Een aanvrager heeft procesbelang bij het instellen van beroep tegen een voor hem positief weigeringsbesluit. De betekenis van een positieve weigering bij een wijziging of uitbreiding van een activiteit of bij wijziging van regelgeving, kan aan de orde worden gesteld in een procedure over een besluit dat in het kader daarvan wordt genomen.
Casus
Gedeputeerde staten van Gelderland hebben een vergunning op grond van artikel 2.7 van de Wet natuurbescherming (Wnb) voor de wijziging van de vleeskalverenhouderij geweigerd omdat een vergunning voor intern salderen niet nodig is. Stichting Stikstof Claim en de aanvrager zijn in beroep gegaan bij de rechtbank Gelderland, omdat zij vanuit het oogpunt van rechtszekerheid vinden dat ook voor intern salderen een vergunning moet worden afgegeven. De rechtbank heeft beide beroepen niet-ontvankelijk verklaard omdat de stichting geen belanghebbende is en de aanvrager geen procesbelang heeft. Alle partijen stellen hoger beroep in. De aanvrager handhaaft zijn bezwaren.
Rechtsvraag
Bestaat er procesbelang bij het opkomen van een aanvrager tegen een voor hem positief weigeringsbesluit?
Uitspraak
De Afdeling stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de aangevraagde situatie ten opzichte van de referentiesituatie niet leidt tot een toename van stikstofdepositie op de relevante Natura 2000-gebieden. Dat betekent, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, dat op voorhand op grond van objectieve gegevens is uitgesloten dat de aangevraagde activiteit significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden.
Met de inwerkingtreding van de Spoedwet aanpak Stikstof op 1 januari 2020 is onder meer artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb gewijzigd. Projecten die geen significante gevolgen kunnen hebben, zoals in dit geval omdat zij niet leiden tot een toename van stikstofdepositie ten opzichte van de referentiesituatie, zijn hierdoor niet langer vergunningplichtig (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 21 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:71, onder 17.2 en 17.3).
De Afdeling is van oordeel dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het college niet bevoegd is een natuurvergunning te verlenen voor een activiteit die niet vergunningplichtig is. De Afdeling verwijst hiervoor naar haar uitspraak van 5 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2587, onder 9.1-9.2. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat het college de aanvraag moest afwijzen en dat appellante met haar beroep niet kan bereiken dat aan haar alsnog een vergunning wordt verleend. De uitspraak van de rechtbank Noord-Holland waarnaar appellante verwijst, leidt niet tot een ander oordeel. Dat geldt ook voor wat appellante stelt over artikel 2.4 van de Wnb. Het college diende, nu appellante een aanvraag voor een natuurvergunning heeft ingediend, daarop een beslissing te nemen. Dat het college op grond van artikel 2.4 van de Wnb bevoegd is om verplichtingen op te leggen om handelingen overeenkomstig daarbij gegeven voorschriften uit te voeren of handelingen niet uit te voeren of te staken, staat daar los van.
Appellante betoogt wel terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het beroep voor zover dat door haar is ingesteld, niet-ontvankelijk is wegens het ontbreken van procesbelang. Tegen de positieve weigering kan beroep worden ingesteld en daarin kan, zoals appellante heeft gedaan, aan de orde worden gesteld of artikel 2.7 van de Wnb in het concrete geval van toepassing is en ruimte biedt voor de verlening van een vergunning. Als dan wordt vastgesteld dat een activiteit niet vergunningplichtig is, dan is het beroep ongegrond.
Het betoog slaagt.
Met de rechtbank is de Afdeling zich ervan bewust dat het vervallen van de vergunningplicht gevolgen heeft voor ondernemers, derden en de natuur en tot meer rechtsonzekerheid kan leiden. Op grond van de nu geldende wetgeving in de Wnb is het echter niet mogelijk om een natuurvergunning te verlenen voor de in de aanvraag aangegeven wijziging van de veehouderij van appellante. Aan de wens van appellante om uit oogpunt van rechtszekerheid toch een toestemmingsbesluit te nemen, bestaat binnen de Wnb geen ruimte. De wetgever heeft weliswaar het voornemen geuit om projecten waarbij sprake is van intern salderen weer vergunningplichtig te maken, maar de keuze om dit te doen en de wijze waarop is aan de wetgever. Daarop vooruitlopen is niet mogelijk.
Voor de beoordeling van het hoger beroep is een bespreking van de betekenis van een positieve weigering bij andere toekomstige besluiten niet nodig. Daarom komt de Afdeling daar in deze uitspraak niet aan toe. De betekenis van een positieve weigering bij een wijziging of uitbreiding van een activiteit of bij wijziging van regelgeving, kan aan de orde worden gesteld in een procedure over een besluit dat in het kader daarvan wordt genomen.
Rechtelijke Instantie : Raad van State
Datum Uitspraak : 17-01-2024
Eclinummer : ECLI:NL:RVS:2024:131
Sybren Koopmans