Bij een plan kan het gebruik van elektrische werktuigen worden betrokken in de stikstofberekening mits het een reëel en aannemelijk uitgangspunt is. Bij een breedte van 300 m zijn verstorende effecten voor weidevogels volledig uitgesloten. Deze zone kan smaller zijn als dat voldoende gemotiveerd is.
Casus
De raad van de gemeente Leeuwarden heeft het bestemmingsplan ‘Leeuwarden – De Zuidlanden, plandeel De Hem’ vastgesteld voor de bouw van 395 woningen. In de omgeving van De Hem liggen de Natura 2000-gebieden ‘Groote Wielen’ en ‘Alde Feanen’ en weidevogelgebieden. Uit stikstofberekeningen blijkt dat er geen toename van stikstofdepositie is in Natura 2000-gebieden. Dorpsbelang Goutum en landschapsvereniging It Fryske Gea betwijfelen dit. Zij betogen dat de stikstofberekening voor de bouwfase niet deugdelijk is omdat in de berekeningen is uitgegaan van overwegend elektrisch materiaal, terwijl dat een mitigerende maatregel is. Ook vinden zij dat onvoldoende rekening is gehouden met de aanwezigheid van weidevogels. Zij pleiten voor een bufferzone van 300 meter.
Rechtsvragen
1. Mag het gebruik van elektrische werktuigen in een stikstofberekening worden meegenomen of mag dat gebruik uitsluitend als mitigerende maatregel worden betrokken?
2. Wanneer zijn verstorende effecten voor weidevogels uitgesloten?
Uitspraak
1. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat in de AERIUS-berekening van 20 maart 2023 ten onrechte als uitgangspunt is genomen dat deels wordt gewerkt met elektrische werktuigen. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, zie bijvoorbeeld overweging 6.3 van de uitspraak van de Afdeling van 27 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3616 en overweging 17.1 van de uitspraak van de Afdeling van 4 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5003, mag in een stikstofberekening worden meegenomen dat wordt gewerkt met elektrische werktuigen, als dit een reëel en aannemelijk uitgangspunt is. Dat betekent dat het gebruik van elektrische werktuigen ook mag worden meegenomen in een stikstofberekening en niet uitsluitend als mitigerende maatregel mag worden betrokken. De Afdeling ziet geen aanleiding de AERIUS-berekening op dit punt gebrekkig te achten.
2. In paragraaf 4.6.2 van de plantoelichting wordt de naast het plangebied gelegen Hounspolder besproken. De Hounspolder is op zichzelf niet effectief als weidevogelgebied. Het is te klein en de verstoringen in de directe omgeving zijn te groot. Maar de Hounspolder is wel van belang voor weidevogels. Altenburg & Wymenga, die voor het plan twee ecologische quickscans hebben uitgevoerd, hebben daarom geadviseerd een zone aan te houden tussen de nieuwe woningen en de Hounspolder. Deze zone zou het beste kunnen worden ingericht als plasdraszone met kruidenrijk grasland. Ook wordt geadviseerd geen bomen, bosschages en riet aan te planten en de toegankelijkheid te beperken.
Dit advies heeft ertoe geleid dat op de verbeelding van het plan een strook grond die tussen de bestemming ‘Woongebied’ en de Hounspolder is gelegen, de bestemming ‘Groen’ heeft gekregen. De breedte van deze strook varieert tussen de 60 en 100 m. Een smaller deel van deze strook heeft daarnaast de functieaanduiding ‘specifieke vorm van groen uitgesloten – opgaande beplanting’. Deze strook is zo’n 40 tot 80 m breed.
Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad onvoldoende gemotiveerd dat de toekomstige woningen en de weidevogels op deze manier naast elkaar kunnen bestaan. De Afdeling weegt hier mee dat de strook met de bestemming ‘Groen’ aanmerkelijk smaller is dan wordt geadviseerd. In zowel het weidevogeladvies van 7 mei 2020 als het rapport van EcoNatura wordt een bredere afstand geadviseerd. Pas bij een breedte van 300 m zouden verstorende effecten volledig zijn uitgesloten. Op de zitting heeft de raad toegelicht dat hij een afweging heeft moeten maken tussen woningbouw en de weidevogels. Een strook van 300 m was niet uitvoerbaar. Dat standpunt acht de Afdeling op zich niet onaannemelijk. Desondanks blijkt uit deze afweging onvoldoende welke gevolgen de keuze voor een smallere bufferzone heeft voor de weidevogels in de Hounspolder. Daarom heeft de raad zijn keuze voor een smallere bufferzone onvoldoende onderbouwd. Daarnaast blijkt uit de plantoelichting en de daarin besproken onderzoeken dat de inrichting van de bufferzone ook zeer van belang is. Er worden bepaalde voorwaarden aan de inrichting van de bufferzone gesteld die ervoor zorgen dat de zone een beschermende werking heeft voor de weidevogels. De raad heeft toegelicht dat er wel al een inrichtingsplan beschikbaar is. Dorpsbelang Goutum wijst er echter terecht op dat in het plan niet is geborgd dat de bufferzone ook volgens dat inrichtingsplan wordt ingericht. Naar het oordeel van de Afdeling is het besluit in zoverre niet zorgvuldig voorbereid.
Rechtelijke Instantie : Raad van State
Datum Uitspraak : 22-07-2026
Eclinummer : ECLI:NL:RVS:2026:4266
Koert Ottens