Weekoverzicht uitspraken omgevingsrecht
* ABRvS 5 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5310: Awb, Wnb; weigering verzoek intrekking natuurvergunning, werkzaamheden, gebiedsontwikkeling, 250 woningen, golfbaan met 250 deeltijdwoningen, gedoogbesluiten vooruitlopend op omgevingsvergunning voor gewijzigde uitvoering project, geen procesbelang, redelijke termijn (Rb Zeeland-West-Brabant 20/8587 en 21/3194)
* ABRvS 5 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5313: Awb, Wnb; afwijzing handhavingsverzoek, natuurvergunning uit 2016, nabijgelegen polder sinds 2017 op lijst van gebieden van communautair belang, werkzaamheden, gebiedsontwikkeling, 250 woningen, golfbaan met 250 deeltijdwoningen, omvang van het geding, reikwijdte verzoek, geen verzoek om passende maatregelen (Rb Zeeland-West-Brabant 22/1731)
* ABRvS 5 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5245: Awb, Wabo; weigering omgevingsvergunning, afwijken bpl, parkeren van een toercaravan, procesbelang, begrip “onbebouwde gronden”, grondslag weigering (Rb Rotterdam 20/906)
* ABRvS 5 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5331: Awb, Wabo; handhaving, last onder dwangsom en invordering, afwijken verleende omgevingsvergunning, weigering omgevingsvergunning ter legalisatie, diepte woongebouw 17,15 ipv 15 m, bouwtekening, overdracht eigendom, procesbelang vorige eigenaar, goede ruimtelijke ordenig, evenredigheid handhaving, vertrouwensbeginsel, evenredigheid invordering
(Rb Noord-Nederland 21/2722)
* ABRvS 5 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5337: Awb, Wabo; afwijzing handhavingsverzoek, bouw recreatiewoningen in afwijking van vergunning, omvang van het geding, inhoud handhavingsverzoek, ophoging gronden, geen vergunning vereist, bouwtekeningen, rekenkundige nullijn, niet bedoeld als vloerpeil, controlerapport (Rb Overijssel 21/899)
* ABRvS 5 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5340: Awb, Gmw; handhaving, last onder dwangsom, weigering ontheffing innemen ligplaats met een bedrijfsvaartuig, gemeentelijke verordening, overtreding, last om geheel te verwijderen is te verstrekkend, gebruik als toegangsvoorziening toegezegd (Rb Amsterdam 20/1119 en 20/3114 )
* ABRvS 5 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5341: Awb, Wabo; afwijzing handhavingsverzoek, gasopslag, geluid, voorschriften omgevingsvergunning, verzoek dB(C)-weging of ongewogen dB(Z)-registratie, dB(A)-weging ongeschikt, geen overtreding (Rb Noord-Nederland 21/2543)
* ABRvS 5 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5338: Awb, Waterwet; maatwerkvoorschrift, Keur, verwijderen obstakels van perceel, beschermingszone, financiële compensatie, inbreuk eigendom, artikel 1 EP EVRM (Rb Oost-Brabant 21/2618)
* ABRvS 5 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5158: Awb, Wabo; handhaving, last onder dwangsom, boomkwekerij, aanbrengen oppervlakteverharding, strijd met bpl, geen normaal onderhoud, geen aanleiding planregel buiten toepassing te laten (Rb Gelderland 21/3765)
* ABRvS 5 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5161 en ABRvS 5 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5159: Awb, Wabo; handhaving, last onder dwangsom, boomkwekerij, aanbrengen oppervlakteverharding in strijd met bpl, beplanting laanbomen alsnog vergund, geen aanleiding planregel buiten toepassing te laten, aannemelijk met name laanbomen (Rb Gelderland 21/3760 en 21/3756)
* ABRvS 5 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5314: Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouwen en afwijken bpl, realiseren carport, moderniseren voorgevel/zijgevel, nieuw besluit na beroep, vermindering uitzicht, beperking zonlicht, in stand laten rechtsgevolgen
* ABRvS 5 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5344: Awb, Wabo; weigering omgevingsvergunning afwijken bpl, plaatsen geldautomaat, belangenafweging, aantasting monumentwaardigheid, beperken toeristische voorzieningen, tegengaan monocultuur, onvoldoende onderbouwd, bestaande deur geen monumentale waarde (Rb Amsterdam 22/5042)
ABRvS 5 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5332: Awb, Wabo; intrekking van rechtswege verleende omgevingsvergunning, hotel met parkeergarage, Bibob-onderzoek niet ten grondslag, benuttingstermijn, gedurende 26 weken geen gebruik gemaakt, belangenafweging, zelfde gronden als in beroep, financieel belang, bouwplan voor gronden waar het nog niet mag worden uitgevoerd (Rb Amsterdam 22/2820)
* ABRvS 5 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5333: Awb, Wabo; handhaving, last onder dwangsom, invordering, artikel 2.3a Wabo, ongeschikt maken voor zelfstandige bewoning, verwijderen aanbouwen, last voldoende duidelijk, niet aan last voldaan, uitvoerbaarheid last, mandelige muur, geen toestemming buren (Rb Noord-Holland 22/3189)
* ABRvS 5 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5334: Awb, Wegenwet; afwijzing verzoek verwijderen verkeersborden, afsluiting parkeerterreinen, recreatieterrein, verkeersbesluit, geen bevoegdheid, geen openbare weg (Rb Noord-Nederland 22/817)
* ABRvS 5 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5336: Awb, Wro; bpl, woningbouw, twee burgerwoningen in plaats van gemengd agrarisch bedrijf met twee bedrijfswoningen, omgevingsverordening, afstand tot bestemmingsgrens
* ABRvS 5 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5335: Awb, Wabo; handhaving, intrekking last dwangsom, permanente bewoning, recreatiewoning, handhaving onevenredig, psychische en medische situatie, zelfde gronden als in beroep (Rb Rotterdam 22/3635)
* ABRvS 5 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5315: Awb, Wro; bpl, facetplan, permanente bewoning recreatiewoningen, overtreder, gelijkheidsbeginsel
* ABRvS 5 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5347: weigering omgevingsvergunning, aanleg waterpartij, kampeerterrein, aantasting cultuurhistorische, natuurlijke en landschapswaarden, tussenuitspraak
* ABRvS 5 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5306: Awb, Wro; bpl, twee woongebouwen met 120 appartementen, 45 studentenwoningen, gezondheidscentrum, kleinschalige horeca, bouwhoogte, verdichtingsvisie, alternatieven
* ABRvS 5 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5309: Awb, Monumentenwet 1998, Gmw; aanwijzing gemeentelijk monument, zelfde gronden als in beroep (Rb Amsterdam 23/270)
* ABRvS 5 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5328: Awb, Wm, Gmw; spoedeisende bestuursdwang, strijd gemeentelijke afvalstoffenverordening, kartonnen doos, ondergrondse restafvalcontainer, adreslabel, minderjarige zoon
* ABRvS 5 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5307: Awb, Wro; afwijzing aanvraag tegemoetkoming in planschade, directe planschade, vermogensschade, omvang van het geding, anderszins verzekerd, verkoopprijs (Rb Limburg 22/2376)
¶ ABRvS 5 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5339: Awb, Ow; TAM-IMRO omgevingsplan, woningbouw, omvang bouwprogramma, leefbaarheid wijk, aard woningen, sociale huurwoningen, balkons buiten bouwvlak, parkeren, verkeer, afwatering, groen en duurzaamheid, omgevingsverordening,
* ABRvS 5 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5326: Awb, Wet luchtvaart; niet tijdig nemen luchthavenbesluit, Kroon, termijn voor alsnog vaststellen besluit
* College van Beroep voor het bedrijfsleven 4 november 2025, ECLI:NL:CBB:2025:582: Awb, Wet dieren; boete, pluimveehouderij, transportverordening, bij laden met kop beklemd, onnodig leed, alternatief scenario niet aannemelijk, pluimveehouder verantwoordelijk, redelijke termijn (Rb Rotterdam 22/307)
* ABRvS 4 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5279: Awb, Wro; vovo, bpl, woningbouw, voormalige schoollocatie, eigenaar gronden plangebied, aanvraag kapvergunning, APV, parkeren, parkeeronderzoek, meetmomenten, parkeergelegenheid, belangafweging, belang woningbouw, tijden van woningtekorten, voorbereidende werkzaamheden
¶ ABRvS 31 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5236: Awb, Ow; vovo, handhaving, dwangsom, hondenoppas- en uitlaatservice, aard en invloed op de omgeving, rechtszekerheid, consistentie en voorspelbaarheid, abstract niveau, specifieke omstandigheden van het geval (Rb Noord-Nederland 25/2919)
* ABRvS 31 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5238: Awb, Wabo; vovo en kortsluiten, handhaving, dwangsom, permanente bewoning recreatiewoning, algemene beginselen van behoorlijk bestuur, concreet zicht op legalisatie, voornemen instructieregel minister van VRO, grondentrechter, verlengen begunstigingstermijn (Rb Zeeland-West-Brabant 24/6259)
* ABRvS 31 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5237: Awb, Woningwet; vovo, handhaving, invordering, Bouwbesluit 2012, belang invordering/veel gewicht, eventuele vernietiging lod, vernietiging invorderingsbesluit, financiële draagkracht, executiefase (Rb Noord-Nederland 24/2568)
* ABRvS 31 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5242: Awb, Wro; vovo, bpl, woningbouw, vergelijking tussen oude en nieuwe planologische situatie, bouwhoogte, stedenbouwkundige inpassing, alternatieven, toegangsweg garage
* Rechtbank Noord-Nederland 31 oktober 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:4454: Awb, Wnb; afwijzing handhavingsverzoek, vliegveld, aantal vliegbewegingen, geluid, (on)bevoegd genomen besluit, geen mandaatgebrek, bekrachtiging, wijziging rechtspraak ABRvS, natuurvergunning, referentiesituatie, KE-contour, project/geen emissie, passende beoordeling, maximum aantal vluchten, wisselingen vlootmix, één-en-hetzelfde project, handhavingsrapportage ILT, normen en regels Omzettingsregeling
* Rechtbank Noord-Nederland 31 oktober 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:4465: Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouwen, vergroten paviljoen, rapport, soortenbescherming, marterachtigen/strijd met goede procesorde, vleermuizen, sloopactiviteiten, Omgevingswet, Besluit activiteiten leefomgeving, inspectie, voorschrift, jaarrond beschermde nesten, vogels, aanhaken, wezenlijke invloed staat van instandhouding, bureau- en veldwerk, einduitspraak na tussenuitspraak
* Gerechtshof Amsterdam 30 oktober 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:2966: Sr, Wed, Wm, Woningwet; sloopterrein, bouw- en sloopafval, afvalstoffen niet scheiden, gevaarlijke afvalstoffen mengen, Regeling Bouwbesluit 2012, Omgevingswet, Euralcode, Europese afvalstoffenlijst, toerekening aan verdachte, artikel 10.54a Wm/vervallen met de Ow, Kaderrichtlijn afvalstoffen, begrip “inzameling”, preambule, Besluit bouwwerken leefomgeving, bewezenverklaring, strafbaarheid, geldboete, overschrijding redelijke termijn
* Rechtbank Gelderland 29 oktober 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:9051: Awb, Wnb; handhaving, dwangsom, intrekking last onder dwangsom, houden maximum aantal geiten, vergunning Natuurbeschermingswet 1998, uitspraak voorzieningenrechter, geen hoger beroep, wisselende dieraantallen, intern salderen, gevaar herhaling, 18 december uitspraak, één-en-hetzelfde project, finale geschilbeslechting, rechtszekerheid, overgangsperiode
* Rechtbank Gelderland 29 oktober 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:9053: Awb, Wabo; handhaving, dwangsom, verzoek opheffing last onder dwangsom, gebruik bedrijfswoning, strijd bpl, looptijd last, toetsingskader artikel 5:34 lid 1 Awb, toelichting, gevallen van overmacht, belangenafweging, bestemmingswijziging, definitieve onmogelijkheid
* Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 28 oktober 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:6691: BW; woningstichting, eigenaar perceel grond, boom, wortelopdruk, hinder, straatwerk, onrechtmatige hinder, verwijderen oppervlakkige wortels en glooiend bestraten, accepteren hinder, kosten werkzaamheden, RAW/CROW, beschikken over ETT (European Tree Technician) certificaat, boomtechnisch adviseur, groeiplaatsadviseur, benoeming deskundige, tussenuitspraak
* Rechtbank Rotterdam 28 oktober 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:12802: BW; kort geding, voornemen gemeente verkoop perceel, projectontwikkelaar, woningen voor mensen met zorgbehoefte, vordering/verbod verkoop en/of levering gronden, spoedeisend belang, artikel 3:14 BW, Didam-arresten, gelijkheidsbeginsel, criteria die objectief, toetsbaar en redelijk zijn, mededingingsruimte, één serieuze gegadigde, voornemen, geen anterieure overeenkomst, brandtrap, omgevingsvergunningsvergunning, snippergroen, gemeentelijke nota, realiseren parkeerplekken, verminderen parkeerdruk, bestaande bestemming, openbare selectieprocedure, geen dwangsom, uitvoerbaar bij voorraad
* Rechtbank Amsterdam 28 oktober 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:8153: BW; overheidsaansprakelijkheid, weigering omgevingsvergunning, complex met appartementen die aan toeristen worden verhuurd, na bestuursrechtelijke procedure wel verleend, schadebegroting, uitgangspunten, exploitatiemogelijkheden bestaande onderneming, cash flowmethode, afschrijvingen, vergelijking met drie sterrenhotel, voornemen benoemen deskundige
* Rechtbank Gelderland 28 oktober 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:8998: Awb, Wabo; buiten behandeling stellen aanvraag omgevingsvergunning, strijd bpl, supermarkt, Dienstenrichtlijn, verstrekte gegevens en bescheiden, Mor, indieningsvereisten, ruimtelijke onderbouwing, situatietekening, wenselijk en haalbaar, goede ruimtelijke onderbouwing, inhoudelijke beoordeling
* Rechtbank Gelderland 28 oktober 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:8976: Awb, Wabo; omgevingsvergunning slopen, bouwen en afwijken bpl, appartementencomplex, publicatie aanvraag, overleg, parkeren, privacy, bezonning, bezonningsstudie
* Rechtbank Gelderland 28 oktober 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:8999: Awb, Wabo; weigering aanvraag omgevingsvergunning, kledingatelier, strijdigheid bpl, detailhandel, definitie, ondergeschikte vorm, Dienstenrichtlijn, evidentiecriterium, analyse met specifieke gegevens, evenredige en doelmatige beperking, geen ander middel beter geschikt, gemeentelijk beleid, afweging van alle ruimtelijke belangen
¶ Rechtbank Zeeland-West-Brabant 28 oktober 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:7285: Awb, Ow; vovo, omgevingsvergunning technische bouwactiviteit, omgevingsplanactiviteit (bouwactiviteit) en bopa, tijdelijke opvang asielzoekers, belanghebbende, afstand, eigen en persoonlijk belang, gevolgen van enige betekenis, overlast
¶ Rechtbank Gelderland 27 oktober 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:8975: Awb, Ow; afwijzing handhavingsverzoek gemeenteweg, geluid, Besluit kwaliteit omgeving, overtreding, overgangsrecht, toedeling gemeentelijke taken fysieke leefomgeving, basisgeluidemissie, EVRM, uitbreiding reikwijdte handhavingsverzoek
* Rechtbank Zeeland-West-Brabant 27 oktober 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:7166: Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouwen en afwijken bpl, wooncomplex met tijdelijke appartementen en parkeerplaatsen, parkeren, parkeernota, parkeerbehoefte, aanwezigheidspercentages, dubbelgebruik, parkeeraanbod, loopafstand, parkeerdruk, geluid, VNG-brochure, richtafstanden, geluid van bevoorraden, geluidwering woningen
* Rechtbank Gelderland 27 oktober 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:8973: Awb, Wnb; intrekking natuurvergunning varkenshouderij, beroep niet-ontvankelijk, geen procesbelang, geen toestemming voor doorstart of andere activiteiten, niet bereiken wat eisers wensen
¶ Rechtbank Gelderland 23 oktober 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:8845: Awb, Ow; handhaving, last onder dwangsom, bewoning in strijd met omgevingsplan, overtrederschap, zorgvuldigheid, minnelijke overleg, hoogte dwangsom, lengte begunstigingstermijn
* Rechtbank Rotterdam 23 oktober 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:12727: Awb, Wabo; weigering omgevingsvergunning bouwen, dakkapel, voordakvlak, geen omgevingsvergunning van rechtswege, welstandsadvies, gelijkheidsbeginsel
* Rechtbank Den Haag 20 oktober 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:19648: Awb; verzoek om verlening termijn herstel gebruik, tussenuitspraak, bijzondere gevallen, verzoek moet zijn gemotiveerd, totstandkomingsgeschiedenis, behandeling verklaring van geen bedenkingen, gemeenteraad, bijzonder geval, minder finale vorm van geschilbeslechting
* Rechtbank Noord-Holland 20 oktober 2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:12571: Awb, Wabo; vovo, afwijzing aanvraag omgevingsvergunning, exploitatie van een bed&breakfast (b&b) in een bijgebouw, geen (dreigende) financiële noodsituatie, geen evident onrechtmatig besluit
¶ Rechtbank Noord-Nederland 17 oktober 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:4452: Awb, Ow; vovo en kortsluiten, omgevingsvergunning bouwen, handelen in strijd met regel van de ruimtelijke ordening, 10 appartementen op bovenverdieping, functiewijziging begane grond, herstelbesluit, parkeren, contra-expertise, deskundigheid, parkeerovereenkomst, parkeernormen sociale huur, parkeerplaatsen op eigen terrein, dubbeltelling, externe huurparkeerplaatsen, loopafstanden
* Rechtbank Den Haag 17 oktober 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:19295: Awb, Wabo; omgevingsvergunningen bouwen en afwijken bpl, realiseren dakopbouwen, kruimelgevallenregeling, ruimtelijke aanvaardbaarheid, inzichten niet statisch, nadere motivering, passeren gebrek niet mogelijk, correcte stukken beoordeeld, stedenbouw, bezonning, Haagse bezonningsnorm, daglicht en privacy, molenbiotoop, relativiteitsvereiste, welstand, welstandsadvies, gemeentelijk beleid, alternatieven, tussenuitspraak
* Rechtbank Midden-Nederland 16 oktober 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:5412: Awb, Wabo; omgevingsvergunning transformeren bestaand kantoorpand naar appartementen, bouw nieuwe appartementen, kruimelgevallenregeling, binnenplanse afwijkingsbevoegdheid, parkeernormen, beleidsregel, parkeernota, parkeereis, einduitspraak na tussenuitspraak
¶ Rechtbank Den Haag 16 oktober 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:19651: Awb, Ow; vovo en kortsluiting, handhaving, last onder dwangsom, gestalde strandhuisjes, strijd met omgevingsplan, plaatsgebonden karakter, omgevingsvergunning vereist, legalisatieonderzoek, seizoensgebonden activiteit, belangen strandtenthouders, afgeleid belang
¶ Rechtbank Amsterdam 15 oktober 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:7613: Awb, Ow; aanvraag watervergunning, meldplicht onder Ow, overgangsrecht, melding niet toereikend, exceptieve toetsing Invoeringsbesluit Ow, geen ambtshalve aanmerking als verzoek om maatwerkvoorschriften, niet-ontvankelijkheidsverklaring bezwaar, geen sprake van besluit
* Rechtbank Limburg 13 oktober 2025, ECLI:NL:RBLIM:2025:10259: Awb; uitspraak op verzet, controlerende taak gemeenteraad, reactie of uitblijven hiervan, geen rechtsbescherming bij de bestuursrechter, geen rechtsgevolg, geen verzoek om een besluit te nemen, geen aanvraag, verzoek om handhavend optreden, college van B&W bevoegd, bestemmingsplan, beroep niet-ontvankelijk, geen twijfel
* Rechtbank Limburg 30 september 2025, ECLI:NL:RBLIM:2025:10345: Awb, Wro, Wabo; afwijzing verzoek tot intrekking of wijziging provinciaal inpassingsplan, afwijzing verzoek tot intrekking omgevingsvergunning, windturbines, SMB-richtlijn, criteria Kühne & Heitz, cumulatieve criteria, Byankov-arrest, geen (ernstige) schending van een fundamenteel recht, Unierechtelijke gebrek, doorwerking omgevingsvergunningen, 2.33, eerste lid, onder a, van de Wabo, wijziging voorschriften omgevingsvergunning, geluid, dosismaat Lden, laagfrequent en infrasoon geluid, rapport RIVM, handhaafbaarheid norm
* Rechtbank Noord-Nederland 26 september 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:4443: Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouwen, 36 zorgwoningen, bijgebouw, versies bouwtekeningen, welstandsadviezen, beeldkwaliteitsplan, privacy
* Rechtbank Limburg 17 september 2025, ECLI:NL:RBLIM:2025:9049: Awb, Waterwet; handhaving, bestuursdwang, faillissement, overtreding, rapporten toezichthouder, lozing meststoffen, overtreders, functioneel daderschap, causaliteit, saneringsplicht, kostenverhaalsbeschikkingen
* Rechtbank Amsterdam 16 september 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:6792: Awb, Wabo; weigering omgevingsvergunning bouwen, verbouw pand, afwijken bpl, tussenschuiven extra verdieping, welstandseisen, ingrijpende verbouwing, kwaliteitstoets, bouwhoogte, lichttoetreding, gelijkheidsbeginsel
* Rechtbank Amsterdam 11 september 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:8105: Awb; afwijzing handhavingsverzoek, activiteiten restaurant, geur, overtreding, verhogen afvoerkanaal, vergunningaanvraag, niet tijdig beslissen bezwaar, belang bij reële besluit, rechtstreeks belang, beslistermijn, hoogte dwangsom, landelijk beleid, bestuurlijke dwangsom
* Rechtbank Noord-Holland 5 september 2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:12307: Awb, Woningwet, Wabo; afwijzing handhavingsverzoek, Bouwbesluit 2012, artikelen 2.6 en 2.7, advies bouwinspecteur, geen constructieve schade, brandveiligheid, afsluiting gaskachel, bouwtekeningen, beginselplicht tot handhaving, artikel 2.3a lid 1 Wabo, rechtszekerheid verzet zich tegen handhaving, raam, daglichttoetreding
* Rechtbank Amsterdam 4 augustus 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:5944: Awb, Wabo; weigering omgevingsvergunning zonnepanelen, legalisering, strijd met bpl, welstand, vertrouwensbeginsel, verduurzaming, gelijkheidsbeginsel
* Rechtbank Amsterdam 4 augustus 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:5943: Awb, Wabo; weigering omgevingsvergunning bouwen, verbouwen pand, uitbreiden achtergevel, ophogen band, wijziging gebruik eerste bouwlaag, van rechtswege verleend, alsnog weigering na bezwaren, strijd met bpl, vertrouwensbeginsel, overschrijding redelijke termijn
* Rechtbank Amsterdam 18 juli 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:6726: Awb, Wabo; handhaving, last onder dwangsom, verwijderen en verwijderd houden voorzetramen, eisers geen overtreders, voorzetramen niet zelf geplaatst
* Rechtbank Amsterdam 18 juni 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:6727: Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouwen, gezondheidscentrum, zes appartementen, afwijken bpl, zorgvuldigheid, verkeersveiligheid, geen contra-expertise, aantal verkeersongevallen, vergewisplicht einduitspraak na tussenuitspraak
* Rechtbank Amsterdam 19 april 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:2585: Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouwen en afwijken bpl, twee balkons, binnenplanse afwijkingsbevoegdheid, privaatrechtelijke belemmering, privacy, woon- en leefklimaat, helmgras of klimop, voorschrift, tussenuitspraak
¶ = uitspraak waarop de Omgevingswet materieel van toepassing is (dus niet de uitspraken die vallen onder het overgangsrecht)
# = betrokkenheid STAB
! = (nog) niet gepubliceerd
Bijzondere overwegingen
* ABRvS 5 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5331: Awb, Wabo; handhaving, last onder dwangsom en invordering, afwijken verleende omgevingsvergunning, weigering omgevingsvergunning ter legalisatie, diepte woongebouw 17,15 ipv 15 m, bouwtekening, overdracht eigendom, procesbelang vorige eigenaar, goede ruimtelijke ordenig, evenredigheid handhaving, vertrouwensbeginsel, evenredigheid invordering
(Rb Noord-Nederland 21/2722)
5.2. De Afdeling overweegt dat het bouwen zonder de daarvoor vereiste omgevingsvergunning, zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wabo een economisch delict is op grond van artikel 1a, onder 2°, van de Wet op de economische delicten (hierna: de Wed). De gedraging waarvoor de last onder dwangsom is opgelegd is dus een overtreding op grond van de Wed. De last onder dwangsom zou daarom betrokken kunnen worden bij een toekomstig Bibob-onderzoek. De Afdeling is daarom, anders dan de rechtbank, van oordeel dat [appellant] procesbelang heeft bij het beroep tegen het besluit tot oplegging van de last onder dwangsom.
(…)
11.2. De Afdeling overweegt in het kader van de evenwichtigheid dat de overtredingen niet van geringe aard of ernst zijn. Het pand is 2 m dieper en over deze diepte 9,95 m hoger gebouwd dan bij het besluit van 19 december 2014 is vergund. Naar het oordeel van de Afdeling is dit geen geringe afwijking. Dat de afwijkingen van het bij besluit van 19 december 2014 vergunde bouwwerk deels niet in strijd zijn met het bestemmingsplan betekent evenmin dat handhaving onevenwichtig is. Daarnaast hebben Stichting Brick One en [appellant] in het bouwtechnische advies aangetoond dat er financiële gevolgen zijn, maar Stichting Brick One en [appellant] hebben niet aannemelijk gemaakt dat zij deze financiële gevolgen niet kunnen dragen. Verder overweegt de Afdeling net als de rechtbank dat de last niet strekt tot afbraak van het pand, maar tot aanpassing van het pand naar de vergunde situatie. Dat er volgens Stichting Brick One en [appellant] sprake is van een vergissing en dat het pand inmiddels al zeven jaar is gerealiseerd, maakt naar het oordeel van de Afdeling niet dat het belang van Stichting Brick One en [appellant] zwaarder weegt dan het algemene belang van handhaving.
* ABRvS 5 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5313: Awb, Wnb; afwijzing handhavingsverzoek, natuurvergunning uit 2016, Natura 2000-gebied Westerschelde & Saeftinghe sinds 2017, werkzaamheden, gebiedsontwikkeling, 250 woningen, golfbaan met 250 deeltijdwoningen, omvang van het geding, reikwijdte verzoek, geen verzoek om passende maatregelen (Rb Zeeland-West-Brabant 22/1731)
5.2. De Afdeling volgt de rechtbank niet in haar oordeel dat het college het verzoek van de Stichting te beperkt heeft opgevat. De Stichting vraagt in het verzoek om handhaving van de vergunningplicht en geeft aan dat het college dat kan doen met een last onder dwangsom, waarbij zij wijst op de beginselplicht tot handhaving. De Afdeling leest in het verzoek niet meer dan een verzoek om met een last onder dwangsom op te treden tegen de werkzaamheden in de Perkpolder. Het college heeft op dat verzoek beslist. De Stichting kan in bezwaar haar verzoek niet uitbreiden met een verzoek om toepassing van andere bevoegdheden, in dit geval de bevoegdheid op grond van hoofdstuk 2 van de Wnb om passende maatregelen te treffen.
* ABRvS 5 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5333: Awb, Wabo; handhaving, last onder dwangsom, invordering, artikel 2.3a Wabo, ongeschikt maken voor zelfstandige bewoning, verwijderen aanbouwen, last voldoende duidelijk, niet aan last voldaan, uitvoerbaarheid last, mandelige muur, geen toestemming buren (Rb Noord-Holland 22/3189)
8.3. Dit kan alleen in uitzonderlijke gevallen. Een uitzonderlijk geval kan bijvoorbeeld worden aangenomen als evident is dat er geen overtreding is gepleegd of betrokkene geen overtreder is. Een ander uitzonderlijk geval kan de onuitvoerbaarheid van een last betreffen. De opgelegde last blijkt dan om technische of juridische redenen evident niet uitvoerbaar te zijn. De Afdeling verwijst naar haar uitspraak van 30 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1405.
Zoals in het constateringsrapport van 14 november 2023 is vastgesteld, staan de niet gesloopte buitenmuren op de erfgrens met de buren van Kastanjelaan 30 en Lindenlaan 60. [appellante] heeft het college binnen de begunstigingstermijn bij e-mailbericht van 14 augustus 2023 laten weten dat bij de uitvoering van de last is gebleken dat de buren geen toestemming willen geven voor de sloop van de mandelige muren en dat zij de last daarom niet volledig kan uitvoeren. Zij heeft het college verzocht om mee te denken over een oplossing daarvoor. Dat de buren als mede-eigenaar geen toestemming geven voor het afbreken van de buitenmuren blijkt ook uit de mailwisseling daarover van de buren met het college in september 2023.
Het college is in het invorderingsbesluit niet ingegaan op de door [appellante] in de zienswijze herhaalde onmogelijkheid om aan de last te voldoen, omdat [appellante] dit volgens het college tegen de last had kunnen inbrengen.
Aangezien de onmogelijkheid om de last uit te voeren pas bij de uitvoering van de last is gebleken, kan het [appellante] echter redelijkerwijs niet worden tegengeworpen dat zij dit niet al tegen de opgelegde last heeft aangevoerd. Het college heeft niet bestreden dat de buitenmuren mandelig zijn en de buren geen toestemming willen geven voor het afbreken ervan, maar heeft zich op het standpunt gesteld dat dit een privaatrechtelijke kwestie tussen [appellante] en de buren is waar het college niet in kan treden. Daarmee heeft het college echter miskend dat de eigendomssituatie van de buitenmuren aan de uitvoerbaarheid van de last in de weg kan staan en dit een bijzondere omstandigheid kan zijn op grond waarvan het college van invordering had behoren af te zien. Het had dan ook op de weg van het college gelegen om te onderzoeken of daarvan in dit geval sprake is, zoals [appellante] stelt. Door dat niet te doen is het besluit niet met de benodigde zorgvuldigheid tot stand gekomen. Het besluit moet daarom worden vernietigd.
* ABRvS 5 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5307: Awb, Wro; afwijzing aanvraag tegemoetkoming in planschade, directe planschade, vermogensschade, omvang van het geding, anderszins verzekerd, verkoopprijs (Rb Limburg 22/2376)
11.2. Het college heeft geen objectieve gegevens overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat de tegemoetkoming in planschade anderszins is verzekerd. Dat LRE een hoge prijs heeft ontvangen voor de percelen, die volgens het college niet kan worden verklaard door algemene prijsstijgingen in die periode, is, wat daar verder ook van zij, onvoldoende om aan te nemen dat de tegemoetkoming in planschade door de hoge prijs anderszins is verzekerd. Er kunnen immers verschillende redenen voor een koper zijn om te besluiten een koopprijs overeen te komen die (aanzienlijk) boven een eerdere transactieprijs of boven de marktwaarde van een perceel ligt, bijvoorbeeld omdat de koper het perceel snel wil verkrijgen of omdat het perceel voldoet aan specifieke wensen van de koper. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:867, r.o. 116. In dit geval heeft LRE bovendien op de zitting, door het college niet betwist, gesteld dat zij tegenover de koper van de percelen de contractuele verplichting op zich had genomen om de percelen leeg en gesaneerd te leveren. Dit betekent dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college zich hangende het beroep terecht op het standpunt heeft gesteld dat de tegemoetkoming in planschade anderszins is verzekerd.
¶ ABRvS 31 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5236: Awb, Ow; vovo, handhaving, dwangsom, hondenoppas- en uitlaatservice, aard en invloed op de omgeving, rechtszekerheid, consistentie en voorspelbaarheid, abstract niveau, specifieke omstandigheden van het geval (Rb Noord-Nederland 25/2919)
8. Op zich zijn er kanttekeningen te plaatsen bij de vergelijkingen die [verzoekster] maakt tussen haar hondenopvang en de bedrijfsactiviteiten in bijlage 1 van de planregels. (…) Toch overweegt de voorzieningenrechter dat het op voorhand niet onlogisch is dat een bedrijfsmatige hondenopvang voldoende vergelijkbaar is met de bedrijfsactiviteiten uit bijlage 1 en dus wel wordt aangemerkt als een aan huis verbonden beroep dat of kleinschalige bedrijfsmatige activiteit die door hun beperkte omvang in of bij een woonhuis met behoud van de woonfunctie kunnen worden uitgeoefend. En als dat zo is, dan staat het plan die activiteit wel toe. De voorzieningenrechter begrijpt dat het in het kader van de rechtszekerheid, consistentie en voorspelbaarheid gewenst is als het college de beoordeling of de hondenopvang naar aard en invloed op de omgeving vergelijkbaar is met de bedrijfsactiviteiten in bijlage 1 van de planregels in bepaalde mate op een abstract niveau maakt, dus hondenopvangen in hun algemeenheid. Als uit die toets komt dat een activiteit geheel niet vergelijkbaar is met de in bijlage 1 genoemde activiteiten, hoeft het college niet verder te kijken. Maar, zoals hierboven gezegd, is het in dit geval op voorhand niet onlogisch dat deze activiteit er wel in past. Het college mag dan niet volledig voorbijgaan aan de specifieke omstandigheden van het geval. In het bijzonder niet bij de vraag of de hondenopvang wat invloed op de omgeving betreft vergelijkbaar is met de bedrijfsactiviteiten in bijlage 1 van de planregels. Daarvoor moet het college dus ook kijken naar de concrete omstandigheden en bedrijfsvoering van deze hondenopvang van [verzoekster].
* Rechtbank Noord-Nederland 31 oktober 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:4454: Awb, Wnb; afwijzing handhavingsverzoek, vliegveld, aantal vliegbewegingen, geluid, (on)bevoegd genomen besluit, geen mandaatgebrek, bekrachtiging, wijziging rechtspraak ABRvS, natuurvergunning, referentiesituatie, KE-contour, project/geen emissie, passende beoordeling, maximum aantal vluchten, wisselingen vlootmix, één-en-hetzelfde project, handhavingsrapportage ILT, normen en regels Omzettingsregeling
5.15. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de samenhang tussen de aanvraag om vergunning, de verleende vergunning en de daarbij behorende passende beoordeling, dat de natuurvergunning voor de luchthaven is verleend voor een project met een getalsmatige omvang van totaal 69.099 vliegbewegingen (per jaar) waarvan 49.625 bewegingen van de kleine luchtvaart en 19.474 van de grote luchtvaart. De rechtbank laat op dit punt in de beoordeling een onderverdeling in typen en categorieën vliegtuigen met de daarbij behorende geluidsbelasting buiten beschouwing. Van die (omvang van de) vliegbewegingen is beoordeeld dat zij geen significant verstorende effecten zullen hebben op de soorten waarvoor de betrokken Natura 2000-gebieden zijn aangewezen. Naar het oordeel van de rechtbank is de staatssecretaris er in het bestreden besluit daarom ten onrechte van uit gegaan dat de natuurvergunning geen maximum stelt aan het aantal vluchten en dat wisselingen in de vlootmix toegestaan zijn mits maar binnen de 35 KE-contour wordt gebleven.
5.17. De rechtbank constateert dat zowel in het primaire als in het bestreden besluit, niet is ingegaan op de stelling van eiseressen dat er meer bewegingen met de kleine luchtvaart hebben plaatsgevonden dan op grond van de vergunning is toegestaan. De staatssecretaris heeft op de zitting voor het eerst de door eiseressen genoemde aantallen betwist. In de besluiten zelf is niet ingegaan op de door eiseressen genoemde aantallen. Verweerder heeft die keuze gemaakt vanuit de veronderstelling dat er geen beperking in aantallen geldt, maar zoals hiervoor overwogen is die veronderstelling onjuist. Bij gebrek aan gegevens over de feitelijke aantallen vliegbewegingen kan de rechtbank niet beoordelen of sprake is van één-en-hetzelfde project zoals door de staatssecretaris is betoogd. Naar het oordeel van de rechtbank is het bestreden besluit op dit punt gebrekkig gemotiveerd.
* Gerechtshof Amsterdam 30 oktober 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:2966: Sr, Wed, Wm, Woningwet; sloopterrein, bouw- en sloopafval, afvalstoffen niet scheiden, gevaarlijke afvalstoffen mengen, Regeling Bouwbesluit 2012, Omgevingswet, Euralcode, Europese afvalstoffenlijst, toerekening aan verdachte, artikel 10.54a Wm/vervallen met de Ow, Kaderrichtlijn afvalstoffen, begrip “inzameling”, preambule, Besluit bouwwerken leefomgeving, bewezenverklaring, strafbaarheid, geldboete, overschrijding redelijke termijn
Feit 1
Overtreding van het bepaalde in artikel 4.1 Regeling Bouwbesluit 2012 juncto artikel 1b en 2 van de Woningwet (beide vervallen) is thans strafbaar gesteld in artikel 4.3, eerste lid, van de Omgevingswet en de artikelen 7.25, eerste lid, aanhef en onder d en 7.26, eerste lid, aanhef en onder c en f van het Besluit bouwwerken leefomgeving, juncto de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten (WED). De Omgevingswet bevat, voor zover hier van belang, geen overgangsrecht. Nu de Omgevingswet dezelfde gedragingen strafbaar stelt als de Woningwet en ook de daarmee corresponderende strafbedreiging niet gewijzigd is in gunstiger zin voor de verdachte, dient het tenlastegelegde te worden beoordeeld aan de hand van het ten tijde van het delict geldende recht. Het voorgaande brengt met zich dat verdachte ingevolge het destijds geldende artikel 4.1, eerste lid, van de Regeling Bouwbesluit 2012 gehouden was het bouw en sloopafval ten minste te scheiden in gevaarlijke afvalstoffen en (o.a.) ander afval. Gasontladingslampen zijn opgenomen onder Euralcode 20 01 21* (tl-buizen en ander kwikhoudend afval) van de Europese afvalstoffenlijst (zie Handleiding Europese afvalstoffenlijst EURAL, in het bijzonder ook onder paragraaf 3.3 (stap 5) en 4.2) en 17 09 01* (bouw- en sloopafval dat kwik bevat) (zie Handleiding Europese afvalstoffenlijst EURAL, in het bijzonder ook paragraaf 8.15.8). Stoffen die op deze lijst met een asterisk zijn aangeduid, worden als gevaarlijk beschouwd (zie Handleiding Europese afvalstoffenlijst EURAL, Hoofdstuk 1 Inleiding, p. 9, 2e alinea).
Het hof stelt op grond van de – bij de verschillende controles aangetroffen en hiervoor weergegeven –situatie op het sloopterrein vast, dat deze afvalstoffen niet op de juiste wijze werden gescheiden. De gasontladingslampen lagen immers met ander afval op hopen en in containers. De gedragingen kunnen naar het oordeel van het hof ook aan de verdachte worden toegerekend:
– de gedragingen zijn immers verricht door medewerkers van de verdachte,
– de gedragingen passen in de normale bedrijfsvoering van de verdachte, nu zij zijn verricht in het kader van sloopactiviteiten, één van de bedrijfsactiviteiten van de verdachte, en
– de verdachte vermocht erover te beschikken of de gedragingen al dan niet zouden plaatsvinden en werden blijkens de feitelijke gang van zaken door de verdachte aanvaard of plachten te worden aanvaard; zoals hiervoor overwogen, heeft het aanspreken van onder andere de directeur en uitvoerder van de verdachte immers niet geleid tot de gewenste verbetering, maar werden keer op keer overtredingen geconstateerd.
Gelet op al het voorgaande komt het hof tot een bewezenverklaring van feit 1.
Feit 2
Ingevolge artikel 10.54a, eerste lid, van de Wet milieubeheer (oud) is het verboden afvalstoffen te mengen, daaronder begrepen verdunnen, met andere categorieën gevaarlijke afvalstoffen of met andere afvalstoffen, stoffen of materialen. In het tweede lid is bepaald dat dit verbod niet geldt voor zover het mengen van gevaarlijke afvalstoffen is toegestaan krachtens een omgevingsvergunning. Dit artikel, dat met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is komen te vervallen, betrof de implementatie van artikel 18 van Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen (zie PbEU L 312, hierna: de Kaderrichtlijn afvalstoffen) (Kamerstukken II 2013/2014, 33919, nr. 3, p. 7 (MvT)). Ingevolge artikel 18, eerste lid, van de Kaderrichtlijn afvalstoffen – opgenomen in hoofdstuk III ‘Beheer van afvalstoffen’ – nemen de lidstaten de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat gevaarlijke afvalstoffen niet worden gemengd met andere categorieën gevaarlijke afvalstoffen, en evenmin met andere afvalstoffen, stoffen of materialen, en wordt onder mengen ook het verdunnen van gevaarlijke afvalstoffen verstaan. Ingevolge het tweede lid mogen lidstaten, in afwijking van het eerste lid, toestaan dat er wordt gemengd, op voorwaarde (onder andere) dat er wordt gemengd door een inrichting of onderneming die over een vergunning overeenkomstig artikel 23 beschikt. In de preambule van de Kaderrichtlijn afvalstoffen is onder 15 opgenomen dat bij het begrip ‘inzameling’ “onderscheid moet worden gemaakt tussen de voorlopige opslag van afvalstoffen voorafgaand aan de inzameling, de inzameling van afvalstoffen en de opslag van afvalstoffen voorafgaand aan verwerking. Inrichtingen of ondernemingen waarvan de activiteiten afvalstoffen voortbrengen, dienen niet te worden beschouwd als zijnde actief in afvalbeheer noch als vergunningsplichtig voor de opslag van afvalstoffen voorafgaand aan inzameling”.
In artikel 1.1 van de Wet milieubeheer is beheer van afvalstoffen gedefinieerd als ‘inzameling, vervoer, nuttige toepassing, met inbegrip van sortering, en verwijdering van afvalstoffen, met inbegrip van het toezicht op die handelingen en de nazorg voor stortplaatsen na sluiting en met inbegrip van de activiteiten van afvalstoffenhandelaars en afvalstoffenmakelaars’. In lijn hiermee en gelet op de omstandigheid dat het mengen van bouw- en sloopafval, evenals het onder feit 1 ten laste gelegde scheiden van bouw- en sloopafval, ten tijde hier van belang reeds was gereguleerd in artikel 4.1, tweede lid, van de Regeling Bouwbesluit 2012 juncto artikel 1b en 2 van de Woningwet (beide vervallen), moet naar het oordeel van het hof worden geconcludeerd dat artikel 10.54a van de Wet milieubeheer (oud), geen betrekking had op de in casu aan de orde zijnde situatie van voorlopige opslag voorafgaand aan inzameling. Het onder de tenlastelegging opgenomen voorschrift (artikel 10.54a van de Wet milieubeheer) is derhalve niet juist, maar de ten laste gelegde gedraging valt wel onder artikel 4.1, tweede lid, van de Regeling Bouwbesluit 2012 juncto artikel 1b en 2 van de Woningwet (beide vervallen) en is thans strafbaar gesteld in artikel 4.3, eerste lid, aanhef en onder a van de Omgevingswet en de artikelen 7.25, tweede lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving, juncto de artikelen 1a, 2 en 6 van de WED. Het hof is dan ook van oordeel dat deze andere strafbepaling kan worden toegepast. Verdachte wordt hierdoor niet in enig belang geschaad. De Omgevingswet bevat, voor zover hier van belang, geen overgangsrecht. Nu de Omgevingswet dezelfde gedragingen strafbaar stelt als de Woningwet en ook de daarmee corresponderende strafbedreiging niet gewijzigd is in gunstiger zin voor de verdachte, dient het tenlastegelegde te worden beoordeeld aan de hand van het ten tijde van het delict geldende recht. Het voorgaande brengt met zich dat de verdachte ingevolge het destijds geldende artikel 4.1, tweede lid, van de Regeling Bouwbesluit 2012 gehouden was gevaarlijke afvalstoffen niet te mengen. Zoals onder feit 1 reeds is uiteengezet, worden gasontladingslampen als gevaarlijke afvalstoffen beschouwd. Gasontladingslampen zijn opgenomen onder Euralcode 20 01 21* (tl-buizen en ander kwikhoudend afval) van de Europese afvalstoffenlijst en 17 09 01* (bouw- en sloopafval dat kwik bevat). Stoffen die op deze lijst met een asterisk zijn aangeduid, worden als gevaarlijk beschouwd. Zie Handleiding Europese afvalstoffenlijst EURAL, paragraaf 3.3 (stap 5), paragraaf 8.15.8 en hoofdstuk 1 Inleiding, p. 9, 2e alinea, en 4.2.
Het hof stelt op grond van de – bij de verschillende controles aangetroffen en hiervoor weergegeven – situatie op het sloopterrein vast, dat gasontladingslampen waren gemengd met andere stoffen en aldus in strijd met het bepaalde in artikel 4.1, tweede lid, van de Regeling Bouwbesluit 2012 is gehandeld. (…)
* Rechtbank Gelderland 29 oktober 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:9051: Awb, Wnb; handhaving, dwangsom, intrekking last onder dwangsom, houden maximum aantal geiten, vergunning Natuurbeschermingswet 1998, uitspraak voorzieningenrechter, geen hoger beroep, wisselende dieraantallen, intern salderen, gevaar herhaling, 18 december uitspraak, één-en-hetzelfde project, finale geschilbeslechting, rechtszekerheid, overgangsperiode
6. Uit het voorgaande volgt dat de motivering van de nieuwe beslissing op bezwaar al ten tijde van het nemen daarvan op 30 april 2024 tekort schoot. Inmiddels komt daarbij dat met de uitspraak van de Afdeling van 18 december 2024 het beoordelingskader van de mogelijkheden om een project op basis van intern salderen vergunningsvrij te wijzigen is gewijzigd, zoals de Stichting op de zitting heeft opgemerkt. Dat dit pas op de zitting aan de orde is gesteld is geen reden om het onbesproken te laten nu geen van de partijen onbekend kon zijn met deze uitspraak en de consequenties die deze heeft voor intern salderen. Uit de uitspraak van de Afdeling volgt verder dat het uiteengezette kader voor de beoordeling van de vergunningplicht direct van toepassing is in lopende en toekomstige handhavingsprocedures (overweging 24 van de uitspraak). Ook de omstandigheid dat in de uitspraak van de voorzieningenrechter van 1 februari 2024 uitgegaan is van de aanname dat vergunninghouder door middel van intern salderen vergunningsvrij meer melkgeiten dan 2.510 mocht houden, is geen reden om de nieuwe rechtspraak van de Afdeling niet in de huidige beoordeling te betrekken. Dit betrof immers geen rechtsoordeel maar een vaststelling dat de aantallen van 3.150 en 3.173 geiten op grond van de destijds bestaande rechtspraak over intern salderen waren toegestaan. Het voorgaande betekent dat alsnog beoordeeld moet worden of die aantallen melkgeiten in het licht van het huidige kader inderdaad vergunningsvrij mochten worden gehouden.
6.1. Uit de uitspraak van de Afdeling van 18 december 2024 volgt dat daarbij moet worden beoordeeld of de activiteit die feitelijk plaatsvindt nog kan worden aangemerkt als één-en-hetzelfde project ten opzichte van de geldende natuurvergunning of milieutoestemming die gold op de referentiedatum. Als niet langer sprake is van één-en-hetzelfde project, dan moet op basis van het nieuwe kader worden beoordeeld of een natuurvergunning nodig is voor het nieuwe project. Als de uitkomst daarvan is dat de activiteit zonder vereiste natuurvergunning wordt verricht dan is het college bevoegd om daartegen handhavend op te treden.
6.1. Naar het oordeel van de rechtbank kan het houden van meer dan 2.510 melkgeiten niet worden aangemerkt als één-en-hetzelfde project ten opzichte van de geldende natuurvergunning uit 2015. Een wijziging in de aantallen en categorieën dieren die worden gehouden leidt immers tot een wijziging van de exploitatie van het bedrijf die op grond van die vergunning niet is toegestaan (zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 23 juli 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:3389) overweging 5.4). Dit houdt in dat het standpunt van het college dat geen sprake meer was en is van een overtreding van de Wnb onjuist is.
8.1. Het is aan het college om te onderzoeken of aan deze voorwaarden wordt voldaan. Daarbij merkt de rechtbank op dat duidelijk is dat vergunninghouder niet alleen ín de periode tussen 1 januari 2020 en 1 januari 2025 verschillende aantallen geiten heeft gehouden, maar ook al voor die tijd. Het is voor de rechtbank nog onvoldoende duidelijk welke relevante wijzigingen er in die periode hebben plaatsgevonden danwel fysiek zijn gestart. De rechtbank leidt uit de uitspraak van deze rechtbank van 5 januari 2024 (ECLI:NL:RBGEL:2024:25.) over de uitbreiding van stallen van eiser en de wijziging van dieraantallen, af dat sprake is geweest van het verlengen van stallen, het aanbrengen van mechanische ventilatie en het op enig moment willen plaatsen van luchtwassers. Het is de rechtbank echter niet duidelijk in hoeverre die verschillende aspecten daadwerkelijk fysiek zijn uitgevoerd of gestart tussen 2020 en 2025. Daarbij merkt de rechtbank op dat uit de uitspraak van 5 januari 2024 in ieder geval volgt dat volgens vergunninghouder tijdelijk extern moest worden gesaldeerd omdat de luchtwassers pas later zou worden geplaatst. Het is aan het college om hier duidelijkheid over te krijgen en dan te beoordelen welke activiteiten tussen 1 januari 2020 en 1 januari 2025 fysiek zijn gestart en nog steeds plaatsvinden én in hoeverre die ertoe leidden dat andere aantallen geiten op grond van intern salderen aanwezig mochten zijn. Pas als daar duidelijkheid over is, kan het college beoordelen of, en tot welke grenzen, vergunninghouder een beroep kan doen op de overgangsregeling.
* Rechtbank Gelderland 28 oktober 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:8998: Awb, Wabo; buiten behandeling stellen aanvraag omgevingsvergunning, strijd bpl, supermarkt, Dienstenrichtlijn, verstrekte gegevens en bescheiden, Mor, indieningsvereisten, ruimtelijke onderbouwing, situatietekening, wenselijk en haalbaar, goede ruimtelijke onderbouwing, inhoudelijke beoordeling
5.1. In artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat het college kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, wanneer de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking. In de Regeling omgevingsrecht (de Mor) zijn indieningsvereisten opgenomen die gelden voor het indienen van een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het gebruik van gronden of bouwwerken in strijd met planologische voorschriften. Op grond van artikel 3.2, aanhef en onder b, van de Mor moet de aanvrager gegevens verstrekken over de gevolgen van het beoogde gebruik voor de ruimtelijke ordening (ruimtelijke onderbouwing). Verder moet de aanvrager op grond van 3.2, aanhef en onder d, van de Mor een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand verstrekken. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) dat het aan het college is om te beoordelen of het over voldoende gegevens en bescheiden beschikt om een besluit op een aanvraag te nemen (ECLI:NL:RVS:2023:3066). Gelet hierop moet de rechtbank de vraag beantwoorden of het college in redelijkheid om de aanvullende stukken heeft kunnen vragen om de aanvraag te kunnen beoordelen.
5.2. De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt vast dat eiseres niet alle gegevens heeft verstrekt die nodig zijn voor de beoordeling van de aanvraag. Weliswaar kan volgens vaste rechtspraak, indien de aanvrager van een omgevingsvergunning van mening is dat het niet toestaan van de door hem aangevraagde activiteit in strijd is met een hogere regeling, zoals de Dienstenrichtlijn, dat ook in die procedure aanvoeren (ECLI:NL:RVS:2024:1269). Dit betekent echter niet dat de indieningsvereisten die gelden op grond van de Mor niet meer van toepassing zijn. Het blijft aan het college om te beoordelen of het over voldoende gegevens beschikt om een besluit op de aanvraag te kunnen nemen. Met betrekking tot de situatietekeningen en de ruimtelijke onderbouwing heeft eiseres de gevraagde, noodzakelijke gegevens niet aangeleverd. Het college moet kunnen beoordelen of een supermarkt op de betreffende locatie wenselijk en haalbaar is en of er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Door dit gebrek aan gegevens heeft het college geen inhoudelijke beoordeling kunnen maken, zodat het college in redelijkheid heeft kunnen besluiten de aanvraag buiten behandeling te laten.
¶ Rechtbank Gelderland 27 oktober 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:8975: Awb, Ow; afwijzing handhavingsverzoek gemeenteweg, geluid, Besluit kwaliteit omgeving, overtreding, overgangsrecht, toedeling gemeentelijke taken fysieke leefomgeving, basisgeluidemissie, EVRM, uitbreiding reikwijdte handhavingsverzoek
4.1. De rechtbank stelt allereerst vast dat deze zaak enkel gaat over het geluid van de [locatie 2], een gemeenteweg waarvoor het college verantwoordelijk is (zie artikel 2.16 lid 1 aanhef en onder c van de Omgevingswet). Voor geluidsoverlast van een provinciale weg of een rijksweg is respectievelijk de provincie of de Staat verantwoordelijk en eventuele overlast van die wegen maakt daarom geen onderdeel uit van deze procedure.
4.2. De rechtbank is van oordeel dat het college terecht concludeert dat geen wettelijke regel wordt overtreden en dat het college daarom geen maatregelen hoeft te nemen. In het Bkl zijn in paragraaf 3.5 regels gesteld over het geluid van wegen. In deze regels is geen maximale geluidsbelasting voor bestaande woningen opgenomen. Voor nieuwe woningen gelden wel regels, maar daar is in de situatie van eisers geen sprake van. Zo volgt uit artikel 5.78t van het Bkl dat voor nieuw te bouwen woningen de standaardwaarde voor geluid van gemeentewegen op de woning niet hoger mag zijn dan 53 L(den). Uit artikel 5.78u van het Bkl volgt dat een omgevingsplan onder voorwaarden als maximale grenswaarde voor geluid van gemeentewegen op nieuwe woningen 70 L(den) kan stellen. (…) Verder volgt uit het overgangsrecht dat bestaande woningen pas in aanmerking voor sanering komen als de maximale geluidsbelasting van gemeentewegen meer dan 70 L(den) bedraagt. Dit blijkt uit artikel 15.2 lid 2 onder d van het Omgevingsbesluit waarin wordt verwezen naar tabel 3.35 van het Bkl. In die tabel is de maximale grenswaarde voor geluid van gemeentewegen 70 L(den). Ook artikel 2.16 van de Omgevingswet biedt geen grondslag voor handhaving omdat dit artikel ziet op toedeling van gemeentelijke taken voor de fysieke leefomgeving. Hoe die taken moeten worden uitgevoerd staat in nadere regelgeving zoals het Bkl. Nu er geen sprake is van overtreding van een wettelijke norm kan het college ook niet handhavend optreden. De beroepsgrond slaagt niet.
5. Wel is ter zitting besproken dat het college in 2026 de basisgeluidemissie van de [locatie 2] gaat vaststellen en vastleggen in het geluidregister. Na het vastleggen van de basisgeluidemissie is het college verplicht de ontwikkeling van het geluid van die weg te monitoren en bij een toename van 1,5 dB te overwegen maatregelen te nemen.
¶ Rechtbank Amsterdam 15 oktober 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:7613: Awb, Ow; aanvraag watervergunning, meldplicht onder Ow, overgangsrecht, melding niet toereikend, exceptieve toetsing Invoeringsbesluit Ow, geen ambtshalve aanmerking als verzoek om maatwerkvoorschriften, niet-ontvankelijkheidsverklaring bezwaar, geen sprake van besluit
4.1. De rechtbank overweegt dat in zijn algemeenheid geldt dat als vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet een aanvraag om een besluit is ingediend op grond van artikel 6.2 van de Waterwet, het oude recht van toepassing blijft tot het besluit onherroepelijk wordt. Dit volgt uit de artikelen 4.1 en 4.3 van de Invoeringswet Omgevingswet.
4.2. Artikel 5.1. van de Invoeringswet Omgevingswet bepaalt onder meer dat als een bepaling, opgenomen in de wet genoemd in artikel 4.1, wordt vervangen door een bepaling in een algemene maatregel van bestuur, de overgangsbepaling die daarvoor nodig is in een algemene maatregel van bestuur wordt opgenomen.
4.3. Niet in geschil is dat in deze zaak voor de aangevraagde activiteit onder de Omgevingswet een meldingsplicht geldt. Op grond van artikel 4.1266 in samenhang met artikel 4.1265 van het Bal is het namelijk verboden om een lozingsactiviteit te verrichten zonder dit ten minste een week voor het begin ervan te melden. In artikel 4.1266 van het Bal zijn ook voorwaarden opgenomen waaraan een melding moet voldoen. Het Bal is een algemene maatregel van bestuur.
4.4. Ook het Invoeringsbesluit Omgevingswet is een algemene maatregel van bestuur. Artikel 8.1.1, vierde lid, van het Invoeringsbesluit Omgevingswet bepaalt dat een aanvraag om een vergunning voor een activiteit die vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet is ingediend en op die activiteit na de inwerkingtreding van de Omgevingswet een meldingsplicht geldt, als een melding geldt van die activiteit. Artikel 4.3 van de Invoeringswet Omgevingswet is in dat geval niet van toepassing.4.5. In de nota van toelichting bij artikel 8.1.1,vierde lid, van het Invoeringsbesluit Omgevingswet staat: “Het vierde lid regelt de situatie dat een onder het oude recht bestaande vergunningplicht onder het nieuwe omgevingsrecht is gewijzigd in een meldingsplicht. In dat geval wordt een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet ingediende aanvraag voor een vergunning na de inwerkingtreding aangemerkt als een melding. Een voorbeeld hiervan is de omgevingsvergunning brandveilig gebruik op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder d, van de Wabo. Ook hierdoor wordt voorkomen dat burgers en bedrijven enerzijds en overheden anderzijds dubbel werk moeten verrichten. Artikel 4.3 van de Invoeringswet Omgevingswet is in dat geval niet van toepassing, om te voorkomen dat alsnog een vergunning op de aanvraag zou worden verleend. Als de omgevingsvergunning brandveilig gebruik al onherroepelijk is, worden op grond van artikel 4.13 van de Invoeringswet Omgevingswet de aan de vergunning verbonden voorwaarden maatwerkvoorschriften.” (Stb. 2020, 400, p. 1908)
4.6. De rechtbank oordeelt dat uit het juridisch kader, gelezen in samenhang met de nota van toelichting bij artikel 8.1.1, vierde lid van het Invoeringsbesluit Omgevingswet, volgt dat het de bedoeling van de wetgever is geweest de door eiser gedane aanvraag om een watervergunning op grond van het overgangsrecht op te vatten als een melding voor de betreffende activiteit. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder het overgangsrecht dus juist toegepast. De beroepsgrond slaagt niet.
4.9. De rechtbank oordeelt allereerst dat door de wetgever expliciet is bedoeld dat – in situaties zoals deze door toepassing van het overgangsrecht uit artikel 8.1.1, vierde lid, van het Invoeringsbesluit Omgevingswet wordt bewerkstelligd – een onder de Waterwet ingediende aanvraag zoals door eiser gedaan na invoering van de Omgevingswet moet worden aangemerkt als melding. Zij verwijst hiervoor naar de in rechtsoverweging 4.5. aangehaalde toelichting bij artikel 8.1.1., vierde lid, van het Invoeringsbesluit Omgevingswet. De rechtbank oordeelt verder dat uit de wet niet volgt dat verweerder een verplichting heeft een bodembeheergebied aan te wijzen. Verweerder heeft die gestelde verplichting ter zitting ook betwist. Verweerder heeft op dit moment nog geen bodembeheergebieden aangewezen, maar zoals gebleken is op de zitting is verweerder daar wel mee bezig. Het voor eiser van belang zijnde bodembeheergebied valt daar weliswaar niet onder, maar naar aanleiding van een eventuele aanvraag om maatwerkvoorschriften kan dat, zoals uitgelegd door verweerder op zitting, in het kader van de in die procedure te verrichten beoordeling mogelijk nog volgen. Van een onmogelijke rechtsgang of hiaten in de regelgeving, zoals door eiser gesteld, is de rechtbank dan ook niet gebleken. Van strijd met het evenredigheidsbeginsel is daarom geen sprake. Er bestaat naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen aanleiding om artikel 8.1.1, vierde lid, van het Invoeringsbesluit Omgevingswet buiten toepassing te laten.
5.1. De mededeling van verweerder dat eiser niet aan de vereisten uit het Bal voldoet omdat bepaalde documenten ontbreken, is naar het oordeel van de rechtbank een bestuurlijk rechtsoordeel. Volgens vaste rechtspraak is een bestuurlijk rechtsoordeel geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Slechts in zeer uitzonderlijke situaties wordt een bestuurlijk rechtsoordeel omwille van de rechtsbescherming met een besluit gelijkgesteld. De algemene lijn in de jurisprudentie is dat het indienen van een aanvraag om een vergunning of het afwachten van een besluit omtrent handhaving niet als een onevenredige bezwarende weg kan worden aangemerkt (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de grote kamer van de Afdeling van 24 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1356).
5.2. De rechtbank oordeelt dat in dit geval geen sprake is van een zeer uitzonderlijke situatie die maakt dat de e-mail van verweerder van 19 maart 2024 met een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb moet worden gelijkgesteld. Daartoe is voor de rechtbank van belang dat voor eiser niet slechts de mogelijkheid bestaat om handhaving uit te lokken, zoals door hem gesteld, maar tevens de mogelijkheid tot het doen van een verzoek om maatwerkvoorschriften zoals hiervoor in rechtsoverweging 4.9 overwogen. De omstandigheid dat de uitkomst daarvan nog ongewis is en/of kan leiden tot een voor eiser nadelig besluit, maakt niet dat deze weg als onevenredig bezwarend moet worden aangemerkt.
* Rechtbank Limburg 17 september 2025, ECLI:NL:RBLIM:2025:9049: Awb, Waterwet; handhaving, bestuursdwang, faillissement, overtreding, rapporten toezichthouder, lozing meststoffen, overtreders, functioneel daderschap, causaliteit, saneringsplicht, kostenverhaalsbeschikkingen
21.1. Wat betreft de strafrechtelijke criteria voor het daderschap van rechtspersonen wijst de Afdeling (ECLI:NL:RVS:2023:2067) op de criteria die zijn geformuleerd in het arrest van de Hoge Raad van 21 oktober 2003, zoals verduidelijkt in het arrest van 26 april 2016 (ECLI:NL:HR:2003:AF7938 (Drijfmest-arrest) en ECLI:NL:HR:2016:733). Daarin is overwogen:
“In zijn arrest van 21 oktober 2003 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat een rechtspersoon kan worden aangemerkt als dader van een strafbaar feit indien de desbetreffende gedraging redelijkerwijs aan die rechtspersoon kan worden toegerekend. Die toerekening is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, waartoe mede behoort de aard van de (verboden) gedraging. Een belangrijk oriëntatiepunt bij de toerekening is of de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Een dergelijke gedraging kan in beginsel worden toegerekend aan de rechtspersoon. Van een gedraging in de sfeer van de rechtspersoon kan sprake zijn indien zich een of meer van de navolgende omstandigheden voordoen:
a) het gaat om een handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking hetzij uit anderen hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon,
b) de gedraging past in de normale bedrijfsvoering of taakuitoefening van de rechtspersoon,
c) de gedraging is de rechtspersoon dienstig geweest in het door hem uitgeoefende bedrijf of in diens taakuitoefening,
d) de rechtspersoon vermocht erover te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en zodanig of vergelijkbaar gedrag werd blijkens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon aanvaard of placht te worden aanvaard, waarbij onder bedoeld aanvaarden mede begrepen is het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van de rechtspersoon kon worden gevergd met het oog op de voorkoming van de gedraging.”
Uit de hiervoor vermelde rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat niet vereist is dat zich alle of meerdere van de onder a tot en met d vermelde omstandigheden voordoen.
22. (…) Gelet op de overweging onder 18 zijn vanuit de locatie [adres 1] meststoffen geloosd en is er derhalve sprake van een overtreding. Dit betekent dat in dat geval volgens de rechtbank is komen vast te staan dat [eiser] de mestlozing feitelijk heeft verricht. Op het moment van de overtreding functioneerde hij als bestuurder binnen [eiseres 1] , waarmee sprake is van fysiek handelen van iemand die indirect werkzaam is voor of ten behoeve van de rechtspersoon [eiseres 2] , zodat voldaan is aan het voormelde criterium a) en c), omdat de gedraging ten bate van de bedrijfsvoering van [eiseres 2] en [eiseres 1] is geweest. Ook konden [eiseres 2] en [eiseres 1] erover beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden. Door niet in te grijpen hebben zij de mestlozing aanvaard, zodat ook aan het voormelde criterium d) wordt voldaan. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat alle drie de eisers overtreder zijn. De beroepsgrond slaagt niet.
25.3. Daargelaten of voldoende aannemelijk is gemaakt dat de sliblaag met meststoffen is verontreinigd heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat, zoals volgt uit de bestreden besluiten (zie de conclusie van het advies van de bezwaren-commissie) de verontreiniging van de sliblaag enkel het gevolg is van een mestlozing van eisers op of omstreeks 25 november 2020. Verweerder heeft onvoldoende onderzocht en gemotiveerd dat de lasten onder bestuursdwang, het verwijderen van het slib, ziet op het ongedaan maken van die (ene) mestlozing. De rechtbank vindt namelijk dat verweerder de causaliteit tussen die overtreding van de artikelen 6.2, eerste lid, en 6.8 van de Ww en de hoeveelheid mest/slib – saneringsplicht voor een groot gedeelte van de sliblaag – van ongeveer 20 centimeter over een afstand van ongeveer één kilometer van in totaal 965 m³ slib, één kilometer stroomafwaarts in de Rosveldlossing11- niet heeft aangetoond. Hiertoe overweegt de rechtbank – zie onder 25.2 – dat de door verweerder gestelde andere lozingen/ overtredingen van eisers niet ten grondslag zijn gelegd aan de lasten onder bestuursdwang, zodat deze mogelijke lozingen en de als gevolg daarvan ontstane (met mest vervuilde en te saneren) sliblaag niet (zonder meer) aan elkaar te koppelen zijn. Tevens is komen vast te staan dat de Rosveldlossing nog nooit gebaggerd is in de afgelopen 40 jaar, waardoor allerminst uitgesloten kan worden dat er eerdere lozingen (van andere bedrijven) dan wel mest afkomstig van andere percelen in de loop der jaren in dit oppervlakte-waterlichaam zijn terecht gekomen en deel uitmaken van de (te saneren) sliblaag. Ook acht de rechtbank het niet waarschijnlijk dat eisers op de door verweerder genoemde dag / in de korte periode (op of omstreeks 25 november 2020) zo’n grote hoeveelheid mest geloosd zouden hebben op de Rakerlossing zo’n twee kilometer vóór het punt waar de sliblaag zich bevindt (in een periode van droogte) waardoor er weinig water stond in de Rakerlossing. Dit is ook duidelijk naar voren gekomen ter zitting waar (via google maps/street view) het hele traject vanaf de plek van de overtreding tot de te saneren lossing is gevolgd en mede op basis waarvan (voldoende) twijfel is gerezen over de causaliteit tussen de overtreding op of omstreeks 25 november 2020 en de door eisers te saneren hoeveelheid mest/slib.
25.4. Gelet hierop zijn de lasten (veel) te verstrekkend. Verweerder heeft niet voldoende gemotiveerd en onderzocht of het verwijderen van de door hem in de lasten onder bestuursdwang vermelde sliblaag het gevolg is van/nodig is in het licht van het ongedaan maken van de gevolgen van die ene overtreding. De rechtbank is hiervan niet overtuigd geraakt. Verweerder had dan ook moeten aantonen welke andere overtredingen er zijn geweest om deze grote hoeveelheid (te verwijderen) slib te hebben opgeleverd en deze aan de lasten ten grondslag moeten leggen, dan wel had hij tot een aanzienlijke beperking van het kostenverhaal moeten komen. (…) Het betoog slaagt.
Samenvattingen van jurisprudentie op STAB-site
Op de website van STAB wordt recente jurisprudentie ook samengevat.
De volgende uitspraken zijn deze week nieuw geplaatst:
Rb Oost-Brabant 7 oktober 2025 Omgevingsvergunning milieu, ambtshalve wijziging, ontwikkeling van de kennis over de kwaliteit van het milieu, verplichting om de lozingsnorm in de vergunning ambtshalve te wijzigen
Rb Noord-Nederland 2 oktober 2025 Verzoek om handhaving, buiten behandeling, op verzoeker rust de plicht om gegevens te overleggen die nodig zijn om op de aanvraag te beslissen en waarover hij redelijkerwijs kan beschikken, maar niet de bewijslast voor een (dreigende) overtreding
Rb Oost-Brabant 19 september 2025 Weigering omgevingsvergunning Bopa, manegevoorziening, onvoldoende gemotiveerd dat geurbelasting in strijd is met ETFAL