Voor planologisch nadeel van belang of op basis van de ten tijde van de peildata beschikbare wetenschappelijke informatie reden was om aan te nemen dat laagfrequent geluid van windturbines tot gezondheidsklachten van omwonenden kan leiden.
Casus
Bij besluit van 22 november 2017 heeft het college van burgemeester en wethouders van Breda een aanvraag van [appellant] om tegemoetkoming in planschade afgewezen. [Appellant] is eigenaar van de burgerwoning aan [locatie 1] en de bedrijfswoningen aan [locatie 2] en [locatie 3] te Galder. Bij brief van 18 november 2015, aangevuld bij brief van 29 april 2016, heeft hij het college verzocht om een tegemoetkoming in de planschade die hij stelt te hebben geleden als gevolg van de inwerkingtreding van onder andere het bij raadsbesluit van 21 april 2011 vastgestelde bestemmingsplan Hazeldonk (hierna: het nieuwe bestemmingsplan) en een bij besluit van 8 mei 2013 verleende omgevingsvergunning (hierna: de omgevingsvergunning). Deze planologische maatregelen zijn genomen ten behoeve van het realiseren van drie windturbines met een tiphoogte van 149 m op het bedrijventerrein Hazeldonk (hierna: het plangebied). De afstand van de woningen tot de dichtstbijzijnde windturbine is 355 m ([locatie 1]), 400 m ([locatie 2]) en 510 m ([locatie 3]).
Appellant betoogt onder meer dat de rechtbank onvoldoende heeft gereageerd op de stelling van Staal Makelaars dat woningen in de nabijheid van windturbines niet of slechts tegen een lagere prijs zijn te verkopen. Verder is geen rekening gehouden met de schadelijke gevolgen van laagfrequent geluid van windturbines voor de gezondheid.
Rechtsvraag
Is de rechtbank uitgegaan van een juiste planvergelijking?
Uitspraak
Volgens vaste rechtspraak zijn in de planvergelijking alleen de objectief te verwachten gevolgen van het nieuwe planologische regime van belang. Vergelijk de overzichtsuitspraak van de Afdeling van 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2582, onder 2.12. Dit uitgangspunt geldt ook voor de vaststelling van de eventuele waardevermindering. De planvergelijking is immers de basis van de schadetaxatie. Dat betekent dat niet de beleving van [appellant] van (de gevolgen van) de planologische ontwikkeling bepalend kan zijn, maar het antwoord op de vraag of, bezien vanuit de positie van een redelijk denkend en handelend koper, de waarde van de woningen is gedaald als gevolg van de in de planvergelijking vastgestelde planologische nadelen van de windturbines in het plangebied.
Voor dat antwoord is onder meer van belang of op basis van de ten tijde van de peildata beschikbare wetenschappelijke informatie reden was om aan te nemen dat, zoals [appellant] stelt, laagfrequent geluid van windturbines tot gezondheidsklachten van omwonenden kan leiden. Wat de mogelijke gezondheidsrisico’s betreft, heeft de StAB gewezen op het rapport ‘Windturbines: invloed op de beleving en gezondheid van omwonenden’, GGD-informatieblad Medische Milieukunde Update 2013, van het RIVM. In dit rapport is onder meer aan de door [appellant] genoemde onderzoeken van M.A. Nissenbaum en anderen uit 2012 en van N. Pierpont uit 2009 gerefereerd. Volgens het RIVM zijn er evenwel onvoldoende gegevens beschikbaar voor de beoordeling van de invloed van windturbines op de slaap en is voor een effect van laagfrequent geluid op de gezondheid geen bewijs gevonden. Ook de publicatie van M. Alves Pereira uit 2007 over vibro-akoestische ziekte, waarop [appellant] in deze procedure een beroep heeft gedaan, heeft niet geleid tot het aannemen van een directe relatie tussen gezondheidsrisico’s en het geluid van windturbines. De StAB heeft dit afgeleid uit een in 2017 door het RIVM uitgebracht geactualiseerd onderzoeksrapport (‘Health effects related to wind turbine sound’) met daarin een overzicht van de conclusies van de beschikbare wetenschappelijke onderzoeken. Over vibro-akoestische ziekte en het windturbinesyndroom is geconcludeerd dat dit controversieel is en niet wetenschappelijk wordt ondersteund. De StAB concludeert dan ook dat er onvoldoende wetenschappelijk bewijs beschikbaar is voor een directe relatie tussen gezondheidsrisico’s en het geluid van windturbines.
Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in het betoog van [appellant] geen grond voor het oordeel dat de rechtbank het verslag van de StAB ten onrechte aan haar oordeelsvorming ten grondslag heeft gelegd. Het betoog slaagt niet.
Rechtelijke Instantie : Raad van State
Datum Uitspraak : 29-05-2024
Eclinummer : ECLI:NL:RVS:2024:2224
Odile Scholte