Interpretatie van de in artikel 5.1, eerste lid, onder b, van het Activiteitenbesluit opgenomen uitzondering aan de hand van de Richtlijn Industriële Emissies (RIE) en het Uitvoeringsbesluit waarmee BBT-conclusies zijn vastgesteld.
Casus
Verweerder heeft aan eiseres een last onder dwangsom opgelegd vanwege overschrijding van de emissienorm voor SO2 uit artikel 5.4 van het Activiteitenbesluit. Eiseres produceert carbon black door het thermisch kraken en onvolledig verbranden van koolstofhoudende grondstoffen. Bij de productie van carbon black komt restgas vrij, bij de verbranding van dit restgas ontstaat SO2.
Eiseres betoogt dat artikel 5.4 van het Activiteitenbesluit niet op haar van toepassing is, primair omdat er geen sprake is van een stookinstallatie, subsidiair omdat sprake is van een naverbrandingsinstallatie die is uitgezonderd in artikel 5.1, eerste lid, onder b, van het Activiteitenbesluit.
Rechtsvragen
1. Zijn de installaties van eiseres aan te merken als een grote stookinstallatie?
2. Op welke manier moet de uitzondering in artikel 5.1, eerste lid, onder b, van het Activiteitenbesluit worden geïnterpreteerd?
Uitspraak
1. De rechtbank volgt eiseres niet in haar betoog dat haar installaties niet kunnen worden aangemerkt als een stookinstallatie zoals gedefinieerd in artikel 1.1 van het Activiteitenbesluit. Anders dan eiseres aanneemt, volgt uit deze definitie niet dat slechts van een stookinstallatie gesproken kan worden als het hoofddoel van deze installaties het opwekken van warmte is. Het enkele gebruik van de formulering ‘ten einde de aldus opgewekte warmte te gebruiken’ in de definitie, is hiervoor onvoldoende. Hierbij betrekt de rechtbank dat de uitzonderingen die worden genoemd in artikel 5.1, eerste lid, van het Activiteitenbesluit niet nodig zouden zijn als zou worden uitgegaan van de door eiseres voorgestane uitleg van het begrip stookinstallatie. Artikel 5.1, eerste lid, van het Activiteitenbesluit zondert immers meerdere installaties uit van het begrip ‘stookinstallatie’ terwijl deze installaties niet als hoofddoel het opwekken van warmte hebben. Steun voor dit oordeel vindt de rechtbank in genoemde uitspraken van de voorzieningenrechter van 22 maart 2022 en 20 april 2023 en in het verslag van de STAB. Met de STAB is de rechtbank van oordeel dat het feit dat brandstoffen worden verbrand (geoxideerd) en dat de aldus opgewerkte warmte wordt gebruikt, volstaat om de installaties van eiseres aan te merken als een stookinstallatie in de zin van het Activiteitenbesluit. Nu niet in geschil is dat de beide ketels tezamen als één installatie moeten worden aangemerkt omdat de afgassen via één schoorsteen worden afgevoerd en het gezamenlijk vermogen van de beide ketels meer dan 50 MW bedraagt, volgt de rechtbank de STAB in haar conclusie dat de beide installaties gezamenlijk een grote stookinstallatie in de zin van artikel 1.1 van het Activiteitenbesluit zijn.
2. De rechtbank stelt vast dat artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder b, van het Activiteitenbesluit spreekt van ‘technische voorzieningen voor de zuivering van afgassen’, terwijl in artikel 28, aanhef en onder b, van de RIE wordt gesproken over ‘naverbrandingsinstallaties voor de zuivering van afgassen’. De uitzonderingsbepaling in de RIE lijkt daarmee een beperkter toepassingsbereik te hebben dan de uitzonderingsbepaling in het Activiteitenbesluit. Nu afdeling 5.1.1 van het Activiteitenbesluit de implementatie vormt van hoofdstuk III van de RIE, is de rechtbank met verweerder van oordeel dat artikel 5.1 van het Activiteitenbesluit zo veel mogelijk moet worden uitgelegd in het licht van de bewoordingen en het doel van de RIE. De rechtbank kent bij deze uitleg niet alleen betekenis toe aan de RIE, maar ook aan het Uitvoeringsbesluit waarmee BBT-conclusies voor grote stookinstallaties zijn vastgesteld. Ook dit Uitvoeringsbesluit is in het Activiteitenbesluit geïmplementeerd.
Rechtelijke Instantie : Rechtbank Den Haag
Datum Uitspraak : 25-04-2025
Eclinummer : ECLI:NL:RBDHA:2025:7128
Jelle van de Poel