Weigering omgevingsvergunning milieu voor verhogen verwerkingscapaciteit organische olie- en vetverwerking. BBT-conclusie 34 van het BREF WT (afvalbehandeling) is van toepassing.

Casus

Een bedrijf dat vet-, water-, slibmengsels en swill verwerkt heeft een omgevingsvergunning milieu gevraagd voor het verhogen van de verwerkingscapaciteit van organische olie- en vetverwerking. Het college van gedeputeerde staten van Flevoland heeft de vergunning geweigerd, onder meer omdat het bedrijf niet voldoet aan de in BBT-conclusie 34 van het BREF Afvalbehandeling (WT) voorgeschreven geuremissie. Het bedrijf voert onder meer aan dat BBT-conclusie 34, die betrekking heeft op de biologische behandeling van afval, niet op haar van toepassing is. In haar bedrijfsproces komen olie/water en olie/water/slibmengsels binnen. Deze mengsels worden gescheiden, waarna alleen het water biologisch wordt behandeld. In haar bedrijfsproces worden dus alleen op water gebaseerde, vloeibare afvalstromen biologisch behandeld. Op een dergelijke afvalstroom is BBT-conclusie 34 niet van toepassing.

Rechtsvragen

1. Moet voor de verschillende stadia van afvalbewerking beoordeeld worden welke BBT van toepassing is?
2. Is sprake van op water gebaseerde, vloeibare afvalstromen, waarop BBT-conclusie 34 niet van toepassing is?

Uitspraak

1. Het standpunt van eiseres komt er in de kern op neer dat in de verschillende stadia van afvalverwerking beoordeeld moet worden welke BBT van toepassing is. De rechtbank is het daar niet mee eens en zal dat hierna toelichten. De BBT-conclusies zijn van toepassing op de biologische behandeling van afval en zijn vastgesteld op grond van de RIE. Artikel 3, punt 37, van de RIE definieert ‘afval’ als: afvalstof als omschreven in punt 1 van artikel 3 van Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen. In die laatstgenoemde Richtlijn wordt ‘afvalstof’ omschreven als: elke stof of elk voorwerp waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen. Gelet op deze definitie slaagt het betoog van eiseres niet dat alleen gekeken moet worden naar het (reinigings)proces van bedrijfsafvalwater dat plaatsvindt in de installatie. In het geval van eiseres zijn haar klanten de houders die zich van hun afvalstoffen willen ontdoen. Alle vetten en oliën die eiseres in haar inrichting inzamelt vallen daarmee al onder de definitie afvalstof. Eiseres verwerkt dat waar haar klanten, de afvalstoffenhouders, zich van willen ontdoen. Dat betekent dat op het moment van binnenkomst van de afvalstoffen bekeken moet worden welke BBT-conclusies voor afvalbehandeling van toepassing zijn en niet pas nadat een afvalstroom al (deels) bewerkt of gescheiden is. Deze beroepsgrond van eiseres slaagt dus niet.

2. Voor het geval dat uitgegaan moet worden van het geheel aan afvalstoffen dat bij de inrichting binnenkomt, heeft eiseres gesteld dat ook dan sprake is van op water gebaseerde, vloeibare afvalstromen waar de BBT-conclusies in punt 3 niet van toepassing op zijn. Ook daarin volgt de rechtbank eiseres niet. Het Uitvoeringsbesluit definieert op water gebaseerde, vloeibare afvalstromen als: afvalstromen die bestaan uit waterige vloeistoffen, zuren/basen of verpompbaar slib (bijv. emulsies, afgewerkte zuren, waterig scheepsafval) en die geen vloeibaar biologisch afbreekbaar afval zijn. Onder vloeibaar biologisch afbreekbaar afval verstaat het Uitvoeringsbesluit: afval van biologische oorsprong met een relatief hoog watergehalte (bijv. inhoud van vetafscheiders, organisch slib, keukenafval en etensresten). De rechtbank is van oordeel dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de afvalstromen vallen onder de definitie van vloeibaar biologisch afbreekbaar afval. Dat de afvalstromen voor een groot gedeelte uit water bestaan, zoals eiseres betoogt, komt helemaal overeen met deze definitie. Daarmee staat ook vast dat deze afvalstromen niet kunnen worden aangeduid als op water gebaseerde, vloeibare afvalstromen, want de definitie daarvan sluit vloeibaar biologisch afbreekbaar afval juist uit. Dat betekent dat het college terecht heeft getoetst of de aanvraag voldoet aan de BBT-conclusies onder punt 3 van het Uitvoeringsbesluit.

Rechtelijke Instantie : Rechtbank Midden-Nederland
Datum Uitspraak : 11-02-2026
Eclinummer : ECLI:NL:RBMNE:2026:360
Jelle van de Poel

Privacy beleid
STAB hecht aan het naleven van de beginselen uit de AVG. De wijze waarop we met gegevens omgaan, is vastgelegd in een privacyverklaring. Voor onze volledige privacyverklaring kunt u hier terecht.

Privacy Preference Center

Ontdek meer van STAB

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder