Omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit. De geurbelasting in de geurrapporten is terecht conform artikel 5.93, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) berekend op de gevel van geurgevoelige objecten. De tuinen zelf kwalificeren niet als geurgevoelig object in de zin van artikel 5.91 van het Bkl, maar zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, komt ook aan tuinen bij woningen in het kader van een goede ruimtelijke ordening (thans ETFAL) bescherming toe. Kennelijke verschrijving door het gebruik van ‘goede ruimtelijke ordening’ in plaats van ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’.
Casus
Het college van burgemeester en wethouders van Staphorst (het college) heeft een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit verleend voor de bouw van woningen. Eisers hebben tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij het bestreden besluit is het college bij verlening van de omgevingsvergunning gebleven. Eisers hebben beroep ingesteld tegen dit besluit en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Eisers zijn veehouder en wonen in de buurt van de projectlocatie. Zij vrezen door het project te worden beperkt in hun bedrijfsvoering vanwege geuremissie.
Rechtsvragen
1. Komt aan tuinen bij woningen – in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties – bescherming toe?
2. Is in de beslissing op bezwaar voldoende gemotiveerd dat de verwijzing naar het begrip ‘goede ruimtelijke ordening’ in plaats van het begrip ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’ een kennelijke verschrijving betreft?
Uitspraak
Toetsingskader
De voorzieningenrechter stelt voorop dat het college bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het omgevingsplan een omgevingsvergunning te verlenen beleidsruimte heeft en de betrokken belangen moet afwegen. De voorzieningenrechter beoordeelt daarom niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, zoals bedoeld in artikel 8.0a, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De voorzieningenrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de omgevingsvergunning te dienen doelen. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 18 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5222.
Een van de hierbij te betrekken aspecten, en in deze procedure waar het blijkens de beroepsgronden om gaat, is de vraag of sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Degene die een agrarisch bedrijf voert, [eisers] in dit geval, kan, omdat hij geconfronteerd kan worden met klachten van de bewoners van woningen over de gevolgen van zijn bedrijf, aanvoeren dat bij die woningen geen aanvaardbaar woon- en leefklimaat is gewaarborgd. Dat geldt ook voor de bij die woningen behorende tuin(en). Dit volgt uit vaste rechtspraak, die ook met inwerkingtreding van de Ow nog relevant is (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 16 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3303).
1. De voorzieningenrechter stelt vast dat de geurbelasting in de geurrapporten conform artikel 5.93, eerste lid, van het Bkl terecht is berekend op de gevel van de geurgevoelige objecten. De tuinen zelf kwalificeren niet als geurgevoelig object in de zin van artikel 5.91 van het Bkl, maar zoals de Afdeling (bijvoorbeeld in de uitspraak van 10 februari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:276) eerder heeft overwogen, komt ook aan tuinen bij woningen in het kader van een goede ruimtelijke ordening (thans ETFAL) bescherming toe. Bij het bestreden besluit heeft het college als uitgangspunt genomen dat de geurhinder ter plaatse niet significant afwijkt van de berekende geurbelasting op de gevels. Dit wordt bevestigd door de geurberekening die het college in beroep heeft overlegd, waaruit blijkt dat de geurbelasting gemeten op een vijftal meetpunten varieert van 3,0 tot 3,3 OUE/m3 en daarmee niet significant afwijkt van de berekende geurbelasting op de gevels. Naar oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college de geurbelasting in de tuinen in redelijkheid aanvaardbaar kunnen achten.
2. Bij de beslissing op bezwaar heeft het college overwogen dat in de Rapportage geur onderzoek in enkele passages wordt verwezen naar een ‘goede ruimtelijke ordening’, waar het moet zijn een ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’.
De voorzieningenrechter is, anders dan [eisers] stelt, niet gebleken dat hier geen sprake is van een kennelijke verschrijving en het college daadwerkelijk het oude criterium heeft toegepast in plaats van het huidige, ruimere, criterium ETFAL. [Eisers] heeft dat ook niet aannemelijk gemaakt. De motivering die het college heeft gegeven kan leiden tot de conclusie dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Rechtelijke Instantie : Rechtbank Overijssel
Datum Uitspraak : 17-07-2025
Eclinummer : ECLI:NL:RBOVE:2025:4776
Ruud Veenhof