Afwijzing aanvraag omgevingsvergunning voor een bopa. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college van burgemeester en wethouders te snel aangenomen dat de geur van de manege activiteiten niet aanvaardbaar is. Het college hoeft bij de omgevingsvergunning voor een bopa niet uitputtend te beoordelen of significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden gaan optreden. Dat is de taak van het college van gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant (GS), niet van het college. Evenredigheid van handhavend optreden.

Casus

Het college van burgemeester en wethouders Oss (het college) heeft een aanvraag om een omgevingsvergunning van eiseres afgewezen. Deze aanvraag heeft betrekking op het legaliseren van een manegevoorziening. Verder heeft het college een last onder dwangsom tegen het aanwezig hebben van een paardenbak, de paddock, het bijgebouw en de mestplaat met keerwanden inclusief de aansluitende verharding. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag en de last onder dwangsom.

Het college heeft de aanvraag om een omgevingsvergunning afgewezen omdat de gevraagde manegevoorzieningen in strijd zijn met het Omgevingsplan/bestemmingsplan ‘Buitengebied Oss 2020’. Het college heeft daarbij overwogen dat de omgevingsvergunning voor deze activiteiten alleen kan worden verleend via een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (bopa). In artikel 8.0a, tweede lid van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is bepaald dat een Bopa alleen maar kan worden verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In artikel 8.0b, eerste lid van het Bkl is bepaald dat een aanvraag omgevingsvergunning met een Bopa getoetst moet worden, en moet voldoen aan hoofdstuk 5 van het Bkl. In artikel 8.0b, tweede lid, onder a van het Bkl is vervolgens bepaald dat een omgevingsvergunning met een Bopa geweigerd moet worden wanneer de omgevingsplanactiviteit zou leiden tot een situatie die niet is toegelaten op grond van in dit geval een regel uit hoofdstuk 5 van het Bkl.

Rechtsvragen

1. Heeft het college kunnen aannemen dat bij verlening van de omgevingsvergunning – in het kader van het aspect geur – een onaanvaardbare situatie zou ontstaan?
2. Had het college bij de beoordeling van de aanvraag voor de omgevingsvergunning moeten beoordelen of significante gevolgen voor Natura 2000-gebied zullen optreden?
3. Bestond in dit geval aanleiding voor het college om af te zien van handhavend optreden?

Uitspraak

1. De rechtbank stelt vast dat de mestplaat en de stallen op meer dan 50 meter van de locatie van de derde-partij liggen. De geur door deze activiteiten op geurgevoelige gebouwen is aanvaardbaar en in overeenstemming met paragraaf 22.3.6.2 van het Omgevingsplan, de handreiking Activiteiten en milieuzonering (Handreiking) van de Vereniging Nederlandse Gemeenten of de voorgaande circulaire. De paardenbak en de paddock zijn geen gebouwen. Het college kan, bij de toets aan artikel 5.92 van het Bkl, aan de hand van de richtafstanden van de Handreiking dan wel de voorafgaande circulaire bezien of de geur van deze activiteiten aanvaardbaar is. Het college heeft hierbij beoordelingsruimte. De rechtbank is van oordeel dat het college hierbij terecht heeft aangenomen dat ter plekke sprake is van een gemengd gebied want dat oordeelde de rechtbank eerder in de uitspraak uit 2023.
De paddock ligt op minder dan 30 meter van de gevel van een geurgevoelig object. De paardenbak ligt op een afstand van minder dan 30 meter van de gevel van het bedrijfsverzamelgebouw maar op een afstand van meer dan 30 meter van de ruimtes waar arbeidsmigranten worden gehuisvest en ongeveer 30 meter van het kantoor in het bedrijfsverzamelgebouw. De rechtbank stelt tot slot vast dat het houden van paarden op de gronden waar de paddock en de paardenbak liggen als agrarisch gebruik gewoon is toegestaan.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college te snel aangenomen dat de geur van de manege activiteiten niet aanvaardbaar is. Er is geen enkele aanleiding voor het oordeel dat de geurbelasting van de mestplaat en de stal niet aanvaardbaar is. Gelet op de oppervlakte van de paardenbak en de afstand van de paardenbak tot het bedrijfsverzamelgebouw ziet de rechtbank niet in waarom het gebruik van de paardenbak vanwege geurhinder niet aanvaardbaar zou zijn. In het stukje paardenbak dat binnen de richtafstand ligt, zullen niet doorlopend paarden staan. Bovendien wordt er binnen de richtafstand niet gewoond. De rechtbank ziet daarom niet in waarom het college de omgevingsvergunning voor de mestplaat, de stal en de paardenbak niet heeft verleend. Dit past binnen een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat dit niet een situatie is die onlangs is ontstaan. De manege en het bedrijfsverzamelgebouw liggen al bijna 25 jaar naast elkaar en de paardenbak is al zeer geruime tijd geleden aangelegd. De rechtbank acht daarom ook niet waarschijnlijk dat de bedrijfsactiviteiten van de derde-partij mogelijk de paarden verstoren en ziet hierin geen reden voor het college om de omgevingsvergunning te weigeren.
Dat is anders voor de paddock. Slechts als het gebruik van de paddock niet verschilt van het gebruik van een weiland, zou het vergunnen van de paddock niet in strijd zijn met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De intensiviteit van het gebruik van de paddock kan de rechtbank niet beoordelen. Het is niet duidelijk wat er gebeurt, of er met paarden wordt gereden of dat paarden alleen worden afgericht of losgelaten. Het college heeft terecht opgemerkt dat het moeilijk is om het gebruik van de paddock te reguleren met voorschriften. Als dat niet gebeurt, dan kan de paddock intensiever worden gebruikt om paarden te houden, af te richten of hier les te geven en dat kan zich minder goed verhouden met de bedrijfsvoering op de locatie van de derde-partij.

2. De rechtbank is van oordeel dat het college bij de omgevingsvergunning voor een Bopa niet uitputtend hoeft te beoordelen of significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden gaan optreden. Dat is de taak van het college van gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant (GS), niet van het college. Bovendien is er in deze zaak geen aanleiding om aan te nemen dat dergelijke gevolgen op gaan treden omdat het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied op meer dan 10 kilometer afstand buiten het grondgebied van de gemeente Oss is gelegen. Er is dus ook geen enkele aanleiding voor het oordeel dat het project niet uitvoerbaar is.

3. Bij de vraag of van handhavend optreden mocht worden afgezien, moet worden beoordeeld of handhavend optreden onevenredig is. Hierbij toetst de bestuursrechter of het besluit geschikt en noodzakelijk is, en daarna of het besluit in de gegeven omstandigheden evenwichtig is. Of deze drie elementen aan bod komen, hangt af van de aangevoerde beroepsgronden. Bij handhavingsbesluiten geldt daarbij als uitgangspunt dat het algemeen belang gediend is met handhaving en dat om die reden in de regel tegen een overtreding moet worden opgetreden. Handhaving blijft dus voorop staan. Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is. Andere redenen om van handhavend optreden af te zien kunnen zich bijvoorbeeld voordoen bij een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel.
Naar het oordeel van de rechtbank kan aan de positieve reactie op het principeverzoek geen gerechtvaardigde verwachting worden ontleend dat de omgevingsvergunning voor de Bopa zou worden verleend, laat staan dat het college zou afzien van handhavend optreden. Het college heeft in de reactie een voldoende duidelijk voorbehoud gemaakt. Naar het oordeel van de rechtbank was er ten tijde van het bestreden besluit geen concreet zicht op legalisatie omdat toen de omgevingsvergunning was geweigerd.
Hierboven heeft de rechtbank geoordeeld dat het college ten onrechte de omgevingsvergunning voor de mestplaat, de stal en de paardenbak heeft geweigerd. Dit is ook aanleiding om het handhavingsbesluit, voor zover hierin wordt opgetreden tegen de aanwezigheid van de mestplaat, de stal en de paardenbak te vernietigen. Deze drie activiteiten passen binnen een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Handhavend optreden tegen deze drie activiteiten is niet nodig en daarmee niet evenredig.

Rechtelijke Instantie : Rechtbank Oost-Brabant
Datum Uitspraak : 19-09-2025
Eclinummer : ECLI:NL:RBOBR:2025:5801
Ruud Veenhof

Privacy beleid
STAB hecht aan het naleven van de beginselen uit de AVG. De wijze waarop we met gegevens omgaan, is vastgelegd in een privacyverklaring. Voor onze volledige privacyverklaring kunt u hier terecht.

Privacy Preference Center

Ontdek meer van STAB

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder