Weekoverzicht uitspraken omgevingsrecht

* ABRvS 18 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:781: Awb, Chw, Wro; bpl verbrede reikwijdte, niet raadpleegbaar op landelijke voorziening, geconsolideerd beschikbaar op gemeentelijke planviewer, geen mogelijkheid tijdrijzen, inhoud bpl niet vast te stellen,
* ABRvS 18 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:782: Awb, Chw, Wro; bpl verbrede reikwijdte, niet raadpleegbaar op landelijke voorziening, geconsolideerd beschikbaar op gemeentelijke planviewer, geen mogelijkheid tijdrijzen, inhoud bpl niet vast te stellen, initiatief uitbreiden paardenstalling, voldoende concreet initiatief, ten onrechte geen ruimtelijke afweging, verleende, nog niet onherroepelijke vergunning, zwaarwegend belang
* ABRvS 18 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:914: Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouwen en afwijken bpl, legaliseren antennemast, Bouwbesluit 2012, goede ruimtelijke ordening, geluid, gezondheidsklachten, storing op apparatuur, artikel 10 EVRM, vrijheid van meningsuiting, gemeentelijk beleid (Rb Zeeland-West-Brabant 21/3557 en 21/3832)
* ABRvS 18 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:915: Awb, Wro; bpl, uitbreiding bebouwing op bedrijventerrein, passendheid omvang bedrijf, structuurvisie, luchtvervuiling, landschappelijke inpassing, geen criteria voor goedkeuring inrichtingsplan, rechtsonzeker, hoogte lichtmasten
* ABRvS 18 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:929: Awb, Wabo; omgevingsvergunning afwijken bpl, huisvesting arbeidsmigranten in zorgboerderij en woonunits, spuitzone, goede procesorde, relativiteit, norm goede ruimtelijke ordening, goed woon- en leefklimaat, EFSA-model, nieuw besluit spuitzone 50 m, redelijke termijn (Rb Midden-Nederland 23/450)
* ABRvS 18 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:911: Awb, Wabo; handhaving, lasten onder dwangsom, overkapping, aarden wallen, puinverharding en vijvers, grondentrechter, Verdrag van Aarhus, geen bijzondere omstandigheden, geen aanknopingspunten noodzaak Wnb-ontheffing, begunstigingstermijn (Rb Overijssel 22/816)
* ABRvS 18 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:897: Awb, Waterwet; handhaving, last onder dwangseria voor inrichtingsplan, rechtsonzeker, hoogte om, verwijderen werken, hooimijt, fundering voor zorgwoning, loods, schuur, twee afdaken, twee tuinhuizen en carport, eigenaar camping, overstromingen, persoonlijke omstandigheden, geen concreet zicht op legalisatie (Rb Limburg 21/2537)
* ABRvS 18 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:901: Awb, Wro; bpl, zes woningen,  nabij snelweg, gezondheidsrisico’s, relativiteit, bouwhoogte, woongenot, parkeren
* ABRvS 18 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:927: Awb, Wro; bpl, einduitspraak na tussenuitspraak
* ABRvS 18 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:906: Awb; afwijzing verzoek erkenning voor werkzaamheden als bedoeld in Besluit bodemkwaliteit, oordeel over rechtmatigheid primair besluit, nog geen verzoek om schadevergoeding
* ABRvS 18 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:917: Awb, Waterwet; handhaving, last onder dwangsom, verbod onttrekken uit oppervlaktewater, verdringingsreeks, overtreding, effluentsloot, oppervlaktewaterlichaam, evenredigheid, vertrouwensbeginsel, geen bijzonder omstandigheden (Rb Zeeland-West-Brabant 22/5958)
* ABRvS 18 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:928: Awb, Wabo; handhaving, last onder dwangsom, gebruik achtertuin als terras bij café, goede procesorde, beroep op overgangsrecht, peildatum, gelijkheidsbeginsel, redelijke termijn (Rb Zeeland-West-Brabant 23/3372)
* ABRvS 18 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:907: Awb, Wabo; omgevingsvergunning tijdelijk afwijken bpl, gedeeltelijk gebruik loods voor detailhandel, zelfde gronden als in berioep, omgevingsverordening,  (Rb Oost-Brabant 22/2598)
* ABRvS 18 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:912: Awb, Wabo; handhaving, invordering dwangsom, permanente bewoning recreatiewoning, zorgvuldige voorbereiding, gelegenheid tegenbewijs, controlerapporten, voldoende twijfel gezaaid relevantie en juistheid van diverse observaties en feiten (Rb Zeeland-West-Brabant 22/4311)
* ABRvS 18 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:783: Awb, Wabo; handhaving, last onder dwangsom, buitenruimte, vernietiging vergunning en bpl, inhoud bpl niet vast te stellen, fundamenteel gebrek beschikbaarheid bpl (Rb Rotterdam 22/1931)
* ABRvS 18 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:784: Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouwen, uitvoeren werken en afwijken bpl, drie paardenbakken, drie lichtmasten, betonplaat en mestopslaglegalisatie, legalisatie, vernietiging bpl, niet onder Tegelen-jurisprudentie (Rb Rotterdam 23/712)
* ABRvS 18 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:919: Awb, Chw, Wro; uitwerkingsplan, 3 vrijstaande woningen en twee-onder-een- kapwoning, stedenbouwkundige invulling deelgebied, financieel belang, flexibiliteit bij ontwikkelen woningbouw, uitgangspunten moederplan, stedenbouwkundige opzet
* ABRvS 18 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:923: Awb, Chw, Wro; bpl, 458 woningen, deelgebied, beroep melkveehouderij en zorgboerderij, geurhinder, herstelbesluit, geurcontour, afstand 100 m, tuin geen geurgevoelig object, verkeersmodel, verkeersintensiteiten
* ABRvS 18 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:921: Awb, Wnb; natuurvergunning, wijzigen en uitbreiden varkenshouderij, extern salderen, saldo gevend bedrijf, aanschrijving 2.4 Wnb,  (Rb Oost-Brabant 22/2456)
* ABRvS 18 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:913: Awb, Wro, Wabo; bpl, omgevingsvergunning, woongebouw met 12 appartementen, beroep tegen herstelbesluit door andere belanghebbende, gewijzigde aanvraag, aanvraag van ondergeschikte aard, bergingen opnieuw buiten aanduidingsvlak, einduitspraak na tussenuitspraak
* ABRvS 18 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:910: Awb, Wro; bpl, uitbreiding supermarkt, bezonningsonderzoek, bouwhoogte, verkeerssituatie,
* ABRvS 18 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:926: Awb, Wabo; aanvraag omgevingsvergunning biomassa-installatie buiten behandeling, verzoek uitstel indiening constructieve gegevens, artikel 2.7 Mor, onvoldoende gespecificeerd, gegevens over hoofdlijn constructie (Rb Rotterdam 21/2329)
* ABRvS 17 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:874: Awb; vovo, besluit uitstootvrije zone pleziervaart, Verordening op het binnenwater, geen spoedeisend belang (Rb Amsterdam 25/5852 en 25/5853)
ABRvS 13 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:814: Awb, Ow; vovo, wijzigingsbesluit omgevingsplan, categorieën veel voorkomende bouwwerken onder voorwaarden vergunningvrij, aantasting woon- en leefklimaat, belangenafweging
* Rechtbank Overijssel 12 februari 2026, ECLI:NL:RBOVE:2026:668: Awb, Wabo; handhaving, invordering dwangsom, geen melding beëindiging bedrijfsactiviteiten, geen rapport onderzoek bodemkwaliteit, geen uitzonderlijk geval
* Rechtbank Gelderland 12 februari 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:1016: Awb, Wnb; weigering ontheffing doden wolven, procesbelang, wijziging beschermingsstatus, verdrag van Bern, aanpassing Habitatrichtijn, geen vergunningplicht meer, geen zicht op toekomstige besluiten
Rechtbank Noord-Holland 12 februari 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:1157: Awb, Ow; afwijzing aanvraag omgevingsvergunning, handhaving, driehoekig plexiglas in terrasoverkapping, strijd met omgevingsplan, BOPA, welstand, geen motivering over ETFAL
* ABRvS 11 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:722: Awb, Wro; vovo, bpl, extra woning, structuurvisie, geen bijdrage aan omvorming grote bedrijvigheid, verdwijnen doorzicht
* Rechtbank Midden-Nederland 11 februari 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:360: Awb, Wabo; weigering omgevingsvergunning milieu, verhoging verwerkingscapaciteit van organische olie- en vetverwerking, BBT-conclusies afvalbehandeling, afval, beoordelen op moment van binnenkomst, biologisch afbreekbaar afval, geur, maximale geurconcentratie, beleidsregels provincie, vertrouwensbeginsel
* Rechtbank Overijssel 11 februari 2026, ECLI:NL:RBOVE:2026:651: Awb, Wnb; wijzigingsbesluit Habitarichtlijngebieden, uitgaan van habitattypenkaart, in meer dan verwaarloosbare mate en duurzaam aanwezig, in stand laten rechtsgevolgen
* Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 11 februari 2026, ECLI:NL:OGHACMB:2026:21: weigering aanlegvergunning, wegen en terreinverhardingen, rechtmatigheid voorbereidingsbesluit, verlenging, betekenis verkavelingsplannen, geen bestaande situatie, advies Dienst Natuur en Milieu, aantasting rooien (Gerecht in eerste aanleg van Aruba AUA202400895)
* Rechtbank Overijssel 10 februari 2026, ECLI:NL:RBOVE:2026:641: Awb, Wabo, Chw; omgevingsvergunning eerste en tweede fase, milieu, bouwen en afwijken bpl, uitbreiden co-vergistingsinstallatie, voormalige varkenshouderij, ontvankelijkheid, gevolgen van enige betekenis, formeel woonverblijf, geuronderzoek, landschappelijke inpassing
* Rechtbank Noord-Nederland 10 februari 2026, ECLI:NL:RBNNE:2026:406: Awb; mijnbouwschade, BW, afwijzing verzoek immateriële schade, nkiet woonachtig in woning binnen versterkingsgebied
Rechtbank Gelderland 10 februari 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:928: handhaving, last onder dwangsom, invordering, steiger zonder dat werkzaamheden worden uitgevoerd, geen vergunning, verkeersonveilige situatie, apv, zienswijzegesprek, overtreding, BBl, niet vergunningvrij, belangenafweging, begunstigingstermijn, evenredigheid invordering
Rechtbank Gelderland 6 februari 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:905: Awb, Ow; handhaving, lasten onder dwangsom, Lingelandje, bouwen en gebruiken bouwwerken zonder vergunning, vlonder met daarboven gesitueerd tent, bouwwerk, gelijkheidsbeginsel, duidelijkheid last
* Rechtbank Zeeland-West-Brabant 6 februari 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:688: Awb, evenementenvergunningen, toestemmingen verruimde geluiduitstoot, apv, locatieprofiel, andere evenementen, exceptieve toetsing evenementenbeleid, Nota Limburg, onduldbare hinder, geluidsnorm op dansvloer, relativiteit, openbare orde, Wet natuurbescherming
Rechtbank Den Haag 5 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:1875: Awb, Ow; vovo, omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit, slopen woning, cultuurhistorische waarden, advies nadien opgesteld, cultuurhistorische waarden niet omschreven, geen toepassing aan uitgestelde inwerkingtreding
Rechtbank Gelderland 5 februari 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:851: Awb, Ow; vovo, omgevingsvergunning BOPA, parkeergarage, tuincentrum, ETFAL, zichtbaarheid panden, participatie
* Rechtbank Noord-Holland 5 februari 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:1369: Awb, Wabo; handhaving, last onder dwangsom, verwijderen aanbouw, inclusief dakterras, schutting en buitentrap en damwand, last onvoldoende duidelijk, maatvoering niet verbeterd, geen mogelijkheid tot terugbrengen tot vergunningvrij, één bijbehorned bouwwerk
* Rechtbank Gelderland 5 februari 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:857: Awb, Wabo; weigering omgevingsvergunning, legalisering gebruik pand voor huisvesting arbeidsmigranten, Bibob-advies, vrees voor gebruik voor strafbare feiten, eerdere overtredingen Bouwbesluit, onherroepelijke handhavingsbesluiten, beschikkingsmacht over panden, prostitutieactiviteiten, vergewisplicht, evenredigheid
Rechtbank Gelderland 5 februari 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:835: Awb, Wabo, Ow; omgevingsvergunning bouwen en afwijken bpl, recreatiewoning, ontbreken specifieke grondslag afwijking, motiveringsgebrek, souterrain, gebruik woning, goede ruimtelijke ordening, omgevingsvergunning BOPA aanleggen toegangspad en opstelplaats bij recreatiewoning, parkeergelegenheid, toetsing vergunning bouwen aan parapluplan, nota parkeernormen, twee parkeerplaatsen voldoende, ETFAL, strijd met bosbestemming, inherent, geen onaanvaardbare aantasting van natuurwaarden
Rechtbank Oost-Brabant 4 februari 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:715: Awb, Ow; omgevingsvergunning voor kappen, 47 bomen, bouwproject, APV, beleidsruimte, geen evidente privaatrechtelijke belemmering, belangenafweging
* Rechtbank Den Haag 3 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:1775: Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouwen en afwijken bpl, bedrijfsverzamelcomplex, Brummen-rechtspraak, nit noodzakelijk voorschrift, parkeernorm voor functie ‘bedrijf arbeidsextensief/bezoekersextensief’, afmeting en situering parkeerplaatsen, wegbreedte, brandveiligheidseisen, bereikbaarheid brandweer
* Rechtbank Den Haag 3 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:1774: Awb, Wabo; omgevingsvergunning binnenplnse fwijking, uitbreiding bloembollenteeltbedrijf, verkeersbewegingen, stikstofdepositie, brandveiligheidseisen, relativiteit
* Rechtbank Zeeland-West-Brabant 3 februari 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:630: Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouwen en afwijken bpl, ombouwen zolderverdieping naar twee appartementen, parkeerdruk, straal van 150 m, collegebeleid, parkeerkencijfers CROW, vertrouwensbeginsel
* Rechtbank Limburg 3 februari 2026, ECLI:NL:RBLIM:2026:1109: Awb, Wabo; aanvraag buiten behandeling, omgevingsvergunning, woon- en zorgappartementen in koetshuis, aanvraag ziet ook op activiteit bouwen, gevraagde gegevens niet overgelegd, geen vergunning van rechtswege, uitgebreide voorbereidingsprocedure, wijzigen monument, adviseur
* Rechtbank Den Haag 27 januari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:1764: Awb, Wabo; afwijzing verzoek handhaving, uitbouw, wijziging draagconstructie, geen vergunningplicht ten tijde van besluit, wel betrekken bij nieuw te nemen besluit, wijziging artikel 2.26 Bbl, bouwovergangsrecht, buiten bouwvlak, herhaalde aanvraag, plantenbak en schanskorf, geen strijd met bestemming, geen misbruik van procesrecht
Rechtbank Noord-Holland 30 januari 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:1282: Awb, Ow; afwijzing aanvraag omgevingsvergunning, omgevingsplanactiviteit bouwen, parkeren, nota parkeernormen, geen ruimtelijk relevante ontwikkeling, vergelijking met eerder planologisch regime, niet met feitelijke situatie
* Rechtbank Midden-Nederland 30 januari 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:203: Awb, Wabo; afwijzing verzoek handhaving, verwijzing naar eerder besluit, uitspraak Afdeling, sloop dwars- en middenmuur, schets met maatvoeringen, geen nieuw feit of omstandigheid, geen relevantie voor draagconstructie
* Rechtbank Midden-Nederland 30 januari 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:196: Awb, Wabo; handhaving, afwijzing verzoek in trekking last onder bestuursdwang, mogelijkheid van bezwaar tegen last
* Rechtbank Midden-Nederland 27 januari 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:189: Awb, Wnb; verlenging beheerplannen, niet-vergunningplichtige activiteiten, bezwaren terecht niet-ontvankelijk, categorie 4-activiteiten, geen significant verstorende effect, categorie 2-activiteiten, ongewijzigde voortzetting van eerder beoordeeld project, geen nieuwe beoordeling vereist
Rechtbank Midden-Nederland 27 januari 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:188: Awb, Ow; vovo, omgevingsvergunning wateractiviteit, transformatie naar natuurgebied, planning vergunninghouder, belangenafweging
Rechtbank Den Haag 27 januari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:1767: Awb, Ow; afwijzing verzoek handhaving, opslag dakpannen en ladder op uitbouw, constructieve veiligheid, artikel 3.8 Bbl, constructieberekeningen, reikwijdte handhavingsverzoek, geen misbruik van procesrecht
* Rechtbank Den Haag 26 januari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:2104: Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouwen en afwijken bpl, drie woningen, ontvankelijkheid, belanghebbende, derde-belanghebbende, geen vvgb vereist, molenbiotoop, stikstof, relativiteit, groenbeheer, ecologie, cultuurhistorische waarden, gezondheid, houtkachels, welstand, tussenuitspraak
* Rechtbank Den Haag 23 januari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:1761: Awb, Wabo; omgevingsvergunning milieu, pluimveeslachterij, verhoging slachtcapaciteit van kuikens, belanghebbende, geen gevolgen van enige betekenis, geurhinder, afstand 885 m, op 52 m aan grenswaarde voldaan
* Rechtbank Noord-Nederland 23 januari 2026, ECLI:NL:RBNNE:2026:404: Awb, Wabo; omgevingsvergunning, binnenplanse afwijking, sportschool op bovenverdieping pand, aanvullend akoestisch onderzoek, einduitspraak na tussenuitspraak
* Rechtbank Den Haag 20 januari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:2103
Einduitspraak na tussenuitspraak
Rechtbank Den Haag 15 januari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:1686: Awb, Ow; weigering omgevingsvergunning, aanbouw, definitie bestemmingsplan, strijd met omgevingsplan,  bouwvlak verschoven op luchtfoto omgevingsloket, niet bindend, belangenafweging, strijd met redelijke eisen van welstand
* Rechtbank Den Haag 5 januari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:1676: Awb, Wro; planschade, vergoeding in natura, zelfde bouwmogelijkheden, redelijke termijn
* Rechtbank Noord-Nederland 17 oktober 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:5874: Awb, Wabo; omgevingsvergunning, binnenplanse afwijking, sportschool op bovenverdieping pand, begrip “fitnesscentrum”, uitleg planregels, Van Dale, relativiteit, concurrent, geen relevante leegstand
* Rechtbank Noord-Nederland 17 oktober 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:5873: Awb, Wabo; omgevingsvergunning, binnenplanse afwijking, sportschool op bovenverdieping pand, begrip “fitnesscentrum”, uitleg planregels, Van Dale, geluid, contactgeluid onvoldoende onderzocht, parkeerdruk, brandveiligheid, hoorplicht, welstand, tussenuitspraak

¶ = uitspraak waarop de Omgevingswet materieel van toepassing is (dus niet de uitspraken die vallen onder het overgangsrecht)
# = betrokkenheid STAB
= (nog) niet gepubliceerd

Bijzondere overwegingen

* ABRvS 18 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:917: Awb, Waterwet; handhaving, last onder dwangsom, verbod onttrekken uit oppervlaktewater, verdringingsreeks, overtreding, effluentsloot, oppervlaktewaterlichaam, evenredigheid, vertrouwensbeginsel, geen bijzonder omstandigheden (Rb Zeeland-West-Brabant 22/5958)
6. De rechtbank heeft overwogen dat het dagelijks bestuur onvoldoende heeft onderbouwd dat het water uit de effluentsloot oppervlaktewater betreft. De rechtbank heeft in dat kader verwezen naar de definitie van “oppervlaktewaterlichaam” in de Waterwet en de definitie in de Keur. De rechtbank heeft uit de rechtspraak (uitspraken van de Afdeling van 18 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3533, r.o. 2.1. en 13 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1530, r.o. 20.2) afgeleid dat een waterloop (in dit geval de sloot) aangemerkt wordt als een oppervlaktewaterlichaam, wanneer daarin een normaal ecosysteem aanwezig is én wanneer die waterweg in verbinding staat met een oppervlaktewaterlichaam in de zin van de Waterwet. Volgens de rechtbank is wel sprake van een verbinding met ander oppervlaktewater, maar heeft het dagelijks bestuur onvoldoende onderbouwd dat sprake is van een normaal ecosysteem.
(…)
7.1. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, volgt uit voornoemde uitspraken van 13 mei 2015 en 18 november 2015 niet dat sprake is van  voorwaarden waaraan cumulatief moet zijn voldaan om een waterloop als een oppervlaktelichaam aan te merken. Zoals het dagelijks bestuur terecht heeft aangevoerd, zien deze uitspraken op situaties, waarin de Afdeling heeft geconcludeerd dat van een oppervlaktewaterlichaam geen sprake was en is aangegeven welke factoren bij dit oordeel in die gevallen een rol hebben gespeeld.
7.2. Naar het oordeel van de Afdeling volgt uit de definitieomschrijving van artikel 1.1, eerste lid, van de Waterwet en artikel 1.1, onder m, van de Keur dat een samenhangend geheel van vrij aan het aardoppervlak voorkomend water in beginsel een (onderdeel van een) oppervlaktewaterlichaam is. Daarop zijn uitzonderingen mogelijk, die in het licht van de Kaderrichtlijn Water wel beperkt moeten worden uitgelegd en toegepast in overeenstemming met de doelen van de Kaderrichtlijn Water. Of sprake is van een situatie waarin zich zo’n uitzondering voordoet moet van geval tot geval worden beoordeeld.
7.3. In dit geval gaat het, zoals ter zitting door partijen is bevestigd, om een sloot van ongeveer 200 m lang waarin het teveel aan water (effluent) uit de RWZI wordt geloosd. In deze sloot is een stuw aangebracht door [de maatschap]. Als er teveel water op de sloot wordt geloosd, dan stroomt dat water over de stuw (eenrichtingsverkeer) en stroomt het via een systeem van (zout)waterwegen uiteindelijk in het Veerse Meer, zijnde een oppervlaktewaterlichaam. In dit kader wordt verder ook verwezen naar de memo van 28 november 2023 van R. Dieleman en J. Schoonakker, hydrologen van de afdeling Watersystemen van het Waterschap, waarin over de sloot onder meer is geconcludeerd: “De watergang heeft altijd een waterafvoerende functie en staat jaarrond in verbinding met het omliggende water”. Uit het voorgaande leidt de Afdeling af dat de effluentsloot een,  anders dan incidenteel aanwezige, watermassa is die in verbinding staat met ander oppervlaktewater en dat van een uitzonderingssituatie zoals aan de orde was in de zaken die tot de hiervoor genoemde uitspraken van de Afdeling van 13 mei 2015 en 18 november 2015 hebben geleid, in dit geval geen sprake is. Ook anderszins is niet gebleken van factoren die aanleiding zouden kunnen zijn om een uitzonderingssituatie aan te nemen. Hieruit volgt dat het water uit de effluentsloot moet worden aangemerkt als een (onderdeel van een) oppervlaktewaterlichaam. Dat, zoals de maatschap aanvoert, het water van de effluentsloot naar een afgesloten buffersloot wordt gepompt en dit water nooit deel heeft uitgemaakt van het slotensysteem, kan niet tot een ander oordeel leiden, omdat de maatschap water (direct) uit de effluentsloot heeft onttrokken, die wel een oppervlaktewaterlichaam is, zoals uit het voorgaande volgt.

* ABRvS 18 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:782: Awb, Chw, Wro; bpl verbrede reikwijdte, niet raadpleegbaar op landelijke voorziening, geconsolideerd beschikbaar op gemeentelijke planviewer, geen mogelijkheid tijdrijzen, inhoud bpl niet vast te stellen, initiatief uitbreiden paardenstalling, voldoende concreet initiatief, ten onrechte geen ruimtelijke afweging, verleende, nog niet onherroepelijke vergunning, zwaarwegend belang
Procesverloop
Bij besluit van 22 december 2021 heeft de raad van de gemeente Brielle het bestemmingsplan “Omgevingsplan Buitengebied Brielle – Veegplan 1” (hierna: Veegplan 1) vastgesteld.
(…)
Bij besluit van 30 mei 2024 heeft de raad van de gemeente Voorne aan Zee het bestemmingsplan “Omgevingsplan Buitengebied Brielle – Veegplan 2” (hierna: Veegplan 2) vastgesteld.
(…)
Bij besluit van 2 juli 2024 heeft de raad van de gemeente Voorne aan Zee het bestemmingsplan “Omgevingsplan Buitengebied Brielle – Veegplan 3” (hierna: Veegplan 3) vastgesteld.
Gerelateerde procedures
8. De Afdeling doet vandaag ook uitspraak in de procedure waarin GeoMEC-4P Realisatie & Exploitatie B.V. en [partij] beroep hebben ingesteld tegen Veegplan 1 (zaak nr. 20220646/1/R3, ECLI:NL:RVS:2026:781).
9. Daarnaast doet de Afdeling vandaag uitspraak in twee andere procedures waarbij [appellant] betrokken is en die verband houden met deze uitspraak. Die procedures gaan over een bij besluit van 24 augustus 2021 aan [appellant] opgelegde last onder dwangsom (zaak nr. 202401788/1/R3, ECLI:NL:RVS:2026:783) en over de bij besluit van 15 december 2022 aan [appellant] verleende omgevingsververgunning (zaak nr. 202401931/1/R3, ECLI:NL:RVS:2026:784).
(…)
10.4. Dat het Omgevingsplan en de Veegplannen bestemmingsplannen met verbrede reikwijdte zijn en bedoeld zijn om vooruit te lopen op de systematiek van de Omgevingswet, betekent niet dat deze plannen ook daadwerkelijk dezelfde systematiek volgen. Het Omgevingsplan en de Veegplannen vallen namelijk nog onder het oude recht, waaronder de Wro en de Chw, en niet onder de Omgevingswet. Dit betekent ook dat de verplichting tot het geconsolideerd beschikbaar stellen zoals nu op grond van artikel 19 van de Bekendmakingswet voor omgevingsplannen onder de Omgevingswet geldt, niet geldt voor bestemmingsplannen met verbrede reikwijdte, en dus ook niet voor het Omgevingsplan en de Veegplannen waar het in deze procedure over gaat. Bestemmingsplannen met verbrede reikwijdte zijn, op grond van artikel 4.6, eerste lid en onder c, van de Invoeringswet Omgevingswet, namelijk onderdeel van het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Op grond van artikel 22.5, vijfde lid, van de Omgevingswet geldt voor het tijdelijk deel van het omgevingsplan niet de verplichting tot het in geconsolideerde vorm beschikbaar stellen.
10.5.  De raad heeft er in dit geval wel voor gekozen om het Omgevingsplan en de Veegplannen geconsolideerd beschikbaar te stellen op de gemeentelijke planviewer. De Afdeling overweegt dat dit, ondanks dat dit wettelijk dus niet verplicht is, op zichzelf mogelijk is. Ook dan moet wel worden voldaan aan de voorwaarde uit artikel 7c, negende lid, aanhef en onder a, aanhef en onder 1°, van het Bu Chw, dat het vastgestelde bestemmingsplan elektronisch op een algemeen toegankelijke wijze beschikbaar wordt gesteld en blijft.
10.6. De Afdeling overweegt dat het, ten tijde van de zitting van 13 maart 2025, niet mogelijk was om aan de hand van de gemeentelijke planviewer of de landelijke voorziening (ruimtelijkeplannen.nl) vast te stellen hoe de verbeelding van Veegplan 1 er ten tijde van de vaststelling van dat plan uitzag en wat de planregels van Veegplan 1 inhielden. Dat komt door de gezamenlijke/geconsolideerde weergave van Veegplan 1 met het Omgevingsplan en de Veegplannen 2 en 3. Veegplan 1 is niet afzonderlijk via een aparte kaartlaag te raadplegen. Daarnaast zijn er ook geen andere aanknopingspunten in de juridisch-bindende delen van Veegplan 1 aan de hand waarvan kan worden bepaald wat de raad met Veegplan 1 heeft vastgesteld en gewijzigd.
(…)
Tot slot wijst de Afdeling erop dat “tijdreizen” binnen de gemeentelijke planviewer niet mogelijk is. Dit betekent dat het niet mogelijk is om een moment in het verleden te kiezen en te zien welke plannen op dat moment op een gekozen locatie golden, en hoe de verbeelding er toen uitzag en de planregels toen luidden. In de sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet beschikbaar gestelde landelijke voorziening (Regels op de kaart) is deze functionaliteit opgenomen met het oog op onder meer de rechtszekerheid van burgers en om effectieve rechtspraak mogelijk te maken. Omdat een gemeentelijk omgevingsplan onder de Omgevingswet namelijk geconsolideerd moet worden weergegeven op de landelijke voorziening, zou het zonder de functionaliteit van tijdreizen niet mogelijk zijn om kennis te nemen van de inhoud van een omgevingsplan, zoals dat op een bepaald moment in het verleden gold. Ondanks dat in dit geval het oude recht van toepassing is op het Omgevingsplan en de Veegplannen en “tijdreizen” dus geen verplichte functionaliteit is, overweegt de Afdeling dat het wel op de weg van de raad had gelegen om deze (of een vergelijkbare) functionaliteit in de planviewer op te nemen, omdat er door de raad voor is gekozen het Omgevingsplan en de Veegplannen geconsolideerd beschikbaar te stellen.

* ABRvS 18 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:783: Awb, Wabo; handhaving, last onder dwangsom, buitenruimte, vernietiging vergunning en bpl, inhoud bpl niet vast te stellen, fundamenteel gebrek beschikbaarheid bpl (Rb Rotterdam 22/1931)
5.2. De Afdeling zal hierna ingaan op de vraag wat de gevolgen zijn van de vernietiging van Veegplan 1 en Veegplan 2 voor het besluit tot handhaving. Bij vernietiging van een besluit door de bestuursrechter worden de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in beginsel ongedaan gemaakt met terugwerkende kracht tot het tijdstip waarop het besluit werd genomen.
Maar de Afdeling heeft eerder geoordeeld dat een besluit tot handhaving wegens overtreding van vergunningvoorschriften niet kan worden aangemerkt als een rechtsgevolg van het onderliggende besluit tot vergunningverlening. Ten tijde van het nemen van het besluit tot handhaving was de vergunning met bijbehorende voorschriften namelijk rechtsgeldig in werking. Daarom komt het besluit tot handhaving niet voor vernietiging in aanmerking op de enkele grond dat het onderliggende besluit tot vergunningverlening is vernietigd. Zie de uitspraken van 19 juni 2002, ECLI:NL:RVS:2002:AE4356, onder 2.2.3, en 1 juli 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BJ1126, onder 2.3.1.
De Afdeling overweegt dat ook een besluit tot handhaving wegens overtreding van een bestemmingsplan niet kan worden aangemerkt als een rechtsgevolg van het besluit tot vaststelling dat bestemmingsplan. Daarom ziet de Afdeling geen reden om in dit geval, waarin het college met het besluit op bezwaar de last onder dwangsom in stand heeft gelaten met toepassing van Veegplan 1, tot een andere conclusie te komen dan in de hiervoor genoemde uitspraken. De vernietiging van Veegplan 1, voor zover het betreft de plandelen met alle op het perceel [locatie 1] in Zwartewaal rustende bestemmingen en/of aanduidingen, betekent op zichzelf dus niet dat de last onder dwangsom met het besluit op bezwaar ten onrechte in stand is gelaten.
5.3. Maar de Afdeling moet wel kunnen vaststellen wat de inhoud van het recht is waarop het besluit op bezwaar mede is gebaseerd. In de uitspraak van vandaag, zaak nr. 202200646/2/R3 en 202404685/1/R3, ECLI:NL:RVS:2026:782, heeft de Afdeling onder 10.10 geoordeeld dat Veegplan 1 en Veegplan 2 in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel, en met artikel 7c van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet, niet op zichzelf elektronisch op een algemeen toegankelijke wijze beschikbaar zijn. Het is voor de Afdeling niet mogelijk om vast te stellen hoe de verbeelding van Veegplan 1 er ten tijde van de vaststelling van dat plan uitzag en wat de planregels van Veegplan 1 waren.
Vanwege dit fundamentele gebrek in de wijze waarop Veegplan 1 beschikbaar is gesteld, overweegt de Afdeling dat het niet mogelijk is om de inhoud vast te stellen van het ten tijde van het besluit op bezwaar geldende bestemmingsplan Veegplan 1. Het is voor de Afdeling daarom ook niet mogelijk om te beoordelen of, en in hoeverre, er ten tijde van het besluit op bezwaar van 7 april 2022 sprake was van bouwwerken en/of gebruik in strijd met Veegplan 1. De Afdeling kan de uitspraak van de rechtbank, die gaat over de rechtmatigheid van het besluit op bezwaar, daarom ook niet beoordelen. Hierin ziet de Afdeling reden om over te gaan tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en vernietiging van het besluit op bezwaar van 7 april 2022.
Dit betekent dat het college opnieuw zal moeten beslissen op het bezwaar van [appellant]. Het college zal daarbij rekening moeten houden met eventuele wijzigingen in de feiten en omstandigheden. Dit is ook de reden dat de Afdeling het hoger beroep in zoverre verder niet beoordeelt. Of de bevoegdheid van het college tot handhaving nog bestaat, is afhankelijk van het antwoord op de vraag of ten tijde van de te maken heroverweging er een overtreding is en of die overtreding nog valt te beëindigen, ongedaan te maken, te voorkomen, of dat er inmiddels sprake is van concreet zicht op legalisatie. Zie over de heroverweging bij herstelsancties de uitspraak van de Afdeling van 28 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2571.

* ABRvS 18 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:784: Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouwen, uitvoeren werken en afwijken bpl, drie paardenbakken, drie lichtmasten, betonplaat en mestopslaglegalisatie, legalisatie, vernietiging bpl, niet onder Tegelen-jurisprudentie (Rb Rotterdam 23/712)
8. De Afdeling stelt vast dat er met de omgevingsvergunning op een aantal punten wordt afgeweken van het ten tijde van het besluit van 15 december 2022 geldende bestemmingsplan “Omgevingsplan Buitengebied Brielle – Veegplan 1”, vastgesteld op 22 december 2021 (hierna: Veegplan 1).
8.1.    Bij uitspraak van vandaag, zaak nr. 202200646/2/R3 en 202404685/1/R3, ECLI:NL:RVS:2026:782, heeft de Afdeling, voor zover het betreft de plandelen met alle op het perceel [locatie 1] in Zwartewaal rustende bestemmingen en/of aanduidingen, het besluit van de raad van de gemeente Brielle, nu Voorne aan Zee, van 22 december 2021 tot vaststelling van Veegplan 1, en het besluit van 30 mei 2024 tot vaststelling van het bestemmingsplan “Omgevingsplan Buitengebied Brielle – Veegplan 2”, vernietigd.
8.2. Op grond van artikel 8:72, tweede lid, van de Awb brengt de vernietiging van een besluit of een gedeelte van een besluit vernietiging van de rechtsgevolgen van dat besluit of van het vernietigde gedeelte daarvan mee. Ten aanzien van de gevolgen van de vernietiging van een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan voor op basis daarvan verleende bouwvergunningen heeft de Afdeling op deze hoofdregel in de uitspraak van 21 december 1999, ECLI:NL:RVS:1999:AA4296, een uitzondering geformuleerd, waarbij onder meer in de uitspraken van de Afdeling van 12 januari 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP0510, en 24 februari 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP6324 is aangesloten. Uit deze jurisprudentie volgt dat als het besluit op bezwaar inzake de bouwvergunning onder vigeur van het nieuwe bestemmingsplan is genomen, omdat dat plan ten tijde van het nemen van het besluit op bezwaar in werking was, de bestuursrechter in beroep en hoger beroep bij de toetsing van het besluit op bezwaar dient uit te gaan van het nieuwe plan, ook als dat plan na het nemen van het besluit op bezwaar is vernietigd.
Deze zogenoemde Tegelen-jurisprudentie ziet op het geval dat het nieuwe, na het besluit op bezwaar vernietigde, bestemmingsplan de betreffende activiteit toestond, zodat het bevoegd gezag deze activiteit op grond van dat bestemmingsplan niet kon tegengaan. In dat geval rechtvaardigt de rechtszekerheid van de aanvrager van de vergunning de in deze jurisprudentie gemaakte uitzondering op de in artikel 8:72, tweede lid, van de Awb vervatte hoofdregel.
Als het vernietigde bestemmingsplan de betreffende activiteit niet toestond, maar daarvoor – zoals hier – een omgevingsvergunning voor afwijking van het bestemmingsplan nodig was, strekt de rechtszekerheid van de aanvrager zoals de Afdeling al eerder heeft overwogen, niet zover dat ook in dat geval een uitzondering gemaakt moet worden op die hoofdregel. Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 4 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:240, onder 13 – 13.3.
8.3. De Afdeling ziet ook in dit geval geen aanleiding voor het maken van een uitzondering op de in artikel 8:72, tweede lid, van de Awb vervatte hoofdregel. Daarom is het college achteraf gezien bij de beoordeling van de aanvraag om omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, b en c, van de Wabo, gelezen in samenhang met artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3°, van die wet, ten onrechte uitgegaan van Veegplan 1. Het besluit tot verlening van de omgevingsvergunning is daarom in strijd met artikel 3:46 van de Awb niet deugdelijk gemotiveerd. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

* ABRvS 18 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:929: Awb, Wabo; omgevingsvergunning afwijken bpl, huisvesting arbeidsmigranten in zorgboerderij en woonunits, spuitzone, goede procesorde, relativiteit, norm goede ruimtelijke ordening, goed woon- en leefklimaat, EFSA-model, nieuw besluit spuitzone 50 m, redelijke termijn (Rb Midden-Nederland 23/450)
8.2. (…)
Adromi heeft voor het spuitzoneonderzoek gebruik gemaakt van het EFSA-model. Het rapport vermeldt onder “Beoordeling overige factoren” dat het gebruikte EFSA-model geen inzicht biedt in de blootstellingsrisico’s voor kinderen jonger dan één jaar en voor ongeboren kinderen. Ook vermeldt het rapport dat het gebruikte EFSA-model geen inzicht geeft in de cumulatieve effecten van blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen en in de eventuele gecombineerde werking tussen gewasbeschermingsmiddelen onderling. Ten slotte is het niet mogelijk om afscherming van drift met een haag of een scherm te modelleren. Gelet [hierop] is de conclusie dat wat de bruikbaarheid betreft van het voor dit project gebruikte EFSA-model dezelfde kritiekpunten gelden als aan de orde waren in de uitspraken van 19 oktober 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3023 en 6 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4523. Dat de gewasbeschermingsmiddelen die kunnen worden gebruikt al op veiligheid zijn beoordeeld bij de toelating tot de Europese markt laat onverlet dat op dit moment geen wetenschappelijke informatie beschikbaar is waarmee de eerder genoemde blootstellingsrisico’s in beeld kunnen worden gebracht. Hierdoor kunnen deze blootstellingsrisico’s niet op een verantwoorde wijze worden meegenomen bij het bepalen van een aanvaardbare afstand. Weliswaar is in het spuitzonerapport van Adromi van 7 juni 2022 uit voorzorg gerekend met correctiefactoren en ruimere marges, maar uit de genoemde uitspraken van de Afdeling volgt juist dat zonder nader onderzoek niet kan worden ingeschat of daarmee tegemoet wordt gekomen aan de onzekerheden van het ook in dit geval gehanteerde EFSA-model. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat het spuitzonerapport van Adromi van 7 juni 2022 niet kan worden aangemerkt als een advies waarin een kortere afstand deugdelijk is gemotiveerd aan de hand van een zorgvuldig op de locatie toegesneden onderzoek.

Rechtbank Noord-Holland 12 februari 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:1157: Awb, Ow; afwijzing aanvraag omgevingsvergunning, handhaving, driehoekig plexiglas in terrasoverkapping, strijd met omgevingsplan, BOPA, welstand, geen motivering over ETFAL
15. Omdat de activiteit in strijd is met het omgevingsplan, ziet de aanvraag van eiseres op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Op grond van artikel 8.0a, tweede lid, Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) wordt een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
15. Het college heeft de afwijzing van de omgevingsvergunning gebaseerd op het feit dat de welstandscommissie een negatief advies heeft uitgebracht, maar daarmee is nog niet gemotiveerd dat het college de aangevraagde activiteit ongewenst acht met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In dat kader is ten eerste relevant dat het college, zoals ter zitting besproken, abusievelijk het beoordelingskader van artikel 22.29 van het omgevingsplan voor binnenplanse omgevingsplanactiviteiten heeft toegepast, en niet heeft getoetst aan artikel 8.0a, tweede lid van het Bkl. Bovendien is relevant dat, voor zover het advies van de welstandscommissie onderdeel zou uitmaken van de beoordeling door het college over de wenselijkheid van de activiteit met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, door eiseres terecht is gesteld dat de welstandscommissie rekening dient te houden met het feit dat de plaatsing van de terrasoverkapping zonder het (doorzichtige) plexiglas al is toegestaan. Dat heeft de welstandscommissie nu niet gedaan, want in feite stelt de welstandscommissie dat geen akkoord kan worden gegeven voor de plaatsing van het plexiglas, omdat eerder geen akkoord is gegeven voor het plaatsen van de terrasoverkapping.
15. Het voorgaande maakt dat eiseres terecht heeft gesteld dat de afwijzing van haar legaliseringsaanvraag geen stand kan houden. Het beroep tegen de afwijzing van de omgevingsvergunning slaagt in zoverre. De rechtbank zal bestreden besluit 1 vernietigen en het college zal opnieuw moeten beslissen op de aanvraag van eiseres.

* Rechtbank Midden-Nederland 11 februari 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:360: Awb, Wabo; weigering omgevingsvergunning milieu, verhoging verwerkingscapaciteit van organische olie- en vetverwerking, BBT-conclusies afvalbehandeling, afval, beoordelen op moment van binnenkomst, biologisch afbreekbaar afval, geur, maximale geurconcentratie, beleidsregels provincie, vertrouwensbeginsel
13. Het standpunt van eiseres komt er in de kern op neer dat in de verschillende stadia van afvalverwerking beoordeeld moet worden welke BBT van toepassing is. De rechtbank is het daar niet mee eens en zal dat hierna toelichten. De BBT-conclusies zijn van toepassing op de biologische behandeling van afval en zijn vastgesteld op grond van de RIE. Artikel 3, punt 37, van de RIE definieert “afval” als: afvalstof als omschreven in punt 1 van artikel 3 van Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen. In die laatstgenoemde Richtlijn wordt “afvalstof” omschreven als: elke stof of elk voorwerp waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen. Gelet op deze definitie slaagt het betoog van eiseres niet dat alleen gekeken moet worden naar het (reinigings)proces van bedrijfsafvalwater dat plaatsvindt in de installatie. In het geval van eiseres zijn haar klanten de houders die zich van hun afvalstoffen willen ontdoen. Alle vetten en oliën die eiseres in haar inrichting inzamelt vallen daarmee al onder de definitie afvalstof. Eiseres verwerkt dat waar haar klanten, de afvalstoffenhouders, zich van willen ontdoen. Dat betekent dat op het moment van binnenkomst van de afvalstoffen bekeken moet worden welke BBT-conclusies voor afvalbehandeling van toepassing zijn en niet pas nadat een afvalstroom al (deels) bewerkt of gescheiden is. Deze beroepsgrond van eiseres slaagt dus niet.

* Rechtbank Zeeland-West-Brabant 6 februari 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:688: Awb, evenementenvergunningen, toestemmingen verruimde geluiduitstoot, apv, locatieprofiel, andere evenementen, exceptieve toetsing evenementenbeleid, Nota Limburg, onduldbare hinder, geluidsnorm op dansvloer, relativiteit, openbare orde, Wet natuurbescherming
8.1. (…)
In het evenementenbeleid is bepaald dat op andere locaties dan de Vrijthof in Hilvarenbeek en de Gildeweide in Diessen maximaal drie evenementen per jaar worden georganiseerd. Daarbij gelden voor evenementen die in tenten en in de buitenlucht worden georganiseerd de volgende eindtijden: 01:00 uur voor de nachten van vrijdag op zaterdag en van zaterdag op zondag en op nachten voorafgaand aan een nationale vrije dag. Voor de overige dagen wordt een eindtijd van 23:00 uur gehanteerd en in de schoolvakantie 00:00 uur.
Daarnaast geldt voor evenementen in tenten en in de buitenlucht een geluidsnorm van 80 dB(A) op geluidsgevoelige gevels in de omgeving voor evenementen waar de muziek centraal staat. De geluidssterkte op twee meter van de geluidsbron mag niet harder zijn dan 103 dB(A).
Omdat het evenementenbeleid niet zou aansluiten op de werkelijke situatie, waarin voor de Beekse Bergen een milieuvergunning is afgegeven waarin is bepaald dat voor vier evenementen per jaar mag worden afgeweken van de geluidsvoorschriften verbonden aan de milieuvergunning, is het locatieprofiel festivals Beekse Bergen 2023 (locatieprofiel) vastgesteld.
Op grond van het locatieprofiel mag het equivalente geluidsniveau vanwege muziekgeluid, ter plaatse van de gevels van de dichtstbij gelegen woningen van derden, gemeten over een periode van 5 minuten, niet meer bedragen dan:
1. 75 dB(A) tot 01:30 uur;
2. 60 dB(A) tussen 01:30 en 04:00 uur;
Het equivalente geluidniveau vanwege muziekgeluid ter plaatse van de gevels van de dichtstbij gelegen woningen van derden, gemeten over een periode van 5 minuten, mag niet meer bedragen dan:
1. 90 dB(C) tot 01:30 uur;
2. 75 dB(C) tussen 01:30 en 04:00 uur.
Op de dansvloer mag de geluidsbelasting op grond van het convenant gehoorschade muzieksector niet meer bedragen dan 103 dB(A).
(…)
8.6. Hoewel de burgemeester en het college terecht stellen dat voor bestuursorganen geen wettelijke verplichting bestaat om bij evenementen de Nota Limburg toe te passen, had het wel op hun weg gelegen om nader te motiveren waarom bij een geluidsnorm van 90 dB(C) ter plaatse van de gevel van een woning, geen onevenredige hinder in die woning ontstaat. De aard van de vergunde evenementen is dat er voornamelijk muziek wordt gespeeld met krachtige lage bastonen. Uit het deskundigenadvies van [deskundige 2] volgt dat bij dergelijke tonen niet kan worden uitgegaan van een gemiddelde geveldemping van 20 dB. Verwacht wordt dat de dempende werking voor lagere tonen gemiddeld 3 tot 5 dB minder zal zijn. De burgemeester en het college hebben geen onderzoek uitgevoerd naar de dempende werking van woninggevels bij laagfrequent geluid en hebben daarom niet zonder meer kunnen vaststellen dat geen onevenredige geluidshinder zou plaatsvinden bij omliggende woningen.
8.7. Ter zitting is namens de burgemeester en het college desgevraagd bevestigd dat voor beantwoording van de vraag wanneer sprake is van onduldbare hinder, aansluiting wordt gezocht bij wat daarover in de Nota Limburg is opgenomen.
Volgens de Nota Limburg is in ieder geval sprake van onduldbare hinder bij een geluidsniveau van meer dan 20 dB(A) boven het referentieniveau én bij een geluidsniveau van 50 dB(A). Hieruit volgt dat bij een toegelaten geluidsbelasting van 75 dB(A) op de gevel en een geluidsdemping van 20 dB door de gevel, de norm van 50 dB(A) al wordt overschreden.
Daar komt nog bij dat zonder nader onderzoek naar de geluiddempende werking van de gevel van woningen bij laagfrequent geluid, onduidelijk is hoe hoog de geluidsbelasting binnen een woning zal zijn bij een norm van 90 dB(C) op de gevel. Nu de geluiddempende werking van een gevel voor laagfrequent geluid kennelijk lager ligt dan de 20 dB die gemiddeld wordt aangehouden, ligt het in de lijn der verwachting dat de overschrijding ten gevolge van laagfrequent geluid nog veel forser zal zijn.
Verder gaat de Nota Limburg uit van een gebruikelijke indeling van geluidsnormen in een norm voor de dagperiode, de avondperiode en de nachtperiode, waarbij 23:00 uur de grens tussen avond- en nachtperiode is. Na 23:00 uur zal – bij een lagere norm – nog eerder sprake zijn van onduldbare hinder omdat, zo begrijpt de rechtbank, dan slaapverstoring kan optreden.
Met het bestreden besluit wordt de norm op vrijdag en zaterdag na 23:00 uur niet verlaagd. Dit betekent dat er op vrijdag en zaterdag na 23:00 uur naar verwachting een nog grotere overschrijding van de norm voor duldbare geluidhinder optreedt.
De rechtbank volgt de burgemeester en het college niet in hun standpunt dat pas sprake is van onduldbare hinder als er een situatie is dat mensen elkaar binnen de woning niet meer kunnen verstaan, met name niet voor de nachtperiode. Het college miskent daarmee dat de behoefte elkaar te kunnen verstaan in de nachtperiode bij veel omwonenden minder zwaar weegt dan de behoefte om te (kunnen) slapen.
8.8. Gelet op bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat de burgemeester en het college niet in redelijkheid hebben kunnen aansluiten bij de geluidsnormen zoals opgenomen in het evenementenbeleid en het locatieprofiel voor wat betreft de normen op de gevels van omliggende woningen. Bij de vaststelling van dat beleid en het locatieprofiel is immers te weinig kennis vergaard en zijn dus de belangen over en weer onvoldoende afgewogen. De burgemeester en het college hebben daarom niet in redelijkheid kunnen besluiten tot verlening van de evenementenvergunningen en de toestemmingen verruimde geluidsuitstoot. De rechtbank vernietigt daarom de bestreden besluiten. Met het oog op nieuw te nemen besluiten gaat de rechtbank ook in op het volgende.
8.9. Er is ook een geluidsnorm voor een maximaal geluidsniveau van 103 dB(A) op de dansvloer vastgesteld. Anders dan vergunninghouders menen, staat het relativiteitsvereiste er niet aan in de weg dat eisers hierover een beroepsgrond aanvoeren. Aannemelijk is dat de geluidsbelasting die wordt gemeten op de dansvloer ook een direct effect op het geluidsniveau in de omgeving heeft.
De rechtbank wijst de burgemeester en het college op het feit dat de Wereldgezondheidsorganisatie een norm van 100 dB(A) aanbeveelt en dat deze norm, zoals eisers aanvoeren, ook door de gemeente Amsterdam wordt gehanteerd. Het betoog van vergunninghouders dat een zo lage norm niet zou werken omdat bepaalde voor de evenementen belangrijke artiesten dan niet zouden kunnen of willen optreden, kan de rechtbank niet zonder meer volgen. Ook in Amsterdam zullen bij evenementen ook vele artiesten in verschillende muziekstijlen optreden.

Rechtbank Den Haag 5 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:1875: Awb, Ow; vovo, omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit, slopen woning, cultuurhistorische waarden, advies nadien opgesteld, cultuurhistorische waarden niet omschreven, geen toepassing aan uitgestelde inwerkingtreding
Uitgestelde inwerkingtreding?
9. Verzoeker voert aan dat het op de weg van het college had gelegen om toepassing te geven aan artikel 16.79, tweede lid, van de Omgevingswet, nu deze bepaling juist is bedoeld voor situaties als deze, waarbij er regels gelden ter bescherming en behoud van het te slopen object.
9.1. Op grond van artikel 16.79, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet treedt een omgevingsvergunning in werking met ingang van de dag na de dag waarop het besluit is bekendgemaakt.
9.2. In het tweede lid, aanhef en onder a, van dat artikel is bepaald dat in afwijking van het eerste lid het bevoegd gezag in de omgevingsvergunning bepaalt dat die in werking treedt met ingang van de dag waarop vier weken zijn verstreken sinds de dag van bekendmaking of terinzagelegging als naar zijn oordeel het verrichten van de activiteit die de omgevingsvergunning mogelijk maakt binnen die vier weken kan leiden tot een wijziging van een bestaande toestand die niet kan worden hersteld.
9.3. Aangezien het slopen van een woning leidt tot een toestand die niet kan worden hersteld, had het college naar het oordeel van de voorzieningenrechter in het bestreden besluit toepassing moeten geven aan artikel 16.79, tweede lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet. Het college heeft dat in het verweerschrift ook erkend. Het college dient in de beslissing op het bezwaar van verzoeker ook dit gebrek te herstellen.

* Rechtbank Den Haag 27 januari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:1764: Awb, Wabo; afwijzing verzoek handhaving, uitbouw, wijziging draagconstructie, geen vergunningplicht ten tijde van bestreden besluit, wel betrekken bij nieuw te nemen besluit, wijziging artikel 2.26 Bbl, bouwovergangsrecht, buiten bouwvlak, herhaalde aanvraag, plantenbak en schanskorf, geen strijd met bestemming, geen misbruik van procesrecht
6.3. Voor de vraag of een omgevingsvergunning is vereist voor een wijziging van de draagconstructie van de uitbouw is artikel 2.26 van het Bbl bepalend. Dit artikel voorzag ten tijde van het nemen van het bestreden besluit niet in een vergunningplicht voor een bouwactiviteit waarmee de draagconstructie wijzigt. Omdat dit een onbedoelde versoepeling is ten opzichte van bijlage II van het Bor is met ingang van 1 januari 2025 een nieuw onderdeel toegevoegd aan het eerste lid van artikel 2.26 van het Bbl. Op grond daarvan is voor een bouwactiviteit die voorziet in wijziging van de draagconstructie een omgevingsvergunning voor een (technische) bouwactiviteit vereist. Omdat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit het op dat moment geldende recht moest worden toegepast, heeft het college op goede gronden overwogen dat er geen vergunningplicht gold voor wijzigingen van de draagconstructie. Dit betekent dat, hoewel eisers in zoverre terecht hebben betoogd dat sprake is van wijzigingen van de draagconstructie, hier ten tijde van het bestreden besluit geen omgevingsvergunning voor was vereist.
6.4. Het betoog van eisers dat het college, gelet op de uitspraak van de Afdeling van 3 juli 2024, ten onrechte is uitgegaan van een vergunningvrije wijziging en niet van een overtreding naar oud recht die niet meer kan worden gehandhaafd, kan geen doel treffen. Het college moest immers nagaan of onder het nieuwe recht zoals dat gold ten tijde van het nemen van het bestreden besluit nog steeds sprake was van een overtreding. Tot een andere uitkomst – afwijzing van het handhavingsverzoek voor zover het de wijziging van de draagconstructie betreft – kon dit ook niet leiden.

Privacy beleid
STAB hecht aan het naleven van de beginselen uit de AVG. De wijze waarop we met gegevens omgaan, is vastgelegd in een privacyverklaring. Voor onze volledige privacyverklaring kunt u hier terecht.

Privacy Preference Center

Ontdek meer van STAB

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder