Toepassing van artikel 3, vierde lid, van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) (50%-regeling) betekent niet dat sprake is van een overbelaste situatie waarin BBT 12 van de BBT-conclusies voor intensieve pluimvee- of varkenshouderij toepasbaar is. Het voorschrijven van een geurrendementsmeting doorkruist het exclusieve toetsingskader van de Wgv.
Casus
Het college van burgemeester en wethouders van Deurne heeft aan een varkenshouderij een omgevingsvergunning eerste fase (activiteit milieu) verleend voor uitbreiding. De verandering bestaat uit het verminderen van het aantal dieren in twee stallen en het vermeerderen van het aantal dieren in een nog te bouwen stal naar 2.752 vleesvarkens. De aanvraag heeft betrekking op het houden van in totaal 3.750 varkens. De rechtbank Oost-Brabant heeft het door omwonenden daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en ook het na een tussenuitspraak genomen herstelbesluit vernietigd voor zover het college heeft nagelaten bepaalde voorschriften aan de vergunning te verbinden. De rechtbank heeft zelf voorziend voorschriften aan het herstelbesluit verbonden, waarin in de kern is voorgeschreven dat vergunninghouder binnen zes maanden na het in gebruik nemen van de stallen, en daarna jaarlijks, door middel van geurmetingen het rendement van de toegepaste luchtwassers moet aantonen.
De omwonenden betogen dat het college bij de verlening van de vergunning geen toepassing mocht geven aan artikel 3, vierde lid, van de Wgv. De veehouderij en het college vinden dat de rechtbank ten onrechte een verplichting tot het verrichten van geurrendementsmetingen aan de vergunning heeft verbonden.
Rechtsvragen
1. Kon de vergunning met toepassing van artikel 3, vierde lid, van de Wgv (50%-regeling) worden verleend?
2. Biedt de Wgv ruimte voor een voorschrift dat door middel van geurmetingen het rendement van de toegepaste luchtwassers moet worden aangetoond?
3. Betekent toepassing van artikel 3, vierde lid, van de Wgv dat geurhinder bij gevoelige receptoren wordt verwacht en/of is onderbouwd en dat BBT 12 van de BBT-conclusies voor intensieve pluimvee- of varkenshouderij toepasbaar is?
Uitspraak
1. Uit de bewoordingen van artikel 3, vierde lid, van de Wgv, is duidelijk dat daarvoor naar de bestaande vergunning moet worden gekeken. De Wgv houdt daarbij echter geen rekening met de situatie waarin voor een veehouderij geen vergunningplicht geldt, maar waarin deze wel rechtmatig in werking is onder het Activiteitenbesluit. Dat is het geval voor de varkenshouderij van [appellante sub 2], waarvoor in 2013 de vergunningplicht, en daarmee de in 2009 verleende omgevingsvergunning, zijn vervallen. De Wgv geeft zelf geen handvat om te bepalen wat in die situatie als referentiesituatie moet worden genomen. De nota van toelichting bij de artikelen 3.115 en 3:119a (voorheen artikel 6.24s) van het Activiteitenbesluit (Stb. 2021, 441) geeft dat wel.
Artikel 3.115 van het Activiteitenbesluit is de equivalent van artikel 3 van de Wgv voor veehouderijen die niet vergunningplichtig zijn en artikel 3.115, tweede lid, onder b, van het Activiteitenbesluit is materieel gezien gelijk aan artikel 3, vierde lid, van de Wgv. De Afdeling ziet geen grond om het criterium dat in die bepalingen wordt omschreven, anders toe te passen onder de Wgv dan onder het Activiteitenbesluit, zodat de nota van toelichting bij het Activiteitenbesluit ook in dit geval van nut is. In die toelichting staat dat voor de toepassing van artikel 3.115 van het Activiteitenbesluit moet worden gekeken naar de omgevingsvergunning milieu die de inrichting had voor inwerkingtreding van het Activiteitenbesluit. Dat verandert pas als een melding van een verandering van de inrichting wordt gedaan. Dat betekent dat het bij de toepassing van artikel 3, vierde lid, van de Wgv gaat om de toename van de geurbelasting in de aangevraagde situatie ten opzichte van de geurbelasting in de situatie die op 16 juni 2009 was vergund. Nadien zijn er namelijk geen veranderingen van de inrichting gemeld. Ook zijn er geen veranderingen geweest waarvoor [appellante sub 2] een melding als bedoeld in artikel 1.10 van het Activiteitenbesluit had moeten doen. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2024:1363, hoefde [appellante sub 2] de tijdelijke afwezigheid van dieren in de inrichting niet te melden. Dat betekent dat het college voor de toepassing van artikel 3, vierde lid, van de Wgv terecht de omgevingsvergunning van 16 juni 2009 heeft gebruikt als referentiesituatie.
2. De geuremissiefactoren in bijlage 1 bij de Rgv zijn gebaseerd op een bepaald rendement dat in die bijlage is vermeld, in dit geval 45%. [appellante sub 2] en het college voeren terecht aan dat het exclusieve toetsingskader van de Wgv, op grond waarvan moet worden uitgegaan van de vastgestelde geuremissiefactoren, geen ruimte biedt voor het bevoegd gezag om voor te schrijven dat door middel van geurmetingen het rendement van de toegepaste luchtwassers moet worden aangetoond. Ook de rechtbank heeft dan niet de ruimte om een dergelijk voorschrift aan de omgevingsvergunning te verbinden. De uitzondering in artikel 2, tweede lid, van de Wgv – dat wel voorschriften kunnen worden gesteld om te bereiken dat in de veehouderij ten minste de voor de veehouderij in aanmerking komende BBT worden toegepast – biedt in dit geval ook geen ruimte voor het door de rechtbank toegevoegde voorschrift. De rechtbank overweegt weliswaar dat het uitvoeren van één of meer rendementsmetingen aansluit bij BBT 12 en 26 van de BBT‑conclusies voor intensieve pluimvee- of varkenshouderij, maar dat betekent nog niet dat die metingen moeten worden voorgeschreven om te bereiken dat de in aanmerking komende BBT worden toegepast. Bovendien is in dit geval BBT 12, en daarmee ook BBT 26, in dit geval niet toepasbaar, zoals hierna onder 8.1 [zie beantwoording rechtsvraag 3] wordt overwogen.
3. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de hiervoor vermelde uitspraak van 23 december 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:3101), is BBT 12 alleen toepasbaar in gevallen waar geurhinder bij gevoelige receptoren wordt verwacht en/of is onderbouwd. Als wordt voldaan aan de Wgv is dat in beginsel niet het geval. Zoals hiervoor onder 6.1 [zie beantwoording rechtsvraag 1] is overwogen, wordt voldaan aan de Wgv en neemt de geurbelasting op de omliggende woningen af ten opzichte van de in 2009 vergunde situatie. Het is in dit geval niet aannemelijk geworden dat niettemin sprake is van geurhinder bij gevoelige receptoren op grond waarvan een geurbeheersplan zou moeten worden voorgeschreven.
Rechtelijke Instantie : Raad van State
Datum Uitspraak : 10-04-2024
Eclinummer : ECLI:NL:RVS:2024:1364
Jelle van de Poel