Onder het begrip ‘antropogene verstoring’ moet elke verstoring worden verstaan die terug te voeren is tot menselijke activiteit, met inbegrip van elke verandering die de samenstelling en abundantie van de vissoorten kan aantasten, en dat al deze verstoringen relevant zijn voor de klasse-indeling van de ecologische toestand van de ‘visfauna’.
Casus
Op 7 november 2013 heeft verzoekster in het hoofdgeding bij de administratieve autoriteit een vergunningsaanvraag ingediend voor de bouw van een boothuis van 7 m x 8,5 m bij de Weißensee (Oostenrijk). Dit natuurlijke meer in de deelstaat Karinthië heeft een oppervlakte van 6,53 km². Deze aanvraag is bij besluit van 25 mei 2016 afgewezen, waarna verzoekster in het hoofdgeding beroep heeft ingesteld bij het Landesverwaltungsgericht Kärnten (bestuursrechter in eerste aanleg van de deelstaat Karinthië, Oostenrijk), dat het afwijzende besluit bij beslissing van 21 februari 2020 heeft bekrachtigd. Volgens deze rechterlijke instantie was de algehele toestand van het oppervlaktewater van het meer ‘ontoereikend’ als gevolg van de kwaliteit van de visfauna. Deze rechter was van mening dat alle hydromorfologische en fysisch-chemische kwaliteitselementen alsook de biologische kwaliteitselementen ‘fytoplankton’ en ‘macrofyten’ weliswaar in een zeer goede toestand waren, maar dat hij een algemene beoordeling van de kwaliteitselementen diende te maken en het element met de slechtste waarde als doorslaggevend indelingscriterium diende te hanteren. De ontoereikende toestand van het biologische kwaliteitselement ‘visfauna’ is het gevolg van een slecht beheer van de visbestanden. Uit de huidige inventarisatie van de vispopulaties is namelijk gebleken dat van de acht oorspronkelijke vissoorten er nog slechts zes aanwezig waren, terwijl er negen niet-inheemse vissoorten waren bijgekomen
Hoewel in casu niet kan worden uitgesloten dat de visserij invloeden kan hebben op de fysisch-chemische en eventueel hydromorfologische kwaliteitselementen van het oppervlaktewater, blijkt evenwel uit geen enkel element van het dossier waarover het Hof beschikt dat de maatregelen voor het beheer van de visbestanden hoe dan ook maatregelen zijn die antropogene invloeden hebben op de fysisch-chemische en hydromorfologische kwaliteitselementen van het oppervlaktewater.
Rechtsvraag
Met zijn vragen wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of punt 1.2.2 van bijlage V bij richtlijn 2000/60 aldus moet worden uitgelegd dat met betrekking tot de criteria voor de beoordeling van het biologische kwaliteitselement ‘visfauna’, de ‘antropogene verstoringen’ in de samenstelling en abundantie van vissoorten ten opzichte van de typespecifieke gemeenschappen in de zin van dat punt uitsluitend kunnen voortvloeien uit ‘antropogene invloeden op de fysisch-chemische en hydromorfologische kwaliteitselementen’ van de meren en niet uit andere antropogene invloeden zoals maatregelen voor het beheer van de visbestanden. Indien deze vraag ontkennend wordt beantwoord, wenst hij te vernemen of voor de klasse-indeling van de ecologische toestand van de ‘visfauna’ alle oorzaken van de verstoringen relevant zijn.
Uitspraak
De bescherming van de ecologische toestand van aquatische ecosystemen kan niet worden gewaarborgd indien bij de beoordeling van de toestand van de visfauna in meren geen rekening zou hoeven te worden gehouden met antropogene verstoringen die optreden in de samenstelling en abundantie van vissoorten of andere soorten en niet het gevolg zijn van een wijziging van de fysisch-chemische en hydromorfologische kwaliteitselementen.
Voorts zou door een strikte interpretatie van punt 1.2.2 van bijlage V bij richtlijn 2000/60, volgens welke bij de zeer goede ecologische toestand van de visfauna geen rekening hoeft te worden gehouden met bepaalde antropogene wijzigingen, het biologische kwaliteitselement ‘visfauna’ irrelevant worden. Het zou immers in strijd zijn met de doelstellingen van richtlijn 2000/60 om te oordelen dat bepaalde verslechteringen van de visfauna – zoals, in voorkomend geval, een achteruitgang van de visbestanden – niet van invloed zijn op de kwaliteitsindeling van de visfauna volgens de relevante bepalingen van bijlage V bij die richtlijn.
Zoals volgt uit punt 39 van het onderhavige arrest, bevestigt de teleologische uitlegging van de relevante bepalingen dat bij het definiëren van de ecologische toestand van de visfauna rekening moet worden gehouden met elke verstoring in de samenstelling en abundantie van de vissoorten en in de leeftijdsstructuur van die gemeenschappen.
Gelet op een en ander moet op de gestelde vragen worden geantwoord dat punt 1.2.2 van bijlage V bij richtlijn 2000/60 aldus moet worden uitgelegd dat met betrekking tot de criteria voor de beoordeling van het biologische kwaliteitselement ‘visfauna’, onder het begrip ‘antropogene verstoring’ in de zin van dit punt elke verstoring moet worden verstaan die terug te voeren is tot menselijke activiteit, met inbegrip van elke verandering die de samenstelling en abundantie van de vissoorten kan aantasten, en dat al deze verstoringen relevant zijn voor de klasse-indeling van de ecologische toestand van de ‘visfauna’.
Rechtelijke Instantie : European Court of Justice (ECJ)
Datum Uitspraak : 21-03-2024
Eclinummer : ECLI:EU:C:2024:256
Odile Scholte