Op de verzoeker om handhaving rust gelet op artikel 4:2, tweede lid, van de Awb, de plicht om gegevens en bescheiden te overleggen die nodig zijn om op de aanvraag te beslissen en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. De verzoeker om handhaving draagt niet de bewijslast voor een (dreigende) overtreding. In beginsel ligt de onderzoeksplicht bij het bestuursorgaan. Uit de casuïstische handhavingsjurisprudentie kan worden afgeleid dat het volstaat als de verzoeker om handhaving enig aanknopingspunt biedt voor onderzoek door het bestuursorgaan.

Casus

Verzoeksters hebben aan het college van gedeputeerde staten van Drenthe (het college) verzocht om handhavend op te treden, omdat door 18 met name genoemde bedrijven lelies geteeld worden met gebruik van bestrijdingsmiddelen, zonder de daarvoor benodigde (natuur)vergunning.

Het college heeft verzocht om informatie over de precieze locaties waar volgens verzoeksters sprake is van een overtreding. Zonder die gegevens zegt het college niet te kunnen beoordelen op welke situaties het verzoek precies doelt. Op grond van artikel 4:5, eerste lid, onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) hebben verzoeksters de kans gekregen om het verzoek binnen twee weken na de datum van deze brief aan te vullen. Daarbij heeft het college aangegeven het verzoek niet in behandeling te nemen bij niet of niet tijdig aanleveren van de gegevens.

Verzoeksters hebben gereageerd op dit verzoek, waarbij zij hebben gesteld dat bij naleving van de Habitatrichtlijn niet een perceel maar een project centraal staat. Het verzoek om handhaving ziet op teelten door deze initiatiefnemers op jaarlijkse wisselende percelen. Daarom weigeren verzoeksters percelen op te sommen.

Het college heeft het verzoek om handhaving daarna buiten behandeling gesteld. Verzoeksters hebben hiertegen bezwaar gemaakt en om een voorlopige voorziening gevraagd bij de voorzieningenrechter.

Rechtsvragen

1. Heeft het college het handhavingsverzoek buiten behandeling kunnen stellen?
2. Kan het door verzoekster geformuleerde verzoek om voorlopige voorziening, inhoudende dat het handhavingsverzoek in behandeling moet worden genomen dan wel te bepalen hoe het college moet voldoen aan de onderzoeksplicht, worden toegewezen?

Uitspraak

1. Op de verzoeker om handhaving rust gelet op artikel 4:2, tweede lid, van de Awb, de plicht om gegevens en bescheiden te overleggen die nodig zijn om op de aanvraag te beslissen en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. De verzoeker om handhaving draagt niet de bewijslast voor een (dreigende) overtreding. In beginsel ligt de onderzoeksplicht bij het bestuursorgaan (zie ECLI:NL:RVS:2016:2743). Uit de casuïstische handhavingsjurisprudentie leidt de voorzieningenrechter af dat het volstaat als de verzoeker om handhaving enig aanknopingspunt biedt voor onderzoek door het bestuursorgaan (zie ECLI:NL:CBB:2018:128 en ECLI:NL:CBB:2019:470).
De lelietelers die zijn genoemd in het handhavingsverzoek ontvangen van de provincie Drenthe subsidie voor lelieteelt. Daarmee acht de rechtbank het voldoende aannemelijk dat de telers op gronden in Drenthe (gaan) telen. Dat gebeurt op jaarlijks wisselende percelen. Juist dat gegeven maakt het voor verzoeksters lastig om aan te geven welke percelen het betreft. Het bestuursorgaan is juist wel in staat daar onderzoek naar te doen, gelet op de bevoegdheden van haar toezichthouders in artikel 5:15 en verder van de Awb. Daarbij betrekt de voorzieningenrechter ook de verplichting van de gebruikers van gewasbeschermingsmiddelen in artikel 67 van Europese Verordening 1107/2009 om een registratie bij te houden van gebruikte middelen.
Overigens is door het college niet onderbouwd waarom het aanwijzen van het perceel noodzakelijk is om eventueel handhavend op te treden tegen lelietelers waarvan vast zou staan dat het bedrijf op gronden in Drenthe lelies teelt met gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Uit het handhavingsbeleid en het verhandelde ter zitting maakt de voorzieningenrechter op dat het college van mening is dat alle lelieteelt in de provincie in beginsel vergunningplichtig is – bij gebrek aan onderzoek waarmee significante effecten kunnen worden uitgesloten en tenzij het gaat om ‘een en dezelfde handeling’ waarvoor toestemming bestond op de aanwijsdatum van de betrokken Natura 2000-gebieden.

2. Het voorlopige rechtmatigheidsoordeel leidt er echter niet toe dat de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening toewijst. Daartoe wordt het volgende overwogen.
Een voorziening inhoudend dat de aanvraag in behandeling moet worden genomen, is naar z’n aard niet voorlopig. Dat zou in strijd zijn met artikel 7:1, eerste lid van de Awb. Daaruit volgt dat voorafgaand aan het (definitieve) oordeel van de rechter, volledige heroverweging door het bestuursorgaan plaatsvindt.
Ook toewijzing van de door verzoeksters gevraagde onderzoeksopdracht aan het college, acht de voorzieningenrechter niet mogelijk in deze procedure. Het college heeft in het bestreden besluit de aanvraag van verzoeksters niet inhoudelijk beoordeeld. Uit rechtspraak volgt dat, gelet op artikel 8:69, eerste lid, van de Awb, de omvang van het geschil beperkt is wanneer in een besluit geen inhoudelijke beoordeling heeft plaatsgevonden (vergelijk ECLI:NL:RVS:2016:544). Dit geldt ook voor het buiten behandeling stellen van een aanvraag, zoals hier aan de orde. De uitkomsten in bezwaar kunnen zijn dat de aanvraag terecht buiten behandeling is gesteld of dat het college de aanvraag alsnog in behandeling moet nemen. Deze beperkte omvang van het geschil maakt dat de voorzieningenrechter geen inhoudelijk oordeel kan geven over de vraag of en hoe het college zijn toezichthoudende taak moet uitvoeren.
Verzoeksters hebben op de zitting gesteld dat de nationale rechter op basis van Europees recht de verplichting heeft om de Habitatrichtlijn toe te passen en dat de nationale rechtbank aan finale beslechting kan doen. Dit laat onverlet dat de voorzieningenrechter alleen een voorlopige voorziening kan treffen en niet buiten de omvang van het geschil mag treden. De voorzieningenrechter begrijpt de wens van verzoeksters om onvergunde emissies te stoppen, maar gelet op hetgeen is aangevoerd acht de voorzieningenrechter de situatie niet dusdanig spoedeisend dat de beslissing op bezwaar niet kan worden afgewacht.

Rechtelijke Instantie : Rechtbank Noord-Nederland
Datum Uitspraak : 02-10-2025
Eclinummer : ECLI:NL:RBNNE:2025:3969
Ruud Veenhof

Privacy beleid
STAB hecht aan het naleven van de beginselen uit de AVG. De wijze waarop we met gegevens omgaan, is vastgelegd in een privacyverklaring. Voor onze volledige privacyverklaring kunt u hier terecht.

Privacy Preference Center

Ontdek meer van STAB

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder