Bevoegdheid gemeente bij kwaliteitsborging bodembeheer.

Casus

In de uiterwaarden langs de Maas tussen Alphen en Dreumel in de gemeente West Maas en Waal wordt gewerkt aan het delfstoffen- en natuurontwikkelingsproject ‘Over de Maas’. Na de winning van de delfstoffen wordt het gebied geschikt gemaakt voor duurzame hoogwaterbeveiliging, natuur en recreatie. Zo wordt de winningsplas een natuurplas. Om er een natuurplas van te maken, moet de plas minder diep worden. Voor het aanvullen en het ondieper maken van de plas is onder meer granuliet gebruikt. Granuliet is een restproduct van granietbrokken. Volgens de gemeente West Maas en Maal is granuliet schadelijk voor mens en milieu. Zij heeft het ministerie verzocht om een einde te maken aan het toepassen van granuliet. Het ministerie heeft het verzoek afgewezen, omdat volgens haar de milieuregels niet worden overtreden.
Voor zover het verzoek betrekking heeft op de door de gemeente gestelde overtreding van de artikelen 16 en 18 van het Besluit bodemkwaliteit, die betrekking hebben op het vereiste productcertificaat, heeft het ministerie dit afgewezen omdat geen sprake is van een aanvraag nu de gemeente geen belanghebbende is bij dat verzoek.  

Rechtsvragen

1. Is een gemeente bevoegd om eisen te stellen aan beslissingen in het kader van de kwaliteitsborging bodembeheer (kwalibo).
2. Is sprake van een aanvraag als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Awb?

Uitspraak

1. De Afdeling stelt vast dat in de Wet ruimtelijke ordening (Wro), de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en het Besluit omgevingsrecht (Bor) voor de raad en het college geen bevoegdheid is opgenomen om eisen te stellen aan beslissingen omtrent de kwalibo-regelgeving. De belangen die de artikelen 16 en 18 van het Besluit beogen te beschermen, zijn daarmee niet aan de (bestuursorganen van de) gemeente toevertrouwd.

2. Wil de gemeente desondanks als belanghebbende kunnen worden aangemerkt, dan is vereist dat een besluit bevoegdheden betreft die aan organen van de gemeente zelf zijn toegekend, en de gemeente bijvoorbeeld in rechte wil opkomen omdat naar haar mening de bevoegdheidsuitoefening van de gemeente wordt belemmerd of doorkruist.
Vaststaat dat het granuliet dat door GIB wordt geproduceerd ingevolge artikel 2.1, eerste lid, onder b, van de Regeling bodemkwaliteit (hierna: de Regeling) door een erkende en onafhankelijke derde, te weten SGS INTRON Certificatie B.V., van een productcertificaat is voorzien op grond van de BRL 9321. Hiermee verricht GIB de aangewezen werkzaamheid als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder j, van de Regeling, die betrekking heeft op het produceren van bouwstoffen, grond of baggerspecie, bestemd voor toepassing in Nederland en waarvoor een kwaliteitsverklaring is afgegeven. Het feit dat granuliet van een productcertificaat is voorzien, en daarmee geproduceerd mag worden en op de markt mag worden gebracht, betekent niet zonder meer dat het granuliet daarmee ook wordt of kan worden toegepast in de plas. Dat wordt beoordeeld op grond van een melding als bedoeld in artikel 42 van het Besluit. De Afdeling acht ook van belang dat het toepassen van granuliet in de plas als zodanig niet is aangewezen als werkzaamheid, als bedoeld in artikel 2.1 van de Regeling.
Anders dan de raad en het college betogen, heeft een besluit van de minister en de staatssecretaris over handhaving van de artikelen 16 en 18 van het Besluit met betrekking tot het productcertificaat dus geen invloed op de uitoefening van in de Wro, de Wabo, het Bro en het Bor aan de raad en het college toegekende bevoegdheden op het gebied van de ruimtelijke ordening. Gelet hierop is naar het oordeel van de Afdeling geen aan de raad en het college toevertrouwd belang geraakt.

Rechtelijke Instantie : Raad van State
Datum Uitspraak : 13-10-2021
Eclinummer : ECLI:NL:RVS:2021:2282
Peter-Arjen Boers