De goedkeuring van het bosbeheerplan maakt kapwerkzaamheden mogelijk die zonder de goedkeuring verboden zijn zonder omgevingsvergunning. De goedkeuring is daarom gericht op rechtsgevolg en een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
Casus
Bij brief van 8 maart 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders van Oirschot (het college) het door appellant ingediende ‘Bosbeheerplan 2020-2032’ (hierna: het bosbeheerplan) goedgekeurd.
Bij besluit van 25 augustus 2021 heeft het college het door De Werkgroep daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 22 augustus 2023 heeft de rechtbank het door De Werkgroep daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft De Werkgroep hoger beroep ingesteld.
De Werkgroep betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de goedkeuring van het bosbeheerplan door het college geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat het niet op rechtsgevolg is gericht. Daartoe voert De Werkgroep aan dat de goedkeuring illegaal verrichte werkzaamheden legaliseert, en daarnaast toekomstige kapactiviteiten mogelijk maakt die anders niet zouden zijn toegestaan.
Rechtsvraag
Is de goedkeuring van het bosbeheerplan een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb?
Uitspraak
Artikel 1:3 van de Awb luidt:
‘1. Onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.
[…].’
Artikel 14.4.1 van de planregels luidt:
‘Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren:
a. het verwijderen van houtgewas;
[…].’
Artikel 14.4.2 luidt:
‘Het sub 14.4.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden:
a. die het normale onderhoud, gebruik en beheer betreffen in het kader van bos- en natuurbeheer;
[…].’
Artikel 1, lid 110 (normaal onderhoud) luidt:
‘het normale onderhoud van agrarische gronden, bossen, groenelementen / landschapselementen en natuurterreinen, zoals het beweiden en maaien van graslanden, het ploegen, eggen en inzaaien van akkers, het schonen van sloten en greppels, alsmede het regulieren onderhoud van bossen, groenelementen / landschapselementen en natuurterreinen, waaronder het kappen van bomen ter uitvoering van een goedgekeurd beheersplan.’
De rechtbank heeft ten onrechte geconcludeerd dat de goedkeuring van het bosbeheerplan van 8 april 2021 geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Uit artikel 14.4.1, aanhef en onder a, van de planregels, in samenhang gelezen met de artikelen 14.4.2, aanhef en onder a, en artikel 1, lid 110 van de planregels, volgt dat het bestemmingsplan het verwijderen van houtgewas verbiedt, tenzij er sprake is van normaal onderhoud, gebruik en beheer, in het kader van bos- en natuurbeheer. Onder normaal onderhoud wordt in het bestemmingsplan verstaan het reguliere onderhoud van bossen, waaronder het kappen van bomen ter uitvoering van een goedgekeurd bosbeheerplan. Door de goedkeuring vallen de werkzaamheden die plaatsvinden in het kader van de uitvoering van het bosbeheerplan onder normaal onderhoud, en is voor die kapwerkzaamheden geen omgevingsvergunning nodig. Appellant mocht daardoor zonder omgevingsvergunning tot uitvoering van de in het bosbeheerplan genoemde kapwerkzaamheden overgaan. Zonder de goedkeuring zou appellant dat alleen zonder omgevingsvergunning hebben mogen doen als de kapwerkzaamheden anderszins vallen onder het normale onderhoud, gebruik of beheer. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2024:2881, is dat niet het geval. De goedkeuring maakt daarom kapwerkzaamheden mogelijk die zonder de goedkeuring verboden zijn zonder omgevingsvergunning. De goedkeuring is daarom gericht op rechtsgevolg. Dit betekent dat de brief van 8 maart 2021 een besluit bevat in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Gelet hierop heeft het college het door De Werkgroep daartegen gemaakte bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.
De verwijzing door het college naar de uitspraak van de Afdeling van 10 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3287, leidt niet tot een ander oordeel. Die uitspraak zag op een andere situatie. In die uitspraak ging het om een mededeling dat geen bezwaar bestond tegen de constructie van een dakopbouw. Die mededeling was niet gericht op rechtsgevolg, omdat de toestemming om de dakopbouw te bouwen volgde uit de eerder verleende omgevingsvergunning, en niet uit de mededeling.
Het betoog slaagt.
Rechtelijke Instantie : Raad van State
Datum Uitspraak : 24-07-2024
Eclinummer : ECLI:NL:RVS:2024:3001
Ruud Veenhof