Artikel 4.35 van de Invoeringswet Omgevingswet verplicht tot een beschermingsregime voor het beschermd stadsgezicht in het omgevingsplan. In dit geval is hierin nog niet voorzien. Omdat het omgevingsplan niet in een sloopverbod voorziet moet het slopen worden aangemerkt als omgevingsvergunningplichtige omgevingsplanactiviteit (artikel 4.35, tweede lid, van de Invoeringswet Omgevingswet).
Casus
De sloper heeft het voornemen om het bestaande woonhuis met gastenverblijf op het perceel te verbouwen naar twee zelfstandige woonhuizen, waarvan één levensloopbestendig zal zijn. Het bestaande gastenverblijf zal hiervoor worden gesloopt. Het college van burgemeester en wethouders van Wijk bij Duurstede (het college) heeft op 22 juni 2023 aan de sloper voor dit initiatief een omgevingsvergunning verleend, voor het bouwen in afwijking van het bestemmingsplan. Eisers hebben beroep ingesteld tegen de omgevingsvergunning, dat door de rechtbank zal worden behandeld op de zitting van 6 september 2024.
De sloper is begonnen met het slopen van het gastenverblijf.
Op 1 augustus 2024 hebben eisers het college verzocht om zo snel mogelijk handhavend op te treden tegen het verrichten van sloopwerkzaamheden zonder omgevingsvergunning. Op 2 augustus 2024 hebben verzoekers het college in gebreke gesteld en is gesommeerd om uiterlijk die dag om 15.00 uur handhavend op te treden tegen de sloopwerkzaamheden. Na het verstrijken van deze termijn hebben verzoekers diezelfde dag beroep bij de rechtbank ingesteld vanwege het niet tijdig beslissen op hun handhavingsverzoek.
De rechtbank komt tot de conclusie dat het college direct had moeten beslissen op de vraag van eisers om de sloop stil te leggen en geeft het college de opdracht om alsnog snel een besluit te nemen. Er is geen bescherming tegen eventuele onrechtmatige sloop in de tussentijd. De rechtbank ziet daarin aanleiding om af te wegen of zij nu een nieuwe voorlopige voorziening moet treffen. Daartoe is de rechtbank bevoegd op grond van artikel 8:72, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank geeft hiervoor een inschatting van de kans van slagen van het handhavingsverzoek en weegt de belangen van eisers en van de sloper bij het al dan niet treffen van een voorlopige voorziening.
Rechtsvragen
1. Is dit geval een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit benodigd voor het slopen binnen het beschermd stadsgezicht?
2. Bestaat concreet zicht op legalisatie?
Uitspraak
1. De dorpskern van Cothen met het daarbij gelegen kasteel Rhijnestein is een beschermd dorpsgezicht zoals bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988, zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Erfgoedwet. De raad van de gemeente Wijk bij Duurstede is verplicht om in het omgevingsplan blijvend te voorzien in een beschermingsregime voor het beschermde dorpsgezicht. Dat beschermingsregime moet een verbod inhouden op het slopen van in ieder geval de bouwwerken die kort gezegd bijdragen aan de waarde van het beschermde stads- of dorpsgezicht. Deze verplichting volgt uit artikel 4.35, eerste lid en tweede lid, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet. Het omgevingsplan van de gemeente Wijk bij Duurstede voorziet nu nog niet in dit minimale beschermingsregime voor slopen.
De sloop vindt plaats binnen de begrenzing van het beschermde dorpsgezicht. Omdat het omgevingsplan niet in een sloopverbod voorziet, moet het slopen worden aangemerkt als omgevingsvergunningplichtige omgevingsplanactiviteit. Dat volgt uit artikel 4.35, tweede lid, van de Invoeringswet Omgevingswet. Bij deze stand van zaken is de conclusie van de rechtbank dat sprake is van een overtreding, door zonder omgevingsvergunning sloopwerkzaamheden te verrichten.
2. Het college zal bij de beslissing op het handhavingsverzoek vervolgens in acht moeten nemen dat hij in beginsel gehouden is om handhavend op te treden tegen een overtreding. Alleen bij bijzondere omstandigheden mag het college daarvan afzien. Dat kan het geval zijn als er concreet zicht op legalisatie bestaat of als handhavend optreden in een concrete situatie onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen doelen.
Als de sloper snel een omgevingsvergunning aanvraagt, dan kan het college beoordelen of dat concreet zicht op legalisatie oplevert op grond waarvan van handhaving kan worden afgezien. Er moet dan worden bekeken wat de kans is dat de omgevingsvergunning kan worden verleend. In artikel 4.35, tweede lid, van de Invoeringswet Omgevingswet is bepaald dat het toetsingskader voor de omgevingsvergunning het voorheen geldende artikel 2.16 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is. Dat betekent dat een omgevingsvergunning voor slopen in het beschermde dorpsgezicht kan worden geweigerd, als het college het niet aannemelijk vindt dat op de plaats van de sloop een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd. Dat er een ander bouwwerk zal worden gebouwd is in dit geval in zoverre aannemelijk, dat de sloper daarvoor concrete plannen heeft en dat het college daarvoor een omgevingsvergunning heeft verleend. Die omgevingsvergunning is echter nog onderwerp van een beroepsprocedure, waarop de rechtbank niet vooruit loopt. De uitkomst van die procedure kán zijn dat de omgevingsvergunning voor de bouw onrechtmatig is verleend. Als dat het geval is, kan ook sprake zijn van de weigeringsgrond voor de (nog aan te vragen) omgevingsvergunning voor het slopen. Er kan daarom nu niet met zekerheid worden gezegd dat er concreet zicht is op legalisatie.
Rechtelijke Instantie : Rechtbank Midden-Nederland
Datum Uitspraak : 05-08-2024
Eclinummer : ECLI:NL:RBMNE:2024:4760
Ruud Veenhof