De realisering van de bestemming is afhankelijk gesteld van een nadere afweging die, gelet op de rechtszekerheid en de uitvoerbaarheid van het plan, al bij de rechtstreekse bestemming had moeten worden gemaakt. Op basis van de planregels is onzeker onder welke omstandigheden een loonwerkbedrijf naar aard en invloed op de omgeving geacht kan worden te behoren tot maximaal milieucategorie 2. Rechtspraak over voorwaardelijke verplichtingen. Hoewel de uitwijkstroken inmiddels zijn gerealiseerd, voorzien de planregels niet in een publiekrechtelijke borging van de instandhouding van deze maatregel.

Casus

Bij besluit van 18 mei 2021 heeft de raad van de gemeente Heusden (de raad) het bestemmingsplan ‘[locatie 2] Herpt’ vastgesteld. Het plan voorziet in de vestiging van een loonbedrijf aan de [locatie 1]. Daartoe wordt onder meer de bouw van een schuur en de herinrichting van het terrein mogelijk gemaakt. Op de locatie was voorheen een boomkwekerij gevestigd. Deze activiteit is beëindigd.

Appellanten zijn het met het besluit van de raad niet eens en hebben hiertegen beroep ingesteld bij de Afdeling. [Appellant A] en anderen wonen aan de [locatie 3 en 4], op een afstand van ongeveer 300 m ten westen van het plangebied. Zij stellen verstoring van rust en verkeershinder te ondervinden en vrezen voor schade aan hun woningen doordat het bedrijf veel transportbewegingen veroorzaakt dicht langs hun woningen. [Appellant B] woont aan de [locatie 2] op een afstand van ongeveer 100 m ten noordoosten van de bedrijfsbestemming van het plangebied. Hij stelt in het buitengebied, waar agrarische bedrijven zijn gevestigd, te zijn komen wonen vanwege de rust. Het mogelijk gemaakte loonbedrijf heeft volgens hem een wezenlijk andere ruimtelijke uitstraling dan een agrarisch bedrijf. Volgens hem zijn de gevolgen van het plan voor zijn woon- en leefklimaat onvoldoende onderzocht en wordt dit door de komst van het loonbedrijf onevenredig aangetast.

De raad stelt volgens [appellant B] ten onrechte dat het loonwerkbedrijf naar aard en omvang gelijk is aan een bedrijf dat onder milieucategorie 2 van de VNG-brochure valt. Zelfs als de feitelijke bedrijfsactiviteiten van [bedrijf] als behorend tot milieucategorie 2 zouden moeten worden aangemerkt, dan moet nog steeds van categorie 3.1 worden uitgegaan omdat het bij het plan maximaal toegestane bouwvlak en toegestane bebouwingsmogelijkheden in combinatie met de binnenplanse afwijkingsmogelijkheden om hoogtes en maten te vergroten, een veel intensiever gebruik van het terrein mogelijk maken, dat behoort tot categorie 3.1. De beperking tot een loonwerkbedrijf dat gelijk is aan een bedrijf van milieucategorie 2, in artikel 4.1, aanhef en onder a, van de planregels, is gelet hierop innerlijk tegenstrijdig en niet uitvoerbaar.

[Appellant B] betoogt verder dat de twee uitwijkstroken die op basis van privaatrechtelijke afspraken tussen de gemeente en initiatiefnemer worden aangelegd langs de Hoefstraat, te weinig en te smal zijn en ten onrechte niet in het plan zijn geborgd. [Appellant A] en anderen betogen dat er weliswaar passeerplaatsen worden gemaakt, maar dit is volgens hen niet voldoende.

Rechtsvragen

1. Is de in de planregels opgenomen beperking tot een loonbedrijf dat naar aard en omvang gelijk is aan een bedrijf van milieucategorie 2 in strijd met de rechtszekerheid?
2. Heeft de raad kunnen afzien van het borgen van de uitwijkstroken met een voorwaardelijke verplichting?

Uitspraak

1. Zoals de Afdeling onder 4.2 van haar uitspraak van 19 augustus 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2652, heeft overwogen, is een criterium als ‘een loonwerkbedrijf […] dat naar aard en omvang gelijk is aan een bedrijf van milieucategorie 2 zoals bedoeld in de VNG-publicatie “Handreiking voor bedrijven en milieuzonering”’ niet geschikt om, zoals in het voorliggende plan, zonder nadere objectivering te worden opgenomen in de beschrijving van een bestemming die bij recht wordt toegestaan. De realisering van de bestemming wordt daarmee afhankelijk gesteld van een nadere afweging die, gelet op de rechtszekerheid en de uitvoerbaarheid van het plan, al bij de rechtstreekse bestemming had moeten worden gemaakt. In dit verband is van belang dat de planregels niet beschrijven onder welke voorwaarden een loonwerkbedrijf dat is ingedeeld in milieucategorie 3.1, naar aard en invloed op de omgeving geacht kan worden te behoren tot milieucategorie 2. Op basis van de planregels is dan ook onzeker onder welke omstandigheden een loonwerkbedrijf naar aard en invloed op de omgeving geacht kan worden te behoren tot maximaal milieucategorie 2. De raad heeft verwezen naar de representatieve bedrijfssituatie van het loonwerkbedrijf van [bedrijf]. Nog los van de vraag of die overeenkomt met ten hoogste milieucategorie 2 (zie daarover verder onder), beperken de planregels een loonwerkbedrijf echter niet tot die activiteiten. Daarmee is onzeker wat voor loonwerkbedrijf zich op de desbetreffende gronden kan vestigen. Gelet op het voorgaande is artikel 4.1, aanhef en onder a, van de planregels in strijd met de rechtszekerheid.
Het betoog slaagt.

2. Over het standpunt van de raad dat de gemeente het als eigenaar van de gronden in haar macht heeft deze maatregelen te treffen, zodat een voorwaardelijke verplichting niet nodig is, overweegt de Afdeling als volgt.
De Afdeling heeft in haar uitspraak van 9 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3076, onder 27.4 overwogen dat zij in een drietal situaties niet langer een rechtvaardiging ziet dat de raad een uit een oogpunt van goede ruimtelijke ordening noodzakelijk geachte maatregel niet in de planregels hoeft te borgen. Eén van die situaties is dat het bevoegd gezag stelt eigenaar, anderszins zakelijk gerechtigde of beheerder te zijn van gronden waarop zo’n maatregel moet worden gerealiseerd en in stand gehouden. Uit deze uitspraak volgt dat de reden hiervoor is dat de enkele (toekomstige) eigendoms- of beheersituatie in combinatie met een toezegging omtrent realisatie en instandhouding of een verwijzing naar daarover gemaakte privaatrechtelijke afspraken, onvoldoende afdwingbare waarborgen biedt voor derden die afhankelijk zijn van een publiekrechtelijke regeling die waarborgen biedt voor hun rechtspositie. De rechtszekerheid vereist dat bij een maatregel die uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk wordt geacht voor de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het plan, in de planregels wordt voorzien in een publiekrechtelijke borging van de realisatie en instandhouding van die maatregel, tenzij dit anderszins publiekrechtelijk is verzekerd. Uit de hiervoor genoemde uitspraak volgt dat dit veelal kan door een daarop toegespitste voorwaardelijke verplichting in de planregels op te nemen. In die uitspraak wordt benadrukt dat een voorwaardelijke verplichting uitsluitend is vereist voor maatregelen die uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk worden geacht.
Uit wat eerder is overwogen, volgt dat de raad de bewuste maatregel noodzakelijk acht in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Er is geen andere publiekrechtelijke weg die waarborgt dat deze maatregel zal worden gerealiseerd en in stand gehouden. Hoewel de stroken inmiddels zijn gerealiseerd, voorzien de planregels niet in een publiekrechtelijke borging van de instandhouding van deze maatregel. Het bestreden besluit verdraagt zich in zoverre niet met artikel 3.1, eerste lid, van de Wro en het rechtszekerheidsbeginsel.
Het betoog slaagt.

Rechtelijke Instantie : Raad van State
Datum Uitspraak : 20-08-2025
Eclinummer : ECLI:NL:RVS:2025:3989
Ruud Veenhof

Privacy beleid
STAB hecht aan het naleven van de beginselen uit de AVG. De wijze waarop we met gegevens omgaan, is vastgelegd in een privacyverklaring. Voor onze volledige privacyverklaring kunt u hier terecht.

Privacy Preference Center

Ontdek meer van STAB

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder