Bevoegdheid ambtshalve actualiseren omgevingsvergunning milieu, emissiegrenswaarde, nieuwe technische mogelijkheden, motiveringsplicht.
Casus
Vergunninghouder produceert papier en karton, onder de vergunde activiteiten vallen ook stookinstallaties, waaronder een afvalmeeverbrandingsinstallatie (K62) en een hulpketel op aardgas (K81). Het college heeft de vergunningvoorschriften voor deze stookinstallaties ambtshalve aangescherpt en nieuwe maatwerkvoorschriften gesteld.
Rechtsvraag
1. Is er een grondslag voor het ambtshalve actualiseren van de vergunning?
2. Heeft het college de voor stookinstallatie K81 gestelde emissiegrenswaarden voldoende onderbouwd?
Uitspraak
1. De rechtbank overweegt dat in dit geval sprake is van een bijzondere situatie. Normaal gesproken zouden de BBT-conclusies Afvalverbranding van 3 december 2019 binnen vier jaar zijn geïmplementeerd in het Activiteitenbesluit, waardoor de mengregel voor het afvaldeel voor NOx overeenkomstig de BBT-conclusies had gegolden. Dit heeft de besluitgever echter nagelaten en de BBT-conclusies zijn alleen geïmplementeerd in het Bal omdat de verwachting destijds was dat het Bal op korte termijn in werking zou treden, samen met de Omgevingswet. Eiseres heeft in wezen niet weersproken dat de BBT-conclusies Afvalverbranding geïmplementeerd hadden moeten zijn. Verder geldt dat met de (ten tijde van het besluit toekomstige) inwerkingtreding van (artikel 4.73 van) het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) ook emissiegrenswaarden voor NH3 (zijn) gaan gelden. Weliswaar heeft eiseres gesteld dat ook bij inwerkingtreding van het Bal niet van rechtswege strengere emissiegrenswaarden gelden, maar dat laat onverlet de plicht om bij besluit de vergunningvoorschriften te actualiseren of de bevoegdheid om van het Activiteitenbesluit (dan wel het Bal) af te wijken om toepassing van de beste beschikbare technieken te waarborgen. Daarbij geldt dat door het college vastgestelde emissiegrenswaarden moeten waarborgen dat de emissies onder normale bedrijfsomstandigheden niet hoger zijn dan de met de beste beschikbare technieken geassocieerde emissieniveaus zoals vastgesteld in BBT-conclusies. De rechtbank stelt vast dat geen sprake is van een situatie waarin de door het college toegepaste BBT-conclusies rechtstreeks van toepassing zijn. Dit neemt echter niet weg dat de BBT-conclusies kunnen dienen als informatie op grond waarvan het bevoegd gezag kan besluiten dat er belangrijke veranderingen zijn in de beste beschikbare technieken die een aanmerkelijke beperking van emissies mogelijk maken, als bedoeld in artikel 5.10, derde lid, onder b, van het Bor of dat op grond daarvan zelf de beste beschikbare technieken kunnen worden bepaald als bedoeld in artikel 5.4, tweede lid, van het Bor. Gelet hierop, is de rechtbank van oordeel dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de BBT-conclusies van 3 december 2019 na vier jaar kunnen dienen als aanleiding om te onderzoeken of de aan de vergunning verbonden voorschriften nog toereikend zijn, als bedoeld in artikel 2.30, eerste lid, van de Wabo of dat het college een eigen afweging kan maken op grond van artikel 5.10, derde lid, van het Bor dan wel op grond van artikel 2.22, vijfde lid, van de Wabo en artikel 5.4, tweede lid, van het Bor.
2. De rechtbank is van oordeel dat het college onvoldoende heeft onderzocht en onderbouwd dat de gestelde emissiegrenswaarden voor stookinstallatie K81 konden worden opgelegd in het belang van de bescherming van het milieu en dat het gebruik van dit instrument in dit specifieke geval nodig is. Dat het mogelijk is dat de stookinstallatie meestal aan de strengere grenswaarden voldoet of dat er in het verleden een strengere grenswaarde heeft gegolden, betekent namelijk nog niet dat aan eiseres dus strengere grenswaarden kunnen worden opgelegd in het belang van de bescherming van het milieu. Een algemene onderbouwing dat de luchtkwaliteit in Nederland niet voldoet aan WHO-normen, is hiervoor niet voldoende, nu dat niets zegt over de vereiste grenswaarden in dit concrete geval.
Het college heeft in het bestreden besluit en ook op de zitting niet voldoende onderbouwd waarom de grenswaarde voor NOx specifiek op 52 mg/Nm3 is bepaald en bijvoorbeeld niet op een andere waarde, zoals 61 mg/Nm3, waarvan vaststaat dat die voor (de installatie van) eiseres niet bezwaarlijk is. Ook is onvoldoende onderbouwd waarom de grenswaarde voor CO van 100 uit de oude vergunning nog steeds zou moeten gelden, of beide waarden kunnen gelden in normale bedrijfsomstandigheden en in hoeverre die waarden in dit geval nodig zijn in het belang van de bescherming van het milieu. Daarbij is van belang dat het college evenmin is ingegaan op de stelling van eiseres dat een verlaging van de NOx-emissie automatisch leidt tot verhoging van de emissie van andere stoffen naar de lucht. Dat had in dit ambtshalve besluit op de weg van het college gelegen, zeker nu luchtemissies voor inrichtingen in beginsel worden gereguleerd door de algemene regels uit het Activiteitenbesluit, waarbij voor stikstofoxiden reeds een grenswaarde is opgenomen. Hoewel het college beoordelingsruimte heeft bij de bepaling wat nodig is in het belang van de bescherming van het milieu, moet voldoende worden gemotiveerd hoe van deze ruimte gebruik wordt gemaakt.
Rechtelijke Instantie : Rechtbank Gelderland
Datum Uitspraak : 31-01-2024
Eclinummer : ECLI:NL:RBGEL:2024:425
Jelle van de Poel