Weekoverzicht uitspraken omgevingsrecht
* ABRvS 6 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3675: Awb, Wro; vovo, bpl, uitbreiding (hoofd)vestiging, verkeersafwikkeling, spoedeisend belang, moment zitting, geen aanvraag omgevingsvergunning ingediend, voorbereidende werkzaamheden, onomkeerbare gevolgen, bijkomende omstandigheden, tekeningen en/of aanvragen, vooroverleg, koopovereenkomst/ontbindende voorwaarde, geen onomkeerbare gevolgen, geen spoedeisend belang, afwijzing verzoek
* ABRvS 6 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3635: Awb, Waterwet; afwijzing verzoek preventief handhavend optreden, gebruik vislood, viswedstrijd, omvang van het hoger beroep, grenzen van het geding, met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid, lood/stof in de zin van artikel 6.1 Ww, geen vrijstelling, geen watervergunning verleend, bedoeling, achterblijven vislood in oppervlaktewater, loodvrije voerkorven (Rb Noord-Nederland 21/1338)
* ABRvS 6 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3698: Awb, Arbeidsomstandighedenwet; boete, overtredingen Arbeidsomstandighedenbesluit, schriftelijke waarschuwing preventieve stillegging werk, gecertificeerd saneringsbedrijf, verwijderen asbesthoudende golfplaten, dak loods, hijswerktuig, uitzonderingsgrond, verreiker, redelijkerwijsclausule, totale reistijd, veiligheid werknemers, matigen boete, beleidsregel, waarschuwing, evenredigheid, boetezaken, ambtshalve beoordeling/overschrijding redelijke termijn, meer dan twaalf maanden, bevind van zaken (Rb Gelderland 20/4448 en 20/4451)
* ABRvS 6 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3704 en ABRvS 6 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3705: Awb, Gmw; intrekking exploitatievergunning, passagiersvaartuig, incidenteel hoger beroep, intrekken hoger beroep, belang bij inhoudelijk oordeel, Brummenjurisprudentie/niet van toepassing, einde geschil/intrekking hoger beroep door college, bevoegdheid, niet binnen redelijke termijn in gebruik genomen, oordeel rechtbank niet bindend/ander besluit, hoger beroep niet-ontvankelijk, schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn (Rb Amsterdam 20/3822 en Rb Amsterdam 20/3823)
* ABRvS 6 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3690: Awb, Wro; weigering tegemoetkoming in planschade, schadeoorzaak/omgevingsvergunning negen woningen, actualisatie overzichtsuitspraak planschade uit 2016, overgangsrecht Invoeringswet Omgevingswet, rechtspraktijk omgevingsrechtelijke nadeelcompensatierecht, tijdsverloop, voorzienbaarheid, tijdelijk voordeel, Verordening tot vaststelling van de Regels voor de Bebouwde Kom 1958, komregeling/Woningwet 1901, Overgangswet Ruimtelijke Ordening en Volkshuisvesting, bestemmingsplan/WRO, bouwverordening, geen volledig inzicht planologische mogelijkheden (Rb Midden-Nederland 22/1561)
* ABRvS 6 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3694: Awb, Hvw, Gmw; vergunning vormen zelfstandige woonruimten, gemeentelijke huisvestingsverordening, overgelegde bouwtekeningen, gebruiksoppervlakte studio’s, vereiste minimale gebruiksoppervlakte, metingen, binnenmuren, geldende bestemmingsplan, netto gebruiksoppervlakte, NEN 2580, meetwijze, schacht (Rb Amsterdam 22/3890)
* ABRvS 6 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3634: Awb, Waterwet; afwijzing verzoek om preventief handhavend op te treden, viswedstrijden, Westerschelde, omvang hoger beroep, grenzen van het geding, lood/stof in de zin van artikel 6.1 Ww, geen vrijstelling, geen watervergunning, stoffen brengen in oppervlaktewaterlichaam, vislood weer uit water gehaald, niet vergunningplichtig, toelichting Besluit activiteiten leefomgeving, zorg- en meldplicht, geen fysieke handeling, overtreder, met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid, voorkomen loodverlies, overweging ten overvloede (Rb Zeeland-West-Brabant 23/945)
* ABRvS 6 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3687: Awb, Wabo; handhaving, dwangsom, hondenfokkerij, bedrijfsmatig/hobby, omvang als ware bedrijfsmatig, niet verenigbaar met woonfunctie, hondenkennel/wezenlijk ander ruimtelijk effect, overlast, verlengen begunstigingstermijn, geruime tijd voorbereiden, mogelijke plicht verwijdering honden (Rb Noord-Nederland 23/1485 en 23/2349)
* ABRvS 6 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3633: Awb, Waterwet; afwijzing verzoek om preventief handhavend op te treden, vislood sportvisserij, verlies vislood, niet horen in bezwaarfase, omvang hoger beroep, grenzen van het geding, lood/stof in de zin van artikel 6.1 Ww, geen vrijstelling, geen watervergunning, nog te houden viswedstrijden, met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid, overtreder, degene die de fysieke handeling verricht, wedstrijdreglement, viswedstrijd plaatsgevonden, geen concrete informatie, zorg- en meldingsplicht (Rb Overijssel 22/1393)
* ABRvS 6 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3710: Awb, Wvw 1994; afwijzing verzoek nemen verkeersbesluit, afsluiting voor voertuigen langer dan 8 m en/of zwaarder dan 7,5 ton, eigenaar pand, verzakking, vermoeden/vrachtwagens scheepswerf, nieuwe feiten en omstandigheden, afwijzing onder verwijzing naar artikel 4:6 lid 2 Awb, geotechnische onderzoek, draagkracht straat, andere wijze beoordelen/gebouwschade, nieuwe beslissing op bezwaar/niet-ontvankelijk, geen eigenaar meer, 6:19-besluit, Kadaster, geen belang (Rb Gelderland 22/3891)
* ABRvS 6 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3693: Awb, Hvw, Gmw; bestuurlijke boete, omzetten zelfstandige woonruimte in onzelfstandige woonruimte, zonder vereiste vergunning, gemeentelijke huisvestingsverordening, overtreding, beroepsgrond/inbreuk op fundamentele rechten, artikel 1 EP EVRM, artikel 2 Vierde Protocol EVRM, woonruimte schaars, ingrijpen woonruimtevoorraad noodzakelijk, overtrederschap, degene die verboden handeling fysiek verricht, functioneel daderschap, strafrechtelijke criteria, oriëntatiepunt, sfeer rechtspersoon, Drijfmest, eigenaar/beschikkingsmacht, aanvaarden overtreding, verklaring aannemelijk, bepalingen huurovereenkomst, rapport van bevindingen, regelmatig uitvoeren controles, zorg betracht/oog voorkomen overtreding (Rb Den Haag 23/4308)
* ABRvS 6 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3706: Awb, Hvw, Gmw; handhaving, dwangsom, onzelfstandig verhuren woning, zonder vereiste vergunning, bestuurlijke boete, beroepsmatig onzelfstandig verhuren van een woning, zonder vereiste vergunning, inspectierapport, overtreding, overtreder, beschikkingsmacht, overtreding aanvaard, tekort geschoten in wat redelijkerwijs mocht worden verwacht/voorkomen overtreding, bedrijfsmatige exploitatie, herhaling aangevoerde in beroep, gemotiveerde bespreking, Afdeling onderschrijft oordeel en overwegingen (Rb Den Haag 23/5457 en 23/5458)
* ABRvS 6 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3691: Awb, Wabo; bekendmaking van rechtswege verleende omgevingsvergunning, bouwen schuur, bezwaar ongegrond, omgevingsvergunning alsnog geweigerd, beroep ongegrond, niet vergunningvrij, volledige heroverweging, strijd bpl, geen medewerking afwijken bpl, herhaling aangevoerde in beroep, gemotiveerde bespreking, Afdeling onderschrijft oordeel en overwegingen (Rb Gelderland 23/1435)
* ABRvS 6 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3708: Awb, Wro; uitwerkingsplan, woningbouw, vijf appellanten, opstalrecht molenterrein, houtzaagmolen, verlies aan draai- en zaaguren, groothandel in levensmiddelen, vrees belemmeringen bedrijfsvoering, groothandel in groente en fruit, omwonenden/woonboten, vrees aantasting woongenot, uitwerking in fases, grote mate van samenhang, ingrijpende gevolgen, gefaseerde planontwikkeling, rechtszekerheidsbeginsel, windonderzoek, mogelijke invulling, toekomstige situatie, representatieve invulling, onafhankelijkheid deskundige, parameters windtunnelonderzoek, maquette, minimaal in aanmerking te nemen windsnelheid, ondergrens, empirische gegevens, geen eenduidig standpunt, wettelijke norm bebouwing binnen molenbiotoop, procentueel/absolute getallen, indeling plangebied, belangenafweging, uitvoerbaarheid, regeling grondexploitatie/toepassing bij bpl, geluid, VNG-brochure, vier stappen, maatwerkvoorschriften, geluidgrenswaarden Activiteitenbesluit milieubeheer, beroepsgrond stikstof/artikel 1.6a Chw, woontoren/ander uitwerkingsplan, woningbehoefte, woningdifferentiatie, relativiteitsvereiste, parkeren, planregels, toetsingskader parkeren, voldoende parkeergelegenheid, verkeer, verkeersafwikkeling, verkeerstechnische aspecten, uitvoering, cyclustijd, toename verliestijd, beeldkwaliteitsplan, wegverkeerslawaai en en stikstofdepositie/relativiteitsvereiste, overgangsrecht
* ABRvS 6 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3680: Awb, Wro; bpl, vernieuwen winkelcentrum, tweede supermarkt, gebouw met huurappartementen, omwonende, vrees aantasting woongenot, bouwhoogte, afstand, hoogbouwbeleid, verkeer, verkeersdruk, verkeersveiligheid, geen verkeersonderzoek, snelheidsregime, niet achterwege laten, parkeren, aantal aan te leggen parkeerplaatsen, berekening parkeerbehoefte, aanwezigheidspercentages, tellingen, laden en lossen, toets Activiteitenbesluit, manoeuvreerbewegingen, anterieure overeenkomst, inpanding, voorwaardelijke verplichting, tussenuitspraak
* ABRvS 6 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3692: Awb, Wm, Gmw; spoedeisende bestuursdwang, gemeentelijke afvalstoffenverordening, aanbieden huishoudelijke afvalstoffen, kosten toepassing bestuursdwang, bewijsvermoeden, maatstaf, door toezichthouder opgemaakt rapport, geen foto’s, label met adres appellant, tot appellant te herleiden, onvoldoende twijfel gezaaid, volle containers/ligt niet voor
* ABRvS 6 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3677: Awb, Wabo; omgevingsvergunning gewijzigd plaatsen rookgasafvoerkanaal, rechterzijgevel, bezwaar ongegrond, strijd bpl, woonbestemming, wijze van meten, ondergeschikt bouwonderdeel, afvoeren rook houtkachel/functie schoorsteen, geen limitatieve opsomming, omvang en uiterlijke verschijningsvorm/ondergeschikt aan woning, bouwtekening, Bouwbesluit 2012, relativiteitsvereiste, artikel 7.22 Bouwbesluit 2012, restbepaling, welstand, welstandsadvies, welstandsnota, stadsbouwmeester, geen tegenadvies, geen concrete aanknopingspunten voor twijfel (Rb Midden-Nederland 24/631)
* ABRvS 6 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3702: Awb, Hvw, Gmw; bestuurlijke boete, gemeentelijke huisvestingsverordening, in gebruik geven woning, zonder benodigde huisvestingsvergunning, rechtstreeks beroep, hoogte boete, wettelijk voorschrift, bijzondere omstandigheden, verminderde verwijtbaarheid, een beperkte ernst van een overtreding en een geringe financiële draagkracht, inspanningen overtreding ongedaan maken/geen verminderde verwijtbaarheid, huurders/zouden voldoen aan voorwaarden verkrijgen huisvestingsvergunning indien aangevraagd, berekening inkomen, loon/salarisspecificaties en arbeidscontracten, beperkte ernst overtreding, matiging passend en geboden (Rb Den Haag 23/6224)
* ABRvS 6 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3684: Awb, Wro; bpl, woningbouw, normen Besluit activiteiten leefomgeving, artikel 4.6 lid 2 Invoeringswet Omgevingswet, Bal niet van toepassing op bpl, participatie, uniforme openbare voorbereidingsprocedure, zienswijze ontwerpplan, provinciaal beleid, belangenafweging, natuurbeheerplan, zichtlijnen dijk, kwaliteit buitengebied, vervallen agrarische bebouwing, soortenbescherming, uitvoerbaarheid plan, quickscan, vleermuizen, steenuil
* ABRvS 6 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3686: Awb, Wm, Gmw; spoedeisende bestuursdwang, gemeentelijk uitvoeringsbesluit afvalstoffen, aanbieden huishoudelijke afvalstoffen, kosten toepassing bestuursdwang, kartonnen verpakking, ondergrondse papiercontainer, overtreder, op juiste wijze aanbieden ter inzameling, inzamelvoorziening vol, niet op de hoogte regels/voor risico appellante, betalingsregeling
* ABRvS 6 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3700: Awb, Wvw 1994; verkeersbesluit, aanleggen landbouwsluis, weggedeelte in beide richtingen/gesloten verklaren, fietsers en bromfietsers uitgezonderd, sluipverkeer, verkeersgegevens 2015, aanleg nieuwe wegen, meer gebruik sluiproutes, alternatieve verkeersmaatregelen, structurele handhaving verkeersregels, onvoldoende ruimte, plaatsen verkeersdruppel, één of meer drempels, kosten, belangenafweging, belang verkeersveiligheid en leefbaarheid, effect op reistijd, omrijdtijd, uitspraak na judiciële lus
¶ Rechtbank Oost-Brabant 5 augustus 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:4948: Awb, Ow; vovo, handhaving, dwangsom, fietspad, voor fietsers ontoegankelijk maken, andere effectieve maatregelen, beschermen gladde slangen, Besluit activiteiten leefomgeving, Nationale databank Flora en Fauna (NDFF), waarnemingen, buiten behandeling laten, besluit, belanghebbende, overtreding, aanmerkelijke kans doodrijden jonge slangen, beschermde status/Habitatrichtlijn, verboden gedraging, overtreder/grondgebied gemeente, eigenaar, wegbeheerder, bestuursrechtelijke overtredersbegrip genuanceerd, begunstigingstermijn, belangenafweging, openbare weg, Wegenwet, rijwielpad, onttrekken bij raadsbesluit, langer dan begunstigingstermijn, aanvragen offerte
* ABRvS 5 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3661: Awb, Wbb; vovo, gedoogbevel, werkzaamheden sanering, toepasselijke recht, Invoeringswet Omgevingswet, Aanvullingswet bodem Omgevingswet, uitleg overgangsrecht, woonwijk, voormalig bedrijfsterrein textielbedrijf, PFAS, verklaring “ernst en spoed”, saneringsplan, bekendmaking, toezending, college bevoegd tot uitvaardigen gedoogbevel, besluit over sanering als zodanig/ligt niet voor
* ABRvS 5 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3660: Awb, Wnb; vovo, ontheffing doden edelherten met geweer en gebruikmaking demper, Oostvaardersplassen en gebieden daaromheen, tussenuitspraak Afdeling, spoedeisend belang, belangenafweging, voorlopige voorziening, handelt alsof aan ontheffing voorschrift wordt verbonden, genetische diversiteit, populatie edelherten, monitoren, aanwijzingen, gunstige staat van instandhouding in gevaar dreigt te komen, bijplaatsen nieuwe mannelijke herten
* College van Beroep voor het bedrijfsleven 5 augustus 2025, ECLI:NL:CBB:2025:405: Awb, Msw; boete, overschrijding fosfaatgebruiksnorm, gemengd bedrijf met akkerbouw en pluimvee, fase van omschakeling naar biologisch bedrijf, eindvoorraad, bewijsmaatstaf, memorie van toelichting, minister aantonen aanwezigheid mest, landbouwer aannemelijk maken niet in of op zijn grond is gebracht, opgave, betrouwbaar, objectief verifieerbaar bewijs, Uitvoeringsregeling, Uitvoeringsbesluit, fysieke meting, wettelijke systematiek, alternatieve berekening, voldoende betrouwbare rekenmethode, gehanteerde getallen dienen een ander doel, concrete bedrijfsspecifieke gegevens, gecombineerde opgave
* College van Beroep voor het bedrijfsleven 5 augustus 2025, ECLI:NL:CBB:2025:406: Awb, Msw; afwijzing ontheffingsverzoek, artikel 38 lid 2 Msw, uitbreidingsverbod, discretionaire bevoegdheid, evenredigheidsbeginsel, 3:4 lid 2 Awb, belangenafweging, referentiehoeveelheid fosfaat, feitelijke situatie, niet legaliseren, Nitraatrichtlijn, derogatie, zevende actieprogramma, bedrijf beëindiging, opbrengst bij verkoop, financiële belang, schulden bij verkoop
* ABRvS 4 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3636: Awb, Wro; vovo, bpl, grootschalige herontwikkeling, uitbreiding aantal woningen, sloop, renovatie en nieuwbouw, bedrijfsruimten, parkeergarage, uitspraak rechtbank, intrekking aanwijzing beschermd stadsgezicht, opschortende voorwaarde/inwerkingtreding nieuw planologisch kader, afwijzing verzoek, algemeen belang realisatie nieuwe woningen, belang behoud cultuurhistorische waarden, financiële aspect, differentiatie woningvoorraad, dubbelbestemming
* HvJEU 1 augustus 2025, ECLI:EU:C:2025:609: Richtlijn 2009/147/EG; Prejudiciële verwijzing, ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing, behoud van de vogelstand, artikel 5, verbodsbepalingen ter bescherming van vogels, begrip „opzet”, begrip artikel 12 habitatrichtlijn, aanvaarding, ecologische, wetenschappelijke en culturele eisen, artikel 9, afwijkingen, kappen bomen, kaalslag of schermslag gedurende de broedperiode van vogels, voorzorgsbeginsel, wetenschappelijke gegevens en waarnemingen van individuele vogels
* HvJEU 1 augustus 2025, ECLI:EU:C:2025:620: Richtlijn 2011/92/EU; milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten, artikel 6, raadpleging van de instanties die op grond van hun specifieke verantwoordelijkheden op milieugebied of op grond van hun lokale of regionale bevoegdheden met het project te maken kunnen krijgen, en van het betrokken publiek, inspraak van het publiek bij de besluitvorming, artikel 6, lid 3, onder b), draagwijdte van het begrip ‚voornaamste rapporten en adviezen’
* HvJEU 1 augustus 2025, ECLI:EU:C:2025:626: Verordening (EG) nr. 1907/2006; Prejudiciële verwijzing, Reach-verordening, registratie, beoordeling en autorisatie van chemische stoffen, zilveren armband waarvan de soldering cadmium bevat, beschermen professionele gebruikers en hobbyisten, geen “hardsoldeer”/niet bestemd om te worden gebruikt als metaal bij het “hardsolderen”, 23, punt 10, onder ii), van bijlage XVII, cadmiumconcentratieniveau
* HvJEU 1 augustus 2025, ECLI:EU:C:2025:629: Richtlijn 94/62/EG; Prejudiciële verwijzing, verpakking en verpakkingsafval, begrip „verpakking”, rechtstreeks op groente en fruit aangebrachte labels, hoog milieubeschermingsniveau waarborgen, ruim uitleggen, artikel 3, punt 1, eerste alinea, mogelijke functies/niet cumulatief wel uitputtend, verwijzende rechter, alle beschikbare relevante gegevens, verpakkingsfuncties
¶ Rechtbank Zeeland-West-Brabant 1 augustus 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:4887 en Rechtbank Zeeland-West-Brabant 1 augustus 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:4997: Awb, Wabo, Ow; vovo, weigering omgevingsvergunning gebruiken woning voor flexbewoning, handhaving, dwangsom, strijd omgevingsplan, onverwijlde spoed, onomkeerbaarheid, e-mailbericht, opschorting begunstigingstermijn lod, verzoekschrift, verbeuren dwangsommen voordat uitspraak is gedaan, geen belang bij gevraagde voorziening, afwijzing verzoek
* Rechtbank Oost-Brabant 1 augustus 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:4881: Awb, Wnb; niet tijdig beslissen op handhavingsverzoek, gebruik gewasbeschermingsmiddelen, procesbelang, besluit op verzoek genomen, toekenning dwangsom, gegrond beroep noodzakelijk, vaststellen hoogte dwangsom, afwijzing handhavingsverzoek, overgangsrecht Omgevingswet, Aanvullingswet natuur Omgevingswet, toepasselijke recht, Habitatrichtlijn, verrichten handelingen zonder vergunning, ambtshalve beoordeling, aanvraag, concrete activiteit van een (rechts)persoon, verzoek geconcretiseerd, algemeen gestelde verzoek/te onbepaald en geen aanvraag, rechtsbescherming, besluiten in concrete zaken, beheerplannen, rechtszekerheid, Verdrag van Aarhus, afwijzing verzoek schadevergoeding redelijke termijn
¶ Rechtbank Noord-Nederland 1 augustus 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:3163: Awb, Ow; vovo, omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit, vellen houtopstanden, eerdere uitspraak voorzieningenrechter, afwijzing verzoek, nieuwe feiten of omstandigheden, Bomen Effect Analyse, luchtfoto’s ten tijde van vorige verzoek al bekend, openbaar toegankelijke beeldbank, contra-expertise, monumentale status, afwijzing verzoek
¶ Rechtbank Noord-Nederland 1 augustus 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:3161: Awb, Ow; vovo, omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit, vellen bomen, verwijderen houtopstand, Bomen Effect Analyse, APV, beleidsregels, criterium dringende reden, ruimtelijke ontwikkeling, omgevingsplan, ontwikkelgebied, aanleg van een woonwijk en wegen, belangenafweging, uit te voeren werkzaamheden, toegepaste alternatieven, monumentale bomen, motiveringsgebrek, onomkeerbaar, compensatie, herplantplicht, toewijzing verzoek
¶ Rechtbank Overijssel 31 juli 2025, ECLI:NL:RBOVE:2025:5075: Awb, Ow; vovo, handhaving, dwangsom, rijksmonument, gevelwijzigingen, verbod zonder omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit en rijksmonumentactiviteit te verrichten, spoedeisend belang, Besluit activiteiten leefomgeving, niet vergunningvrij, welstands- en monumentencommissie, RCE, adviezen, aantasting monumentale waarden
* Rechtbank Overijssel 31 juli 2025, ECLI:NL:RBOVE:2025:5074: Awb, Wvw 1994; vovo, verkeersbesluit, tijdelijke opheffing fysieke afsluiting, zwaar landbouwverkeer, onverwijlde spoed, één agrariër, één dag in het najaar, belang voorkomen zwaar verkeer, overlast, aantasting verkeersveiligheid, zeer beperkte impact, geen spoedeisend belang, niet evident onrechtmatig
* Rechtbank Den Haag 31 juli 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:14323: Awb, Wnb; afwijzing aanvraag, aanwijzing Veluwe, speciale beschermingszone wolf, toevoegen prioritaire soort aan aanwijzingsbesluit, overgangsrecht, Aanvullingswet natuur Omgevingswet, ontvankelijkheid, geen zienswijze, Varkens in nood, belanghebbende, statutaire doelstelling, onvoldoende concreet afgebakend werkgebied, algemeen geformuleerde doelstellingen, feitelijke werkzaamheden, Habitatrichtlijn, bepaald type natuurlijke habitat of habitat bepaalde soort/bijlage I of bijlage II, criteria bijlage III, referentielijst, wolf/bijlagen II en IV, prioritaire soort, Europese Commissie, actuele ecologische gegevens, criterium tienjaarstermijn, beleidslijn, richtlijn IUCN, Rode Lijst voor Bedreigde Soorten, nationale Rode Lijst, voortplanting, wetenschappelijke consensus, motiveringsgebrek
* Rechtbank Oost-Brabant 31 juli 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:4742: Awb, Wabo; omgevingsvergunning afwijken bpl, kringloopwinkel, beroep niet tijdig beslissen, dwangsom, niet-ontvankelijk, voorschrift, ondergeschikte detailhandel, geen definitie bpl, volledige heroverweging, parkeren, parkeernorm, parkeeronderzoek, openingstijden, parkeercapaciteit, omvang parkeerplaatsen
* Rechtbank Rotterdam 31 juli 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:9325: Awb, Woningwet; afwijzing handhavingsverzoek, Bouwbesluit 2012, woning, artikel 7:11 lid 2 Awb, heroverweging, herroepen primaire besluit en besluit tot handhavend optreden, niet volstaan met in vooruitzicht stellen handhavingsbesluit, deelbeslissingen, samenstellende bestanddelen, één beslissing op bezwaar, rechtens verkregen niveau, geen geluideisen contact-geluidniveau, lucht-geluidsniveau, technische bouwvoorschriften, vergunning, reikwijdte handhavingsverzoek, uitbreiden handhavingsverzoek, geluidsmetingen
* Rechtbank Gelderland 30 juli 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:6177: Awb, Wabo; omgevingsvergunning uitvoeren werk of werkzaamheden en uitweg maken, hebben of veranderen, sluiten uitweg, maken nieuwe uitweg, aanbrengen halfverharding en aanbrengen groencompensatie, APV, hoofdgroenstructuur, geen hoger beroep, gezag van gewijsde, zonder voorbehoud verworpen gronden, nieuwe beroepsprocedure/niet meer aan de orde komen, niet in een nadeliger positie geraakt, beroep/niet-ontvankelijk, (schijn) vooringenomenheid, bpl, begrip “noodzakelijk”, begrip “onevenredige afbreuk”, in bestemmingsomschrijving genoemde waarden, kader bpl/kader Wnb (nu Omgevingswet), compensatiezone, schaduwminnende soorten, deskundigenonderzoek, vergewisplicht, verklaring van geen bedenkingen
* Rechtbank Zeeland-West-Brabant 30 juli 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:4889: Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouwen en aanleggen of veranderen uitweg, voorschriften, bouwen woning met bijgebouw, buizerdsnest, relativiteitsvereiste, natuurlijke persoon, algemeen belang, verwevenheid, afstand, maatschappelijk leven, eventueel effect leefomgeving buizerd, invloed woon- en leefklimaat, beroep ongegrond
* Rechtbank Limburg 30 juli 2025, ECLI:NL:RBLIM:2025:7583: Awb, Wabo; vovo en kortsluiten, handhaving, dwangsom, strijd bpl, horecabestemming, hotel, huisvesting arbeidsmigranten, overtreding, begrip “hotel”, geen definitiebepaling, algemeen spraakgebruik, Van Dale, toezichthouder, controlerapport, BRP, beginselplicht tot handhaving, vertrouwensbeginsel, welbewuste standpuntbepaling, evenredigheid, weigering verlengen begunstigingstermijn
¶ Rechtbank Noord-Nederland 30 juli 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:3164: Awb, Ow; vovo, handhaving, dwangsom, omgevingsplan, lelieteelt, spoedeisend belang, overtreding omgevingsplan, planregels, rechtszekerheid, letterlijk uitleggen, niet bindende toelichting, systematiek, buiten toepassing laten, begrip “sierteelt”, geen definitie, algemeen spraakgebruik, Van Dale, woord “of”, bestaand gebruik, begrip “bestaand”, gebruiksovergangsrecht, concreet zicht op legalisatie, ontvankelijke aanvraag, niet bereid medewerking te verlenen aan legalisering, evenredigheid, zaaksgebonden werking, artikel 18.4a Omgevingswet, wetsgeschiedenis, begunstigingstermijn, gewasbeschermingsmiddelen, Ctgb, financiële gevolgen
* Rechtbank Noord-Nederland 30 juli 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:3150: Awb, Wabo, Gmw; evenementenvergunning, omgevingsvergunning afwijken bpl, procesbelang, aanwijzing bpl/evenemententerrein, geluidnormering, Handleiding meten en rekenen industrielawaai, bieden inspraak, Verdrag van Aarhus, eventuele lichte gehoorschade bij bezoekers, aanzienlijk effect op het milieu, Natura 2000, overige opmerkingen/andere procedures
* Rechtbank Oost-Brabant 30 juli 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:4751: BW; jaarlijks onderhoud waterschap, maaien aanliggende kavelsloot, toezegging waterschap, onderhoud vanaf eigen perceel waterschap, gedogen werkzaamheden, landbouwperceel, melkvee- en vleesvarkensbedrijf, machines/schade gewassen, afspraak gemaakt, bestuursrechtelijke procedure, vordering/verklaring voor recht, onrechtmatig handelen, nakomen toezegging, bevoegdheid civiele rechter, vordering, feitelijk handelen waterschap, gezag van gewijsde, ander toetsingskader, andere rechtsbetrekking, beschermingszone, wettelijke gedoogplicht, Omgevingswet, nakoming toezegging, maatstaven van redelijkheid en billijkheid, toewijzing vorderingen
* Rechtbank Midden-Nederland 30 juli 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:4031: BW; eigenaar recreatiewoning, permanente bewoning, reglementen VvE, VvE/wil dat permanente bewoning wordt beëindigd, volmacht, kantonrechter, procesbelang, splitsingsreglement, huishoudelijk reglement, belang bij nakoming en handhaving regels, schending voorleggen aan rechter, uitleg “permanente bewoning”, hoofdverblijf, Basisregistratie Personen (BRP), verblijf langer dan zes maanden, bestuursrechtelijke jurisprudentie, geen willekeur of machtsmisbruik, niet “rauwelijks” gedagvaard, gerechtvaardigd vertrouwen, toewijzing vordering, reële termijn, kopen andere woning voor hoofdverblijf, hoogte dwangsom
* Rechtbank Noord-Holland 29 juli 2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:8700: Awb, Wabo, Gmw; weigering aanvraag omgevingsvergunning, gebruik perceel als pluktuin, afwijken bpl, uitleg bpl, definitie “agrarisch gebruik”, strijdig gebruik, heroverweging in bezwaar, alle relevante feiten en omstandigheden, landschappelijke waarden en woonsituatie, betreding door het publiek, overgangsrecht, vertrouwensbeginsel, gelijkheidsbeginsel, handhaving, dwangsom, overtreding, strijd bpl, beginselplicht tot handhaving, geen bijzondere omstandigheden
* Rechtbank Zeeland-West-Brabant 29 juli 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:5010: Awb; bezwaar niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond, uitspraak zonder zitting, maatwerkvoorschrift, locaties waar het plaatsen van visfuiken of visnetten niet is toegestaan, onherroepelijk geworden besluit/tweede bezwaarschrift niet mogelijk
* Rechtbank Zeeland-West-Brabant 29 juli 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:5008: Awb; vovo, beroep kennelijk ongegrond, afwijzing verzoek
* Rechtbank Gelderland 28 juli 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:6106: Awb, Wabo; omgevingsvergunning legaliseren verbouwing woning, bouwen bijbehorend bouwwerk en plaatsen erfafscheiding, strijdig gebruik, groepsrecreatie en/of -accommodatie, ontvankelijkheid, bezwaar tegen besluit, belanghebbende, rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt, gevolgen van enige betekenis, intensivering gebruik gronden, gebruik niet begrensd, geen voorschriften, zicht, licht en geluid, afstand, landelijk en open karakter, strijdige gebruik niet aangevraagd, beslissen op grondslag aanvraag, niet meer hetzelfde (bouw)plan, nieuwe aanvraag, latere ingediende aanvraag, Omgevingswet/omgevingsplanactiviteit, grondslag van de aanvraag verlaten, zelf in de zaak voorzien, afwijzen aanvraag, nieuwe aanvraag, recht zoals dat geldt sinds inwerkingtreding Omgevingswet
* Rechtbank Gelderland 28 juli 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:6060: Awb, Wabo; handhaving, invordering, recreatiewoning last onder dwangsom, strijd bpl, permanente bewoning ipv recreatief gebruik, deugdelijke en controleerbare vaststelling relevante feiten en omstandigheden, één controleverslag, toezichthouder, verklaring, nuanceringen verklaring, bewijsstukken, rekeningafschriften, BRP-inschrijven, stressvolle omstandigheden, overtreding aantonen, vernietiging bestreden besluit, herroepen primaire besluit
* Rechtbank Gelderland 28 juli 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:6105: Awb, Wabo; weigering omgevingsvergunning, aanleggen parkeerplaatsen en kap bomen, zorgvuldigheidsbeginsel, evenredigheid, verkleinen incidenten/camera’s of andere toepassingen, afweging belangen, motivering, meerdere activiteiten, weigeringsgrond, gehele omgevingsvergunning weigeren, onlosmakelijke samenhang, beoordelingsruimte, bijzondere omstandigheden
* Rechtbank Rotterdam 28 juli 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:9181: Awb, Wro; afwijzing aanvraag om tegemoetkoming in planschade, bpl/schadeoorzaak, directe planschade, bouw- en gebruiksmogelijkheden, planvergelijking, hoofdregel, uit te werken bestemming, artikel 6.1, zesde lid, van de Wro, totstandkomingsgeschiedenis, theoretische planschade, geen uitwerkingsplan, intentie wetgever, nabetaling, bouwverbod/vergunningvrij bouwen, verwachtingswaarde, tijdelijk (theoretisch) voordeel
* Rechtbank Gelderland 25 juli 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:6055: Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouwen en afwijken bpl, tijdelijke huisvesting arbeidsmigranten, duur 10 jaar, toepasselijkheid Chw, ambtshalve beoordeling, transformatie van langdurig leegstaande kantoren, geen langdurige leegstand, niet-ontvankelijkheidverklaring, belanghebbende, rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt, gevolgen van enige betekenis, afstand, geen zicht, buiten onderzoeksgebied parkeerdrukonderzoeken, aanvraag, verzoek belanghebbende, toestemming eigenaar, (on)bevoegd genomen besluit, niet bevoegde ambtenaar/ondertekend, passeren gebrek, Wet goed verhuurderschap/relativiteitsvereiste, parkeren, parkeernormen, berekening parkeerbehoefte, huidige situatie, parkeerdrukonderzoek, verschillende tijdstippen parkeertellingen, parkeerbezetting, verkeer, verkeersgeneratie, verkeersveiligheid, doorstroming, overschrijding redelijke termijn
* Rechtbank Rotterdam 24 juli 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:9456: Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor twee woningen, wijziging vijf recreatiewoningen naar reguliere woningen, zonder voorbehoud gegeven oordelen, uitzonderlijke gevallen, inrit, schurveling, systematiek bpl, historische schurveling, zandwallen- en schurvelingenlandschap, terreinmeting, zandwal, staat van onderhoud, natuur- en landschapswaarden, planregels, verbod uitvoeren werken of werkzaamheden, aanvraag, einduitspraak na tussenuitspraak
* Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 23 juli 2025, ECLI:NL:OGHACMB:2025:191: Lar; reactie zienswijze, concept Ruimtelijk Ontwikkelingsplan met Voorschriften, bezwaar niet-ontvankelijk, beroep ongegrond, geen rechtsgevolg, bestemming/geen commerciële activiteiten, bestemmingsregels, landsbesluit/algemene regels, bevestiging aangevallen uitspraak
¶ Rechtbank Den Haag 23 juli 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:13409: Awb, Ow; vovo en kortsluiten, omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit, kap coniferen in een achtertuin, APV, afzien horen in bezwaarfase, uitlaten over noodzaak kappen, e-mail, strijd hoorplicht, volledige heroverweging, inhoudelijke beoordeling beroep, artikel 22.8 Omgevingswet, advies groenbeheerder, fotomateriaal, schade, belevings- en gebruikswaarden, bijzonder belang, belevingswaarde, herplantplicht
¶ Rechtbank Den Haag 23 juli 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:13420: Awb, Ow; vovo, handhaving, dwangsom, strijd Omgevingswet en omgevingsplan, huisvesten arbeidsmigranten, weigering aanvraag omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit/duur 10 jaar, spoedeisend belang, overtreding, beginselplicht tot handhaving, concreet zicht op legalisatie, ten tijde opleggen last/geen aanvraag ingediend, legalisatieonderzoek, rechtens onhoudbaar, aantal afdelingen/onder voorwaarden akkoord, belangenafweging
* Rechtbank Den Haag 23 juli 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:13494: BW; burenrecht, artikel 5:50 lid 2 BW en artikel 5:50 lid 4 BW, dakkapel met ramen binnen twee meter van de erfgrens, verjaring, vordering/verwijderen dakkapel die zicht blokkeert, bestuursrechtelijke rechtsgang, verwijderen dakkapel/afwachten uitkomst bestuursrechtelijke procedure
* Rechtbank Gelderland 23 juli 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:6142: BW; verklaring voor recht, onrechtmatig handelen gemeente, schadevergoeding, schending zorgvuldigheidsbeginsel, evenwichtigheid besluitvorming, handhavingsvoornemens en -besluiten, formele rechtskracht
* Rechtbank Zeeland-West-Brabant 23 juli 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:4834: Awb; niet tijdig beslissen op bezwaar, verlening omgevingsvergunning, distributiecentra met kantoren, perceelafscheiding en geluidsscherm, kennelijk gegrond, op de zaak betrekking hebbende stukken, verweerschrift, beslistermijn zes weken, verlenging/niet rechtsgeldig, in gebreke gesteld, beslistermijn, dwangsom
* Rechtbank Zeeland-West-Brabant 23 juli 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:4779: Awb, Gmw; afwijzing verzoek handhaven openbare orde, artikel 172 Gemeentewet, voetpad, (geluids-)overlast, verkeersveiligheid, Reglement verkeersregels en verkeertekens 1990, APV, situatiecriterium, onmiddellijkheidssituatie, onverwijlde reactie, onverwacht, actueel en plotseling reëel, korte termijn
* Rechtbank Gelderland 23 juli 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:5836: Awb, Woningwet, Gmw; afwijzingen verzoek handhavend optreden, rook houtkachel, Bouwbesluit 2012, APV, belanghebbende, wetsgeschiedenis, begrip “omwonenden”, uiterst middel, omgevingsrechtelijke zaken, geen “direct omwonende”, afstand, geen belanghebbende, toetsingskader, geen algemene regels, geen algemeen aanvaarde inzichten, controlerapport, wetgevingsopdracht/bestuursrechtelijke procedure
* Rechtbank Rotterdam 23 juli 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:9038: Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouwen en afwijken bpl, extra vloeroppervlak viswinkel, ondersteunende horeca met bijbehorend gevelterras, gebruik kelder voor detailhandel, plaatsen installaties en luchtafvoerkanaal, onlosmakelijke samenhang, fysiek en volgtijdelijk niet van elkaar te onderscheiden, omvang verleende vergunning, geen omgevingsvergunning milieu vereist, melding Activiteitenbesluit milieubeheer, b-inrichting, voorschriften, geluidsberekeningen, airco’s, handhavingskwestie, levendige (winkel)straat, meerdere horeca- en detailhandelinrichtingen, Horecagebiedsplan, opbrengsten, geluid, metingen, Handleiding Meten en Rekenen Industrielawaai, gevel, tuinen, geur, geurfilterkast, privacy, dichtbebouwd stedelijk gebied, privaatrechtelijke belemmering, belangenafweging, welstand, welstandsadvies, bpl, ondergeschikt bouwonderdeel
* Rechtbank Rotterdam 23 juli 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:9046: Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouwen en afwijken bpl, verbouwing tot viswinkel met bovenwoning, onlosmakelijke samenhang, verschillende activiteiten, fysiek en volgtijdelijk van elkaar te onderscheiden, verbouwen van twee panden tot één enkel pand, aanvraag, bouwtekeningen, uitleg bpl, detailhandel, definitie “detailhandel”, bereiding van voedsel voor verkoop, feitelijke uitstraling, bebouwde vloeroppervlak, kruimelgevallenregeling, onderdeel 9, samenvoegen panden, totale bebouwde oppervlakte/niet vergroot, samengetrokken, interne wijzigingen, geen nadelige invloed (buiten)omgeving, hinder, belangenafweging
* Rechtbank Den Haag 23 juli 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:13425: Awb, Wabo; buiten behandeling stellen aanvraag omgevingsvergunning, aanleggen van een paardrijbak met een galoppeerbaan, het realiseren van een landschapsinrichtingsplan met behulp van een grondwal, verstrekte gegevens en bescheiden, omvang aanvraag, aanlegactiviteiten, Regeling omgevingsrecht, situatietekening bestaande toestand, situatietekening nieuwe toestand, een ruimtelijke onderbouwing, geactualiseerde omgevingsonderzoeken, rapport stikstofdepositie, foto’s, toelichting ontwerpbestemmingsplan, andere ruimtelijke ontwikkelingen, ruimtelijke onderbouwing/na primaire besluiten, heroverweging in bezwaar, melding Activiteitenbesluit milieubeheer, OLO, bestuurlijke dwangsom, vaststellen te betalen dwangsom
* Rechtbank Den Haag 22 juli 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:13517: Awb, Wvw 1994; verkeersbesluit, afsluiten straat voor gemotoriseerd verkeer, uitgezonderd landbouwvoertuigen en brommobielen, aanwijzen bromfiets-/fietspad, terinzagelegging op de zaak betrekking hebbende stukken, bijlagen, gemeenteblad, andere plekken openbaar raadpleegbaar, passeren gebrek, belangenafweging, natuurbelang, verplichtingen Omgevingswet, Wet natuurbescherming, vergunning vereist/kwestie van handhaving, effecten nabijgelegen natuurgebieden, onderzoeken, wegen in algehele belangenafweging, Natura 2000, stikstofdepositie, vernietiging besluit, geen aanleiding rechtsgevolgen in stand laten of zelf in de zaak voorzien
* Rechtbank Gelderland 22 juli 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:5764: Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouwen, woningbouw, belanghebbende, rechtstreeks feitelijke gevolgen, gevolgen van enige betekenis, afstand, straat en diverse bestaande woningen, zicht, geen zicht van enige betekenis, voordeel van de twijfel, direct zicht, stichting, statutaire doelstelling, feitelijke werkzaamheden, periode voorafgaand indienen bezwaarschrift, hoogte woningen, bpl, peil, gewijzigde bouwtekeningen, kettingbeding, openbaar toegankelijk, wijze van meten, begrip “stoep”, Van Dale, mogelijkheid stellen nadere eisen
* Rechtbank Den Haag 18 juli 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:12813: Awb, Wabo; omgevingsvergunning afwijken bpl, tijdelijk gebruiken van de agrarische grond behorende bij de dienstwoning, bezwaar niet-ontvankelijk, belanghebbende, rechtstreeks geraakt, gevolgen van enige betekenis, aangrenzend perceel, uitgesloten ondervinden feitelijke gevolgen, onderzoeksplicht, zicht, voordeel van de twijfel, finale geschilbeslechting, moties, voorschrift, geldingsduur, rechtszekerheidsbeginsel, verslag hoorzitting
* Rechtbank Den Haag 18 juli 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:13070: Awb, Wabo; handhaving, invordering, begunstigingstermijn verlopen, woonunits niet verwijderd, aanschrijving eiser, 5.18 Wabo, zakelijke werking, rechtsopvolger, commanditaire vennootschap, onderzoek Kadaster, percelen altijd al in bezet, motiveringsgebrek, vertrouwensbeginsel, meewerken vergunningverlening, vertrouwen gewekt/geen vervolg handhavingstraject, concreet zicht op legalisatie, verjaring, afwijzen verzoek uitstel betaling, tussenuitspraak
* Rechtbank Den Haag 18 juli 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:12882: Awb, Wabo; afwijzing aanvraag omgevingsvergunning, dakopbouw, bouwhoogten, bestemmingsplannen, rechtsmiddelen open, advies van de Welstands- en monumentencommissie, behoud of versterking van de cultuurhistorische waarden van het beschermd stadsgezicht, geen tegenrapport, gelijkheidsbeginsel
* Rechtbank Den Haag 18 juli 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:13067 en Rechtbank Den Haag 18 juli 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:13066: Awb, Woningwet, Wabo; handhaving, spoedeisende bestuursdwang, Bouwbesluit 2012, overtreding bpl, toezichthouder Veiligheidsregio, brandveiligheidsonderzoek, brandgevaarlijke situatie, overtreder, functioneel daderschap, beschikkingsmacht, aanvaard, bijzondere omstandigheden, concreet zicht op legalisatie, evenredigheid, vertrouwensbeginsel, bezwaarfase
* Rechtbank Den Haag 18 juli 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:13068: Awb, Woningwet; handhaving, spoedeisende bestuursdwang, Bouwbesluit 2012, toezichthouder Veiligheidsregio, brandveiligheidsonderzoek, brandgevaarlijke situatie, overtreder, functioneel daderschap, beschikkingsmacht, aanvaard, bijzondere omstandigheden, concreet zicht op legalisatie, evenredigheid, vertrouwensbeginsel, bezwaarfase
* Rechtbank Den Haag 18 juli 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:13069: Awb, Woningwet; handhaving, spoedeisende bestuursdwang, Bouwbesluit 2012, toezichthouder Veiligheidsregio, PID-rapportage, brandgevaarlijke situatie, overtreder, functioneel daderschap, beschikkingsmacht, aanvaard, bijzondere omstandigheden, concreet zicht op legalisatie, evenredigheid, vertrouwensbeginsel, bezwaarfase
* Rechtbank Limburg 18 juli 2025, ECLI:NL:RBLIM:2025:7005: Awb, Wabo; weigering omgevingsvergunning bouwen bergingen, strijd bpl, bebouwingspercentage, definitie “bouwen” planregels, definitie “bouwwerk”, begrip “bouwperceel”, feitelijke perceel, kadastrale perceel, niet vergunningvrij, Bor, bebouwingsgebied, achtererfgebied, berekeningen, verduidelijkende uitleg, afwijkingsmogelijkheden, kruimelgevallenbeleid, motivering, concreet, sluit aan bij gehanteerde beleid, afgestemd op situatie ter plaatse
* Rechtbank Midden-Nederland 17 juli 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:3798: BW; huurzaak, uitvoeringen metingen, rijksmonument, onderhoud nodig, spoedeisend belang, omgevingsvergunning vereist is, medewerking Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, omgevingsvergunning aangevraagd, door gemeente verlangde gegevens, detailtekeningen, medewerking verlenen metingen in de woning
* Rechtbank Den Haag 17 juli 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:13631: Awb, Wnb; afwijzing verzoek handhavend optreden, energiecentrales, natuurvergunning, ontvankelijkheid beroep, geen bezwaar, beroep niet-ontvankelijk, veranderingsvergunning, besluit als bedoeld in artikel 9.4 lid 8 Wnb, overgangsrecht, Habitatrichtlijn, Omgevingswet, Aanvullingswet natuur Omgevingswet, memorie van toelichting, richtlijnconforme interpretatie, wetgever, significante gevolgen, formele rechtskracht, milieueffectrapport systematiek natuurbeschermingsrecht, STEG-eenheid, nieuwe rechtspraaklijn intern salderen
* Rechtbank Gelderland 15 juli 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:5606: Awb, Wabo, Gmw; handhaving, dwangsom, milieuvergunning, maximale geluidsnormen, muziekevenement, overtreding, meetpunten, maximale geluidsniveau, meetrapport, toezichthouders, meten op specifieke coördinaten, meteocorrectie, passeren gebrek, overtreder, functioneel daderschap, toerekening, eigenaresse evenemententerrein, aanvaarding overtreding, maatregelen, niet afdoende zorg betracht/voorkomen overtreding, inschakelen professionele partij/verrichten geluidsmetingen, hoogte dwangsom, invordering, Handleiding meten en rekenen Industrielawaai 1999
* Rechtbank Rotterdam 11 juli 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:9336: Awb, Gmw; vovo, handhaving, bestuursdwang, trampoline op grasstrook, APV, openbare ruimte, spoedeisend belang, overtreding, eigendomssituatie, geen vergunning, vergunningvrij/Omgevingswet, concreet zicht op legalisatie, afwijzen vergunningaanvraag, hoog veiligheidsrisico, risico aansprakelijkheidsstelling veiligheidsincident, bijzondere omstandigheden, tijdsverloop, vertrouwensbeginsel, rechtszekerheidsbeginsel, gelijkheidsbeginsel, evenredigheid
* Rechtbank Limburg 10 juli 2025, ECLI:NL:RBLIM:2025:6660: Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouwen, afwijken bpl, maken uitweg en slopen bouwwerk, slopen bestaande woningen, realiseren appartementen met buitenruimte, grondgebonden woning, beslissen op de aanvraag zoals deze is ingediend, alternatieven, gelijkwaardig resultaat met aanmerkelijk minder bezwaren, participatie, publicatieverplichtingen Wabo, informeren omwonenden, welstand, welstandstoets, welstandsnota, bouwmogelijkheden geldende bpl, positief advies welstandscommissie, groenaanplant, noodzaak voorschrift, loggia’s, geluid, passend in woonmilieu, stedelijke omgeving, parkeren, openbare parkeerplaatsen
* Rechtbank Limburg 10 juli 2025, ECLI:NL:RBLIM:2025:6659: Awb, Wabo; handhaving, dwangsom, zonder omgevingsvergunning bouwen en in stand laten mantelzorgwoning, omvang van het geschil, overtreding, bijzondere omstandigheden, evenredigheid handhavend optreden, concreet zicht op legalisatie, omgevingsvergunning verleend, ex tunc-beoordeling, geen overtreding van geringe aard, beperking bedrijfsvoering, geurcontour, vertrouwensbeginsel, honorering gewekte vertrouwen/zwaarder wegende andere belangen, precedentwerking, dispositieschade, geen leges omgevingsvergunning, andere kosten omgevingsvergunning, bestuursrechtelijke procedure, weigering verlengen begunstigingstermijn, schadevergoeding overschrijding redelijke termijn
* Rechtbank Limburg 10 juli 2025, ECLI:NL:RBLIM:2025:6658: Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouwen en afwijken bpl, mantelzorgwoning, voorschriften, binnenplanse afwijkingsbevoegdheid, opnemen bezwaarclausule bestreden besluit, vergissing, stond beroep open, eisers niet benadeeld, voorwaarden binnenplanse afwijking, landschappelijk inpassingsplan/relativiteitsvereiste, geen direct zicht, milieuhygiënische aanvaardbaarheid, VNG-brochure, richtafstand, geur, hedonisch gewogen geurbelasting, geurbeleid, geen extra belemmeringen bedrijf, maximale planologische mogelijkheden, belangenafweging, (vergunningvrij) oprichten bijbehorend bouwwerk, revisievergunning, (veranderings)vergunning, geen concrete uitbreidingsplannen, proceskostenvergoeding in bezwaar, overschrijding redelijke termijn, EVRM, schadevergoeding
* Rechtbank Noord-Holland 7 juli 2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:8375: Awb, Wro; afwijzing aanvraag om een tegemoetkoming in planschade, bpl/schadeoorzaak, indirecte planschade, woningbouw, anderszins verzekerd, overeenkomst, bedrag uitgekeerd, overeengekomen termijn, vergoeding betaald, bedrag hoger dan schadebedrag, relevante feiten en omstandigheden, bestuursorgaan/draagt de bewijslast, door van derden ontvangen vergoedingen, term “planschade” niet genoemd, bewoordingen overeenkomst, houdt verband met planologische ontwikkeling, direct verband met bpl, privacy, financiële schade, waardevermindering/planschade, bedrag aangeduid als “schadevergoeding” en “compensatie”, ligusterhaag, tegemoetkoming/voldoende anderszins verzekerd
* Rechtbank Midden-Nederland 1 juli 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:3279: Awb, Wabo; afwijzing aanvraag omgevingsvergunning, legalisatie bestaande dakkapel, redelijke eisen van welstand, verantwoordelijkheid welstandstoetsing, college niet gebonden aan welstandsadvies, doorslaggevende betekenis toekennen/welstandsadvies, voldoende begrijpelijk en inzichtelijk gemotiveerd, soepele welstandsbeleid, afstandseis, ondergeschikt element, gelijkheidsbeginsel, vier specifieke gevallen, niet herhalen gemaakte fout
¶ Rechtbank Rotterdam 27 juni 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:9457: Awb, Ow; vovo, omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit, afwijken omgevingsplan (bopa), uitvoeren van een werk of werkzaamheden, maken in- en uitrit, realiseren parkeerplaatsen, Besluit kwaliteit leefomgeving, planregels omgevingsplan, APV, flora- en fauna-activiteit, omvang van het geding, vervallen aanhaakplicht, evenwichtige toedeling van functies aan locaties, beleidsruimte, betrokken belangen afwegen, parkeeroverlast, alternatief, beslissen op ingediende aanvraag, gelijkwaardig resultaat met aanmerkelijk minder bezwaren, draagvlak, bruikbaarheid van de weg, maximumsnelheid, adviezen mobiliteitsexpert, participatie, aanwijzing gevallen gemeenteraad/bopa, aanleggen parkeerplaatsen/geen aangewezen geval
* Rechtbank Limburg 24 juni 2025, ECLI:NL:RBLIM:2025:6569: Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor het veranderen van een varkenshouderij en het bouwen van een varkensstal, uitgebreide voorbereidingsprocedure, afdeling 3.4 Awb, geen zienswijze, artikel 6:13 Awb, Varkens in nood, belanghebbende, gevolgen van enige betekenis, afstand, geen zicht, beroep niet-ontvankelijk
* Rechtbank Midden-Nederland 18 juni 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:3186: Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouwen en afwijken bpl, transformeren van het bestaande kantoorpand, ontvankelijkheid, identiteit instellers beroep, voor afloop beroepstermijn, machtiging, indieningsvereisten Mor, situatietekening, uitleg bpl, aantal woningen, plansystematiek, bijgebouwenregeling, verbindendheid planregeling, evidentiecriterium, voorbereidingsbesluit, EVRM, bevoegdheid tot stellen nadere eisen, kruimelgevallenregeling, onderdeel 9, grondslag, voldoende parkeergelegenheid, parkeernormen, voorschrift, aanwezigheidspercentage, CROW, woon- en leefklimaat, welstand, bomen, onlosmakelijke samenhang, verkeer, tussenuitspraak
* Rechtbank Noord-Holland 10 juni 2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:8823: Awb, Wabo; omgevingsvergunning veranderen uitbouw achterzijde woning, vergroten serre zijkant woning, bouwregels bpl, eindwoning, letterlijke interpretatie, redelijke uitleg relevante begrippen, normale spraakgebruik, website VNG, overgangsrecht, strijd bpl, vergroting afwijking, binnenplanse afwijkingsbevoegdheid, vernietiging bestreden besluit, geen rechtsgevolgen in stand of zelf in de zaak voorzien, beoordelingsvrijheid al dan niet gebruik maken afwijkingsbevoegdheden, nemen nieuw besluit
* Rechtbank Midden-Nederland 13 mei 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:2902: Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning kap zomereik, verzoek niet-ontvankelijk, griffierecht, aangetekend verzonden brief, zittingsuitnodiging, nota, verzuim/geen reden, geen bezwaarprocedure, connexiteitsvereiste, geen (kopie) bezwaarschrift
* Rechtbank Den Haag 22 april 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:13613: Awb, Wvw 1994; verkeersbesluit, afsluiten straat voor gemotoriseerd verkeer, uitgezonderd landbouwvoertuigen en brommobielen, aanwijzen bromfiets-/fietspad, belanghebbende, zekere begrenzing, belangen rechtstreeks betrokken, bijzonder, individueel belang, zich in voldoende mate onderscheidt van andere weggebruikers, aantal verkeersbewegingen, afstand, geen andere verkeersbewegingen, onderzoek proefafsluiting, toevoeging telpunten, kortere route, alternatieve ontsluitingsroutes, omrijtijd, natuurbelang
* Rechtbank Den Haag 22 april 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:13611: Awb, Wvw 1994; vovo en kortsluiten, verkeersbesluit, afsluiten straat voor gemotoriseerd verkeer, uitgezonderd landbouwvoertuigen en brommobielen, aanwijzen bromfiets-/fietspad, belanghebbende, zekere begrenzing, belangen rechtstreeks betrokken, bijzonder, individueel belang, zich in voldoende mate onderscheidt van andere weggebruikers, aantal verkeersbewegingen, afstand, geen andere verkeersbewegingen, onderzoek proefafsluiting, toevoeging telpunten, kortere route, alternatieve ontsluitingsroutes, omrijtijd, natuurbelang
* Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 18 maart 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:1554: BW; eigendom perceel, openbare register Kadaster/gemeente eigenaar, verjaring, eigendom gemeente/vaststellen langs bestuursrechtelijke weg, keuze burgerlijke rechter, onaanvaardbare doorkruising, Windmill-criterium, bevoegdheden omgevingsrecht, geen bevoegdheid/bepalen wie eigenaar is, burgerlijke rechter/wat eigenaar met kavel mag doen en laten, brief/geen besluit in de zin van de Awb, bezit niet verloren, ondubbelzinnig en openbaar gedraagt alsof hij de eigenaar is, inbezitneming, overdracht van bezit, te koop of te huur aanbieden, gemeentelijke Nota, procedure Didam-arresten, uitvoerbaarheid bij voorraad
* Rechtbank Den Haag 29 november 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:23748: BW; kort geding, voorgenomen verkoop perceel water en loswal, bouw jachten, werf, hoogeheemraadschap, persoonlijk gebruiksrecht, huurovereenkomst, vordering/verbod verkoop en levering, gebieden/openbare selectieprocedure, strijd bpl/bestuursrechtelijke procedure, Didam-arrest, gelijkheidsbeginsel, publicatie, vereiste motivering enige serieuze gegadigde/ontbreekt, objectieve, toetsbare en redelijke criteria, motivering ter zitting/derden niet bereikt, opnieuw publiek kenbaar maken, te verkopen perceel, onvoldoende precies afgebakend
* Rechtbank Amsterdam 2 augustus 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:4888: Awb, Gmw; afwijzing verzoek om nadeelcompensatie, omzetverlies, werkzaamheden aanleg boulevard, ondergrondse fietsenstalling, voorzienbaarheid, moment ingaan huurovereenkomst, ontwerpbestemmingsplan, moment investeringsbeslissing, wijziging omgeving in ongunstige zin, op de hoogte stellen concrete beleidsvoornemens gemeente, aard, ernst, omvang en duur van de hinder
* Rechtbank Noord-Nederland 15 november 2023, ECLI:NL:RBNNE:2023:5450: BW, Onteigeningswet; onteigening, infrastructuur, onteigeningsplan, bpl, verkeerbestemming, KB, uitspreken vervroegde onteigening, schadeloosstelling, toetsingskader, (marginale) toets, verhoging verkeersveiligheid en doorstroming, verplaatsing (grond)depot, overgangsbepaling bpl/verbindendheid, minnelijk overleg, serieuze poging, noodzaak onteigening, voldoende pogingen, bijkomend aanbod, recht van overweg
¶ = uitspraak waarop de Omgevingswet materieel van toepassing is (dus niet de uitspraken die vallen onder het overgangsrecht)
# = betrokkenheid STAB
! = (nog) niet gepubliceerd
Bijzondere overwegingen
* ABRvS 6 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3635: Awb, Waterwet; afwijzing verzoek preventief handhavend optreden, gebruik vislood, viswedstrijd, omvang van het hoger beroep, grenzen van het geding, met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid, lood/stof in de zin van artikel 6.1 Ww, geen vrijstelling, geen watervergunning verleend, bedoeling, achterblijven vislood in oppervlaktewater, loodvrije voerkorven (Rb Noord-Nederland 21/1338)
5.4. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, is voor beantwoording van de vraag of in een concreet geval sprake is van een (klaarblijkelijk dreigende) overtreding van artikel 6.2, eerste lid, aanhef, van de Waterwet, niet relevant dat de sportvisser bij verlies van vislood niet de bedoeling zou hebben om vislood te verliezen. De tekst van het artikellid biedt daarvoor geen aanknopingspunt. Ook het onbedoeld brengen van stoffen in het oppervlaktewaterlichaam is een overtreding. Vergelijk bijvoorbeeld de uitspraak van 23 juli 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2728, waaruit dat volgt. De Afdeling heeft daarin geoordeeld dat het met zink verontreinigd bluswater dat via een afvoerput van hemelwater in een sloot is gestroomd, leidt tot overtreding van artikel 6.2, eerste lid, aanhef, van Waterwet. De stichting heeft in zoverre met juistheid aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat geen sprake kon zijn van een overtreding, alleen al omdat de sportvisser niet de bedoeling heeft vislood te verliezen. Maar dat leidt niet tot het door haar beoogde doel. De Afdeling overweegt daartoe het volgende.
5.5. Alleen het feit dat een viswedstrijd plaats zal vinden, betekent in zijn algemeenheid nog niet dat met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid een overtreding van artikel 6.2, eerste lid, aanhef, van de Waterwet zal plaatsvinden. Het staat namelijk niet op voorhand vast dat de visser die deelneemt aan een viswedstrijd, vislood zal gebruiken tijdens het vissen. Verder is het in zijn algemeenheid ook niet zo dat als tijdens het vissen vislood wordt gebruikt, dat ook zonder meer in het oppervlaktewaterlichaam zal achterblijven. Dit hebben partijen op de zitting bevestigd. Over het achterblijven van vislood in het water hebben zij op de zitting het volgende toegelicht. De kans dat vislood in het oppervlaktewater achterblijft, hangt onder meer af van het gebruikte systeem en de omstandigheden waaronder wordt gevist. Of vislood loskomt van de vislijn is afhankelijk van verschillende omstandigheden, zoals de windkracht en -richting, de mate van stroming van het water, de aard van de bodem en de aanwezigheid van obstakels in het oppervlaktewaterlichaam. Dat, zoals de stichting betoogt, sprake is van een dreigende overtreding, alleen al omdat sportvissers vaak vislood gebruiken en er een kans bestaat dat bij het vissen vislood wordt verloren en achterblijft in het oppervlaktewaterlichaam, volgt de Afdeling dus niet.
* ABRvS 6 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3634: Awb, Waterwet; afwijzing verzoek om preventief handhavend op te treden, viswedstrijden, Westerschelde, omvang hoger beroep, grenzen van het geding, lood/stof in de zin van artikel 6.1 Ww, geen vrijstelling, geen watervergunning, stoffen brengen in oppervlaktewaterlichaam, vislood weer uit water gehaald, niet vergunningplichtig, toelichting Besluit activiteiten leefomgeving, zorg- en meldplicht, geen fysieke handeling, overtreder, met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid
6.2. Wel heeft de rechtbank overwogen dat De Pilk artikel 6.8 van de Waterwet overtreedt, omdat zij in het wedstrijdreglement haar leden het gebruik van vislood tijdens door haar georganiseerde viswedstrijden niet heeft verboden. Volgens de rechtbank kan van een hengelsportvereniging die een viswedstrijd organiseert, redelijkerwijs verwacht worden het vissen met vislood te verbieden, omdat bekend is dat vislood de bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam kan verontreinigen of aantasten. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling is overtreder in de eerste plaats degene die de verboden handeling fysiek verricht. Artikel 6.8 van de Waterwet richt zich tot diegene die handelingen verricht of nalaat en die weet of redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat door die handelingen of het nalaten daarvan de bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam kan worden verontreinigd of aangetast. Het organiseren van een viswedstrijd zonder verbod in het wedstrijdreglement op het gebruik van vislood is geen fysieke handeling waardoor de bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam kan worden verontreinigd. Dat bij een verbod op het gebruik van vislood in een wedstrijdreglement individuele sportvissers minder of geen vislood zullen gebruiken, maakt niet dat een hengelsportvereniging om die reden toch als overtreder van het artikel kan worden beschouwd. De rechtbank heeft naar aanleiding van wat de stichting in beroep heeft aangevoerd ten onrechte overwogen dat De Pilk als overtreder van artikel 6.8 van de Waterwet kan worden aangemerkt. Het betoog slaagt.
7.2. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, is voor beantwoording van de vraag of de minister terecht heeft geweigerd preventief te handhaven, de omstandigheid dat het achterblijven van vislood in het oppervlaktewaterlichaam geen betekenisvol effect zou hebben op de waterkwaliteit geen reden om alleen al daarom niet preventief te handhaven. Zoals hiervoor is overwogen, is voor het achterblijven van vislood in het oppervlaktewaterlichaam een watervergunning vereist. De vraag welke effecten het vislood heeft voor de waterkwaliteit, moet primair worden beantwoord bij de toetsing van een aanvraag voor een zo’n vergunning. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat de minister het preventieve handhavingsverzoek terecht heeft afgewezen omdat geen sprake is van nadelige gevolgen voor de waterkwaliteit. De stichting heeft dit punt dus in zoverre met juistheid aangevoerd, maar het leidt niet tot het door haar daarmee beoogde doel. De Afdeling overweegt daartoe het volgende.
7.3. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 6 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:935), volgt uit artikel 5:7 van de Algemene wet bestuursrecht dat een besluit tot het opleggen van een preventieve last onder dwangsom alleen kan worden genomen als zich een gevaar voordoet van een overtreding van een concreet bij of krachtens de wet gesteld voorschrift die met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid zal plaatsvinden, indien die overtreding in het besluit kan worden omschreven met die mate van duidelijkheid die uit een oogpunt van rechtszekerheid is vereist. De Afdeling is van oordeel dat in het geval van de viswedstrijden van De Pilk niet is gebleken van een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid dat door sportvissers artikel 6.2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Waterwet zou worden overtreden. De minister heeft bij zijn besluit betrokken dat niet op voorhand vaststond dat tijdens de wedstrijden van De Pilk vislood met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid zou achterblijven in het oppervlaktewaterlichaam. Alleen het feit dat een viswedstrijd plaats zal vinden, betekent in zijn algemeenheid nog niet dat met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid een overtreding van artikel 6.2, eerste lid, aanhef, van de Waterwet zal plaatsvinden. Het staat namelijk niet op voorhand vast dat de visser die deelneemt aan een viswedstrijd, vislood zal gebruiken tijdens het vissen. Verder is het in zijn algemeenheid ook niet zo dat als tijdens het vissen vislood wordt gebruikt, dat ook zonder meer in het oppervlaktewaterlichaam zal achterblijven. Dit hebben partijen op de zitting bevestigd. Over het achterblijven van vislood in het water hebben zij op de zitting het volgende toegelicht. (…) De stichting heeft zulke specifieke omstandigheden over de viswedstrijden ook niet in haar handhavingsverzoek naar voren gebracht. De minister heeft, gelet op wat hiervoor staat, terecht geweigerd om preventief handhavend op te treden. De rechtbank is tot dezelfde conclusie gekomen, zij het op andere gronden. (…)
* ABRvS 6 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3698: Awb, Arbeidsomstandighedenwet; boete, overtredingen Arbeidsomstandighedenbesluit, schriftelijke waarschuwing preventieve stillegging werk, gecertificeerd saneringsbedrijf, verwijderen asbesthoudende golfplaten, dak loods, hijswerktuig, uitzonderingsgrond, verreiker, redelijkerwijsclausule, totale reistijd, veiligheid werknemers, matigen boete, beleidsregel, waarschuwing, evenredigheid, boetezaken, ambtshalve beoordeling/overschrijding redelijke termijn, meer dan twaalf maanden, bevind van zaken (Rb Gelderland 20/4448 en 20/4451)
6.1. Het vervoeren van personen met een hijs- of hefwerktuig dat bestemd is voor goederen is in beginsel verboden om de veiligheid van personen te waarborgen. In artikel 7.23d van het Arbobesluit staat in welke situaties een uitzondering op dit verbod geldt. In deze bepaling was ten tijde van de overtreding een zogenoemde ‘redelijkerwijsclausule’ opgenomen. In de toelichting bij het Arbobesluit (Stb. 1997, 60, blz. 147) is opgenomen dat bij de beoordeling van een beroep op de redelijkerwijsclausule met name de technische, operationele en economische haalbaarheid van de maatregelen enerzijds zullen worden afgewogen tegen de mate van het door de arbeid veroorzaakte gevaar voor de veiligheid, de gezondheid en het welzijn bij de arbeid anderzijds. [wederpartij] heeft op de zitting bij de Afdeling aangevoerd dat zij had mogen afzien van het gebruik van een verreiker omdat de totale reistijd van en naar de locatie van de opdracht ongeveer vijf uur was, de opdracht niet lang zou duren en het oppervlak waar asbest verwijderd had moeten worden met een verreiker niet groot was. [wederpartij] heeft geen stukken overgelegd of anderszins aannemelijk gemaakt dat zij bij haar beslissing om de verreiker niet te gebruiken bij de uitvoering van de opdracht ook de veiligheid van haar werknemers of andere relevante omstandigheden heeft betrokken anders dan de kosten die de inzet van de verreiker met zich zou brengen. Anders dan de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat de veiligheid van de werknemers zwaarder weegt dan de door [wederpartij] genoemde dubbele vervoersbewegingen en het twee keer vrijgeven van de locatie. De rechtbank heeft daarom ten onrechte geoordeeld dat artikel 7.23d, tweede lid, van het Arbobesluit hier van toepassing is. Dit betekent dat [wederpartij] artikel 7.18, vierde lid, van het Arbobesluit heeft overtreden en dat de minister terecht een boete heeft opgelegd. Het betoog van de minister slaagt.
11. De Afdeling beoordeelt in boetezaken steeds ambtshalve of de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM is overschreden. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, is de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM overschreden, als de duur van de totale procedure onredelijk lang is zie onder meer haar uitspraak van 7 oktober 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BJ9526). Uit de rechtspraak van de Hoge Raad, waarbij de Afdeling zich heeft aangesloten, volgt dat voor de beslechting van het geschil over een punitieve sanctie in hoger beroep als uitgangspunt geldt dat de redelijke termijn is overschreden, als behoudens bijzondere omstandigheden, niet binnen vier jaar nadat die termijn is begonnen uitspraak is gedaan. Deze termijn begint op het moment dat het betrokken bestuursorgaan jegens de beboete een handeling heeft verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat aan hem een boete zal worden opgelegd (HR 22 april 2005, nr. 37984; AB 2006, 11). De termijn eindigt op het moment waarop de rechter uitspraak doet.
12. Dit geschil is gestart met het voornemen tot boeteoplegging van 21 november 2019 en eindigt met de uitspraak van vandaag. Dat betekent dat de procedure vijf jaar en negen maanden, en daarmee 21 maanden te lang heeft geduurd. In boetezaken waarin de redelijke termijn met meer dan twaalf maanden is overschreden wordt naar bevind van zaken gehandeld. De Afdeling ziet aanleiding om de boete van € 2.700,00 te matigen met 15% tot een bedrag van € 2.295,00. Dit betekent dat de totale boete € 5.355,00 bedraagt.
* ABRvS 6 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3690: Awb, Wro; weigering tegemoetkoming in planschade, schadeoorzaak/omgevingsvergunning negen woningen, actualisatie overzichtsuitspraak planschade uit 2016, overgangsrecht Invoeringswet Omgevingswet, rechtspraktijk omgevingsrechtelijke nadeelcompensatierecht, tijdsverloop, voorzienbaarheid, tijdelijk voordeel, Verordening tot vaststelling van de Regels voor de Bebouwde Kom 1958, komregeling/Woningwet 1901, Overgangswet Ruimtelijke Ordening en Volkshuisvesting, bestemmingsplan/WRO, bouwverordening, geen volledig inzicht planologische mogelijkheden (Rb Midden-Nederland 22/1561)
1. Bij uitspraak van 28 september 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2582) heeft de Afdeling aanleiding gezien om, gelet op de in de rechtspraktijk levende behoefte daaraan, een overzicht op hoofdlijnen te geven van haar rechtspraak over tegemoetkoming in planschade, als bedoeld in afdeling 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro).
2. Op 1 januari 2024 is de Wro ingetrokken en is de Omgevingswet in werking getreden. Op grond van het overgangsrecht van de artikelen 4.17 tot en met 4.20 van de Invoeringswet Omgevingsrecht ligt het in de lijn der verwachtingen dat het oude planschaderecht de komende jaren van groot belang zal blijven voor de rechtspraktijk van het omgevingsrechtelijk nadeelcompensatierecht. Daarom ziet de Afdeling, mede gelet op het tijdsverloop sinds de uitspraak van 28 september 2016, aanleiding het in die uitspraak gegeven overzicht van haar rechtspraak te actualiseren. Het hierna te geven overzicht pretendeert geen volledigheid, maar bevat een selectie van in eerdere uitspraken neergelegde oordelen over kwesties die zich in de praktijk van het planschaderecht veelvuldig voordoen.
167.1. Bij brief van 11 februari 2025 heeft de Afdeling, onder verwijzing naar haar uitspraak van 22 februari 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:713), partijen ervan op de hoogte gesteld dat op de zitting aan de orde kan komen of in dit geval sprake is van een voor [appellant A], in vergelijking met het ten tijde van de verkrijging van de onroerende zaak geldende planologische regime, voordelige – na de datum van de verwerving in werking getreden – wijziging van het planologische regime, die ongedaan wordt gemaakt door het beweerdelijk schade veroorzakende besluit.
167.2. De VRBK is een komregeling als bedoeld in artikel 43 van de Woningwet 1901. Een komregeling wordt op grond van artikel 10, eerste lid, van de Overgangswet Ruimtelijke Ordening en Volkshuisvesting geacht een bestemmingsplan in de zin van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) te zijn en behoudt het rechtsgevolg dat zij bij de inwerkingtreding van de WRO had. Dit betekent dat de VRBK vanaf 1 augustus 1965, de datum van inwerkingtreding van de WRO, als bestemmingsplan geldt. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 28 juli 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:1663) onder 3.1.
167.3. Niet in geschil is dat, ten tijde van de verkrijging van de onroerende zaak door [appellant A], de VRBK het op het perceel toepasselijke planologische toetsingskader regime was en dat de gemeentelijke bouwverordening aanvullende werking had.
167.8. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college, gelet op de inhoud van de brief van 27 maart 2025, onvoldoende gemotiveerd dat [appellant A] in de nieuwe planologische situatie niet slechter af is dan ten tijde van de verwerving van de eigendom van de onroerende zaak, indien wordt uitgegaan van de meest ongunstige invulling van het destijds toepasselijke planologische regime. Uit de brief volgt dat het college geen volledig inzicht heeft in de planologische mogelijkheden van het perceel onder dat regime. Dit betekent dat de in het advies van Ten Have gemaakte vergelijking met de planologische mogelijkheden van het perceel onder het nieuwe regime van de omgevingsvergunning niet deugdelijk is en dat het college, door deze vergelijking aan de besluitvorming ten grondslag te leggen, in strijd met de vereiste zorgvuldigheid heeft gehandeld. Het betoog slaagt
* ABRvS 5 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3661: Awb, Wbb; vovo, gedoogbevel, werkzaamheden sanering, toepasselijke recht, Invoeringswet Omgevingswet, Aanvullingswet bodem Omgevingswet, uitleg overgangsrecht, woonwijk, voormalig bedrijfsterrein textielbedrijf, PFAS, verklaring “ernst en spoed”, saneringsplan, bekendmaking, toezending, college bevoegd tot uitvaardigen gedoogbevel, besluit over sanering als zodanig/ligt niet voor
2. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet, de Invoeringswet Omgevingswet en de Aanvullingswet bodem Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 3.1, eerste lid, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet blijft op gevallen van ernstige verontreiniging als bedoeld in de Wbb of saneringen als bedoeld in de Wbb het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet van toepassing, als vóór dat tijdstip een besluit is genomen dat spoedige sanering op grond van artikel 29 in samenhang bezien met artikel 37 van de Wbb noodzakelijk is, dan wel een (deel)saneringsplan als bedoeld in artikel 39 of 40 van de Wbb is ingediend. Het saneringsplan ten behoeve waarvan het gedoogbevel is opgelegd, is ingediend op 27 december 2023. Dat betekent dat op de sanering het recht, waaronder de Wbb, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
3. Artikel 3.2, aanhef en onder c, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet bepaalt dat het recht zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft op een maatregel op grond van artikel 30, vierde lid, van de Wbb die is vastgesteld vóór 1 januari 2024. Omdat het thans bestreden gedoogbevel dateert van ná 1 januari 2024, ziet de voorzieningenrechter zich voor de vraag gesteld of artikel 3.2, aanhef en onder c, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet impliceert dat op het gedogen van de hier aan de orde zijnde sanering het nieuwe recht van toepassing is. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is dat niet het geval. Het college heeft in dit geval via de band van artikel 49 Wbb toepassing gegeven aan artikel 30, vierde lid, van de Wbb ten behoeve van een sanering waarop, zoals hiervoor overwogen, op grond van artikel 3.1, eerste lid, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet het oude recht op van toepassing blijft. Artikel 3.2 van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet ziet niet op saneringen als bedoeld in artikel 3.1 van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet (Kamerstukken II, 2017/2018, 34 864, nr. 3, p. 87). Het voorgaande maakt dat de voorzieningenrechter ervan uitgaat dat ook ten aanzien van het besluit van het college van 19 juni 2025 waarbij aan [verzoeker A] en [verzoeker B] een gedoogbevel is opgelegd, het recht, waaronder de Wbb, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
* HvJEU 1 augustus 2025, ECLI:EU:C:2025:609: Richtlijn 2009/147/EG; Prejudiciële verwijzing, ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing, behoud van de vogelstand, artikel 5, verbodsbepalingen ter bescherming van vogels, begrip „opzet”, begrip artikel 12 habitatrichtlijn, aanvaarding, ecologische, wetenschappelijke en culturele eisen, artikel 9, afwijkingen, kappen bomen, kaalslag of schermslag gedurende de broedperiode van vogels, voorzorgsbeginsel, wetenschappelijke gegevens en waarnemingen van individuele vogels
51 Wat de draagwijdte van die voorwaarde betreft, zij eraan herinnerd dat het doel van de vogelrichtlijn blijkens artikel 1, gelezen in het licht van de overwegingen 3, 5, 7 en 8 ervan, erin bestaat om alle natuurlijk in het wild levende vogelsoorten op het Europese grondgebied van de lidstaten waarop het Verdrag van toepassing is te beschermen, te beheren en te reguleren teneinde de instandhouding ervan als erfgoed van de Europese volkeren te verzekeren, hetgeen een bescherming op lange termijn impliceert door leefgebieden in stand te houden of te herstellen die voldoende gediversifieerd zijn en qua oppervlakte toereikend zijn. Gelet op dit doel verplicht die richtlijn de lidstaten krachtens artikel 2, gelezen in samenhang met overweging 10 ervan, om alle nodige maatregelen te nemen teneinde de populatie van die vogelsoorten op een niveau te houden of te brengen dat met name beantwoordt aan de ecologische, wetenschappelijke en culturele eisen, waarbij zij tevens rekening moeten houden met economische en recreatieve eisen, zodat dit niveau als bevredigend kan worden aangemerkt. Derhalve moet, gelet op die bepalingen, de in artikel 5, onder d), van die richtlijn opgenomen zinsnede „voor zover een dergelijke storing, gelet op de doelstellingen van [de vogelrichtlijn], van wezenlijke invloed is” aldus worden uitgelegd dat het storen, met name gedurende de broedperiode, moet worden verboden voor zover dat van wezenlijke invloed is op de doelstelling om de populatie van die vogelsoorten op een bevredigend niveau te houden of te brengen.
52 Artikel 5, onder a) en b), van de vogelrichtlijn bevat daarentegen geen voorwaarde die vergelijkbaar is met de voorwaarde in genoemde zinsnede van artikel 5, onder d), van die richtlijn.
53 Aangezien artikel 5, onder a) en b), van de vogelrichtlijn geen soortgelijke voorwaarde als die van artikel 5, onder d), van die richtlijn bevat, moet, gelet op de beoordelingen in de punten 46 tot en met 49 van het onderhavige arrest, dan ook worden geoordeeld dat voor de toepassing van de in artikel 5, onder a) en b), neergelegde verbodsbepalingen niet aan een dergelijke voorwaarde hoeft te zijn voldaan, ongeacht of de betrokken menselijke activiteiten al dan niet tot doel hebben om vogels te vangen of te doden dan wel hun nesten of eieren te vernielen of te beschadigen.
54 Hieruit volgt dat artikel 5, onder a) en b), van de vogelrichtlijn, anders dan artikel 5, onder d), van die richtlijn, menselijke activiteiten die niet van wezenlijke invloed kunnen zijn op de doelstelling om de populatie van vogelsoorten op een bevredigend niveau te houden of te brengen, niet uitsluit van de werkingssfeer ervan, zodat de beoordeling van de impact van een menselijke activiteit op het populatieniveau van de betrokken vogelsoorten irrelevant is voor de toepassing van de in eerstgenoemde bepaling neergelegde verboden.
55 Een dergelijke beoordeling is daarentegen wél relevant in het kader van afwijkingen die krachtens artikel 9 van de vogelrichtlijn worden ingevoerd (zie naar analogie arrest van 4 maart 2021, Föreningen Skydda Skogen, C‑473/19 en C‑474/19, EU:C:2021:166, punt 58).
56 Bij het onderzoek van die afwijkingen moet namelijk, met name om na te gaan of de aangevraagde afwijking evenredig is, worden beoordeeld welke impact de betrokken activiteit heeft op het populatieniveau van de betrokken vogelsoorten en of deze activiteit noodzakelijk is, alsook of er alternatieve oplossingen bestaan om het tot staving van die afwijking aangevoerde doel te bereiken (zie naar analogie arrest van 4 maart 2021, Föreningen Skydda Skogen, C‑473/19 en C‑474/19, EU:C:2021:166, punt 59).
57 Gelet op een en ander moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 5, onder a), b) en d), van de vogelrichtlijn aldus moet worden uitgelegd dat alleen de verbodsbepaling van artikel 5, onder d), van die richtlijn slechts toepasselijk is voor zover zij noodzakelijk is om storing te voorkomen die van wezenlijke invloed is op het in artikel 2 van die richtlijn genoemde doel om de populatie van alle natuurlijk in het wild levende vogelsoorten op het Europese grondgebied van de lidstaten waarop de Verdragen van toepassing zijn, op een niveau te houden of te brengen dat met name beantwoordt aan de ecologische, wetenschappelijke en culturele eisen, waarbij tevens rekening wordt gehouden met economische en recreatieve eisen. Voor de toepassing van de verbodsbepalingen van artikel 5, onder a) en b), van die richtlijn hoeft daarentegen niet aan een dergelijke voorwaarde te zijn voldaan, zelfs niet wanneer de betrokken menselijke activiteit een ander doel heeft dan het vangen of doden van vogels dan wel het vernielen of beschadigen van hun nesten of eieren.
* HvJEU 1 augustus 2025, ECLI:EU:C:2025:620: Richtlijn 2011/92/EU; milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten, artikel 6, raadpleging van de instanties die op grond van hun specifieke verantwoordelijkheden op milieugebied of op grond van hun lokale of regionale bevoegdheden met het project te maken kunnen krijgen, en van het betrokken publiek, inspraak van het publiek bij de besluitvorming, artikel 6, lid 3, onder b), draagwijdte van het begrip ‚voornaamste rapporten en adviezen’
Het Hof (Tiende kamer) verklaart voor recht:
Richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten, zoals gewijzigd bij richtlijn 2014/52/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014,
moet aldus worden uitgelegd dat
zij zich niet verzet tegen een wettelijke regeling van een lidstaat volgens welke, in het kader van een milieueffectbeoordelingsprocedure voor een aan deze richtlijn onderworpen project, de instanties die op grond van hun specifieke verantwoordelijkheden op milieugebied of op grond van hun lokale of regionale bevoegdheden met het project te maken kunnen krijgen tegelijkertijd met het betrokken publiek worden geraadpleegd, zonder dat dit publiek vervolgens het recht heeft om zijn opmerkingen en meningen over de in dit kader door de geraadpleegde instanties gegeven adviezen kenbaar te maken aan de voor de vergunning van dat project bevoegde instanties.
* Rechtbank Oost-Brabant 1 augustus 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:4881: Awb, Wnb; niet tijdig beslissen op handhavingsverzoek, gebruik gewasbeschermingsmiddelen, procesbelang, besluit op verzoek genomen, toekenning dwangsom, gegrond beroep noodzakelijk, vaststellen hoogte dwangsom, afwijzing handhavingsverzoek, overgangsrecht Omgevingswet, Aanvullingswet natuur Omgevingswet, toepasselijke recht, Habitatrichtlijn, verrichten handelingen zonder vergunning, ambtshalve beoordeling, aanvraag, concrete activiteit van een (rechts)persoon, verzoek geconcretiseerd, algemeen gestelde verzoek/te onbepaald en geen aanvraag, rechtsbescherming, besluiten in concrete zaken, beheerplannen, rechtszekerheid, Verdrag van Aarhus, afwijzing verzoek schadevergoeding redelijke termijn
17.4 Het algemeen gestelde verzoek van eiseres om handhavend op te treden tegen het gebruik van bepaalde gewasbeschermingsmiddelen in de provincie Noord-Brabant wegens strijd met artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn is naar het oordeel van de rechtbank te onbepaald en is dus geen aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb. De reactie van het college op dit algemene verzoek kan reeds daarom niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.
17.5. Voor zover eiseres betoogt dat de rechtsbescherming daarmee te kort schiet, overweegt de rechtbank dat de Awb voorziet in rechtsbescherming tegen besluiten in concrete zaken. Uit de bewoordingen en de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 8:3, eerste lid, aanhef en onder a, gelezen in samenhang met artikel 6:2, aanhef en onder a, van de Awb blijkt dat de wetgever rechtstreeks beroep tegen de weigering om algemene, abstracte regels vast te stellen die zich zonder nadere normering voor herhaalde concrete toepassing lenen, waar het verzoek van eiseres in wezen toe strekt, vooralsnog uitdrukkelijk heeft willen uitsluiten. Deze beperking is niet in strijd met de Habitatrichtlijn, omdat deze richtlijn naar het oordeel van de rechtbank niet verplicht om een bestuursrechtelijke rechtsgang open te stellen tegen besluiten als bedoeld in artikel 8:3 van de Awb. Dit heeft geen gevolgen voor het bestreden besluit of het hiertegen gerichte beroep en de vraag of de rechtbank bevoegd is om hierover te beslissen, omdat eiseres met haar handhavingsverzoek niet heeft beoogd om algemeen verbindende voorschriften door het college te laten vaststellen.
17.6. Voor zover eiseres het college heeft verzocht om handhavend tegen zichzelf op te treden vanwege de weigering van het college om passende maatregelen te nemen, overweegt de rechtbank het volgende. Uit artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn volgt de verplichting van lidstaten om passende maatregelen te nemen om verslechtering van de kwaliteit van habitats in Natura 2000-gebieden te voorkomen. Die bepaling is in het Nederlandse recht, voor zover het geen concrete Wnb-vergunning betreft, geïmplementeerd in artikel 2.4 van de Wnb. Het college kan aan de Habitatrichtlijn geen bevoegdheid ontlenen om, vanwege het gesteld niet naleven van de Habitatrichtlijn, handhavend op te treden tegen zichzelf. In HvJ EU 7 november 2018 (ECLI:EU:C:2018:882, inzake de Programmatische Aanpak Stikstof) heeft het Hof van Justitie overwogen dat de bevoegdheden van artikel 2.4 voldoende zijn om te voldoen aan de verplichtingen van artikel 6, lid 2, Habitatrichtlijn. De door eiseres genoemde rechtspraak leidt niet tot een ander oordeel.
* Rechtbank Den Haag 31 juli 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:14323: Awb, Wnb; afwijzing aanvraag, aanwijzing Veluwe, speciale beschermingszone wolf, toevoegen prioritaire soort aan aanwijzingsbesluit, overgangsrecht, Aanvullingswet natuur Omgevingswet, ontvankelijkheid, geen zienswijze, Varkens in nood, belanghebbende, statutaire doelstelling, onvoldoende concreet afgebakend werkgebied, algemeen geformuleerde doelstellingen, feitelijke werkzaamheden, Habitatrichtlijn, bepaald type natuurlijke habitat of habitat bepaalde soort/bijlage I of bijlage II, criteria bijlage III, referentielijst, wolf/bijlagen II en IV, prioritaire soort, Europese Commissie, actuele ecologische gegevens, criterium tienjaarstermijn, beleidslijn, richtlijn IUCN, Rode Lijst voor Bedreigde Soorten, nationale Rode Lijst, voortplanting, wetenschappelijke consensus, motiveringsgebrek
6.1. Uit de Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van de Europese gemeenschappen van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna) volgt dat op het Europees grondgebied een ecologisch netwerk van speciale beschermingszones wordt gevormd. Dat netwerk bestaat uit door lidstaten aan te wijzen Natura 2000-gebieden. Een gebied moet op grond van artikel 3, tweede lid, door een Lidstaat als zodanig worden aangewezen, wanneer op het grondgebied van de lidstaat een bepaald type natuurlijke habitat of habitat van een bepaalde soort aanwezig is die staat genoemd in bijlage I of II van de Habitatrichtlijn. Artikel 4, eerste lid, schrijft voor dat elke Lidstaat aan de hand van de criteria van bijlage III (fase 1) een referentielijst van gebieden aan de Europese Commissie voorstelt, waarop staat aangegeven welke typen natuurlijke habitats van bijlage I en welke inheemse soorten van bijlage II in die gebieden voorkomen. Vervolgens stelt de Europese Commissie volgens de procedure van het tweede lid van artikel 4 een lijst van gebieden van communautair belang vast, waarop de gebieden met een of meer prioritaire typen habitats of een of meer prioritaire soorten staan aangegeven. Indien een gebied tot gebied van communautair belang is verklaard, is de betreffende lidstaat op grond van het vierde lid van artikel 4 gehouden dat gebied als speciale beschermingszone aan te wijzen en om maatregelen te treffen om de gunstige staat van instandhouding te behouden of te herstellen.
6.2. Deze Europeesrechtelijke verplichting is in de nationale wetgeving geïmplementeerd in artikel 2.1 van de Wet natuurbescherming (Wnb). In het eerste lid van dat artikel, zoals dat luidde tot 1 januari 2024, staat dat de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) ter uitvoering van artikel 3, tweede lid, en 4, vierde lid, van de Habitatrichtlijn gebieden in Nederland aanwijst als speciale beschermingszones, die worden aangeduid als ‘Natura 2000-gebied’. Blijkens het zesde lid van dit artikel draagt de minister van LNV, mede in het licht van de toepassing van artikel 1.8, eerste lid, en gevolg gevend aan het inzicht, bedoeld in artikel 1.5, vijfde lid, zorg voor de actualisatie van de besluiten, bedoeld in het eerste lid. In het zevende lid van dit artikel staat dat de minister van LNV bevoegd is om een dergelijk aanwijzingsbesluit te wijzigen, bijvoorbeeld als de lijst van habitattypen en soorten verandert.
6.3. Zoals blijkt uit uitspraken van de Afdeling (zie de uitspraken van 20 oktober 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO1119, van 1 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1047 en van 11 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2297), kan een aanwijzingsbesluit ook worden gewijzigd zonder dat een voorafgaande aanmelding van de soort door de lidstaat aan de Europese Commissie noodzakelijk is, indien uit actuele ecologische gegevens blijkt dat een prioritaire soort, die niet in het aanwijzingsbesluit is opgenomen, inmiddels wel in het gebied voorkomt (zie ook de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 25 januari 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:604). Dat betekent dat voor de wijziging van een aanwijzingsbesluit op grond van artikel 2.1, zevende lid, van de Wnb niet vereist is dat eerst de procedure op grond van artikel 4 van de Habitatrichtlijn wordt gevolgd.
9.4. De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet afdoende heeft onderbouwd waar de beoordeling in twee stappen op is gebaseerd. Voor zover verweerder die baseert op de in artikel 4 van de Habitatrichtlijn vastgelegde procedure die leidt tot vaststelling door de Europese Commissie van gebieden van communautair belang, kan de rechtbank dat niet volgen. Die procedure is in dit geval immers niet gevolgd en, zoals hierboven overwogen, kan ook los daarvan een wijziging van het aanwijzingsbesluit plaatsvinden, indien uit actuele ecologische gegevens blijkt dat de wolf in het gebied (inmiddels) wel voorkomt. Het gegeven dat de wolf door Nederland niet is geplaatst op de referentielijst van gebieden als een soort die in die gebieden voorkomt en (daarom) nog niet is opgenomen op door de Europese Commissie vastgestelde lijst van gebieden van communautair belang is dan ook niet relevant. Bovendien ziet de rechtbank de door verweerder bedoelde twee stappen niet terug in de procedure op grond van artikel 4 van de Habitatrichtlijn. Ingevolge artikel 4, eerste lid, moet een lidstaat immers aan de hand van de criteria van bijlage III (fase 1) aangeven welke soorten in de daarop vermelde gebieden voorkomen. In die bepaling en de criteria in de bijlage staat niet dat (eerst) beoordeeld moet worden of de soort in Nederland aanwezig is, maar of de soort in het betreffende gebied voorkomt. Dat blijkt ook niet uit de beoordelingscriteria die de Europese Commissie ingevolge het tweede lid van artikel 4 en Bijlage III (fase 2) hanteert bij de samenstelling van de lijst van gebieden van communautair belang.
9.6 De rechtbank stelt daarover vast dat de IUCN een non gouvernementele unie voor natuurbescherming is waar regeringen en maatschappelijke organisaties lid van kunnen zijn. Zij ontwikkelt standaarden, richtlijnen en best practices en houdt een Rode Lijst voor Bedreigde Soorten bij. De Rode Lijst van de IUCN is een informatiebron over de bedreigde status van dier- en plantsoorten. Ook de nationale Rode Lijst geeft inzicht in met uitroeiing bedreigde of speciaal gevaar lopende dier- en plantensoorten die van nature in Nederland voorkomen (zie thans artikel 2.19, lid 5, onder a, onderdeel 3, van de Omgevingswet). De richtlijnen van de IUCN, waarop verweerder zich beroept, geeft handvaten over de toepassing van de Rode Lijst-criteria van de IUCN op regionaal niveau. De rechtbank overweegt dat de Rode lijsten van de IUCN en de Nationale Rode lijst, alsmede de richtlijnen van de IUCN, geen juridisch bindende status hebben. Zij dienen slechts als hulpmiddel bij de ontwikkeling van beleid op het gebied van natuur- en soortenbescherming. De vraag of en wanneer een soort voor een Rode Lijst wordt beschouwd is daarmee van een andere orde dan de vraag of een soort voor gebiedsbescherming in aanmerking komt op grond van artikel 2.1 van de Wnb en de daaraan ten grondslag liggende artikelen 3 en 4 van de Habitatrichtlijn. Uit die artikelen en de daarin opgenomen criteria blijkt niet dat de richtlijnen van de IUCN in acht moeten worden genomen bij de beoordeling van laatstbedoelde vraag. Verweerder heeft ook niet gemotiveerd waarom dat wel zou moeten. Voor zover een soort pas na tien achtereenvolgende jaren van voortplanting op een Rode Lijst wordt opgenomen, levert dat naar het oordeel van de rechtbank geen afdoende onderbouwing op voor het standpunt van verweerder dat eenzelfde termijn heeft te gelden voordat speciale beschermingszones moeten worden aangewezen voor een nieuwe of teruggekeerde inheemse soort op grond van artikel 2.1 van de Wnb. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder ook met de verwijzingen naar de Rode Lijsten onvoldoende onderbouwd dat deze beoordeling twee stappen vraagt en dat in het kader van een voorvraag de tienjaarstermijn van doorslaggevende betekenis is. (…)
¶ Rechtbank Noord-Nederland 30 juli 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:3164: Awb, Ow; vovo, handhaving, dwangsom, omgevingsplan, lelieteelt, spoedeisend belang, overtreding omgevingsplan, planregels, rechtszekerheid, letterlijk uitleggen, niet bindende toelichting, systematiek, buiten toepassing laten, begrip “sierteelt”, geen definitie, algemeen spraakgebruik, Van Dale, woord “of”, bestaand gebruik, begrip “bestaand”, gebruiksovergangsrecht, concreet zicht op legalisatie, ontvankelijke aanvraag, niet bereid medewerking te verlenen aan legalisering, evenredigheid, zaaksgebonden werking, artikel 18.4a Omgevingswet, wetsgeschiedenis, begunstigingstermijn, gewasbeschermingsmiddelen, Ctgb, financiële gevolgen
22. De voorzieningenrechter is van oordeel dat uit de tekst van artikel 18.4a van de Omgevingswet niet volgt dat gemotiveerd moet worden dat het verbinden van zaaksgebonden werking aan een last onder dwangsom ‘noodzakelijk’ is. Ook in de wetsgeschiedenis heeft de voorzieningenrechter daar geen aanknopingspunten voor kunnen vinden (Kamerstukken II, vergaderjaar 2013-2014, 33 962, nr. 3 (MvT)).
22.1. De voorzieningenrechter overweegt dat het verbinden van zaaksgebonden werking aan de last een bevoegdheid is van het college. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college in redelijkheid die zaaksgebonden werking aan de last kunnen verbinden. In het bestreden besluit heeft het college toegelicht dat het niet ondenkbaar zou zijn dat een rechtsopvolger de teelt zal hervatten, te meer gezien de op sierteelt gerichte activa die de rechtsopvolger van verzoekster zou kunnen verwerven. Verder is toegelicht dat verzoekster geen nadeel zou ondervinden van het verbinden van deze zaaksgebonden werking. Het vorenstaande is door verzoekster niet gemotiveerd betwist. De voorzieningenrechter is dan ook van oordeel dat deze grond niet slaagt.
* Rechtbank Oost-Brabant 30 juli 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:4751: BW; jaarlijks onderhoud waterschap, maaien aanliggende kavelsloot, toezegging waterschap, onderhoud vanaf eigen perceel waterschap, gedogen werkzaamheden, landbouwperceel, melkvee- en vleesvarkensbedrijf, machines/schade gewassen, afspraak gemaakt, bestuursrechtelijke procedure, vordering/verklaring voor recht, onrechtmatig handelen, nakomen toezegging, bevoegdheid civiele rechter, vordering, feitelijk handelen waterschap, gezag van gewijsde, ander toetsingskader, andere rechtsbetrekking, beschermingszone, wettelijke gedoogplicht, Omgevingswet, nakoming toezegging, maatstaven van redelijkheid en billijkheid, toewijzing vorderingen
5.1. De rechtbank oordeelt dat het beroep van het Waterschap op onbevoegdheid van de civiele rechter, niet slaagt. De vordering van [eiser] is gebaseerd op onrechtmatig handelen in de zin van artikel 6:162 BW en, anders dan in de zaak die speelde voor het gerechtshof ’s-Hertogenbosch waar het Waterschap zich op beroept, richt de vordering zich tegen feitelijk handelen van het Waterschap, dat niet is gebaseerd op een onderliggend bestuursrechtelijk besluit en waartegen geen bestuursrechtelijke rechtsgang is opengesteld. [eiser] is daarom ontvankelijk in zijn vordering bij de civiele rechter.
5.2.3. Deze kwesties raken weliswaar aan het geschil zoals dat hier voorligt, maar de Afdeling heeft haar beslissingen gegeven binnen een ander toetsingskader omdat in die zaak een andere rechtsbetrekking tussen partijen in geschil was. Het ging in die zaak immers om het besluit van het Waterschap om de beschermingszone op een bepaalde manier vast te stellen, en niet om de wijze waarop het Waterschap feitelijk uitvoering geeft aan het beheer. Een toetsing aan het evenredigheidsbeginsel is hier bovendien, anders dan in de procedure bij de Afdeling, niet aan de orde. De beslissingen van de Afdeling hebben daarom tussen partijen in dit geschil geen gezag van gewijsde.
5.4. Deze wettelijke gedoogplicht voor eigenaren van aangrenzende percelen staat er niet aan in de weg dat het Waterschap afspraken kan maken met die eigenaren over de wijze waarop het onderhoud feitelijk zal worden uitgevoerd. In dat kader kan het Waterschap toezeggingen doen, die het dan in beginsel ook zal moeten nakomen.
5.6. In zijn arrest van 24 december 2021 (ECLI:NL:HR:2021:1957) heeft de Hoge Raad beslist volgens welke maatstaf moet worden beslist of een overheidslichaam gehouden is een toezegging na te komen. Volgens de Hoge Raad in ro. 3.2.3 van dit arrest dient zowel volgens de bestuursrechtelijke als volgens de civielrechtelijke maatstaf bij de beoordeling tot uitgangspunt te worden genomen, dat het overheidslichaam gehouden is de toezegging na te komen, dat het belang van degene die aanspraak maakt op nakoming zwaar weegt, en dat zwaarder wegende andere belangen, waaronder belangen van derden of algemene belangen, aan nakoming in de weg kunnen staan. Hoe deze afweging uitvalt, is volgens de Hoge Raad telkens afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Naarmate belangen van derden of algemene belangen zich sterker tegen nakoming van de toezegging verzetten, zal zich eerder het geval voordoen dat degene aan wie de toezegging is gedaan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet mag verlangen dat het overheidslichaam de toezegging nakomt. Dat kan in het bijzonder het geval zijn indien het overheidslichaam voorziet in een alternatief of compensatie, waardoor het nadeel door het niet nakomen van de toezegging op adequate wijze wordt ondervangen. Indien tegenover het belang bij de nakoming van de toezegging alleen een financieel belang van het overheidslichaam staat, zal niet snel mogen worden aangenomen dat nakoming van de toezegging niet mag worden verlangd. Het algemene belang bij een doelmatige besteding van publieke middelen kan onder omstandigheden evenwel zo zwaarwegend zijn dat dit aan nakoming van de toezegging in de weg staat. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn indien het belang dat met de toezegging werd gediend door een wijziging van omstandigheden zodanig is verminderd, dat de met de nakoming gemoeide kosten in een onredelijke verhouding tot dat belang zijn komen te staan.
5.7. Aangenomen moet worden dat [eiser] belang heeft bij nakoming van de aan hem gedane toezegging. [eiser] stelt dat de zware machines waarmee het onderhoud wordt uitgevoerd zichtbare schade toebrengen aan het gras op zijn perceel, en vooral bij natte omstandigheden ook onzichtbare schade aan de ondergrond: door het gewicht van de machines wordt de grond verdicht waardoor ondergronds water op het weiland blijft staan. Tot welke concrete schade dat jaarlijks leidt, is door [eiser] niet gesteld of onderbouwd. [eiser] stelt dat zijn schade uit 2023 (het was toen erg nat) nog altijd niet is vergoed, omdat het Waterschap de onzichtbare schade aan de grond niet erkent. Het Waterschap stelt dat bij het maaien nauwelijks schade wordt aangebracht op het perceel van [eiser] omdat alleen het gras wat wordt aangeduwd, maar dat dat na een week weer is hersteld. Het Waterschap wijst erop dat [eiser] in 2020 slechts € 75,- schade claimde, waaruit volgt dat de jaarlijkse schade zeer gering is. De rechtbank overweegt dat ook als moet worden aangenomen dat de jaarlijkse schade gering is, [eiser] toch belang heeft bij nakoming van de toezegging: hij lijdt dan geen schade en hoeft niet meer jaarlijks een onderbouwde claim in te dienen die mogelijk slechts gedeeltelijk wordt ingewilligd (het Waterschap vergoedt alleen zichtbare schade). Uit het hiervoor geciteerde arrest van de Hoge Raad volgt dat dit belang in beginsel zwaar weegt.
5.8. De vraag is nu of er zwaarder wegende belangen zijn in verband waarmee van het Waterschap niet mag worden verlangd dat het de toezegging blijft nakomen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Waterschap daarvoor onvoldoende onderbouwing gegeven. De rechtbank zal dat hier toelichten.
5.9. Het Waterschap stelt dat de huidige aangescherpte arbo-regels, en ook de aangescherpte gedragscode in verband met de Flora- en Faunawet die dwingt tot extensiever onderhoud, verhinderen dat bij watergang [nummer 1] nog machinaal vanaf het eigen perceel wordt gemaaid. Volgens het Waterschap is de eigen strook grond naast de watergang daarvoor te smal. Nakoming van de toezegging zou daarom betekenen dat handmatig moet worden gemaaid, wat arbeidsintensief en tijdrovend is en leidt tot aanmerkelijk hogere kosten.
5.10. De rechtbank overweegt hierover in de eerste plaats dat het Waterschap het beroep op aangescherpte regels, die het gebruik van een smalspoormachine bij [nummer 1] zouden verhinderen, niet heeft onderbouwd. Deze onderbouwing had wel van het Waterschap mogen worden verwacht, aangezien het Waterschap op de zitting heeft verklaard dat van de 2500 kilometer aan watergangen nog ongeveer 1000 kilometer met smalspoormachines wordt onderhouden. Waarom dat hier niet zou kunnen vanwege de aangescherpte regels, is niet onderbouwd. De rechtbank passeert dan ook het bewijsaanbod dat het Waterschap op de zitting heeft gedaan. Bovendien, ook als het zo is dat machinaal maaien ter plaatse niet meer mogelijk zou zijn, dan leidt dit er naar het oordeel van de rechtbank nog niet toe dat sprake is van een zwaarwegend belang voor het Waterschap om de gedane toezegging niet meer na te komen. Vaststaat namelijk dat ook handmatig kan worden gemaaid. Op de zitting heeft het Waterschap desgevraagd toegelicht dat machinaal maaien € 0,60 per strekkende meter kost en handmatig maaien € 1,20 tot € 1,50 per strekkende meter. Dat is weliswaar aanzienlijk duurder, maar de toezegging ziet in totaal slechts op 60 tot 70 meter watergang. Ook als er – ruim genomen – vanuit zou worden gegaan dat de kosten van handmatig maaien driemaal zo hoog liggen, dan nog blijven de meerkosten beperkt tot een bedrag van in totaal zo’n € 84,- (70 maal € 1,20). Van een zwaarwegend financieel belang is dan ook geen sprake.
5.11. Het Waterschap stelt dat een doelmatige besteding van overheidsgeld vergt dat het onderhoud zo praktisch en efficiënt mogelijk wordt uitgevoerd, wat betekent dat zoveel mogelijk overal op dezelfde wijze met hetzelfde materieel en aannemers wordt gewerkt. Daarbij past niet dat uitzonderingen worden gemaakt voor kleine watergangen zoals [nummer 1] . Dat schept volgens het Waterschap bovendien een ongewenst precedent.
5.12. De rechtbank onderkent het belang van het Waterschap om zoveel mogelijk op eenzelfde manier te kunnen werken, maar stelt tegelijk vast dat feitelijk nog altijd op allerlei manieren wordt gewerkt, vermoedelijk mede afhankelijk van de omstandigheden ter plaatse. Zoals hiervoor al vermeld, heeft het Waterschap immers op de zitting verklaard dat van de 2500 kilometer aan watergangen nog 1000 kilometer met smalspoormachines wordt gemaaid en dat watergangen naast particuliere tuinen handmatig worden gemaaid. Er wordt dus niet alleen gewerkt met breedspoormachines. Van een vaste onderhoudspraktijk, waarbij altijd op dezelfde wijze wordt gewerkt, lijkt dan ook geen sprake te zijn. Het Waterschap heeft daarom onvoldoende onderbouwd waarom hierin een zwaarwegend belang zou zijn gelegen om zich niet aan de toezegging aan [eiser] te hoeven houden. Het beroep op mogelijke precedentwerking slaagt niet, aangezien niet is gesteld of gebleken dat het Waterschap aan meerdere perceeleigenaren vergelijkbare toezeggingen heeft gedaan.
5.13. Het Waterschap voert nog aan dat het een oplossing heeft aangedragen door de onderhoudsstrook (tot het hart van de watergang) voor een gunstige prijs aan [eiser] te koop aan te bieden, waarna [eiser] zelf verantwoordelijk zou worden voor het onderhoud en het Waterschap zijn grond niet meer zou hoeven betreden. [eiser] zou hieraan zonder goede reden niet hebben meegewerkt. [eiser] stelt hiermee niet te hebben ingestemd omdat de strook grond voor hem nauwelijks meerwaarde had maar hij wel jaarlijks kosten zou moeten maken voor het onderhoud van de watergang.
5.14. De rechtbank overweegt dat de omstandigheid dat [eiser] niet heeft willen instemmen met dit voorstel van het Waterschap, er niet toe leidt dat hij zich naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet meer op nakoming van de toezegging van het Waterschap zou kunnen beroepen.
5.15.De conclusie luidt dan ook dat [eiser] nakoming van de toezegging door het Waterschap kan verlangen.
* Rechtbank Gelderland 28 juli 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:6106: Awb, Wabo; omgevingsvergunning legaliseren verbouwing woning, bouwen bijbehorend bouwwerk en plaatsen erfafscheiding, strijdig gebruik, groepsrecreatie en/of -accommodatie, ontvankelijkheid, bezwaar tegen besluit, belanghebbende, rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt, gevolgen van enige betekenis, intensivering gebruik gronden, gebruik niet begrensd, geen voorschriften, zicht, licht en geluid, afstand, landelijk en open karakter, strijdige gebruik niet aangevraagd, beslissen op grondslag aanvraag, niet meer hetzelfde (bouw)plan, nieuwe aanvraag, latere ingediende aanvraag, Omgevingswet/omgevingsplanactiviteit, grondslag van de aanvraag verlaten, zelf in de zaak voorzien, afwijzen aanvraag, nieuwe aanvraag, recht zoals dat geldt sinds inwerkingtreding Omgevingswet
4.3. De rechtbank is van oordeel dat eisers voldoende aannemelijk hebben gemaakt dat zij daadwerkelijk gevolgen van enige betekenis ondervinden van het gebruik van het perceel van de derde-partij ten behoeve van groepsaccommodatie en/of -recreatie. Hierbij stelt de rechtbank voorop dat het toestaan van groepsaccommodatie en/of -recreatie, in elk geval voor zover het de gronden met de woonbestemming betreft, leidt tot intensivering van het gebruik van het perceel van de derde-partij. Het kan eigenlijk niet anders dan dat omwonenden daarvan gevolgen van enige betekenis ondervinden. Daarbij is van belang dat het gebruik als groepsaccommodatie en/of -recreatie in het bestreden besluit helemaal niet is begrensd. Het college en de derde-partij stellen wel dat de capaciteit beperkt is, maar aan de vergunning zijn geen voorschriften verbonden over de precieze aard van de activiteiten, het aantal activiteiten, het aantal bezoekers, openingstijden, maximale geluidsniveaus, de toegestane hoeveelheid licht, etc. Het college heeft ook niet bestreden dat eisers zicht hebben en geconfronteerd kunnen worden met licht en geluid vanaf het perceel. Verder is voor de rechtbank van belang dat de heer [eiser 1/gemachtigde 1] en mevrouw [eiseres 1] net zo ver van de woning op het perceel van de derde-partij verwijderd zijn als de heer [eiser 2] en mevrouw [eiseres 2], namelijk bijna 70 meter. Daarnaast heeft de omgeving een landelijk en open karakter, ontbreekt het aan bebouwing op de (schuine) zichtlijn tussen de percelen [locatie 3] en [locatie 1] en werkt de aanwezige begroeiing beperkt belemmerend. De rechtbank ziet dan ook niet in waarom het college meent dat de heer [eiser 1/gemachtigde 1] en mevrouw [eiseres 1] geen gevolgen van enige betekenis zouden ondervinden, en acht ook hen daarom ontvankelijk in hun beroep.
5.3. De rechtbank stelt voorop dat het college in beginsel dient te beslissen op (grondslag van) een aanvraag zoals die is ingediend. Dit betekent echter niet dat van een aanvraag in zijn geheel niet mag worden afgeweken. Op grond van vaste jurisprudentie is het bestuursorgaan gerechtigd, en in bepaalde gevallen zelfs verplicht, om de indiener van een bouwaanvraag in de gelegenheid te stellen zijn aanvraag zodanig te wijzigen of aan te vullen dat geconstateerde beletselen voor het verlenen van de bouwvergunning worden weggenomen. Indien de wijziging van de oorspronkelijke aanvraag echter zodanig ingrijpend is dat redelijkerwijs niet meer van hetzelfde (bouw)plan kan worden gesproken, dient daarvoor een nieuwe bouwaanvraag te worden gedaan. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 26 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4253.
5.4. De aanvraag van de derde-partij heeft betrekking op het bouwen van een dakkapel (op de aanbouw van het hoofdgebouw, ten behoeve van de functie wonen), het bouwen van een stalen balkon (aan het hoofdgebouw, ter vervanging van een houten balkon, ten behoeve van de functie wonen), het bouwen van een bijbehorend bouwwerk, namelijk een serre (te gebruiken voor “overige gebruiksfuncties”) en het plaatsen van een erf- of perceelafscheiding (in de vorm van een houten hekwerk). De aanvraag was dus beperkt tot het bouwen en gebruik van de serre en bouwactiviteiten in en rondom de woning en zag dus niet op het toestaan van groepsaccommodatie en/of -recreatie op het gehele perceel, inclusief de woning. Niet is gebleken dat de derde-partij zijn aanvraag in die zin heeft gewijzigd. Daarnaast is komen vast te staan dat de later ingediende aanvraag in het kader van de Omgevingswet voor een omgevingsplanactiviteit voor gewijzigd gebruik van het perceel, door de derde-partij weer is ingetrokken. Dat betekent dat er feitelijk geen aanvraag ligt voor een vergunning om voor het gehele perceel [locatie 1] en de daarop aanwezige bebouwing te mogen afwijken van de toepasselijke gebruiksregels in het bestemmingsplan. Door dit voor de derde-partij gewenste gebruik toe te voegen aan de verzochte bouwvergunning, kan niet meer van dezelfde aanvraag worden gesproken. Daarmee heeft het college de grondslag van de aanvraag verlaten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college het gebruik van het perceel ten behoeve van groepsaccommodatie en/of -recreatie dus niet kunnen vergunnen bij het bestreden besluit. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van Rechtbank Den Haag 31 oktober 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:17669. Evenmin kon de bouwvergunning in stand blijven, nu het college – zo is niet in geschil – bekend was met het beoogde gebruik van het perceel als groepsaccommodatie en dit gebruik ter plaatse niet is toegestaan
* Rechtbank Rotterdam 28 juli 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:9181: Awb, Wro; afwijzing aanvraag om tegemoetkoming in planschade, bpl/schadeoorzaak, directe planschade, bouw- en gebruiksmogelijkheden, planvergelijking, hoofdregel, uit te werken bestemming, artikel 6.1, zesde lid, van de Wro, totstandkomingsgeschiedenis, theoretische planschade, geen uitwerkingsplan, intentie wetgever, nabetaling, bouwverbod/vergunningvrij bouwen, verwachtingswaarde, tijdelijk (theoretisch) voordeel
13. De rechtbank overweegt dat in dit geval geen uitwerkingsplan is vastgesteld waarmee de uit te werken bedrijfsbestemming uit het tweede bestemmingsplan is uitgewerkt. In plaats daarvan is het derde bestemmingsplan vastgesteld, waarmee de uit te werken bedrijfsbestemming uit het tweede bestemmingsplan is vervangen door de bestemming ‘Agrarisch’. Uit de wetsgeschiedenis van artikel 6.1, zesde lid, van de Wro en uit de hierboven genoemde jurisprudentie volgt dat het de intentie van de wetgever is om geen tegemoetkoming toe te kennen voor theoretische planschade. Uit te werken bestemmingen dienen daarom in de regel buiten de planvergelijking te worden gelaten. De rechtbank ziet in dit geval geen aanleiding om een uitzondering te maken op deze maatstaf. Anders dan in de uitspraak van de Afdeling van 8 februari 2017, heeft eiseres de percelen in eigendom gekregen toen het eerste bestemmingsplan nog in werking was en niet toen het tweede bestemmingsplan met de uit te werken bestemming in werking was (zie ook Afdeling 26 augustus 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2030). Dat eiseres de verkopende partij een nabetaling heeft gedaan vanwege de wijziging van de bestemming kan daaraan niet afdoen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [deskundige] een juiste planvergelijking gemaakt door een vergelijking te maken tussen het eerste bestemmingsplan en het derde bestemmingsplan. Dat onder het bestemmingsplan met de uit te werken bestemming gebruiksmogelijkheden bestaan, betekent niet dat daardoor een planvergelijking moet worden gemaakt tussen het tweede bestemmingsplan en het derde bestemmingsplan. De stelling van eiseres dat, ondanks dat het tweede bestemmingsplan een bouwverbod kende, er wel vergunningsvrije bouwwerken op grond van het Bor mochten worden opgericht, treft geen doel. Naar het oordeel van de rechtbank dienen de mogelijkheden voor vergunningvrij bouwen op grond van het Bor bij een planvergelijking buiten beschouwing te worden gelaten (Afdeling, 23 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1682). De rechtbank ziet geen essentiële gebreken in het advies van [deskundige] . Het college mocht dit daarom aan zijn besluitvorming ten grondslag leggen. De beroepsgrond van eiseres slaagt niet.
15. De beroepsgrond slaagt niet. Zoals volgt uit rechtsoverweging 13 is de rechtbank van oordeel dat het college een juiste planvergelijking heeft gemaakt tussen het eerste bestemmingsplan en het derde bestemmingsplan. Dat het uit te werken bestemmingsplan niet zonder meer buiten beschouwing kan worden gelaten, is juist. De rechtbank is echter van oordeel dat in dit geval geen sprake is van een uitzondering zoals bedoeld in de uitspraak van 8 februari 2017. In de uitspraak van 8 februari 2017 verkreeg Lidl het eigendom van de gronden op het moment dat het bestemmingsplan met een uit te werken bestemming van kracht was. Onder deze uit te werken bestemming was detailhandel toegestaan. Met de wijziging van het bestemmingsplan werd de detailhandelsbestemming weg bestemd, en werd er iets afgenomen waardoor daadwerkelijk schade werd geleden. In dit geval verkreeg eiseres het eigendom toen het eerste bestemmingsplan met de bestemming ‘Agrarisch’ van kracht was en niet het tweede bestemmingsplan met de uit te werken bestemming. Daarom hoefde het college in deze zaak de theoretische gebruiksmogelijkheden van het perceel onder de ‘uit te werken bestemming’ niet in de beoordeling van de planschade te betrekken. De rechtbank overweegt voorts dat uit de uitspraak van de Afdeling van 9 juni 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:1238) volgt dat de verwachtingswaarde bij de vaststelling van de planschade buiten beschouwing dient te blijven.
16. Geheel ten overvloede merkt de rechtbank nog op dat gelet op de uitspraak van de Afdeling van 16 november 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:3295)bij een tijdelijk (theoretisch) voordeel vanwege een tussenliggende bestemmingswijziging een tegemoetkoming in planschade niet in de rede ligt.
* Rechtbank Gelderland 25 juli 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:6055: Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouwen en afwijken bpl, tijdelijke huisvesting arbeidsmigranten, duur 10 jaar, toepasselijkheid Chw, ambtshalve beoordeling, transformatie van langdurig leegstaande kantoren, geen langdurige leegstand, niet-ontvankelijkheidverklaring, belanghebbende, rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt, gevolgen van enige betekenis, afstand, geen zicht, buiten onderzoeksgebied parkeerdrukonderzoeken, aanvraag, verzoek belanghebbende, toestemming eigenaar, (on)bevoegd genomen besluit, niet bevoegde ambtenaar/ondertekend, passeren gebrek, Wet goed verhuurderschap/relativiteitsvereiste, parkeren, parkeernormen, berekening parkeerbehoefte, huidige situatie, parkeerdrukonderzoek, verschillende tijdstippen parkeertellingen, parkeerbezetting, verkeer, verkeersgeneratie, verkeersveiligheid, doorstroming, overschrijding redelijke termijn
5. De rechtbank moet ambtshalve beoordelen of de Chw van toepassing is in deze procedure. Of dit het geval is, is onder meer van belang voor het moment waarop de gronden van het beroep en een eventueel hoger beroep moeten worden ingediend, of een aanvullend beroepschrift mag worden ingediend en voor de snelheid waarmee het beroep en een eventueel hoger beroep moeten worden behandeld.
5.1. Op grond van artikel 1.1, aanhef en onder a, in samenhang bezien met categorie 12, onder 12.1, van bijlage 1 van de Chw is afdeling 2 van hoofdstuk 1 van toepassing op de transformatie van langdurig leegstaande kantoren naar andere gebruiksmogelijkheden.
5.2. Het college stelt in zijn reactie op de schorsingsbeslissing dat voor zover de Chw van toepassing is dit geen nadelige gevolgen heeft gehad voor de betrokken partijen.
5.3. De rechtbank stelt allereerst vast dat het college geen standpunt heeft ingenomen ten aanzien van de vraag of de Chw van toepassing is. Op basis van wat op de zitting is besproken komt de rechtbank, anders dan de voorzieningenrechter, tot het oordeel dat de Chw niet van toepassing is op deze procedure omdat geen sprake van een langdurig leegstaand kantoor. De rechtbank overweegt dat op zitting door vergunninghouder is aangegeven dat in het pand een scholenstichting was gevestigd. Verder is op zitting ter sprake gekomen dat het pand tevens werd gebruikt voor de opslag van materialen. Van langdurige leegstand in de zin van de Chw is dan ook geen sprake.
9.2. De rechtbank overweegt dat de normen uit de Wet goed verhuurderschap betrekking hebben op de rechten en plichten van verhuurders en huurders (uitspraak van de Afdeling van 12 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1036, r.o. 12.1. Zie ook Kamerstukken II 2021/22, 36130, nr. 3, p. 2). Daarom komt de rechtbank tot de conclusie dat de normen waarop eisers zich beroepen, niet strekken tot de bescherming van de belangen waarvoor zij in deze procedure kunnen opkomen. De normen uit de Wet goed verhuurderschap strekken namelijk niet tot de bescherming van de belangen van omwonenden of ondernemers in de omgeving van het pand. Gelet hierop staat het in artikel 8:69a van de Awb neergelegde relativiteitsvereiste in de weg aan een inhoudelijke bespreking van deze beroepsgrond.
* Rechtbank Gelderland 23 juli 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:5836: Awb, Woningwet, Gmw; afwijzingen verzoek handhavend optreden, rook houtkachel, Bouwbesluit 2012, APV, belanghebbende, wetsgeschiedenis, begrip “omwonenden”, uiterst middel, omgevingsrechtelijke zaken, geen “direct omwonende”, afstand, geen belanghebbende, toetsingskader, geen algemene regels, geen algemeen aanvaarde inzichten, controlerapport, wetgevingsopdracht/bestuursrechtelijke procedure
4.2. Artikel 2:79 van de Apv vindt zijn grondslag in artikel 151d van de Gemeentewet. Het artikel houdt in dat een eigenaar of gebruiker van een woning verplicht is om ervoor te zorgen dat er geen ernstige en herhaaldelijke hinder wordt veroorzaakt voor omwonenden, door gedragingen in of vanuit de woning. Doet hij dat niet, dan kan de burgemeester een last onder bestuursdwang opleggen. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat onder ‘omwonenden’ in dit verband moet worden verstaan: “mensen die in de directe nabijheid wonen van de woning of het erf waar of waarvandaan de hinderlijke gedragingen plaatsvinden” (Kamerstukken II, 2014/15, 34 007, nr. 7 (Memorie van Toelichting), p. 14). Verder is dit artikel bedoeld als een uiterst middel: de burgemeester mag er pas toepassing aan geven, als geen andere passende of minder ingrijpende instrumenten beschikbaar zijn (idem, p. 6). De kring van belanghebbenden bij toepassing van dit artikel kan dus niet worden gelijkgesteld aan degenen die belanghebbenden zouden zijn in andere, omgevingsrechtelijke zaken.
4.3. Eiseres kan niet als ‘direct omwonende’ worden gekwalificeerd in de zin van artikel 151d van de Gemeentewet en (dus) artikel 2:79 van de Apv. Zij woont op hemelsbreed ongeveer 190 meter afstand van het adres waarop haar handhavingsverzoek zag. Tussen de percelen is een appartementencomplex aanwezig. Percelen die 190 meter van elkaar zijn verwijderd liggen niet in elkaars directe nabijheid. Eiseres kan daarom niet als omwonende worden aangemerkt, en dus ook niet als belanghebbende bij een handhavingsverzoek dat is gebaseerd op dit kader.
4.4. Nu moet worden geconcludeerd dat eiseres geen belanghebbende was bij het verzoek om handhaving, is de reactie van de burgemeester op dat verzoek formeel geen besluit. Maar de burgemeester heeft voor het eerst in zijn verweer in deze beroepsprocedure het standpunt ingenomen dat eiseres geen belanghebbende is. In het bestreden besluit staat dat het volgens de burgemeester “maar zeer de vraag” is of eiseres als belanghebbende moest worden aangemerkt, en in het dictum staat dat het handhavingsverzoek door de burgemeester wordt “afgewezen”. Ook is er een rechtsmiddelenclausule in de brief opgenomen. Gelet op die omstandigheden wordt de reactie van de burgemeester om rechtsbescherming te kunnen bieden aangemerkt als besluit, en acht de rechtbank zich bevoegd om daarover te oordelen. Maar vanwege wat de rechtbank heeft geoordeeld in randnummers 4.1 – 4.3, kan eiseres niet als belanghebbende worden aangemerkt.
4.5. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk.
5.1. De rechtbank oordeelt dat uit het handhavingsverzoek van eiseres blijkt dat zij overlast ervaart vanwege houtrook in haar omgeving. Er gelden – in tegenstelling tot wat eiseres stelt – geen concrete, algemeen geldende regels voor rook afkomstig uit houtkachels. Ook bestaan er geen algemeen aanvaarde inzichten over de vraag of rook van houtkachels schade aan mensen toebrengt. Zie op dit punt de vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, bijvoorbeeld uitspraken van 2 november 2022 en 10 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3295. Uit rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) volgt dat het bevoegd gezag artikel 7.22 van het Bouwbesluit kan toepassen als naar zijn oordeel optreden tegen het gebruik van een bouwwerk, open erf of terrein vanwege gevaarzetting, dreigende aantasting van de volksgezondheid of overmatige hinder noodzakelijk is en meer specifieke bepalingen geen soelaas bieden (idem). Het college heeft daarom in redelijkheid kunnen besluiten om de overlast die eiseres ervaart te toetsen aan de restbepaling van artikel 7.22 van het Bouwbesluit. Eiseres heeft ook niet nader onderbouwd dat de door haar genoemde, andere bepalingen in dit geval kunnen worden toegepast.
7. Eiseres voert aan dat het college onzorgvuldig handelt omdat hij geen regels heeft vastgesteld over houtrook. Volgens eiseres is al lange tijd duidelijk dat houtrook schadelijk is en moet (verdere) (gezondheids)schade worden voorkomen door nadere regelgeving vast te stellen.
7.1. De rechtbank oordeelt dat deze beroepsgrond niet inhoudelijk ziet op het bestreden besluit, maar in feite een verzoek is aan de rechtbank om het college op te dragen regels vast te stellen. Voor zo’n wetgevingsopdracht bestaat in deze bestuursrechtelijke procedure echter geen ruimte.
* Rechtbank Gelderland 22 juli 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:5764: Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouwen, woningbouw, belanghebbende, rechtstreeks feitelijke gevolgen, gevolgen van enige betekenis, afstand, straat en diverse bestaande woningen, zicht, geen zicht van enige betekenis, voordeel van de twijfel, direct zicht, stichting, statutaire doelstelling, feitelijke werkzaamheden, periode voorafgaand indienen bezwaarschrift, hoogte woningen, bpl, peil, gewijzigde bouwtekeningen, kettingbeding, openbaar toegankelijk, wijze van meten, begrip “stoep”, Van Dale, mogelijkheid stellen nadere eisen
5.3. De rechtbank stelt vast dat de woningen van blok D hoger komen te liggen dan de [locatie 2]. Uit de na de zitting overgelegde bouwtekeningen blijkt dat de voordeuren van de woningen van blok D aan een verhoging met een hekwerk komen te liggen (zie de ingevoegde afbeeldingen). De vergunninghouder heeft toegezegd dat deze verhoging via een kettingbeding in de koopovereenkomsten openbaar toegankelijk moet worden gehouden.



5.4. In artikel 2.2 van de planregels is – kort gezegd – bepaald dat de bouwhoogte van een bouwwerk moet worden gemeten vanaf peil. In het bestemmingsplan is in artikel 1.64 gedefinieerd wat in verschillende situaties onder het peil moet worden verstaan. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de verhoging voor de woningen is te beschouwen als een weg, pad of stoep als bedoeld in artikel 1.64 van het bestemmingsplan. Als dat het geval is, grenst de hoofdtoegang van de woningen aan een weg, pad of stoep en moet het peil worden bepaald volgens artikel 1.64, onder a, onder 1, van de planregels. Partijen zijn het erover eens dat de woningen in dat geval niet hoger zijn dan in het bestemmingsplan is toegestaan. Als de verhoging niet als weg, pad of stoep kan worden aangemerkt, moet het peil op grond van artikel 1.64, onder 1, onder 2, worden gemeten ter hoogte van het afgewerkte maaiveld ter hoogte van de hoofdtoegang na voltooiing van de bouw. Als moet worden aangenomen dat de [locatie 2] het afgewerkte maaiveld is, zijn de woningen hoger dan in het bestemmingsplan is toegestaan.
5.5. De rechtbank is van oordeel dat de verhoging niet kan worden aangemerkt als een ‘weg’ of ‘pad’ als bedoeld in artikel 1.64 van de planregels. Dat betekent dat bepalend is of de verhoging kan worden aangemerkt als een ‘stoep’. Omdat in de planregels geen definitie is gegeven van wat onder stoep moet worden verstaan, ziet de rechtbank aanleiding om voor de uitleg van dat begrip aansluiting te zoeken bij het normaal spraakgebruik, zoals dat is opgenomen in het Van Dale Groot Woordenboek der Nederlandse Taal (de Van Dale). In de Van Dale zijn – voor zover hier van belang – drie definities opgenomen van stoep:
1. geplaveide, veelal door een hekje omgeven ruimte voor een huis,
2. stenen opstap voor de ingang van een huis, en
3. geplaveide verhoging langs de voorgevel van huizen van een straat.
Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit deze definities dat een stoep méér omvat dan het openbaar toegankelijke trottoir dat in de regel grenst aan en evenwijdig loopt met een weg of fietspad en gebruikt wordt door voetgangers. Uit de door Van Dale gegeven omschrijvingen blijkt dat ook sprake is van een stoep als het gaat om een min of meer afgesloten en verhoogde ruimte voor (de ingang van) een huis. De vergunde verhoging voor de woningen valt hiermee onder de definitie van een stoep zoals die wordt gegeven in de Van Dale. Daarbij is naar het oordeel van de rechtbank niet doorslaggevend of de verhoging openbaar toegankelijk is en of deze naar verwachting in de praktijk ook als openbaar toegankelijk trottoir zal worden gebruikt, omdat dat in de door Van Dale gegeven omschrijvingen geen doorslaggevende rol speelt. De rechtbank concludeert daarom dat de vergunde verhoging kan worden aangemerkt als een stoep en dat de hoofdtoegang van de woningen in blok D daarom grenst aan de stoep. Het peil moet dan ook bepaald worden volgens artikel 1.64, onder a, onder 1, van de planregels. Als gezegd is tussen partijen niet in geschil dat de woningen in dat geval voldoen aan de in het bestemmingsplan voorgeschreven goot- en bouwhoogte. Daarmee voldoet het bouwplan aan de gestelde hoogte volgens het bestemmingsplan. De rechtbank concludeert daarom dat het bestreden besluit een motiveringsgebrek vertoont, maar dat de rechtsgevolgen van het besluit in stand kunnen worden gelaten, omdat het bouwplan met de gewijzigde bouwtekeningen voldoet aan de bepalingen uit het bestemmingsplan.
* Rechtbank Den Haag 22 juli 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:13517: Awb, Wvw 1994; verkeersbesluit, afsluiten straat voor gemotoriseerd verkeer, uitgezonderd landbouwvoertuigen en brommobielen, aanwijzen bromfiets-/fietspad, terinzagelegging op de zaak betrekking hebbende stukken, bijlagen, gemeenteblad, andere plekken openbaar raadpleegbaar, passeren gebrek, belangenafweging, natuurbelang, verplichtingen Omgevingswet, Wet natuurbescherming, vergunning vereist/kwestie van handhaving, effecten nabijgelegen natuurgebieden, onderzoeken, wegen in algehele belangenafweging, Natura 2000, stikstofdepositie, vernietiging besluit, geen aanleiding rechtsgevolgen in stand laten of zelf in de zaak voorzien
21. De rechtbank is van oordeel dat, zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 8 maart 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:622) verweerder bij het nemen van een verkeersbesluit niet zeker hoeft te zijn of wordt voldaan aan de verplichtingen van de Omgevingswet (waarin op 1 januari 2024 de Wet natuurbescherming is opgegaan). Artikel 2 van de Wvw schrijft dat niet voor. De vraag of wel of geen sprake is van een activiteit en of daar een vergunning voor is vereist op grond van de Omgevingswet is een kwestie van handhaving en ligt in eerste instantie ter beoordeling van het daartoe bevoegde gezag. Echter, zoals de Afdeling in dezelfde uitspraak ook heeft overwogen, betekent het voorgaande niet dat verweerder met het bestreden besluit de effecten op nabijgelegen natuurgebieden naast zich neer mag leggen. Hij zal deze wel moeten onderzoeken en wegen in de algehele belangenafweging zoals die volgt uit artikel 3:4 van de Awb.
22. De vraag die voorligt is daarom of verweerder bij het bestreden besluit de effecten op het nabijgelegen Natura 2000-gebied heeft onderzocht en gewogen in de algehele belangenafweging.
24. De rechtbank is er op basis van bovenstaande echter niet van overtuigd dat een verplaatsing van verkeer geen nadelige effecten zou kunnen hebben op het Natura 2000-gebied. Uit de rapportage proefafsluiting en de bijlagen bij het bestreden besluit blijkt niet of, en zo ja, op welke wijze Natuurmonumenten onderzoek heeft gedaan naar de effecten op de natuur of waar Natuurmonumenten de stelling dat de afsluiting een positief effect heeft op de natuur op heeft gebaseerd. Er is dus onvoldoende duidelijkheid over het onderzoek naar de effecten op de natuur. Bovendien is onduidelijk waar de conclusies die zijn meegewogen als milieueffecten in de Notitie belangenafweging Ziendeweg vandaan komen. Het is daarom niet te beoordelen of verweerder in redelijkheid, gelet op het natuurbelang, tot de wegafsluiting heeft kunnen komen. Daarmee zegt de rechtbank niet dat de wegafsluiting per definitie geen doorgang zou kunnen vinden, maar wel dat verweerder de betrokken natuurbelangen beter had moeten onderzoeken en inzichtelijk had moeten maken. Dit betekent dat verweerder het besluit onvoldoende zorgvuldig heeft voorbereid en ook onvoldoende gemotiveerd
* Rechtbank Den Haag 18 juli 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:12813: Awb, Wabo; omgevingsvergunning afwijken bpl, tijdelijk gebruiken van de agrarische grond behorende bij de dienstwoning, bezwaar niet-ontvankelijk, belanghebbende, rechtstreeks geraakt, gevolgen van enige betekenis, aangrenzend perceel, uitgesloten ondervinden feitelijke gevolgen, onderzoeksplicht, zicht, voordeel van de twijfel, finale geschilbeslechting, moties, voorschrift, geldingsduur, rechtszekerheidsbeginsel, verslag hoorzitting
4. Partijen zijn onder meer verdeeld over de vraag of eiseres belanghebbende is. De beantwoording van die vraag is bepalend voor de beantwoording van de vraag of het college het bezwaar van eiseres terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat alleen door een belanghebbende bezwaar kan worden gemaakt (zie artikel 7:1, eerste lid, in samenhang met artikel 8:1 van de Awb). De rechtbank overweegt als volgt.
4.1. Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken (zie artikel 1:2, eerste lid, van de Awb). Om als belanghebbende in de zin van de Awb te kunnen worden aangemerkt, dient een natuurlijk persoon volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang te hebben dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen en dat rechtstreeks wordt geraakt door het bestreden besluit. Wie rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die het besluit toestaat, is in beginsel belanghebbende bij dat besluit. Zonder gevolgen van enige betekenis heeft iemand geen persoonlijk belang bij het besluit (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 23 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3100). Bij besluiten krachtens de Wabo, zoals het primaire besluit (op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet en de datum waarop de aanvraag is ingediend, te weten 5 oktober 2023, is de Wabo van toepassing), wordt belanghebbendheid in beginsel aangenomen bij, onder meer, eigenaren van een perceel dat grenst aan het perceel waarover het besluit gaat of dat gelijk te stellen is met een aangrenzend perceel. Bij dergelijke percelen wordt ervan uitgegaan dat feitelijke gevolgen, indien die zich voordoen, in beginsel van enige betekenis zijn. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 2 maart 2022, ECLI:NL:RVS:2022:641 en die van 15 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1671.Van het uitgangspunt dat eigenaren van aangrenzende percelen in beginsel belanghebbenden zijn, kan alleen worden afgeweken als uitgesloten is dat betrokkene feitelijke gevolgen ondervindt. Dat brengt mee dat moet worden onderzocht worden of er feitelijke gevolgen zijn. Zie r.o. 6.5 van de uitspraak van de Afdeling van 3 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1392. Bij het onderzoek naar feitelijke gevolgen wordt volgens vaste rechtspraak acht geslagen op de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen (onder andere geur, geluid, licht, trilling, emissie en risico) van de activiteit die het besluit toestaat, waarbij die factoren zo nodig in onderlinge samenhang worden bezien. Ook aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 2 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2972.
4.2. De rechtbank stelt voorop dat niet in geschil is dat het perceel van eiseres met daarop de golfbaan voor een deel grenst aan het perceel van vergunninghoudster en dat daarom van aangrenzende percelen sprake is. Eiseres is daarom in beginsel belanghebbende. Van dat uitgangspunt kan alleen worden afgeweken als uitgesloten is dat eiseres feitelijke gevolgen ondervindt, wat voor het college een onderzoeksplicht meebrengt. Gelet op de door de Afdeling in dit verband gebruikte term ‘uitgesloten’ is het niet voldoende om feitelijke gevolgen onaannemelijk te achten; de afwezigheid daarvan moet vaststaan.
4.3. De rechtbank is van oordeel dat niet uitgesloten is dat eiseres feitelijke gevolgen ondervindt en overweegt daartoe het volgende.
4.3.1. Het college stelt dat er geen feitelijke gevolgen zijn en wijst erop dat op grond van de bestemming die op het aangrenzende perceel rust ook (zwaar) landbouwverkeer is toegestaan en dat de percelen van elkaar gescheiden zijn door een hekwerk, beplanting en water, zodat de feitelijke exploitatie van de golfbaan niet wordt belemmerd.
4.3.2. Hoewel dat laatste op zichzelf genomen juist is, is daarmee niet uitgesloten dat eiseres feitelijke gevolgen ondervindt als hier bedoeld. Van en naar het terrein van vergunninghoudster zal immers naar verwachting geregeld zwaar verkeer rijden, zoals shovels maar ook (vracht)wagens die geschikt zijn voor het transport van de materialen die daar liggen opgeslagen, zoals bouwhekken, bestratingsmateriaal en rijplaten. Ook is niet uit te sluiten dat het op- of afladen van de op het terrein op te slaan of opgeslagen materialen door middel van bijvoorbeeld een autolaadkraan, voor de op die momenten op de golfbaan aanwezige spelers hoorbaar kan zijn. De rechtbank betrekt hierbij de afstand van ongeveer 20 m tussen de plek waar de bedrijfsactiviteiten plaatsvinden en de golfbaan, alsmede het feit dat vergunninghoudster ter zitting heeft verklaard dat er twee à driemaal per dag verkeer vanaf haar terrein wegrijdt of aankomt, wat niet gemotiveerd is betwist. Dat op grond van de agrarische bestemming ook al in enige mate zwaar verkeer mogelijk was is in dit verband niet doorslaggevend.
4.3.3. Ook wat de factor ‘zicht’ betreft zijn gevolgen van enige betekenis niet uitgesloten. De beplanting tussen het perceel van eiseres en dat van vergunninghoudster is neergezet om de materiaalopslag op het perceel van vergunninghoudster voor bezoekers van de golfbaan aan het zicht te onttrekken, zoals eiseres ter zitting heeft verklaard, maar afgaand op de foto’s in het dossier lijkt met name ’s winters niet uitgesloten dat vanaf de golfbaan toch enige mate van zicht op het bedrijfsterrein zal bestaan. Een boerenschuur op een weiland, al dan niet met kleinvee eromheen, biedt een ander aanzicht dan de opslag van de al eerder genoemde materialen.
4.4. Gelet op het voorgaande is niet uitgesloten dat eiseres feitelijke gevolgen ondervindt van het vergunde gebruik van het aangrenzende perceel. Voor zover er aan getwijfeld kan worden of dat gevolgen van enige betekenis zijn, moet eiseres het voordeel van de twijfel krijgen. Voor dit oordeel vindt de rechtbank steun in de uitspraak van de Afdeling van 10 maart 2021, ECLI:NL:RVS:2021:499. De rechtbank gaat er daarom van uit dat eiseres gevolgen van enige betekenis van het naastgelegen perceel ondervindt. Eiseres is daarom belanghebbende bij het primaire besluit.
* Rechtbank Den Haag 18 juli 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:13070: Awb, Wabo; handhaving, invordering, begunstigingstermijn verlopen, woonunits niet verwijderd, aanschrijving eiser, 5.18 Wabo, zakelijke werking, rechtsopvolger, commanditaire vennootschap, onderzoek Kadaster, percelen altijd al in bezet, motiveringsgebrek, vertrouwensbeginsel, meewerken vergunningverlening, vertrouwen gewekt/geen vervolg handhavingstraject, concreet zicht op legalisatie, verjaring, afwijzen verzoek uitstel betaling, tussenuitspraak
6.2. Artikel 5.18 van de Wabo luidt als volgt: “Bij een besluit tot oplegging van een last onder bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom gericht op naleving van het bepaalde bij of krachtens de betrokken wet kan het bestuursorgaan dat het besluit heeft genomen bepalen dat het besluit mede geldt jegens de rechtsopvolger van degene aan wie het besluit is opgelegd alsmede jegens iedere verdere rechtsopvolger. In dat geval kan het besluit, tenzij bijzondere omstandigheden zich daartegen naar het oordeel van dat bestuursorgaan verzetten, jegens die rechtsopvolger of iedere verdere rechtsopvolger worden ten uitvoer gelegd en kunnen de kosten van die tenuitvoerlegging en een te innen dwangsom bij die rechtsopvolger of verdere rechtsopvolger worden ingevorderd.”
6.3. De rechtbank overweegt het volgende. De last onder dwangsom heeft het college destijds opgelegd aan de Commanditaire Vennootschap [bedrijfsnaam] ., welke vennootschap in die last is aangemerkt als overtreder. In het kader van de invordering van de dwangsom heeft het college toegelicht dat uit onderzoek bij het Kadaster bleek dat ten tijde van het in deze procedure bestreden besluit eiser de eigenaar is van de percelen. Het enkele gegeven dat eiser op dat moment eigenaar was van de percelen, betekent op zichzelf echter nog niet dat hij daarmee ook de rechtsopvolger van de commanditaire vennootschap is, als bedoeld in 5.18 van de Wabo. Eiser betwist ook dat hij de percelen heeft overgenomen van de commanditaire vennootschap, omdat ze altijd al in zijn bezit zouden zijn geweest. Het college heeft daarom onvoldoende gemotiveerd dat eiser is aan te merken als rechtsopvolger van de commanditaire vennootschap en dat de verbeurde dwangsom bij hem mocht worden ingevorderd. Bestreden besluit I is in zoverre niet deugdelijk gemotiveerd.
7.3.1. Hoewel eiser niet met concrete, schriftelijke bewijzen heeft onderbouwd dat hem toezeggingen over het niet invorderen van de dwangsommen zouden zijn gedaan door of namens het college, overweegt de rechtbank dat de lezing van eiser lijkt te worden bevestigd in een document dat het college zelf heeft overgelegd: het ‘voorblad’ bij het collegebesluit van 16 januari 2023, waarin is besloten om tot invordering van de dwangsommen over te gaan. Hierin staat onder het kopje ‘Risico’s en kanttekeningen’ onder meer het volgende: (…)
7.3.2. Aan het college kan worden toegegeven dat strikt genomen niet met zoveel woorden is toegezegd dat de dwangsommen niet worden ingevorderd. Wel is de rechtbank van oordeel dat indien het bevoegde bestuursorgaan in eerste instantie nog vóór het verstrijken van de -verlengde- begunstigingstermijn uitspreekt om in afwijking van de beleidsregels te willen meewerken aan vergunningverlening voor de huisvesting in de bestaande vorm, zoals uit voormelde passage kan worden afgeleid, jegens eiser vertrouwen wordt gewekt dat geen vervolg zou worden gegeven aan het handhavingstraject. Het zou naar het oordeel van de rechtbank onredelijk zijn om van eiser te verwachten dat hij na dit collegebesluit de woonunits zou verwijderen, aangezien het college te kennen had gegeven de woonunits te willen vergunnen ‘zoals deze nu geplaatst zijn’. De rechtbank kan zich verder goed voorstellen dat eiser dit vertrouwen bevestigd heeft zien in de brief van 12 september 2022, nu daarin expliciet dezelfde termijn (vijf jaar) is genoemd als in het collegebesluit van 11 januari 2022. Eiser heeft daarom naar het oordeel van de rechtbank in beginsel aannemelijk gemaakt dat hij redelijkerwijs mocht vertrouwen dat het college niet tot invordering zou overgaan. Het is dan aan het college om aan te tonen dat dat niet zo is. Door hier enkel tegenover te zetten dat niet is gebleken van een concrete toezegging dat niet zal worden overgegaan tot invordering en de brief van 12 september 2022 slechts een reactie is op een principeverzoek van eiser, heeft het college bestreden besluit I ook op dit punt niet deugdelijk gemotiveerd.
* Rechtbank Den Haag 17 juli 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:13631: Awb, Wnb; afwijzing verzoek handhavend optreden, energiecentrales, natuurvergunning, ontvankelijkheid beroep, geen bezwaar, beroep niet-ontvankelijk, veranderingsvergunning, besluit als bedoeld in artikel 9.4 lid 8 Wnb, overgangsrecht, Habitatrichtlijn, Omgevingswet, Aanvullingswet natuur Omgevingswet, memorie van toelichting, richtlijnconforme interpretatie, wetgever, significante gevolgen, formele rechtskracht, milieueffectrapport systematiek natuurbeschermingsrecht, STEG-eenheid, nieuwe rechtspraaklijn intern salderen
7.2 De rechtbank overweegt dat artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn is geïmplementeerd in artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb. Op basis van dit artikel gold (tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet) een vergunningplicht voor projecten die significante gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied. Deze vergunningplicht geldt na 1 januari 2024 op grond van artikel 5.1, eerste lid onder e, van de Omgevingswet. In artikel 9.4, achtste lid, van de Wnb staat dat artikel 2.7, tweede lid, niet van toepassing is op projecten en andere handelingen ten aanzien waarvan, voor 1 februari 2009, op grond van een andere wettelijke grondslag dan artikel 19d, eerste lid, van de Nbw 1998 en met inachtneming van artikel 6, tweede, derde en vierde lid, van de Habitatrichtlijn, een besluit is genomen waarbij dat project of die handeling is toegestaan, dan wel een aanvraag voor het nemen van dat besluit is gedaan en dat besluit na die datum onherroepelijk is geworden. Onder de Omgevingswet is voorzien in een soortgelijk artikel. In artikel 2.4 vijfde lid, van de Aanvullingswet natuur Omgevingswet is namelijk het volgende bepaald: “Artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Omgevingswet is niet van toepassing op besluiten als bedoeld in artikel 9.4, achtste of negende lid, van de Wet natuurbescherming die onherroepelijk zijn. De paragrafen 5.1.3, 5.1.4 en 5.1.5 van de Omgevingswet zijn van overeenkomstige toepassing.”
7.3. Artikel 9.4, achtste lid, van de Wnb bevat een uitzondering op de vergunningplicht. Uit de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2011/12, 33 348, nr. 3) bij dit artikel volgt dat de implementatie van de Habitatrichtlijn met de wijzigingen van de Nbw 1998 per 1 oktober 2005 en 1 februari 2009 is gecomplementeerd en sindsdien voorziet in een zelfstandig regime ter toetsing van projecten en andere handelingen aan de vereisten van artikel 6, tweede, derde en vierde lid, van de Habitatrichtlijn. Tot die tijd werd de toetsing van projecten en handelingen aan de vereisten van artikel 6 van de Habitatrichtlijn zoveel mogelijk verricht bij het nemen van andere besluiten die voorzagen in de autorisatie van het project of de handeling, bijvoorbeeld milieu(revisie)vergunningen, vrijstellingen op grond van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, bestemmingsplannen en ontgrondingenvergunningen. Dit gebeurde op basis van een zogenoemde richtlijnconforme interpretatie van de rechtstreeks werkende onderdelen van artikel 6 van de Habitatrichtlijn. De memorie van toelichting vermeldt verder dat het voorgestelde achtste lid regelt dat deze projecten en handelingen niet nogmaals aan de vereisten van de Habitatrichtlijn hoeven te worden getoetst (Kamerstukken II 2011/12, 33 348, nr. 3, p. 290). In artikel 9.4, achtste lid, van de Wnb staat een aantal voorwaarden waaraan een besluit moet voldoen om onder deze bepaling te vallen. Ten eerste moet het besluit op grond waarvan het project of de andere handeling is toegestaan, zijn genomen voor 1 februari 2009. Ten tweede moet dit besluit berusten op een andere wettelijke grondslag dan artikel 19d, eerste lid, van de Nbw 1998. Ten derde moet bij dit besluit artikel 6, tweede, derde en vierde lid, van de Habitatrichtlijn in acht zijn genomen.
7.4. De rechtbank overweegt dat de wetgever aandacht heeft gehad voor de tijdelijke onduidelijke situatie vanwege de gebrekkige implementatie van de Habitatrichtlijn in de Nbw 1998, waarbij sommige Natura 2000-gebieden nog niet waren aangewezen als speciale beschermingszones in de zin van de Habitatrichtlijn terwijl dat al wel had gemoeten. Die onduidelijkheid bestond erin dat de Nbw 1998 tot de wijziging per 1 januari 2007 in veel gevallen nog geen volledige zelfstandige toetsingsgrondslag bood, zodat tot die tijd de toetsing van projecten en handelingen aan de vereisten van artikel 6 van de Habitatrichtlijn zoveel mogelijk werd verricht bij het nemen van andere besluiten als voornoemd. Om die reden heeft de wetgever een streep onder die periode willen zetten en projecten van de natuurvergunningplicht willen uitzonderen waarvoor reeds een onherroepelijke toestemming was verleend en waarbij aan de bepalingen uit artikel 6, tweede, derde en vierde lid, van de Habitatrichtlijn was getoetst. De overgangsregeling is daarmee in het leven geroepen voor die gevallen waarin die beoordeling al had plaatsgevonden op een andere wettelijke grondslag dan artikel 19d, eerste lid, van de Nbw 1998. Gelet op de tekst en de wetgeschiedenis van artikel 9.4, achtste lid, van de Wnb is voor de toepasselijkheid van deze overgangsrechtelijke bepaling niet relevant of er op dat moment al een toetsingsgrondslag aanwezig was in de Nbw 1998 en zo ja, of bij die beoordeling ook de effecten op Natura 2000-gebieden moesten worden meegenomen die nog niet als speciale beschermingszone in de zin van de Habitatrichtlijn waren aangewezen. Dat de wetgever dit laatste ook niet heeft bedoeld sluit aan bij de wens om een streep te zetten onder de onduidelijkheden die bestonden ten aanzien van de verschillende wegen waarlangs die toetsing in diverse soorten besluiten kon hebben plaatsgevonden. Een andere uitleg zou in dit geval ook tot gevolg hebben dat ten aanzien van de gevolgen van het project voor de Natura 2000-gebieden Voordelta en Voornes Duin het overgangsrecht niet van toepassing zou zijn en er wel een vergunningplicht zou gelden en ten aanzien van de gevolgen voor het Natura 2000-gebeid Oude Maas geen vergunningplicht zou gelden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de wetgever een dergelijk ongewenst resultaat, met het oog op rechtszekerheid, net willen voorkomen. Of een beroep tegen de veranderingsvergunning al dan niet zonder gevolg zou zijn gebleven, is evenmin relevant voor de vraag of een beroep kan worden gedaan op het overgangsrecht. Nog daargelaten dat het Natura 2000-gebied Oude Maas geen Vogelrichtlijngebied is en voor dat gebied ten tijde van de veranderingsvergunning geen toetsingsgrondslag aanwezig was in de Nbw 1998, is voor de toepassing van het overgangsrecht slechts van belang of in die veranderingsvergunning artikel 6, tweede, derde en vierde lid, van de Habitatrichtlijn in acht is genomen. Bovendien heeft eiseres ervoor gekozen om geen beroep in te stellen tegen de veranderingsvergunning, terwijl zij wel een afschrift van die vergunning heeft ontvangen. Als zij dat wel zou hebben gedaan en haar zou zijn tegengeworpen dat haar bezwaren tegen die vergunning in een procedure op grond van de Nbw 1998 aan de orde gesteld hadden moeten worden, dan had zij rechtsmiddelen kunnen aanwenden tegen een alsnog verleende vergunning op grond van artikel 19d, eerste lid, van de Nbw dan wel, bij gebreke daarvan, een handhavingsverzoek kunnen indienen. Het betoog slaagt niet.
7.5. Nu de veranderingsvergunning is verleend voor 1 februari 2009 en berust op een andere wettelijke grondslag dan artikel 19d, eerste lid, van de Nbw, komen de Rijnmondcentrales een beroep toe op artikel 9.4, achtste lid, van de Wnb, mits daarbij artikel 6, tweede, derde en vierde lid, van de Habitatrichtlijn in acht zijn genomen.
* Rechtbank Limburg 10 juli 2025, ECLI:NL:RBLIM:2025:6659: Awb, Wabo; handhaving, dwangsom, zonder omgevingsvergunning bouwen en in stand laten mantelzorgwoning, omvang van het geschil, overtreding, bijzondere omstandigheden, evenredigheid handhavend optreden, concreet zicht op legalisatie, omgevingsvergunning verleend, ex tunc-beoordeling, geen overtreding van geringe aard, beperking bedrijfsvoering, geurcontour, vertrouwensbeginsel, honorering gewekte vertrouwen/zwaarder wegende andere belangen, precedentwerking, dispositieschade, geen leges omgevingsvergunning, andere kosten omgevingsvergunning, bestuursrechtelijke procedure, weigering verlengen begunstigingstermijn, schadevergoeding overschrijding redelijke termijn
20. De rechtbank volgt verweerder niet in zijn redenering. Het gaat bij dispositieschade om schade die is ontstaan doordat betrokkene op de onterecht gedane toezegging – in dit geval de toezegging dat de bouw van de mantelzorgwoning op de gekozen locatie omgevingsvergunningvrij was – is afgegaan, dus erop heeft vertrouwd dat die toezegging zou worden nagekomen en in vertrouwen daarop heeft gehandeld, kosten heeft gemaakt, maatregelen heeft getroffen, ergens vanaf heeft gezien en zo meer. Dispositieschade is dus de schade die eiser heeft geleden doordat hij naar het gewekte vertrouwen heeft gehandeld. De rechtbank is van oordeel dat als gevolg van de toezegging door verweerder, eiser andere bouwmogelijkheden niet onderzocht heeft die hij bij juiste informatie verstrekt door verweerder wel zou hebben onderzocht. Met andere woorden: als verweerder niet het vertrouwen had gewekt dat de mantelzorgwoning op de gekozen locatie vergunningvrij was, had eiser de keuze gehad om voor een andere locatie te kiezen waar de mantelzorgwoning wel vergunningvrij was. Verweerder heeft erkend en ook de rechtbank gaat daarvan uit dat een mantelzorgwoning op het perceel zonder omgevingsvergunning op een andere locatie mogelijk was geweest. Dat had bijvoorbeeld gekund door de woning op te schuiven zodat deze in het achtererfgebied kon worden geplaatst. Door eiser is verklaard dat hij in verband met de aanwezigheid van het bedrijf van [derde-partijen] die om handhaving heeft gevraagd in verband de geurcontour van zijn bedrijf, zeker van die mogelijkheid gebruik zou hebben gemaakt. Voor eiser was het vergunningvrij zijn essentieel bij zijn aanvraag en dat eiser heeft nagelaten om een andere locatie te kiezen is daarom een direct gevolg van de onjuiste informatie door verweerder. Wanneer eiser die keuze wel had kunnen maken, had hij zonder twijfel geopteerd voor een (bijvoorbeeld opgeschoven) mantelzorgwoning die volledig vergunningvrij was. In dat geval had eiser geen leges voor het verkrijgen van een omgevingsvergunning hoeven te betalen en geen andere kosten voor het verkrijgen van een omgevingsvergunning hoeven te maken. [derde-partijen] zou bovendien geen mogelijkheid hebben gehad bezwaar te maken en eiser in een bestuursrechtelijke procedure te betrekken. Ook die kosten zijn naar het oordeel van de rechtbank in dit geval als dispositieschade aan te merken die voor vergoeding in aanmerking komt.
21. Verweerder heeft het bestaan van dispositieschade in het bestreden besluit miskend. Het is aan verweerder in het kader van een zorgvuldige besluitvorming om na te gaan of eiser dispositieschade kan hebben geleden die voor vergoeding in aanmerking komt. En als dat zo is, zoals naar het oordeel van de rechtbank in deze zaak het geval is, dan dient verweerder zich daar in de besluitvorming kenbaar over uit te laten. Wat kan die dispositieschade zijn en waarom wordt die door verweerder wel of niet vergoed. En daarbij kan verweerder dan betrekken in hoeverre eiser het bestaan en de hoogte van schadeposten aannemelijk heeft gemaakt.
Samenvattingen van jurisprudentie op STAB-site
Op de website van STAB wordt recente jurisprudentie ook samengevat.
De volgende uitspraken zijn deze week nieuw geplaatst:
ABRvS 9 juli 2025 Bestemmingsplan, nieuwe jurisprudentielijn over wanneer een voorwaardelijke verplichting in een bestemmingsplan is vereist
ABRvS 2 juli 2025 Afwijzing verzoek intrekking Wnb-vergunning, voldoende inzichtelijk gemaakt dat maatregelen tot gevolg hebben dat stikstofdepositie binnen afzienbare termijn daalt en dat door deze daling wordt voorkomen dat de natuurwaarden verslechteren
ABRvS 2 juli 2025 Afwijzing verzoek intrekking Wnb-vergunning, dat sprake is van afname van stikstofbelasting is, gelet op NDA en advies EA, onvoldoende voor conclusie dat verslechtering wordt tegengegaan
ABRvS 25 juni 2025 Bestemmingsplan, planregeling die gebruik van gronden als darkstores alleen via omgevingsvergunning toelaat, is niet in strijd met de Dienstenrichtlijn
Rb Rotterdam 19 juni 2025 Omgevingsvergunning, Ow, voor toetsing ETFAL kan niet worden volstaan met toetsing aan grenswaarden uit Activiteitenbesluit
Rb Oost-Brabant 28 mei 2025 Omgevingsvergunning technische bouwactiviteit en BOPA, opvanglocatie voor vluchtelingen moet getoetst aan eisen woonfunctie