Voor de overige geregeld voorkomende trekvogelsoorten moeten instandhoudingsdoelen worden opgenomen als deze in meer dan verwaarloosbare mate voorkomen in het Natura 2000-gebied.

Casus

De minister van LNV heeft op 24 november 2021 het zeegebied ‘De Bruine Bank’ aangewezen als Natura 2000-gebied. De Bruine Bank is een zandbank in de Noordzee, op een afstand van ongeveer 80 km ten westen van IJmuiden. Het gebied is aangewezen als beschermd gebied voor de vogelsoorten alk, zeekoet, dwergmeeuw, grote jager, grote mantelmeeuw en jan-van-gent.

De Vogelbescherming meent dat De Bruine Bank ook moet worden aangewezen voor de vogelsoorten visdief, noordse stern, drieteenmeeuw, kleine mantelmeeuw, noordse stormvogel, papegaaiduiker, stormmeeuw, zilvermeeuw en grote stern. Deze vogelsoorten zijn geregeld in aanzienlijke aantallen in het gebied aanwezig, maar halen niet de drempelwaarden voor de aanwijzing van overige kwalificerende soorten. De rechtbank heeft het beroep van de Vogelbescherming ongegrond verklaard omdat het Vogelrichtlijn-criterium ‘geregeld voorkomende trekvogels’ niet op dezelfde wijze hoeft te worden toegepast als het Habitatrichtlijn-criterium ‘soorten die in het gebied voorkomen’. Bovendien heeft Vogelbescherming niet aannemelijk gemaakt dat die vogelsoorten een beschermingsbehoefte hebben die maakt dat zij in afwijking van het Nederlandse beleid in de aanwijzing van dit Natura 2000-gebied moeten worden meegenomen. De Vogelbescherming heeft hoger beroep ingesteld. De Vogelbescherming betoogt in hoger beroep dat de gehanteerde selectiecriteria niet in overeenstemming zijn met artikel 4, eerste en tweede lid, van de Vogelrichtlijn. De Vogelbescherming meent haar standpunt bevestigd te zien in het Elliniki-arrest.

Rechtsvraag

Moet het bevoegd gezag op grond van de Vogelrichtlijn alle vogels aanwijzen die in significante/meer dan verwaarloosbare aantallen voorkomen in een gebied of mag worden vastgehouden aan het beleid waarbij de aanwijzing van een gebied voor ‘overige kwalificerende soorten’ afhankelijk is van de relatieve aanwezigheid van vogelsoorten in het Natura 2000-gebied ten opzichte van de Nederlandse of internationale biogeografische populatie?

Uitspraak

Het criterium ‘in meer dan verwaarloosbare mate voorkomen’ is afkomstig uit het Nederlandse beleid voor aanwijzing van gebieden ter uitvoering van de Habitatrichtlijn. Een gebied wordt aangewezen voor habitats en soorten die in een meer dan verwaarloosbare oppervlakte of populatie in het gebied voorkomen en wordt niet aangewezen voor habitats en soorten die slechts in een verwaarloosbare oppervlakte of populatie in het gebied voorkomen.

De Afdeling volgt de Vogelbescherming waar zij stelt dat met ‘in meer dan verwaarloosbare mate voorkomen’ hetzelfde wordt bedoeld als met ‘in significante mate voorkomen’ of ‘in significante hoeveelheden voorkomen’. De Afdeling leidt dan ook uit het voorgaande af dat een gebied dat als Vogelrichtlijngebied is geselecteerd, aangewezen moet worden voor vogels van bijlage I bij de Vogelrichtlijn en geregeld voorkomende trekvogelsoorten die in significante hoeveelheden/in een meer dan verwaarloosbare mate voorkomen in het gebied. Dit betekent ook dat een gebied niet hoeft te worden aangewezen voor de bedoelde vogelsoorten als zij slechts in niet-significante hoeveelheden/slechts in een verwaarloosbare mate voorkomen in het betrokken gebied.

De staatssecretaris heeft beoordelingsruimte bij de invulling van het criterium in ‘significante hoeveelheden’ of in ‘meer dan verwaarloosbare mate’. Bij de aanwijzing van Habitatrichtlijngebieden vult de staatssecretaris die beoordelingsruimte in met lage (absolute) drempels (minimum aanwezig areaal van een habitattype of minimale omvang van een populatie van habitatsoorten die bestendig gebruikmaken van het gebied).

Omdat met in ‘meer dan verwaarloosbare mate’ en ‘significante hoeveelheden’ hetzelfde wordt bedoeld, en het criterium ‘in meer dan verwaarloosbare mate’ wordt ingevuld met een lage drempel, moet naar het oordeel van de Afdeling voor de invulling van het criterium ‘significante hoeveelheden’ ook worden uitgegaan van een lage drempel. De relatieve drempels uit het beleidskader, waarbij de aanwezigheid van vogelsoorten wordt gerelateerd aan de nationale of (internationale) biogeografische populatie, zijn daarop niet toegesneden en volstaan daarom niet. Met de relatieve drempels wordt naar het oordeel van de Afdeling geen juiste invulling gegeven aan de aanwijzingsverplichting van artikel 4, eerste en tweede lid, van de Vogelrichtlijn.

De Afdeling leidt uit het Elliniki-arrest af dat de aanwijzingsverplichtingen uit de Habitat- en Vogelrichtlijn niet van elkaar verschillen (punt 40), dat er geen aanleiding is anders om te gaan met de soorten die aanleiding waren voor de selectie van het gebied en de overige kwalificerende soorten (punt 33) en dat er ook geen aanleiding is om anders om te gaan met de soorten uit bijlage I en de overige geregeld voorkomende trekvogelsoorten (punt 47 e.v.). Voor laatstgenoemde soorten moeten dus instandhoudingsdoelen worden opgenomen als deze in significante hoeveelheden/in meer dan verwaarloosbare mate voorkomen in het betrokken gebied.

Rechtelijke Instantie : Raad van State
Datum Uitspraak : 16-07-2025
Eclinummer : ECLI:NL:RVS:2025:3212
Koert Ottens

Privacy beleid
STAB hecht aan het naleven van de beginselen uit de AVG. De wijze waarop we met gegevens omgaan, is vastgelegd in een privacyverklaring. Voor onze volledige privacyverklaring kunt u hier terecht.

Privacy Preference Center

Ontdek meer van STAB

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder