Weekoverzicht uitspraken omgevingsrecht
* ABRvS 7 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:78: Awb, Wabo; omgevingsvergunning tijdelijke seniorenwoning, van rechtswege, bezwaar, herroepen en gevraagde omgevingsvergunning alsnog geweigerd, belanghebbende, aangrenzend perceel, bewoners en eigenaren, anderszins zakelijk of persoonlijk gerechtigden, feitelijke gevolgen, van enige betekenis, uitgesloten, zicht, bekendmaking, geldigheidsduur, aanvraag, reëel besluit, heroverweging, artikel 7:11 Awb, weigeringsgronden, weigeringsgronden, artikel 2:4 Awb (Rb Noord-Holland 22/4384)
* ABRvS 6 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:53: Awb, Wro; vovo, bpl, uitbreiding bedrijf, spoedeisend belang, belangenafweging, onomkeerbare gevolgen, afwijzing verzoek
* ABRvS 6 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:57: Awb, Wro; verzoek opheffen voorlopige voorziening, bpl, spoedeisend belang, artikel 2.8 lid Wnb, al passend beoordeeld, Nbw-vergunning, modelleerprogramma OPS Pro, nieuwe basisschool in PB betrokken, opheffen voorlopige voorziening
¶ Rechtbank Amsterdam 31 december 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:10549: Awb, Ow; vovo, omgevingsvergunning opa, kappen bomen, herinrichting openbare ruimte, niet kortsluiten, belang, zicht op woning, spoedeisend belang, gemeentelijke bomenverordening, beleidsruimte, belangenafweging, Bomen Effect Analyse, advies deskundige, alternatieven, participatie, afwijzing verzoek
! Rechtbank Oost-Brabant 30 december 2025, SHE 23/2740: Awb, Wabo; weigering omgevingsvergunning kappen boom, gewone beuk, garage, civiele procedure, niet tijdig beslissen, reëel besluit, procesbelang, niet-ontvankelijk, gemeentelijke verordening, monumentale boom, gemeentelijke database, toelichting, bekendgemaakt, beeldbepalende waarde, belangrijke positieve bijdrage waarde directe omgeving, beoordeling intrinsieke waarden, boombeheerder gemeente, levensverwachting, belangenafweging, plakoksel, schade, nieuw besluit met inachtneming van de uitspraak
* Rechtbank Gelderland 30 december 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:11545: Awb, Wabo; afwijzing aanvraag omgevingsvergunning verplaatsen woning, afwijken bpl, verklaring van geen bedenkingen, gebruiksovergangsrecht, vertrouwensbeginsel, gelijkheidsbeginsel
* Rechtbank Gelderland 29 december 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:11375: Awb, Wnb; weigering intrekken natuurvergunning, kolencentrale, belanghebbendheid, stichting/geen zienswijze, Varkens in Nood, statutaire doelstellingen, feitelijke werkzaamheden, territoriale begrenzing, relatief korte termijn, procesbelang, 18 december-uitspraken, nieuwe natuurvergunning/gehele project, wijzigings-natuurvergunning, oude natuurvergunning geheel vervangen
* Rechtbank Noord-Holland 24 december 2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:15475: Awb, Ow, Gmw; vovo en kortsluiten, handhaving, dwangsom, omgevingsplan, gemeentelijke verordening, overtreder, in staat last uit te (doen) voeren, niet langer eigenaar, artikel 7:11 Awb, volledige heroverweging, dwangsom verbeuren, begunstigingstermijn ten tijde van levering, eigendom, civielrechtelijke aangelegenheid, overtreding, overgangsrecht bpl, zelf in de zaak voorzien
* Rechtbank Midden-Nederland 24 december 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:7083: BW; uitbreidingsplannen, verzorgingsplaats, voornemen sluiten allonge bij de huurovereenkomst, Didam-regels, enige serieuze gegadigde, vergunning op grond van de Wet beheer rijkswaterstaatwerken, gelijkheidsbeginsel, criteria/objectief, toetsbaar en redelijk, Didam I en II, publiekrechtelijke vergunning, verdeelprocedure, prejudiciële vragen Hoge Raad/niet nodig
¶ Rechtbank Gelderland 24 december 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:11477: Awb, Ow; vovo en kortsluiten, omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit (bouwen) en technische bouwactiviteit, woongebouw, bruidsschat, tijdelijk deel omgevingsplan, Besluit kwaliteit leefomgeving, parkeren, beleidsregels, loopafstand, bewonersparkeervergunning, redelijke eisen van welstand, inrichtingsplan, voorwaardelijke verplichting, aannemelijkheidstoets, Besluit bouwwerken leefomgeving, brandveiligheid
* Rechtbank Overijssel 24 december 2025, ECLI:NL:RBOVE:2025:7559: Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouwen, afwijken bpl en aanleggen, zonneveld met energieopslagsysteem, geluid, Activiteitenbesluit milieubeheer, brandveiligheid, advisering brandweer, natuur, quickscan, water, verkeersveiligheid, alternatief, gelijkwaardig resultaat met aanmerkelijk minder bezwaren, waardvermindering, voorschrift, toekomstige ontwikkelingen
* Rechtbank Noord-Nederland 24 december 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:5619: Awb, Wabo; vovo en kortsluiten, wijziging revisievergunning inrichting, omgevingsvergunning afwijken bpl, aanvragen gecombineerd beoordeeld, uov, realiseren tijdelijke noodopvang op een voormalig baggerslibdepot, ambtshalve beoordeling, Chw van toepassing, Invoeringswet Omgevingswet, verklaring van geen bedenkingen, bevoegdheidsvraag, VNG-brochure, relativiteitsvereiste, bodem, bodemonderzoek, fundatiemethode, maximale geluidsniveau, Activiteitenbesluit milieubeheer, omgevingsplan, licht, Richtlijn Lichthinder van de Nederlandse Stichting voor Verlichtingskunde (NSVV), monitoringsvoorschrift, veiligheid, integraal veiligheidsplan
¶ Rechtbank Den Haag 23 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:24942: Awb, Ow; vovo, omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit, ophogen gronden, meetgegevens, waterpas, normaal onderhoud agrarische percelen, beoordelingsregels, advies, afwijzing handhavingsverzoek, zanddepot, Besluit activiteiten leefomgeving, strijd planregels, aantal maanden aanwezig/partijen grond, opslag, normale onderhoud, vaste gedragslijn, toewijzing verzoek, treffen voorlopige voorziening
¶ Rechtbank Gelderland 23 december 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:11398: Awb, Ow; vovo, omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit, woningbouw, omgevingsplanactiviteit bouwwerken, tijdelijk deel omgevingsplan, bruidsschat, binnenplanse afwijkingsbevoegdheid, evenwichtige toedeling van functies aan locaties, bezwaargronden redelijke kans van slagen, heroverweging, herstel gebrek in bezwaar, heipalen, besluit hogere waarden, voorwaarden, geluidwerende kwaliteit gevels, belangenafweging, afwijzing verzoek
* Rechtbank Den Haag 22 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:24224: Awb, Wabo; omgevingsvergunning splitsen woning, maken constructieve doorbraken, feitelijke splitsing, woningvormingsvergunning, geen voorschrift, gemeentelijke huisvestingsverordening, ruimtelijk relevante omstandigheden, reguleren woonvoorraad
* Rechtbank Noord-Nederland 22 december 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:5382: Awb, Woo; bezwaar niet-ontvankelijk, verleende omgevingsvergunning, Woo-verzoek, verzuimherstelbrief, overschrijding fatale termijn, horen in bezwaar, op de zaak betrekking hebbende stukken, dienstbaarheid overheid
* Rechtbank Gelderland 19 december 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:11544: Awb, Wbb; afwijzing handhavingsverzoek, tankstation, brandstoftanks, omhooggaand vulpunt, descente, toepasselijke recht, Aanvullingswet bodem Omgevingswet, bevoegdheid rechtbank, wijziging bijlage 2 van de Awb, omvang van het geding, uitbreiding van de reikwijdte van het handhavingsverzoek, GPS-meting, finale geschilbeslechting, werkzaamheden, in stand laten rechtsgevolgen
* Rechtbank Noord-Nederland 19 december 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:5628: Awb; vovo, handhaving, invordering dwangsom, uitspraak zonder zitting, kennelijk ongegrond, opslaan van autowrakken op een niet aaneengesloten bodemvoorziening, onverwijlde spoed, financieel geschil, bedrag kan alsnog worden (terug)betaald, wettelijke rente, onomkeerbare situatie, acute financiële nood, onderbouwing financiële noodsituatie, mail, herhaalde verzoeken voorzieningenrechter, geen spoedeisend belang, evident onrechtmatig, zonder nader onderzoek, afwijzing verzoek
* Rechtbank Noord-Nederland 19 december 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:5289: Awb, TwG, BW; gedeeltelijke afwijzing verzoek om schadevergoeding, mijnbouwactiviteiten, fysieke schade, bewijsvermoeden, vergewisplicht, deskundig- en/of onpartijdigheid van de ingeschakelde deskundigen, (foto)materiaal, verkeerd afschot, grondboringen en sonderingen, concludent en navolgbaar, absolute zekerheid
* Rechtbank Midden-Nederland 18 december 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:6813: Awb; vovo, bezwaar niet-ontvankelijk, bezwaar- of beroepsprocedure, beroep ongegrond, niet voldoen aan connexiteitsvereiste, verzoek niet-ontvankelijk
* Rechtbank Midden-Nederland 18 december 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:6812: Awb; bezwaar niet-ontvankelijk, bezwaar niet tijdig, kennelijk ongegrond, bewaarschrift te laat ingediend, geen geldige reden, Gemeenteblad, niet verschoonbaar
* Rechtbank Midden-Nederland 17 december 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:6748: Awb, Gmw; toestemming maken uitweg geweigerd, gemeentelijke verordening, horen in bezwaar, telefoongesprek, fysieke hoorzitting, weigeringsgrond, openbare parkeerplaats gaat verloren, geen noodzaak uitweg, aantasting groen, ecoloog
* Rechtbank Den Haag 17 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:24760: Awb, Wnb; weigering aanvraag natuurvergunning, uitbreiding melkrundveehouderij, ontvankelijkheid beroep, algemene beginselen van behoorlijk bestuur, behandeling aanvraag opgeschort, mogelijkheden voor intern en extern salderen onderzoeken, AERIUS-calculator, meest recente wetenschappelijke inzichten, actueel gehouden, artikel 120 Grondwet, toetsingsverbod, evenredigheid, robuuste en effectieve natuurherstelmaatregelen, referentiesituatie
* Rechtbank Oost-Brabant 17 december 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:8635: BW; verklaring voor recht, aansprakelijk voor schade, werkzaamheden, schadevergoeding, riolering, waterleiding, grondwaterstand, bewijsrecht, lacunes (nadere) stelplicht, drainage, Omgevingswet, Waterwet, drinkwaterleiding, watermeterputten, afwijzing vorderingen
¶ Rechtbank Midden-Nederland 16 december 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:6695: Awb, Ow, Gmw; handhaving, dwangsom, omgevingsplan, gemeentelijke horecaverordening, zonder vereiste exploitatievergunning, horecabedrijf, niet evident onrechtmatig, aanvraag omgevingsvergunning, belangenafweging, algemeen belang, financiële belangen verzoekers, afwijzing verzoek
¶ Rechtbank Midden-Nederland 16 december 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:6680: Awb, Ow; vovo, intrekking vier omgevingsvergunningen, (ver)bouwen panden, verrichten bouwactiviteiten, afwijken bpl, constructieve handeling, Invoeringswet Omgevingswet, vonnis in kort geding, bodeprocedure, geen onverwijlde spoed, onomkeerbaarheid, herroepen intrekking, herleven, gewijzigde feiten en omstandigheden/ten tijde behandeling beroep
* Rechtbank Midden-Nederland 16 december 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:6658: Awb, Wvw 1994; verzoek om een verkeersbesluit te nemen, beroep niet tijdig beslissen, weigering een verkeersbesluit te nemen, snelheidsremmer, weigering/gelijkstelling aan een besluit, niet gepubliceerd, geen bezwaarclausule, karakter beslissing, geen procesbelang, geen aanspraak op dwangsommen, besluit van algemene strekking, beroep niet tijdig beslissen/niet-ontvankelijk, maximumsnelheid, wegbeeld, metingen, optimalisatie bestaande situatie, overleg met de politie
* Rechtbank Zeeland-West-Brabant 16 december 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:8968: Awb, Wabo; omgevingsvergunning afwijken bpl, kruimelgevallenregeling, flexwoning voor huisvesting van arbeidsmigranten, ontbreken verzenddatum, passeren gebrek, beleidsregel, woon- en leefklimaat, leefbaarheid, overlastmeldingen, in stand laten rechtsgevolgen
* Rechtbank Midden-Nederland 16 december 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:6831: Awb, Wvw 1994; verkeersbesluit, buslijnen, regulier autoverkeer, geluid, verkeerskundig advies, akoestisch advies, actuele cijfers, verkeerstellingen VRI, belangenafweging, advieswaarde WHO, gezondheid, luchtkwaliteit, overschrijding redelijke termijn, schadevergoeding, einduitspraak na tussenuitspraak
¶ Rechtbank Midden-Nederland 15 december 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:6679: Awb, Ow; weigering aanvraag omgevingsvergunning bopa, legalisatie carport, Besluit kwaliteit leefomgeving, evenwichtige toedeling van functies aan locaties, welstandsadvies, omgevingsplan, welstandsnota, gebiedscriteria, professioneel advies, belangenafweging, motivering, algemeen belang handhaven welstandseisen, nadere toelichting zitting, gelijkheidsbeginsel, gelijke gevallen, geen vergunning verleend, geen ongelijke behandeling
* Rechtbank Midden-Nederland 15 december 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:6790: Awb, Erfgoedwet, Gmw; aanwijzing gemeentelijk monument, niet aanwijzen achtertuin, belanghebbende, natuurlijke personen, eigenaar, of anderszins zakelijk gerechtigde, omwonenden, huurders, anders gebruikers, beroep niet-ontvankelijk, voorgenomen bouwactiviteiten/besluiten die daar op zien
* Rechtbank Midden-Nederland 15 december 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:6792: Awb; bezwaar niet-ontvankelijk, omgevingsvergunning uitbreiden reeds vergunde schuurtjes, bekendmaking, op juiste wijze gepubliceerd, te laat, geen verschoonbare termijnoverschrijding, bereikbaarheid gemeente, indienen pro forma bezwaar, gezondheidsproblemen, inschakelen (juridische) hulp
* Rechtbank Midden-Nederland 15 december 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:6688: Awb; beroep niet tijdig beslissen, alsnog op verzoek beslist, geen procesbelang, beroep niet-ontvankelijk, dwangsom, afwijzing handhavingsverzoek, omgevingsvergunningen bouw woningen/geen voorschriften, voldoende parkeergelegenheid, beleidsregels, stedenbouwkundig plan, geen handhaafbaard document, erfpachtvoorwaarden, gemeente/rechtspersoon, niet afdwingen via bestuursrechtelijke handhaving, civielrechtelijke overeenkomst, geen publiekrechtelijke norm, geen overtreding Awb
* Rechtbank Midden-Nederland 15 december 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:6789: Awb, Erfgoedwet, Gmw; aanwijzing gemeentelijk monument, buiten aanwijzing houden van achterterrein met aanwezige bunkers en woning, actuele belang tijdelijke woningen en gemeentehuis, redengevende beschrijving, monumentale waarden, beoordelingsruimte, voorgeschiedenis, woning staat al op de monumentenlijst, erfgoedverordening, voorbescherming, registratie naar aanleiding aanwijzingsbesluit, vervallen voorbescherming
* Rechtbank Limburg 12 december 2025, ECLI:NL:RBLIM:2025:12368: Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouwen, afwijken bpl en aanleggen inrit, woning, afwegingen gemeenteraad, woonbestemming, advies welstandscommissie, monumentale waarde en ruimtelijke uitstraling, woon- en leefklimaat, alternatief, gelijkwaardig resultaat met aanmerkelijk minder bezwaren, motiveringsgebrek, passeren gebrek
* Rechtbank Midden-Nederland 12 december 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:6772: Awb, Wnb; vovo, niet vaststellen nieuwe effectenafstand drainage, Natura 2000-beheerplan, niet kortsluiten, spoedeisend belang, acute financiële noodsituatie, onderhoudswerkzaamheden bestaande drainage, vergunningvrij, niet evident onrechtmatig, afwijzing verzoek
* Rechtbank Midden-Nederland 12 december 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:6590: Awb, Gmw; afwijzing aanvraag aanwijzen gemeentelijk monument, Verordening fysieke leefomgeving, niet tijdig nemen besluit, procesbelang, alsnog beslist op bezwaar, doel is bereikt, niet-ontvankelijk, buiten termijn verleningsuitspraak, gewone post, e-mail, normale maatschappelijke risico, gestelde negatieve financiële gevolgen, belangenafweging, regels bestemmingsplan, bestaande nokrichting en kapvorm, beschermd dorpsgezicht, welstandsadvies, materialen, gestelde schade aanvaard, einduitspraak na tussenuitspraak
* Rechtbank Midden-Nederland 12 december 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:6713: Awb, Wabo; vovo, handhaving, bouwstop, dwangsom, bouwen zonder omgevingsvergunning, onverwijlde spoed, bouwwerk wind- en waterdicht maken, geen spoedeisend belang, niet evident onrechtmatig, afwijzing verzoek
* Rechtbank Midden-Nederland 12 december 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:6828: Awb, Wabo; afwijzing aanvraag omgevingsvergunning, activiteiten bouwen, afwijken bpl en wijzigen gemeentelijk monument, plaatsen hekwerk bij een monumentale elevator, niet tijdig beslissen, alsnog beslist, geen procesbelang, beroep niet tijdig beslissen/niet-ontvankelijk, stedenbouwkundig advies, geen contrarapportage, foto’s, belemmering zicht, gelijkheidsbeginsel
¶ Rechtbank Midden-Nederland 11 december 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:6620: Awb, Ow; handhaving, dwangsom, bouwen van een schuur en een overkapping/veranda, omgevingsplan, bebouwingsgebied, percentage vergunningvrije bouwwerken, verzoek om rechtstreeks beroep, wijzigen omgevingsplan/gemeenteraad bevoegd, feitelijke handeling, oorspronkelijke hoofdgebouw, overtreding, wijze van meten, 10%-regeling, binnenplanse afwijkingsbevoegdheid, Besluit bouwwerken leefomgeving, vertrouwensbeginsel, gelijkheidsbeginsel, evenredigheidsbeginsel
* Rechtbank Midden-Nederland 11 december 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:6655: Awb; bewaar niet-ontvankelijk, omgevingsvergunning airco-unit, belanghebbende, gevolgen van enige betekenis, woon- en leefsituatie, afstand, geen zicht, geluid, persoonlijk belang
* Rechtbank Limburg 10 december 2025, ECLI:NL:RBLIM:2025:12172: Awb, Wabo; weigering omgevingsvergunning wijzigen monument, vervangen kozijnen, beschermd gemeentelijk monument, aanwijzing in bestemmingsplan, Erfgoedverordening, apart besluit, beschikking, rechtsregel, dubbelbestemming, aanduiding, belang van de monumentenzorg, advies monumentencommissie, historische bouwmaterialen, overschrijding redelijke termijn, schadevergoeding
* Rechtbank Limburg 10 december 2025, ECLI:NL:RBLIM:2025:12209: Awb, Wabo; buiten behandeling stellen aanvraag, nieuwbouw woning, hersteltermijn, aard en omvang gevraagde gegevens en bescheiden, termijn te kort, reactie principeverzoek, werkvoorraad, detailtekeningen, hanteren strakkere termijnen, nieuw besluit met inachtneming uitspraak
¶ Rechtbank Limburg 10 december 2025, ECLI:NL:RBLIM:2025:12173: Awb, Ow; weigering omgevingsvergunning jachtgeweeractiviteit, strafbeschikking, APV, Besluit kwaliteit leefomgeving, Circulaire wapens en munitie 2019, vrees voor misbruik, evenredigheid
¶ Rechtbank Noord-Holland 9 december 2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:15465: Awb, Ow; vovo, omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit (bouwwerken) en technische bouwactiviteit, opbouw wind- en waterdicht, afbreken, feitelijke situatie, eigen risico, privacy en uitzicht, omgevingsplan, bouwhoogte, afwijzen verzoek
* Rechtbank Noord-Holland 4 december 2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:15482: Awb, Wm; handhaving, dwangsom, Activiteitenbesluit milieubeheer, tennis en padel, samengestelde besluit, artikel 6:19 lid 1 Awb, bevoegdheid, langtijdgemiddelde beoordelingsniveau, geluidsonderzoek, geluidmetingen, modelleringskeuzes, overtreding, beginselplicht tot handhaving, inrichting als zodanig, afzonderlijke onderdelen of activiteiten binnen de inrichting, zelf in de zaak voorzien, treffen voorlopige voorziening
* Rechtbank Midden-Nederland 2 december 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:6584: Awb, Wabo; omgevingsvergunning afwijken bpl, realiseren zonneweide, toepasselijke recht, Invoeringswet Omgevingswet, Chw, aanleg van een productie-installatie ten behoeve van hernieuwbare elektriciteit door zonne-energie, artikel 1.6a Chw, goede procesorde, Wnb-vergunningplicht, relativiteitsvereiste, gemeentelijk beleid, beleidskader, omgevingsvisie, provinciale verordening, alternatief, Kamerbrief, aangescherpte voorkeursvolgorde zon
* Rechtbank Midden-Nederland 21 november 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:6588: Awb, Woningwet; afwijzing handhavingsverzoek, herhaald verzoek, werfkelder, toepasselijke recht, Invoeringswet Omgevingswet, Bouwbesluit 2012, artikel 4:6 Awb, standzekerheidsprobleem, geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden
* Rechtbank Amsterdam 20 november 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:9204: Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouwen en afwijken bpl, tijdelijke basisschool, tijdelijke (modulaire) bebouwing, geluid, geluidschermen, geluidsonderzoek, toetsing en akkoord omgevingsdienst, geen deskundig tegenadvies, alternatief, gelijkwaardig resultaat met aanmerkelijk minder bezwaren, schadevergoeding, planschadeverzoek, overeenkomst
* Rechtbank Amsterdam 19 november 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:8844: BW; verkoop appartementsrecht, verklaring voor recht, non-conformiteit, dwaling, schade, bestemmingsplan, gebruik woning, weigering omgevingsvergunning afwijken bpl, klachttermijn, recht om een vordering in te stellen, onderbouwen verweer, bewijsstukken, overgangsrecht bestemmingsplan, algemene maatstaven/normaal gebruik, (ver)bouwmogelijkheden, ‘volledige’ woonbestemming, lasten en beperkingen uit besluiten van algemene strekking, mededelingsplicht, onderzoeksplicht, publiekrechtelijke status appartementsrecht, taxatiekosten
* Rechtbank Midden-Nederland 15 oktober 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:6811: Awb, Wabo; afwijzing aanvragen omgevingsvergunning activiteit bouwen, planologische “witte vlek”, artikel 4.1 lid 3 Wro, provinciale verordening, instructieregels/geen directe werking, voorbeschermingsregel, UNESCO-werelderfgoed, schootsvelden, ontheffing, open landschap, zichtlijnen
* Rechtbank Noord-Nederland 9 oktober 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:5621: Awb, Woningwet; handhaving, invordering, toepasselijke recht, Invoeringswet Omgevingswet, Besluit bouwwerken leefomgeving, brandveiligheid, brandwerendheid, gronden over lod/uitzonderlijke gevallen, overtreding, brandwerende scheiding, elektrische bedrading, NEN 1010:1962, Regeling Bouwbesluit, rapport toezichthouder, overtrederschap, eigenaar, begunstigingstermijn, evenredigheid
* Gerechtshof Den Haag 1 oktober 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:2593: Awb, Gmw, Wm; aanslag afvalstoffenheffing, gemeentelijke verordening afvalstoffenheffing, inzamelplicht, redelijke afstand, inzamelpunt, openbare rijverkeer, vuilniswagens, particulier terrein, zandweg, geregeld kunnen ontstaan, Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, Arbeidsomstandighedenwet, onrechtmatige daad/belastingrechter onbevoegd
* Rechtbank Midden-Nederland 29 september 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:6400: Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouwen en afwijken bpl, kruimelgevallenregeling, hobbymatig gebruik, kluswerkzaamheden aan auto’s, inschrijving KvK, controles, geen bedrijfsmatige activiteiten, handhaving, ruimtelijke aanvaardbaarheid, welstand, deskundigenadvies
* Rechtbank Limburg 24 september 2025, ECLI:NL:RBLIM:2025:9187: Awb, Wabo; omgevingsvergunning beperkte milieutoets (OBM), veranderen varkenshouderij, luchtwassers, verklaring van geen bedenkingen, referentiesituatie, milieutoestemming, laagst vergunde referentiesituatie, verandering beoordelingskader, 18 december-uitspraken, één-en-hetzelfde project, natuurvergunning nodig, gewijzigd en daarmee nieuw project, intern salderen, overschrijding redelijke termijn, schadevergoeding
* Rechtbank Gelderland 28 juli 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:11546: Awb, Wabo; afwijzing handhavingsverzoek, stapel boomstammen, belanghebbende, effectieve geschilbeslechting, afstand, zicht, woonbestemming, ruimtelijke uitstraling, landelijke karakter omgeving, erfinrichtingsplan, omgevingsvergunning, normaal onderhoud, algemeen spraakgebruik, Van Dale, beginselplicht tot handhaving, bijzondere omstandigheden, evenredigheid
* Rechtbank Limburg 6 mei 2025, ECLI:NL:RBLIM:2025:4285: Awb, Wet tegemoetkoming schade bij rampen; schadevergoeding, agrarisch bedrijf, teelt van groenen en wortel- en knolgewassen, retentiegebied, Regeling tegemoetkoming waterschade in Limburg en het onbedijkte gebied langs de Maas in Noord-Brabant in juli 2021, exceptieve toetsing, beslissingsruimte, steunregeling, algemeen karakter, eigen risico, evenredigheid, tegemoetkoming, eigen risico, voorzienbaarheid, schadeveroorzakende gebeurtenis, coulance, civiele rechter, opruimingskosten, zelf in de zaak voorzien
¶ = uitspraak waarop de Omgevingswet materieel van toepassing is (dus niet de uitspraken die vallen onder het overgangsrecht)
# = betrokkenheid STAB
! = (nog) niet gepubliceerd
Bijzondere overwegingen
* ABRvS 7 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:78: Awb, Wabo; omgevingsvergunning tijdelijke seniorenwoning, van rechtswege, bezwaar, herroepen en gevraagde omgevingsvergunning alsnog geweigerd, belanghebbende, aangrenzend perceel, bewoners en eigenaren, anderszins zakelijk of persoonlijk gerechtigden, feitelijke gevolgen, van enige betekenis, uitgesloten, zicht, bekendmaking, geldigheidsduur, aanvraag, reëel besluit, heroverweging, artikel 7:11 Awb, weigeringsgronden, weigeringsgronden, artikel 2:4 Awb (Rb Noord-Holland 22/4384)
4.1. (…) Het voorgaande betekent dat de van rechtswege gegeven vergunning bekend is gemaakt en in werking is getreden. Het voorgaande betekent ook dat de brief van 20 december 2021 niet kan worden aangemerkt als het reële besluit. De uitspraak van de Afdeling van 15 september 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2071, onder 3.2, waarnaar de rechtbank verwijst, ziet op de situatie dat het bestuursorgaan alsnog een reëel besluit op de aanvraag neemt door de vergunning te weigeren en dat besluit niet in rechte is aangevochten. Dit is hier niet het geval.
4.2. Verder overweegt de Afdeling dat vanaf het moment dat de van rechtswege gegeven vergunning bekend is gemaakt, belanghebbenden bezwaar kunnen maken tegen die vergunning. (…) Omdat bezwaar is gemaakt tegen de van rechtswege gegeven omgevingsvergunning, diende het college ingevolge artikel 7:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op grondslag daarvan een volledige heroverweging van de bestreden van rechtswege gegeven omgevingsvergunning uit te voeren. Het college heeft gelet daarop het bouwplan terecht alsnog getoetst aan de in de Wabo opgenomen weigeringsgronden en daarbij tevens beoordeeld of het bereid is om omgevingsvergunning te verlenen voor het afwijken van het bestemmingsplan. De Afdeling verwijst ter vergelijking naar haar uitspraak van 8 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3035, onder 3.1. Onder deze omstandigheden is, anders dan [appellant] stelt, van een intrekking van een vergunning als bedoeld in artikel 2.33 van de Wabo geen sprake. Aan een toets aan de in dat artikel genoemde intrekkingsgronden, wordt daarom niet toegekomen. De Afdeling voegt daaraan toe dat de onderhavige situatie ook niet vergelijkbaar is met een intrekking van een vergunning als bedoeld in artikel 2.33 van de Wabo. De van rechtswege gegeven vergunning was door de bekendmaking ervan op 20 december 2021 en de omstandigheid dat daartegen bezwaar kon worden gemaakt nog niet in rechte onaantastbaar. Verder moet het college na een volledige heroverweging van het primaire besluit, in dit geval de van rechtswege gegeven en bekendgemaakte vergunning, dat primaire besluit ingevolge artikel 7:11, tweede lid, van de Awb uitdrukkelijk herroepen als het college na die heroverweging vindt dat de gevraagde vergunning alsnog moet worden geweigerd.
* Rechtbank Gelderland 30 december 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:11545: Awb, Wabo; afwijzing aanvraag omgevingsvergunning verplaatsen woning, afwijken bpl, verklaring van geen bedenkingen, gebruiksovergangsrecht, vertrouwensbeginsel, gelijkheidsbeginsel
9.1. Om te beoordelen of een beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt, moet de rechtbank in beginsel drie stappen doorlopen (ECLI:NL:RVS:2019:1694).
1. Is er sprake van een toezegging?
2. Kan de toezegging worden toegerekend aan het bevoegde bestuursorgaan?
Als de eerste twee stappen bevestigend worden beantwoord dan betekent dit dat er gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt.
3. Zijn er zwaarwegende belangen die zich verzetten tegen honorering van het opgewekte vertrouwen.
9.2. Met betrekking tot de eerste stap heeft het college in het verweerschrift uiteengezet dat uit de door eiseres overgelegde stukken geen concreet bewijs is overgelegd dat er ondubbelzinnige toezeggingen zijn gedaan. De rechtbank overweegt dat de omstandigheid dat eiseres in de verkennende fase een positieve grondhouding bij de wethouder heeft bespeurd, niet betekent dat zij aannemelijk heeft gemaakt dat een vergunning zou worden verleend. Bovendien kan er niet aan worden voorbijgegaan dat uitspraken van wethouders niet bindend zijn voor de gemeenteraad bij het al dan niet afgeven van een vvgb (stap 2). Om te voorkomen dat afbreuk wordt gedaan aan de ruimte van de (democratisch gekozen) gemeenteraad om een eigen belangenafweging te maken, kunnen handelingen van het college van burgemeester en wethouders de gemeenteraad alleen binden als hij daarmee instemt (uitspraak van de Afdeling van 31 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3085). Het staat de gemeenteraad vrij om over het toestaan van de functie ‘wonen’ op perceel [perceelnummer 2] een eigen ruimtelijke afweging te maken en de vvgb te weigeren. De gemeenteraad heeft hierin een eigen bevoegdheid en is niet gebonden aan eventuele toezeggingen van (leden van) het college.
9.3. Op grond van artikel 2.20a van de Wabo is het college vervolgens verplicht om de gevraagde omgevingsvergunning, bij het ontbreken van een vvgb van de raad, te weigeren. Het college heeft niet de bevoegdheid om desondanks de omgevingsvergunning toch te verlenen vanwege eventuele toezeggingen om medewerking te verlenen aan de realisatie van een woonrecht op perceel [perceelnummer 2].
* Rechtbank Gelderland 29 december 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:11375: Awb, Wnb; weigering intrekken natuurvergunning, kolencentrale, belanghebbendheid, stichting/geen zienswijze, Varkens in Nood, statutaire doelstellingen, feitelijke werkzaamheden, territoriale begrenzing, relatief korte termijn, procesbelang, 18 december-uitspraken, nieuwe natuurvergunning/gehele project, wijzigings-natuurvergunning, oude natuurvergunning geheel vervangen
3.5. Op deze manier heeft de wetgever het mogelijk gemaakt dat ideële organisaties – zoals Stichting MOB – zaken aan de bestuursrechter kunnen voorleggen om op te komen voor het algemene belang. Aan de andere kant is het niet de bedoeling van de wetgever geweest dat hierdoor iedereen zomaar toegang tot de bestuursrechter krijgt. De combinatie van doelstellingen en feitelijke werkzaamheden werpt daartegen een drempel op en om die reden moeten die feitelijke werkzaamheden er ook echt zijn. In de rechtspraak wordt dit zo uitgelegd, dat het niet voldoende is als een organisatie alleen maar rechtelijke procedures voert (bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling 8 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:957, overweging 4.2).
3.7. De rechtbank heeft Stichting MOB gevraagd om schriftelijk inlichtingen te geven over haar feitelijke werkzaamheden. Dat kan de rechtbank in de fase van het vooronderzoek doen op grond van artikel 8:45, eerste lid, van de Awb. De rechtbank zag daar aanleiding toe omdat de belanghebbendheid van Stichting MOB, anders dan die van de Coöperatie MOB (zie ter vergelijking de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 18 juni 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:3813), voor zover de rechtbank bekend, nog niet eerder is beoordeeld. Omdat de Stichting MOB op 10 mei 2023 is opgericht en het bestreden besluit is genomen op 27 november 2023, is er sprake van een relatief korte termijn tussen de oprichting en het einde van de beroepstermijn waarin de feitelijke werkzaamheden kunnen zijn verricht.
3.10. De Stichting MOB is gelet op de doelstellingen en de feitelijke werkzaamheden naar het oordeel van de rechtbank aan te merken als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb.
4.3. In de eerder genoemde uitspraken van 18 december 2024 heeft de Afdeling overwogen dat de aanvraag voor een natuurvergunning betrekking heeft op het gehele project na wijziging, dus inclusief de ongewijzigde onderdelen van een project die worden voortgezet. Bij een geheel nieuw project ziet de aanvraag op dat nieuwe project. De rechtbank leidt hieruit af dat een nieuwe natuurvergunning ziet op het gehele project en dat het dus niet mogelijk is om met toepassing van artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb een wijzigings-natuurvergunning te verlenen. De nieuwe natuurvergunning vervangt de oude natuurvergunning immers in zijn geheel. Voor zover eisers hebben betoogd dat uit de nieuwe natuurvergunning van 20 november 2023 volgt dat de oude natuurvergunning van 21 februari 2007 niet is vervangen, overweegt de rechtbank dat uit de nieuwe natuurvergunning, en het herstelbesluit van 24 september 2025, inderdaad lijkt te volgen dat het college zich in die natuurvergunning op het standpunt stelt dat de oude natuurvergunning zijn werking behoudt. (…) De juistheid van de nieuwe natuurvergunning en de daarin opgenomen voorschriften liggen in deze procedure echter niet voor. Het is aan de Afdeling om daarop in het beroep tegen de nieuwe natuurvergunning in te gaan. Deze natuurvergunning kan bovendien niets afdoen aan de omstandigheid dat de werking van een vergunning volgt uit de wet, en niet uit een vergunning. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen is de oude natuurvergunning vervangen door de nieuwe natuurvergunning. Als de rechtbank het bestreden besluit zou vernietigen, en het college dus een nieuw besluit op de aanvraag zou moeten nemen, dan zou het college de aanvraag slechts kunnen weigeren. De natuurvergunning waarvan om intrekking is verzocht bestaat immers niet meer. Voor zover eisers op de zitting naar voren hebben gebracht dat de oude natuurvergunning met terugwerkende kracht moet worden ingetrokken, overweegt de rechtbank dat dit een uitbreiding van het aan dit geschil ten grondslag liggende verzoek tot intrekking van de vergunning is. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat eisers hun doel, intrekking van de oude natuurvergunning, niet langer kunnen bereiken. Een eventuele vernietiging van de nieuwe natuurvergunning voor een nieuw project betreft een onzekere toekomstige gebeurtenis, die niet maakt dat op dit moment procesbelang bestaat.
* Rechtbank Noord-Nederland 24 december 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:5619: Awb, Wabo; vovo en kortsluiten, wijziging revisievergunning inrichting, omgevingsvergunning afwijken bpl, aanvragen gecombineerd beoordeeld, uov, realiseren tijdelijke noodopvang op een voormalig baggerslibdepot, ambtshalve beoordeling, Chw van toepassing, Invoeringswet Omgevingswet, verklaring van geen bedenkingen, bevoegdheidsvraag, VNG-brochure, relativiteitsvereiste, bodem, bodemonderzoek, fundatiemethode, maximale geluidsniveau, Activiteitenbesluit milieubeheer, omgevingsplan, licht, Richtlijn Lichthinder van de Nederlandse Stichting voor Verlichtingskunde (NSVV), monitoringsvoorschrift, veiligheid, integraal veiligheidsplan
4.2. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de Chw wel van toepassing is. Uit artikel 1.1, eerste lid, van de Chw, gelezen in samenhang met categorie 3.1 van bijlage I van de Chw, volgt dat de Chw onder meer van toepassing is op omgevingsvergunningen waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3º, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) wordt afgeweken van het bestemmingsplan ten behoeve van de bouw van elf of meer woningen. In dit geval is sprake van een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van de genoemde bepaling van de Wabo wordt afgeweken van het bestemmingsplan. De omgevingsvergunning maakt de bouw mogelijk van gebouwen voor de huisvesting van circa 500 asielzoekers in 80 wooneenheden. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kunnen deze wooneenheden worden aangemerkt als woningen in de zin van categorie 3.1 van bijlage I van de Chw. Daarbij is van belang dat elke wooneenheid zal bestaan uit woon-/slaapkamers met daarnaast een toilet, een douche en een kookgelegenheid. Hieruit volgt dat de wooneenheden beschikken over eigen (woon)voorzieningen. Vgl. ook de uitspraken van de rechtbank Overijssel van 24 april 2024, ECLI:NL:RBOVE:2024:2226 en van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 7 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2376. Verder geldt dat de wooneenheden moeten voldoen aan de eisen uit het Bouwbesluit 2012.
* Rechtbank Gelderland 19 december 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:11544: Awb, Wbb; afwijzing handhavingsverzoek, tankstation, brandstoftanks, omhooggaand vulpunt, descente, toepasselijke recht, Aanvullingswet bodem Omgevingswet, bevoegdheid rechtbank, wijziging bijlage 2 van de Awb, omvang van het geding, uitbreiding van de reikwijdte van het handhavingsverzoek, GPS-meting, finale geschilbeslechting, werkzaamheden, in stand laten rechtsgevolgen ABRvS
2.9. Op maandag 8 december 2025 heeft de rechtbank een descente gehouden op de locatie waar het vulpunt van de betreffende brandstoftank in de weg is gesitueerd. Met instemming van partijen tijdens de descente heeft de rechtbank het onderzoek gesloten zonder een nadere zitting te houden.
5. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet, de Invoeringswet Omgevingswet en de Aanvullingswet bodem Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 3.2a van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet zijn, op gevallen waarin de veroorzaakte verontreiniging of aantasting als bedoeld in artikel 13 van de Wbb voor het tijdstip van de inwerkingtreding van de Omgevingswet is veroorzaakt, de artikelen 13, 27, 88 en 95 van de Wbb, zoals die luidde voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet van toepassing.
5.1. Op 8 januari 2024 heeft eiser een verzoek tot handhavend optreden ingediend bij het college. In dit verzoek heeft eiser gesteld dat de gemeente op 1 juni 2023 handelingen heeft verricht waarbij het vulpunt inclusief de verbindingen met de onderliggende tanks naar beneden zijn gedrukt en daarmee zijn beschadigd. Dit heeft volgens eiser mogelijk tot een bodemverontreiniging geleid en daarmee heeft de gemeente onder meer artikel 13 van de Wbb heeft overtreden. Dat betekent dat op het verzoek op handhaving het recht, waaronder de Wbb, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
6. De rechtbank overweegt dat tot 1 januari 2024 de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) op grond van artikel 8:6, eerste lid, in samenhang met artikel 2 van bijlage 2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), zoals die op dat moment gold, in ieder geval bevoegd in eerste en enige aanleg kennis te nemen van een beroep tegen een besluit op grond van de Wbb. Met de op 1 januari 2024 in werking getreden Aanvullingswet bodem Omgevingswet is de Wbb ingetrokken en de Awb gewijzigd in die zin dat in artikel 2 van bijlage 2 van de Awb het onderdeel ‘Wet bodembescherming’ is vervallen.
6.1. Uit artikel 3.2a van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet volgt niet, anders dan bijvoorbeeld uit de artikelen 3.1 en 3.2 van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet die als titel ‘eerbiedigend overgangsrecht’ hebben, dat al het recht zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft op een voor dat tijdstip veroorzaakte verontreiniging of aantasting als bedoeld in artikel 13 van de Wbb.
6.2. Het primaire besluit en de beslissing op bezwaar zijn genomen na 1 januari 2024. Dat betekent onder meer dat de Awb, zoals die geldt na 1 januari 2024, van toepassing is. Omdat de Wbb niet meer in artikel 2 van bijlage 2 van de Awb is opgenomen, is niet de Afdeling maar de rechtbank bevoegd om kennis te nemen van het beroep van eiser tegen de beslissing op bezwaar (zie Kamerstukken II 2017/18, 34864, nr. 3, p. 81-82).
8.5. De rechtbank oordeelt dat het college bij de voorbereiding van de beslissing op bezwaar niet de nodige kennis heeft vergaard voordat het kon besluiten om het handhavingsverzoek af te wijzen. Het college heeft een onjuiste GPS-meting ten grondslag gelegd aan het besluit. Blijkens deze GPS-meting is het vulpunt op meer dan 30 cm gelegen onder de bestrating terwijl tijdens de descente door de rechtbank is vastgesteld dat dit 12 cm betreft. Dat de afstand van meer dan 30 cm niet juist kon zijn, blijkt ook uit de foto’s die eiser heeft overgelegd bij zijn handhavingsverzoek, omdat daarop is te zien dat het vulpunt hoger ligt dan de onderkant van de putkraag terwijl die putkraag een hoogte van ongeveer 30 cm heeft. Het had op de weg van het college gelegen om naar aanleiding van het handhavingsverzoek en de bijgevoegde foto’s een controle uit te voeren ter plaatse en niet enkel genoegen te nemen met de GPS-meting. De beroepsgrond slaagt. De rechtbank gaat hierna in op de gevolgen van dit oordeel.
10.2. Artikel 27, eerste lid, van de Wet bodembescherming luidt: Degene die op of in de bodem handelingen verricht als bedoeld in de artikelen 6 tot en met 11 en daarbij kennis neemt van een verontreiniging of aantasting van de bodem die door die handelingen wordt veroorzaakt, maakt zo spoedig mogelijk melding van de verontreiniging of de aantasting bij gedeputeerde staten van de provincie waar zij plaatsvindt, en geeft daarbij aan welke van de in artikel 13 bedoelde maatregelen hij voornemens is te treffen of reeds heeft getroffen.
10.3. Artikel 8, eerste lid, van de Wbb luidt: Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen in het belang van de bescherming van de bodem regels worden gesteld met betrekking tot het uitvoeren of gebruik maken van werken op of in de bodem, waarbij ingrepen worden verricht of stoffen worden gebruikt, die de bodem kunnen verontreinigen of aantasten.
10.4. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet ter discussie staat dat sprake is van een verontreinigde bodem ter plekke en dat de putdeksel is verwijderd. Verder staat ook niet ter discussie dat ruimte tussen de straat en het vulpunt is opgevuld met (schoon) zand en het ontstane gat in het wegdek is bestraat met klinkers. Wel staat tussen partijen ter discussie of tijdens deze werkzaamheden schade is toegebracht aan het vulpunt en of de gemeente in strijd heeft gehandeld met artikel 27 van de Wbb door de werkzaamheden niet te melden bij gedeputeerde staten.
10.5. De rechtbank oordeelt dat het college heeft kunnen besluiten dat de gemeente niet in strijd heeft gehandeld met artikel 27 van de Wbb. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat door de verrichte werkzaamheden op 1 juni 2023 de bodem is verontreinigd dan wel aangetast. Met de verrichte werkzaamheden is enkel de putruimte om het vulpunt opgevuld met schoon zand en het gat in het wegdek bestraat met straatklinkers. Dat daarbij het vulpunt naar beneden is gedrukt en beschadigd, is niet aannemelijk geworden. De rechtbank heeft tijdens de descente vastgesteld dat het vulpunt niet beschadigd is en ook geen zichtbare verschijnselen vertoonde dat dit vulpunt onder (hevige) druk verder in de bodem is gedrukt. Tijdens de descente is met een rolmaat de diepte van het vulpunt en de tank gemeten. Daarbij zijn geen belemmeringen (zoals kniks in de vulbuis) geconstateerd. Ook is niet gebleken van verzakkingen als gevolg van schade aan het vulpunt of de tank, terwijl verzakkingen wel voor de hand liggen als er beschadigingen aan de tank of de vulbuis zijn opgetreden. Gelet hierop is het niet aannemelijk sprake is geweest van enige beroering van de diepere ondergrond. Dat tijdens latere werkzaamheden grond uit de bodem is opgegraven die vreemd gekleurd was en een sterke oliegeur had, ook als dat juist zou zijn, betekent niet dat die verontreiniging is veroorzaakt door de verrichte werkzaamheden op 1 juni 2023. Zo blijkt uit de onderzoeken die de Provincie Gelderland in het verleden heeft verricht dat de bodem ter plekke al reeds was verontreinigd. Gelet hierop komt de rechtbank niet toe aan de vraag of de verrichte werkzaamheden geschaard kan worden onder de categorie handelingen als bedoeld in de artikelen 6 tot en met 11 van de Wbb. De beroepsgrond slaagt niet.
10.6 De rechtbank is concluderend van oordeel dat de rechtsgevolgen in stand kunnen blijven omdat tijdens de descente alsnog is gebleken dat de conclusie van de beslissing op bezwaar (namelijk dat er geen overtreding heeft plaatsgevonden) juist is.
* Rechtbank Den Haag 17 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:24760: Awb, Wnb; weigering aanvraag natuurvergunning, uitbreiding melkrundveehouderij, ontvankelijkheid beroep, algemene beginselen van behoorlijk bestuur, behandeling aanvraag opgeschort, mogelijkheden voor intern en extern salderen onderzoeken, AERIUS-calculator, meest recente wetenschappelijke inzichten, actueel gehouden, artikel 120 Grondwet, toetsingsverbod, evenredigheid, robuuste en effectieve natuurherstelmaatregelen, referentiesituatie
8.1. De rechtbank stelt voorop dat artikel 2.8, derde lid, van de Wnb een bepaling in een wet in formele zin is. Het toetsingsverbod uit artikel 120 van de Grondwet staat eraan in de weg dat deze bepaling wordt getoetst aan het evenredigheidsbeginsel.
8.2. Dat neemt niet weg dat de rechter in bepaalde gevallen een wetsbepaling buiten toepassing kan laten. Daartoe bestaat aanleiding als toepassing van die bepaling in verband met daarin niet verdisconteerde omstandigheden in strijd zou komen met een fundamenteel rechtsbeginsel (zoals het evenredigheidsbeginsel). Als sprake is van bijzondere omstandigheden die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever, kan aanleiding bestaan om tot een andere uitkomst te komen dan waartoe toepassing van de wettelijke bepaling leidt. Dat is het geval indien die niet verdisconteerde bijzondere omstandigheden de toepassing van de wettelijke bepaling zozeer in strijd doen zijn met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht dat die toepassing achterwege moet blijven. Zie de uitspraak van de Afdeling van 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:772.
8.3. Naar het oordeel van de rechtbank doen zich in het geval van eisers echter geen bijzondere omstandigheden voor die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever. Artikel 2.8, derde lid, van de Wnb is een dwingend geformuleerde bepaling, die voorschrijft dat een natuurvergunning uitsluitend wordt verleend als wordt voldaan aan de voorwaarden die in deze bepaling zijn geformuleerd. Dat houdt in dat een natuurvergunning slechts wordt verleend nadat uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat de aangevraagde activiteit de natuurlijke kenmerken van de betrokken natuurgebieden niet zal aantasten. Als de passende beoordeling deze zekerheid niet biedt en geen sprake is van een situatie zoals bedoeld in artikel 2.8, vierde lid, van de Wnb, dan moet de natuurvergunning worden geweigerd. Het natuurbelang verzet zich in dat geval tegen vergunningverlening, ongeacht het belang van de aanvrager van de vergunning. Bij de totstandkoming van deze bepaling moet door de wetgever zijn onderkend dat weigering van de natuurvergunning voor de aanvrager verstrekkende (financiële) gevolgen kan hebben. Dat ook eisers deze verstrekkende gevolgen ervaren, is dus geen bijzondere omstandigheid in de hier bedoelde zin.
8.4. Omdat zich in dit geval geen bijzondere omstandigheden voordoen die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever, wordt niet toegekomen aan de vraag of toepassing van artikel 2.8, derde lid, van de Wnb zozeer in strijd komt met het evenredigheidsbeginsel dat die toepassing achterwege had moeten blijven.
8.5. Wat eisers voor het overige hebben aangevoerd ziet – zo begrijpt de rechtbank – met name op de nalatigheid van de rijksoverheid om met voldoende voortvarendheid te komen tot robuuste en effectieve natuurherstelmaatregelen. Eisers hebben ter zitting op invoelbare wijze toegelicht welke gevolgen dit voor hen heeft. Het is de rechtbank duidelijk dat de situatie waarin eisers zich al geruime tijd bevinden, bij hen voor veel onzekerheid en verdriet zorgt. Zij zijn de dupe geworden van de juridisch niet houdbaar gebleken PAS-regelgeving en wachten nu al jaren op nieuwe stikstofregels die perspectief of in ieder geval duidelijkheid en houvast bieden voor de toekomst. Al eerder is in de rechtspraak geconstateerd dat het sinds de PAS-uitspraak van de Afdeling aan het kabinet en de wetgever is om met goed doordachte generieke maatregelen te komen waar natuurorganisaties, bedrijven, burgers en lokale overheden mee verder kunnen in concrete gevallen. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 18 december 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:6902. Ook de Afdeling advisering van de Raad van State heeft recentelijk nog benadrukt dat er een belangrijke opgave voor de overheid ligt om werk te maken van stevig natuurherstelbeleid en dat een robuust, geloofwaardig en effectief pakket van natuurherstelmaatregelen nodig is, gericht op het behalen van landelijke instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000-gebieden en het voorkomen van verslechtering van die gebieden. Zie de voorlichting naar aanleiding van het voorstel voor een rekenkundige ondergrens stikstof van 21 mei 2025 (W11.25.00063/IV), www.raadvanstate.nl. De rechtbank stelt vast dat deze maatregelen ten tijde van het bestreden besluit nog niet waren getroffen. Wat eisers hebben aangevoerd over de handelwijze van de rijksoverheid in het stikstofdossier, tast echter de rechtmatigheid van het bestreden besluit van het college niet aan. Ook het college heeft in het bestreden besluit tot uiting gebracht dat het beseft dat de ontstane situatie voor eisers moeilijk te verkroppen is. Daaraan heeft het college echter terecht toegevoegd dat het gehouden was om de aanvraag van eisers te beoordelen aan de hand van de op dat moment geldende wet- en regelgeving. Uit wat is overwogen onder 7.1 tot en met 8.4 volgt dat het college dit op de juiste wijze heeft gedaan, door aan te nemen dat de stikstofdepositie van de veehouderij kan zorgen voor significante negatieve effecten op de betrokken Natura 2000-gebieden en dus bij het ontbreken van een passende beoordeling niet kon worden vergund.
¶ Rechtbank Midden-Nederland 16 december 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:6680: Awb, Ow; vovo, intrekking vier omgevingsvergunningen, (ver)bouwen panden, verrichten bouwactiviteiten, afwijken bpl, constructieve handeling, Invoeringswet Omgevingswet, vonnis in kort geding, bodeprocedure, geen onverwijlde spoed, onomkeerbaarheid, herroepen intrekking, herleven, gewijzigde feiten en omstandigheden/ten tijde behandeling beroep
6. Op grond van artikel 5:40, tweede lid en onder d van de Omgevingswet (Ow) is het college bevoegd om een omgevingsvergunning in te trekken als er gedurende een jaar geen activiteiten zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning. Als er sprake is van omgevingsvergunningen die zijn verleend onder de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en die onherroepelijk zijn, zoals hier het geval, worden die vergunningen geacht omgevingsvergunningen op grond van de Omgevingswet te zijn, artikel 4.13, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet. Daarmee is artikel 5.40, tweede lid en onder b van de Ow van toepassing op (oude) omgevingsvergunningen. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) dat er pas sprake is van ‘bouwen’ als er een constructieve handeling wordt verricht, waarbij een constructie van enige omvang wordt gemaakt die bedoeld is om ter plaatse duurzaam aanwezig te zijn. Dat betekent dat voorbereidende werkzaamheden, maar ook het bouwrijp maken van de grond en het slaan van damwanden, geen activiteiten zijn die worden verricht met gebruikmaking van (een van) de vier aan verzoeker verleende omgevingsvergunning. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 16 januari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:69.
* Rechtbank Midden-Nederland 12 december 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:6590: Awb, Gmw; afwijzing aanvraag aanwijzen gemeentelijk monument, Verordening fysieke leefomgeving, niet tijdig nemen besluit, procesbelang, alsnog beslist op bezwaar, doel is bereikt, niet-ontvankelijk, buiten termijn verleningsuitspraak, gewone post, e-mail, normale maatschappelijke risico, gestelde negatieve financiële gevolgen, belangenafweging, regels bestemmingsplan, bestaande nokrichting en kapvorm, beschermd dorpsgezicht, welstandsadvies, materialen, gestelde schade aanvaard, einduitspraak na tussenuitspraak
9. De rechtbank merkt als eerste op dat zij de herstelpoging van het college buiten de in de verlengingsuitspraak aan het college gegeven termijn heeft ontvangen. Het college geeft in zijn begeleidende e-mailbericht aan dat hij de aanvullende motivering tijdig al per gewone post aan de rechtbank zou hebben gezonden. De rechtbank heeft dit stuk niet ontvangen. Waarom het college de aanvullende motivering niet meteen in eerste instantie ook per e-mail aan de rechtbank heeft gezonden, is de rechtbank niet duidelijk. Juist in een procedure waarbij de voorbereidingsprocedure voor het primaire besluit vijf jaar heeft geduurd, de procedure bij de rechtbank is gestart met een beroep vanwege het niet tijdig op het bezwaar van de VvE beslissen en de rechtbank op verzoek van het college al een verleningsuitspraak heeft gedaan, had het naar het oordeel van de rechtbank op de weg van het college gelegen om zich er van te vergewissen dat de aanvullende motivering tijdig bij de rechtbank zou zijn ingediend.
10. De rechtbank zal de aanvullende motivering ondanks dat deze te laat is ingediend wel bij de beoordeling van het besteden besluit betrekken. De rechtbank acht dit in het belang van de VvE. Als de rechtbank de aanvullende motivering niet bij haar beoordeling zou betrekken, zou zij het besluit op bezwaar vanwege het motiveringsgebrek moeten vernietigen en het college de opdracht moeten geven een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Dit zou betekenen dat het geschil niet finaal zal zijn beslecht en de procedure voor de VvE nog langer gaat duren. Dit acht de rechtbank niet gewenst. Daarom zal de rechtbank de aanvullende motivering in het vervolg van deze uitspraak inhoudelijk beoordelen. Ook zal de rechtbank aangeven wat de gevolgen van deze beoordeling zijn.
11. Als een bestuursorgaan in de rechtmatige uitoefening van zijn publiekrechtelijke bevoegdheid of taak schade veroorzaakt die uitgaat boven het normale maatschappelijke risico en die een benadeelde in vergelijking met anderen onevenredig zwaar treft, kent het bestuursorgaan de benadeelde desgevraagd een vergoeding toe (artikel 4:126, eerste lid, van de Awb). De rechtbank is van oordeel dat het college voldoende heeft gemotiveerd dat de gestelde schade die de VvE stelt te lijden niet uitgaat boven het normale maatschappelijke risico en de VvE hierdoor in vergelijking met anderen die een pand bezitten dat onderdeel uitmaakt van het beschermd dorpsgezicht niet onevenredig zwaar wordt getroffen. De rechtbank is van oordeel dat het college met de aanvullende motivering de door de VvE gestelde negatieve financiële gevolgen voldoende inzichtelijk in de belangenafweging heeft betrokken en duidelijk heeft gemaakt welke gevolgen die belangenafweging voor de VvE heeft. De rechtbank kan de motivering van het college waarom de door de VvE gestelde schade niet voor vergoeding in aanmerking komt dan ook volgen.
12. (…) Maar zelfs als de stelling van de VvE juist zou zijn dat bij de herbouw van het pand alleen door de voorbescherming oude pannen moesten worden gebruikt en niet omdat het pand onderdeel uitmaakt van het beschermd dorpsgezicht, blijft deze gestelde schade naar het oordeel van de rechtbank voor rekening van de VvE. De voormalige eigenaar heeft het risico op het ontstaan van die gestelde schade naar het oordeel van de rechtbank aanvaard, omdat zij niet met de herbouw van het pand heeft gewacht totdat er duidelijkheid was over de eventuele monumentale status (artikel 4:126, tweede lid, van de Awb). Ten slotte is de rechtbank met het college van oordeel dat de VvE bepaalde gemaakte kosten niet nader heeft onderbouwd en niet duidelijk is geworden waarom deze kosten hoger zijn dan andere materialen.
¶ Rechtbank Midden-Nederland 11 december 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:6620: Awb, Ow; handhaving, dwangsom, bouwen van een schuur en een overkapping/veranda, omgevingsplan, bebouwingsgebied, percentage vergunningvrije bouwwerken, verzoek om rechtstreeks beroep, wijzigen omgevingsplan/gemeenteraad bevoegd, feitelijke handeling, oorspronkelijke hoofdgebouw, overtreding, wijze van meten, 10%-regeling, binnenplanse afwijkingsbevoegdheid, Besluit bouwwerken leefomgeving, vertrouwensbeginsel, gelijkheidsbeginsel, evenredigheidsbeginsel
11. Bij de beoordeling van het beroep stelt de rechtbank voorop dat zij met partijen van oordeel is dat op het bestreden besluit de Omgevingswet van toepassing is. Het Omgevingsplan van de gemeente Bunschoten (het Omgevingsplan) bepaalt dat een percentage van het bebouwingsgebied mag worden bebouwd met vergunningsvrije bijbehorende bouwwerken (Artikel 22.36, onder a, van het Omgevingsplan). De rechtbank stelt vast dat eisers de berekening van het college, zoals volgt uit de vooraanschrijving, van het aantal vierkante meters aan bouwwerken in het achtererfgebied niet hebben betwist. Dat geldt ook voor de oppervlakte van de schuur (55 m2) en de overkapping (17 m2). Eisers betwisten uitsluitend dat de oppervlakte van de oorspronkelijke garage meetelt bij de vaststelling van het aantal vierkante meters aan vergunningsvrije bouwwerken. In dit kader hebben eisers na afloop van de hoorzitting in bezwaar het college schriftelijk verzocht om de garage planologisch onderdeel uit te laten maken van het hoofdgebouw.
12. Op 17 maart 2025 heeft het college een feitelijk antwoord gegeven op het verzoek van eisers. Het college stelt dat het oorspronkelijk hoofdgebouw bepalend is voor de vraag wat is toegestaan aan vergunningsvrije bouwwerken. Tegen de brief van het college hebben eisers bezwaar gemaakt. Het college heeft de rechtbank verzocht om met toepassing van artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht het bezwaar van eisers tegen de feitelijke mededeling van het college dat de garage geen deel uitmaakt van het oorspronkelijke hoofdgebouw niet-ontvankelijk te verklaren.
13. De rechtbank wijst het verzoek van het college om rechtstreeks beroep af. De rechtbank stelt vast dat de gemeenteraad het bevoegde orgaan is voor het vaststellen en wijzigen van het Omgevingsplan. Dat leidt ertoe dat het college onbevoegd is om op het verzoek van eisers te beslissen en dat de nog te nemen beslissing op bezwaar naar verwachting die strekking zal hebben. Het college zal het verzoek van eisers daarom moeten doorsturen naar de gemeenteraad. De brief van het college van 17 maart 2025 kan hooguit worden gekwalificeerd als een feitelijke handeling, namelijk de weigering om het verzoek door te sturen naar de gemeenteraad (uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 30 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1940).
14. De rechtbank is met het college van oordeel dat voor vergunningsvrij bouwen wordt gekeken naar het oorspronkelijke hoofdgebouw en niet naar de planologische situatie. In het Omgevingsplan is bebouwingsgebied gedefinieerd als ‘achtererfgebied en de grond onder het hoofdgebouw, uitgezonderd de grond onder het oorspronkelijk hoofdgebouw’. Dat voor vergunningsvrij bouwen wordt gekeken naar de grond, met uitzondering van de grond onder het oorspronkelijk hoofdgebouw, is ook in rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigd (uitspraak van de Afdeling van 17 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2015:1897, rechtsoverweging 4.2). Eisers hebben niet betwist dat de oorspronkelijke garage niet is vergund als onderdeel van het hoofdgebouw. Omdat eisers de berekening van het college verder niet hebben betwist, heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat eisers de schuur met kap en de overkapping/veranda hebben gebouwd zonder benodigde omgevingsvergunning. (…)
15. De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat voor het bouwen van de schuur en overkapping een omgevingsvergunning nodig is. Omdat eisers hebben gebouwd zonder omgevingsvergunning, terwijl voor bouwwerken van deze omvang een omgevingsvergunning nodig is, zijn eisers in overtreding (artikel 5.1, eerste lid, onder a, en artikel 5.6 van de Omgevingswet). Het college was dan ook bevoegd om handhavend op te treden. De beroepsgrond slaagt niet.
18. Zoals de rechtbank in rechtsoverweging 14 van deze uitspraak heeft overwogen is voor het bouwen van de schuur een omgevingsvergunning nodig, vanwege de omvang van 55 m2. Omdat een omgevingsvergunning nodig is, wordt de bouwhoogte gemeten volgens de regels van het tijdelijk deel van het Omgevingsplan, vastgelegd in het bestemmingsplan ‘Eemdijk’. Hierin is opgenomen dat het peil wordt gemeten vanaf de hoogte van de kruin van de weg (artikel 1.31 van de planregels). Dat is niet het geval, wanneer de schuur vergunningsvrij zou zijn. Zou de schuur vergunningsvrij zijn, dan wordt de nokhoogte gemeten vanaf het aansluitend afgewerkt terrein (artikel 22.24 van het Omgevingsplan). Het college heeft de bouwhoogte gemeten van de rioolput in de straat, omdat dit volgens het college de kruin van de weg is. Volgens het college is de nokhoogte van de schuur, gemeten volgens de meetmethode van het Omgevingsplan, meer dan 5 meter. Dat hebben eisers op de zitting bevestigd. Dat betekent dat de schuur ook vanwege de nokhoogte niet vergunningsvrij is (artikel 5.1, tweede lid, onder a, van de Omgevingswet, artikel 2.25 van het Besluit bouwwerken leefomgeving en artikelen 22.26 en 22.27 van het Omgevingsplan). Omdat de nokhoogte van de schuur niet vergunningsvrij is en eisers hebben gebouwd zonder vergunning is sprake van een overtreding, zodat het college bevoegd was daartegen handhavend op te treden. De beroepsgrond slaagt niet.
* Rechtbank Limburg 10 december 2025, ECLI:NL:RBLIM:2025:12209: Awb, Wabo; buiten behandeling stellen aanvraag, nieuwbouw woning, hersteltermijn, aard en omvang gevraagde gegevens en bescheiden, termijn te kort, reactie principeverzoek, werkvoorraad, detailtekeningen, hanteren strakkere termijnen, nieuw besluit met inachtneming uitspraak
2. Gelet op vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (bijvoorbeeld de uitspraak van 27 augustus 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3213) dient een hersteltermijn als hier aan de orde afgestemd te zijn op de aard en de omvang van de gevraagde gegevens en bescheiden. De lengte van die termijn dient zodanig te zijn dat een aanvrager in beginsel in staat kan worden gesteld alle gevraagde gegevens en bescheiden voor de afloop van de hersteltermijn aan het bestuursorgaan aan te leveren.
3. Tussen partijen is niet in geschil dat de aanvraag die eiser op 31 december 2023 bij verweerder heeft ingediend, onvoldoende gegevens en bescheiden bevatte voor een inhoudelijke beoordeling ervan. Verweerder heeft eiser op 5 januari 2024 een uitgebreide lijst met gegevens toegestuurd die nog ontbraken. Voor het aanleveren van deze gegevens heeft verweerder aan eiser een termijn van vijf weken gegeven.
4. Met eiser en de commissie in haar advies is de rechtbank van oordeel dat gelet op de hoeveelheid en de aard van de gevraagde gegevens, een termijn van vijf weken te kort was. Verweerder heeft gesteld dat die termijn niet te kort was, omdat eiser een professionele partij is en hij bij het indienen van de aanvraag al wist welke stukken ontbraken; dat was hem namelijk al op 1 juni 2023 als reactie op het principeverzoek medegedeeld. De rechtbank is van oordeel dat dit geen geldig argument is om een kortere termijn te stellen dan de termijn die nodig was om de aanvraag aan te vullen zoals die er op dat moment lag. De rechtbank herkent dat – zoals verweerder stelt – vlak voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet veel (onvolledige) aanvragen zijn ingediend. Het is begrijpelijk dat verweerder de daardoor oplopende werkvoorraad behapbaar wilde houden. Maar dat is geen geldig argument om een termijn te stellen waarvan verweerder al op voorhand kon zien aankomen dat die niet zou worden gehaald.
5. Over de beslissing van verweerder om vervolgens gebruik te maken van de mogelijkheid in artikel 4:5 van de Awb om de aanvraag buiten behandeling te laten, overweegt de rechtbank het volgende. Het standpunt van verweerder dat slechts sprake is van een schets herkent de rechtbank niet: de aanvraag bevat onder meer tekeningen van de woning met daarin afmetingen. Dat detailtekeningen ontbreken, maakt nog niet dat geen sprake is van een aanvraag waarop na aanvulling kan worden beslist. Ook het standpunt van verweerder dat in december 2023 is besloten om strakkere termijnen te hanteren, kan het bestreden besluit niet dragen, te meer niet nu eiser naar voren heeft gebracht dat voor een andere – vergelijkbare – aanvraag een veel ruimere termijn is gegeven. Daar komt bij dat niet gebleken is dat deze interne beslissing tevoren extern is gecommuniceerd, zodat ook een professionele partij als eiser daarop niet heeft kunnen anticiperen. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank een te strakke termijn gesteld, en dat had voor verweerder aanleiding moeten zijn om buitenbehandelingstelling op dat moment achterwege te laten.
* Rechtbank Limburg 10 december 2025, ECLI:NL:RBLIM:2025:12172: Awb, Wabo; weigering omgevingsvergunning wijzigen monument, vervangen kozijnen, beschermd gemeentelijk monument, aanwijzing in bestemmingsplan, Erfgoedverordening, apart besluit, beschikking, rechtsregel, dubbelbestemming, aanduiding, belang van de monumentenzorg, advies monumentencommissie, historische bouwmaterialen, overschrijding redelijke termijn, schadevergoeding
7.2. Onder verwijzing naar rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling), heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank terecht gesteld dat de aanwijzing tot beschermd gemeentelijk monument kan plaatsvinden in het bestemmingsplan in combinatie met een link naar de Erfgoedverordening. Zie bijvoorbeeld uitspraken van de Afdeling van 23 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3416 en 25 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2572. Het is niet nodig dat er per object een apart besluit, in de vorm van een beschikking specifiek gericht aan eiser bestaat. De rechtbank ziet geen basis in het recht voor een dergelijke rechtsregel.
7.4. Het voorgaande betekent dat het pand van eiser als gemeentelijk monument is aangewezen toen de gemeenteraad het bestemmingsplan vaststelde. Dat besluit is bovendien onherroepelijk. Dat betekent dat de wijze waarop het bestemmingsplan is vastgesteld en dus ook dat (en de wijze waarop) het pand van eiser als gemeentelijk monument is aangewezen in deze procedure niet meer ter discussie kan staan. Eiser had immers kunnen en moeten opkomen tegen het bestemmingsplan en in dat kader had hij de aanwijzing van zijn pand als gemeentelijk monument aan de orde kunnen stellen. Dat eiser verschoonbaar dit niet heeft kunnen doen, voor zover daar al sprake van kan zijn, heeft hij niet onderbouwd.
* Rechtbank Noord-Holland 4 december 2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:15482: Awb, Wm; handhaving, dwangsom, Activiteitenbesluit milieubeheer, tennis en padel, samengestelde besluit, artikel 6:19 lid 1 Awb, bevoegdheid, langtijdgemiddelde beoordelingsniveau, geluidsonderzoek, geluidmetingen, modelleringskeuzes, overtreding, beginselplicht tot handhaving, inrichting als zodanig, afzonderlijke onderdelen of activiteiten binnen de inrichting, zelf in de zaak voorzien, treffen voorlopige voorziening
8.3.1. De rechtbank overweegt dat TCU dient te voldoen aan de geluidsnormen uit het Abm. De toepasselijke geluidsnormen uit het Abm zien op de inrichting als zodanig, en hebben geen betrekking op afzonderlijke onderdelen of activiteiten binnen die inrichting. Door bij het bepalen van de op te leggen herstelsanctie niet uit te gaan van de gehele inrichting door de bijdrage van geluid van tennisactiviteiten buiten beschouwing te laten, handelt het college in strijd met het bepaalde in artikel 2.17, eerste lid, van het Abm.
8.3.2. Het betoog van het college dat het in dit geval redelijk en evenredig is een knip te maken in de in de geluidsberekening in aanmerking te nemen activiteiten omdat, heel kort gezegd, de klachten van omwonenden niet zien op geluidsoverlast vanwege tennis, doet aan die strijdigheid niet af. Dat heeft het college miskend.
* Rechtbank Limburg 24 september 2025, ECLI:NL:RBLIM:2025:9187: Awb, Wabo; omgevingsvergunning beperkte milieutoets (OBM), veranderen varkenshouderij, luchtwassers, verklaring van geen bedenkingen, referentiesituatie, milieutoestemming, laagst vergunde referentiesituatie, verandering beoordelingskader, 18 december-uitspraken, één-en-hetzelfde project, natuurvergunning nodig, gewijzigd en daarmee nieuw project, intern salderen, overschrijding redelijke termijn, schadevergoeding
16. De vraag waar de rechtbank zich voor gesteld ziet als het gaat om de vraag of een vvgb had moeten worden verkregen, is of het bestreden besluit langs de lat van het oude of van het nieuwe beoordelingskader van de Afdeling gelegd moet worden door de rechtbank. De rechtbank overweegt daarover als volgt. Het bestreden besluit is weliswaar genomen vóór 18 december 2024, maar de rechtmatigheid van het bestreden besluit zal met inachtneming van de nieuwe rechtspraak van de Afdeling moeten worden beoordeeld. De uitspraken van de Afdeling van 18 december 2024 zijn namelijk gebaseerd op wetgeving die er al was ten tijde van het bestreden besluit. Tevens heeft de Afdeling in de uitspraak van 18 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4923, r.o. 1.9 en 24.3 overwogen dat de rechtspraakwijziging direct van toepassing is in lopende en toekomstige vergunning- en handhavingsprocedures. In die zaken moet alsnog worden nagegaan of een natuurvergunning moet worden verkregen.
16.1. Hoewel de Afdeling in de uitspraken van 18 december 2024 niet specifiek is ingegaan op de gevolgen van die uitspraken voor de vvgb bij een OBM, is de rechtbank van oordeel dat deze uitspraken ook gelden voor onderhavige zaak waar een vvgb volgens verweerder niet vereist is omdat als gevolg van intern salderen geen natuurvergunning nodig is. Een vvgb kan, in dit geval, namelijk alleen worden verleend als er geen natuurvergunning nodig is, omdat vergunninghoudster niet over een natuurvergunning beschikt. Naar het oordeel van de rechtbank is het dus samenvattend, in tegenstelling tot waar verweerder vanuit gaat, wel degelijk nodig om over een natuurvergunning te beschikken voordat de OBM had kunnen worden verleend. Immers, anders kan er geen vvgb worden verleend en dat is wel een vereiste voor verweerder om bevoegd te zijn die OBM te verlenen.
17. In dit geval betekent toepassing van de nieuwe lijn van de Afdeling voor het project het volgende. Vergunninghoudster beschikt over een omgevingsvergunning van 16 juni 2011 voor vier stallen. Niet betwist is dat de in de vergunning van 16 juni 2011 verleende stallen 3 en 4 niet zijn opgericht. Dat betekent dat de voor deze stallen verleende stikstofemissie, gelet op de nieuwe rechtspraak van de Afdeling, niet meegenomen mag worden als mitigerende maatregel bij de voortoets. Immers, de gevolgen van het gehele project na wijziging moeten worden beoordeeld. Vergunninghoudster wil de afmetingen van stal 3 wijzigen, stal 2 aansluiten op een chemische luchtwasser, twee gecombineerde luchtwassers plaatsen op stal 3 en 25 vleesvarkens minderen in stal 3. Het project bevat dan de realisatie van de derde stal, het realiseren van wijzigingen aan één bestaande stal en de exploitatie van een agrarisch bedrijf in drie stallen, waar er feitelijk nog maar twee zijn. Gelet hierop is sprake van een gewijzigd en daarmee van een nieuw project. In de voortoets moeten de gevolgen van de bouwwerkzaamheden en de exploitatie van de derde stal, zoals die na de voorgenomen wijziging zal plaatsvinden, worden beoordeeld. Gelet hierop zijn significante gevolgen niet op voorhand uitgesloten. Dit betekent dat niet reeds aan de voorkant vaststaat dat voor het project geen natuurvergunning nodig is. Om dat te beoordelen is een passende beoordeling nodig en die is niet gemaakt. Ten tijde van het verlenen van de OBM mochten GS en verweerder niet het standpunt innemen dat er enkel vanwege intern salderen geen significante negatieve gevolgen voor de natuur zijn en dus geen vvgb nodig zou zijn en de OBM verleend kon worden zonder natuurvergunning. (…)
* Rechtbank Limburg 6 mei 2025, ECLI:NL:RBLIM:2025:4285: Awb, Wet tegemoetkoming schade bij rampen; schadevergoeding, agrarisch bedrijf, teelt van groenen en wortel- en knolgewassen, retentiegebied, Regeling tegemoetkoming waterschade in Limburg en het onbedijkte gebied langs de Maas in Noord-Brabant in juli 2021, exceptieve toetsing, beslissingsruimte, steunregeling, algemeen karakter, eigen risico, evenredigheid, tegemoetkoming, eigen risico, voorzienbaarheid, schadeveroorzakende gebeurtenis, coulance, civiele rechter, opruimingskosten, zelf in de zaak voorzien
6.1. Exceptieve toetsing houdt in dat algemeen verbindende voorschriften die geen wet in formele zin zijn, door de rechtbank kunnen worden getoetst op rechtmatigheid, in het bijzonder op verenigbaarheid met hogere regelgeving. De rechtbank komt ook de bevoegdheid toe te bezien of het betreffende algemeen verbindend voorschrift een voldoende deugdelijke grondslag biedt voor het bestreden besluit. Bij die, niet rechtstreekse, toetsing van het algemeen verbindende voorschrift vormen de algemene rechtsbeginselen en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur een belangrijke leidraad. De Regeling is een ministeriële regeling die een nadere uitwerking vormt van de Wts. De minister heeft bij de totstandkoming van een ministeriële regeling zoals de Regeling veel beslissingsruimte. De Regeling is een steunregeling en heeft een algemeen karakter. Dit betekent dat de rechtbank de Regeling terughoudend moet toetsen.
7. De rechtbank is van oordeel dat artikel 8, eerste lid, van de Regeling de exceptieve toetsing kan doorstaan. Het bestreden besluit mocht daarom mede op basis van de Regeling worden genomen. (…)
7.2. De rechtbank is van oordeel dat de minister in het verweerschrift en ter zitting voldoende heeft gemotiveerd – onder verwijzing naar de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II 1996-1997, 25 159, nr. 3) – dat het eigen risico van 35% geen strijd oplevert met het evenredigheidsbeginsel. De Wts voorziet in een structurele regeling op grond waarvan het Rijk een tegemoetkoming geeft aan diegenen die kosten hebben gemaakt voor het treffen van maatregelen ter voorkoming of beperking van schade dan wel schade hebben geleden die het rechtstreeks en onmiddellijk gevolg is van een overstroming door zoet water, een aardbeving of een andere ramp die van ten minste vergelijkbare orde is. De Wts is niet bedoeld als een volledige vergoeding van de schade en de kosten, maar als een tegemoetkoming. Er geldt een eigen risico. Dat eigen risico is nader uitgewerkt in de Regeling. Het eigen risico vindt zijn grondslag in de eigen verantwoordelijkheid van de gedupeerde. Dat de schade van eiser volgens hem in de zomer niet voorzienbaar was, maakt voor het eigen risico niet uit. Er wordt van eiser verwacht dat hij voor een deel zelf verantwoordelijkheid neemt voor de schade, ook als die niet voorzienbaar zou zijn. Daarom heeft de minister kunnen stellen dat eiser niet in aanmerking komt voor een hogere tegemoetkoming dan 65% voor de geleden schade, maar krijgt hij net als alle andere agrariërs die teeltplanschade hebben als gevolg van het hoogwater een tegemoetkoming van 65%. Daarbij heeft de minister kunnen verwijzen naar andere ministeriële regelingen die als gevolg van de watersnood in 1995 tot stand zijn gebracht, zoals de “Regeling tegemoetkoming schade bij tweede extreem zware regenval 1998” (Staatscourant 1998, nr. 244, p. 18) en de “Regeling tegemoetkoming schade bij overstroming van de Maas in januari 2021” (Staatscourant 2003, nr. 9, p. 9). Ook in de laatste regeling wordt een eigen risico gehanteerd van 35% bij teeltplanschade.
8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister – onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis (Kamerstukken II 1996-1997, 25 159, nr. 5)– kunnen stellen dat de Regeling geen wettelijke basis biedt voor het vergoeden van schade als gevolg van de aanleg van het retentiebekken. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat de rijksoverheid het als haar taak ziet om financiële hulp te bieden bij een ramp of zwaar ongeval, mits voldaan is aan bepaalde vereisten en de veroorzaakte schade niet wordt gedekt door een verzekering. Deze verantwoordelijkheid van de overheid staat los van de vraag of zij op enige wijze heeft bijgedragen aan het ontstaan van de schadeveroorzakende gebeurtenis. De Regeling vindt haar grondslag in coulance en is daarom niet bedoeld voor een vergoeding van schade met een andere oorzaak dan hoogwater.
9. Uit de vorige overweging volgt dat schade als gevolg van overheidshandelen, in dit concrete geval het openzetten van het retentiebekken waardoor het terrein met daarop de percelen van eiser is volgelopen met water, moet worden voorgelegd aan de civiele rechter en niet aan de bestuursrechter. De rechtbank heeft begrip voor eisers gevoel dat hij recht heeft op een hogere vergoeding omdat hij de schade voor andere mensen opvangt, en voor het feit dat hij liever geen civiele weg bewandelt. Dat neemt alleen niet weg dat de Regeling hiervoor niet is bedoeld. Die is bedoeld als tegemoetkoming van gedupeerden door de natuurramp, en niet als vergoeding van specifiek overheidshandelen. Dit wordt onderschreven door de rechtspraak (zie de uitspraak van 19 juni 2002, ECLI:NL:RVS:2002:AE4329) van de hoogste bestuursrechter. Dat, zoals eiser stelt, de situatie zoals die aan de orde was in de uitspraak van de Afdeling het spiegelbeeld vormt van zijn situatie, volgt de rechtbank niet. Ook in die zaak werd gesteld dat de schade het gevolg is van overheidshandelen. De Afdeling heeft in die uitspraak ook verwezen naar de wetgeschiedenis en geoordeeld dat de gedupeerde zich bij mogelijk onrechtmatig overheidshandelen moet wenden tot de civiele rechter en geen beroep kan doen op de voorliggende regeling. Dit maakt ook niet dat de besluitvorming van de minister onevenredig uitpakt. Juist als de overstroming volledig te wijten zou zijn aan het retentiebekken, zou eiser mogelijk helemaal niet voor een vergoeding op grond van de Regeling in aanmerking komen. Dan zou eiser die vergoeding volledig via de civiele weg moeten verhalen. De minister heeft, om dit te illustreren, ter zitting verwezen naar de omstandigheid dat personen/bedrijven die zich in de uiterwaarden van de Waal bevonden geen tegemoetkoming ontvingen naar aanleiding van het hoogwater in 2021. Redengevend daarvoor was de voorzienbaarheid van het hoogwater in de uiterwaarden van de Waal. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser, ook als er geen retentiebekken zou zijn geweest, waarschijnlijk last zou hebben gehad van de overstroming in juli 2021. Dat is de reden dat er aan eiser wel een tegemoetkoming is verstrekt. Ook deze grond van eiser slaagt gelet op het voorgaande niet. Zoals de rechtbank al eerder overwoog is de Regeling gewoonweg niet bedoeld om de overheid aansprakelijk te stellen voor haar handelen, maar om gedupeerden van een natuurramp bij te staan.