische) bouwactiviteit (geregeld in artikel 5.1, tweede lid, onder a, van de Ow). De technische bouwactiviteit ziet op technische aspecten zoals voorheen geregeld in het Bouwbesluit 2012. In het kader van de omgevingsplanactiviteit wordt er getoetst aan de ruimtelijke bouwregels van het omgevingsplan.
7.1. De aanvraag heeft alleen betrekking op de omgevingsplanactiviteit zoals geregeld in artikel 5.1, eerste lid, van de Ow. In de bijlage bij artikel 1.1 van de Ow is een omgevingsplanactiviteit – voor zover hier van belang – gedefinieerd als een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het verboden is deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die niet in strijd is met het omgevingsplan. In artikel 22.26 van het Omgevingsplan gemeente Ooststellingwerf is bepaald dat het verboden is zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken. De beoordelingsregels voor het verlenen of weigeren van een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit zijn vastgesteld bij algemene maatregel van bestuur (artikel 5.18, eerste lid, van de Ow en artikel 5.21, eerste lid, van de Ow). Deze algemene maatregel van bestuur is het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Als het gaat om een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten, wordt op grond van artikel 8.0a, eerste lid, van het Bkl de omgevingsvergunning verleend als de activiteit niet in strijd is met de regels die in het omgevingsplan zijn gesteld over het verlenen van de omgevingsvergunning.
7.2. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat sprake is van een omgevingsplanactiviteit die niet in strijd is met het omgevingsplan. De voorzieningenrechter overweegt daarover als volgt.
7.3. Op dit moment bestaat het omgevingsplan op grond van artikel 22.1 van de Ow uit een ‘tijdelijk deel’. Naast de voorheen vastgestelde bestemmingsplannen wordt dit tijdelijke deel onder andere gevormd door omgevingsplanregels van rechtswege (de zogenoemde bruidsschat).
7.4. Uit artikel 1, onder 22, van het omgevingsplan volgt dat onder een ‘bijbehorend bouwwerk’ wordt verstaan een uitbreiding van een hoofdgebouw, dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak. Volgens het college moet de mantelzorgwoning als zodanig worden aangemerkt en is daarom geen sprake van strijd met de bouwregels in artikel 33.2 van het omgevingsplan. Het college verwijst naar artikel 22.25 van het omgevingsplan waarin is bepaald dat huisvesting in verband met mantelzorg voor de toepassing van de paragrafen 22.2.7.2 en 22.2.7.3 wordt aangemerkt als functioneel verbonden met het hoofdgebouw. In dit geval is echter geen sprake van toepassing van de paragrafen 22.2.7.2 en 22.2.7.3. De mantelzorgwoning wordt immers niet in het achtererfgebied geplaatst en gelet daarop zijn de artikelen 22.27 en 22.36 van (het tijdelijk deel) van het omgevingsplan niet van toepassing. De voorzieningenrechter overweegt dat sprake is van een mantelzorgwoning (unit) die tijdelijk (voor de duur van 10 jaar) wordt geplaatst op het perceel en gebruikt gaat worden als woning. Nu in dit geval geen sprake is van de toepassing van de artikelen 22.27 en 22.36 van het omgevingsplan kan huisvesting in verband met mantelzorg bij de toepassing van artikel 33.2 niet worden aangemerkt als functioneel verbonden met het hoofdgebouw en als een bijbehorend bouwwerk. Het college heeft zich dus ten onrechte op het standpunt gesteld dat geen sprake is van strijd met de bouwregels in artikel 33.2 van het omgevingsplan en dat vergunning voor een omgevingsplanactiviteit om die reden kon worden verleend. Voor zover het college zich op het standpunt heeft willen stellen dat op grond van artikel 22.36, aanhef en onder c, van het omgevingsplan het gebruik van een bestaand bouwwerk als mantelzorgwoning is toegestaan overweegt de voorzieningenrechter dat in dit geval geen sprake is van een bestaand bouwwerk.

Privacy beleid
STAB hecht aan het naleven van de beginselen uit de AVG. De wijze waarop we met gegevens omgaan, is vastgelegd in een privacyverklaring. Voor onze volledige privacyverklaring kunt u hier terecht.

Privacy Preference Center

Ontdek meer van STAB

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder