Weekoverzicht uitspraken omgevingsrecht

* ABRvS 31 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:6311: Awb, Wro; vovo en kortsluiten, bpl, groepsaccommodatie, plantoelichting, planregels, doelgroepen, laddertoets, noodzaak uitbreiding horeca, paardenhouderij, ondergeschikt, geen definitie begrip “ondergeschikt”, zelfstandige functie, vergroting bouwvlak, provinciale verordening, quick scan, vernietiging besluit, afwijzing verzoek voorlopige voorziening, gebreken lenen zich niet voor herstel, Omgevingswet
* ABRvS 31 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:6427: Awb, Wet luchtverkeer; ontheffing minimum VFR-vlieghoogte, vliegoefeningen met transportvliegtuigen, manoeuvres, beam-nadering, noodzaak voorschriften en beperkingen, laagvliegmanoeuvres, landingsprocedures, omvang hoger beroep, ontvankelijkheid, belang (hoger) beroep, verbod SERA-verordening, ontheffing ziet niet op beam-naderingen (Rb Oost-Brabant 22/610 en 23/1729)
* ABRvS 31 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:6437: Awb, Wgh; bpl, besluit hogere waarden, woningbouw, participatie, bieden inspraak, draagvlak, bebouwingsmogelijkheden, bouwvolume, inpassingsplan, goot- en bouwhoogten, afstand, uitzicht, geluid, woon- en leefklimaat, verlies biodiversiteit en flora en fauna, wettelijke soortenbeschermingsregime, uitvoerbaarheid, quickscan, relativiteitsvereiste, stikstof, belangen van anderen, uitvoerbaarheid, besluit hogere waarden/relativiteitsvereiste
*ABRvS 31 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:6436: Awb, Wabo; omgevingsvergunning afwijken bpl, veranderen dagcamping naar een camping met verblijfsrecreatie, tijdelijk/vijf jaar, onttrokken aan openbaarheid, HOP, ambtshalve beoordeling, procesbelang, bestemmingsplanprocedure, bpl onherroepelijk geworden, camping met verblijfsrecreatie exploiteren zonder afwijkvergunning, hoger beroep niet-ontvankelijk (Rb Noord-Nederland 22/4505)
* ABRvS 31 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:6431: Awb; bezwaar niet-ontvankelijk, bezwaarschrift te laat ingediend, verschoonbaarheid termijnoverschrijding, uitspraken CBb, niet verschoonbaar, niet gebleken van bijzondere omstandigheden, niet met (medische) stukken onderbouw, niet zo spoedig als redelijkerwijs kon worden verlangd, indienen pro forma bezwaar, risico appellante (Rb Zeeland-West-Brabant 23/9519)
* ABRvS 31 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:6430: Awb, Woo; afwijzing verzoek openbaarmaking documenten, vastgestelde waarde woningen, Wet waardering onroerende zaken, prevaleren boven algemene regime Woo, bezwaar ongegrond, herhaling aangevoerde in beroep, Verzamelwet BZK 20XX, uitputtende openbaarmakingsregeling, bijlage, bedoeling wetgever, bij wet voorzien, artikel 10 EVRM (Rb Den Haag 23/6728)
* ABRvS 31 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:6280: Awb, Wro, Wabo, Wvw 1994; bpl, verblijfsrecreatie, kampeerterrein, voorheen/uitsluitend dagrecreatie, verkeersbesluit, onttrekken weg aan de openbaarheid, omgevingsvergunning bouwen loods voor camping, gecoördineerde voorbereiding en besluitvorming, HOP, belangenafweging, alternatief, recreatieve wandelroute, overlast, niet verboden of wegbestemd, kap bomen, herplantplicht, memorie van toelichting, grond- en mensenrechten, EVRM
* ABRvS 31 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:6428: Awb, Wvw 1994; verkeersbesluit, maatregelen vrachtverkeer, eenmans-timmerfabriek, productie van hardhouten kozijnen, ramen en deuren, glasgroothandel, inrijverboden, artikel 24 BABW, op schrift gesteld, artikel 2 Wvw, herhaling aangevoerde in beroep, onjuist of onvolledig, niet aantonen absolute noodzaak, verkeersadvies, belangenafweging, vrachtauto’s die minder lang zijn dan twaalf meter/uitgezonderd (Rb Rotterdam 24/1389)
* ABRvS 30 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:6425: Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning uitvoeren werk of werkzaamheden, afwijken bpl en kappen, aanleg van een warmtetransportleiding, spoedeisend belang, kunnen starten met uitvoering, voorkomen van mogelijk onnodige bomenkap, vertraging, grote financiële schade, onomkeerbaar, fase 1, verplanten of kappen
* Rechtbank Noord-Nederland 29 december 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:5582: Awb, Gmw; vovo, ontheffingen carbidschieten, APV, geluidhinder, paarden, voorschriften, afstandsvereiste, vaste gedragslijn, geluidwaarden omgevingsplan, strijd hogere regelgeving, zorgplicht Wet dieren, toewijzing verzoek
* Rechtbank Noord-Nederland 26 december 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:5379: Awb, Wabo; weigering omgevingsvergunning, twee woongebouwen, gebruiksoppervlakte appartementen, strijd bpl, bouwovergangsrecht, geen (onherroepelijke) omgevingsvergunning, gering verschil, koppeling met het Bouwbesluit 2012, eigen buitenruimte, leefbaarheid en woonkwaliteit, vergunningvoorschrift, verkeersveiligheid, ontsluitingsmogelijkheid, planologisch toegestane gebruik, abbb
* Rechtbank Overijssel 24 december 2025, ECLI:NL:RBOVE:2025:7563: BW; kort geding, spoedeisend belang, onrechtmatige hinder, aard, de ernst en de duur van de hinder, plaatselijke omstandigheden, hinder door onttrekking of toevoer van water/afzonderlijk geregeld, duiker/overloop, geen mogelijkheid overtollig oppervlaktewater afvoeren, wateroverlast, drainagesysteem, natuurontwikkeling
Rechtbank Rotterdam 24 december 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:15090: Awb, Ow; vovo, omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit, bopa, technische bouwactiviteit, tijdelijke woningen, strijd omgevingsplan, belangenafweging, evenwichtige toedeling van functies aan locaties, grote maatschappelijke belang, locatie ongebruikt, sociale huurwoningen, woningnood, behoefte, parkeren, parkeerbehoefte, hetzelfde bouwperceel, binnenplanse afwijkingsbevoegdheid, verkeer, aantal verkeersbewegingen, aantal voetgangers en fietsers, woon- en leefklimaat, ruimtelijke onderbouwing onvolledig, bezonningsstudie, privacy, privacy- en geluidsscherm, sociale veiligheid, vergunningvoorschrift, sociaal beheer- en veiligheidsplan, termijn vijftien jaar, alternatieven, waardedaling woning, belangenafweging
* Rechtbank Gelderland 24 december 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:11486: BW; kort geding, eigenaar winkelcentrum, supermarkt, vordering/verbod invoeren betaald parkeren, kosteloos parkeren, parkeerbelasting, onderzoek parkeerdruk, spoedeisend belang, omzetschade, zuiver financieel belang, supermarktbranche, feit van algemene bekendheid, huurcontract, voldoende belang/onvoldoende onderbouwd
* Rechtbank Midden-Nederland 24 december 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:6960: Awb, Wabo; afwijzing handhavingsverzoeken, bungalowpark, chalets, permanente bewoning, gelijkheidsbeginsel, capaciteitsproblemen, beleidsregelprioriteiten, brief minister van VRO, geen overtreding van geringe aard en ernst, uitleg beleidsregel, dagelijks spraakgebruik, beginselplicht tot handhaving
Rechtbank Noord-Nederland 23 december 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:5454: Awb, Ow; handhaving, dwangsom, herbeplanten bomen, Besluit activiteiten leefomgeving, kappen bomen zonder melding, vellen en beheren van houtopstanden, uitzondering, houtopstanden in erven of in tuinen, geen definitie, normaal spraakgebruik, Van Dale, luchtfoto’s, bos, dunning, strekking last, uitvoerbaarheid en duidelijkheid last, evenredigheid
* Rechtbank Noord-Nederland 23 december 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:5572: Awb, Gmw; vovo, aanwijzingsbesluit carbidschieten, concretiserend besluit van algemene strekking, APV, spelregels, gemeentelijke website, geen beleidsregels, vaste gedragslijn, toetsingskader/lacunes, melkbus, afstand, afspraken, overlast paarden beperken, tegemoetgekomen aan belangen, afwijzing verzoek
* Rechtbank Noord-Nederland 23 december 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:5455: Awb, Wabo, Gmw; handhaving, dwangsom, verbouwing pand, splitsing in drie zelfstandige appartementen, omschrijving overtreding, verwijzing uitspraak rechtbank, overtreding, schriftelijke verklaringen, toezichthouders, verkoopadvertentie Funda, onherroepelijke uitspraak, geen wijzigingen inrichting, geen wijziging relevante regelgeving, meerdere voorzieningen, hoogte dwangsom, belangenafweging, invordering, zelf in de zaak voorzien, vaststellen begunstigingstermijn
* Rechtbank Noord-Nederland 23 december 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:5538: Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouwen en afwijken bpl, herinrichten van sportpark en vernieuwen van de accommodatie, reactienota, ontvangstbevestiging, geluid, geluidsonderzoek, advies deskundige, vergewisplicht, model, gesloten pand/in- en uitgangen, voorleggen aan adviseur, alternatief, gelijkwaardig resultaat met aanmerkelijk minder bezwaren, intensivering gebruik, planologische mogelijkheden, indirecte hinder en overlast, tussenuitspraak
Rechtbank Oost-Brabant 22 december 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:8334: Awb, Ow; handhaving, dwangsom, grondverzetbedrijf, wettelijke hoorplicht, e-mailwisseling, feitencomplex, onafhankelijkheid commissie, overtreding, strijd bpl, beginselplicht tot handhaving, inwerkingtreding Omgevingswet, tijdelijk deel omgevingsplan, concreet zicht op legalisatie, invorderingsbesluit, constateringsrapport, aanschrijven rechtspersoon, aanvoeren tegen lod, uitzonderlijke (evidente) omstandigheden
* Rechtbank Gelderland 22 december 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:11259: Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouwen en afwijken bpl, bouw kantine, voorschriften, onleesbaar maken passages, deugdelijke motivering, motivering bij bekendmaking besluit, Bibob-advies, geheimhouding, persoonsgegevens, openbaar maken passages, mogelijkheid aanvullen bezwaarschrift, geen aanleiding geschil finaal beslechten
* Rechtbank Gelderland 22 december 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:11274: Awb, Wm; afwijzing handhavingsverzoek, melkveehouderij, Activiteitenbesluit milieubeheer, zorgplicht, controlerapport, mestoverschot, drijfmest, schoonmaakwerkzaamheden, vliegen, afwijzing verzoek stellen maatwerkvoorschriften, bijzondere en incidentele gevallen, uitputtende regeling, bevoegdheid, geur, vee op stal, passeren gebrek
* Rechtbank Gelderland 22 december 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:11285: Awb, Wegenwet; bezwaren niet-ontvankelijk, afwijzing handhavingsverzoeken, niet meer toegankelijk zijn wandelpad, belanghebbende, rechtstreeks feitelijk gevolgen ondervindt, gevolgen van enige betekenis, afstand woonpercelen, loopafstand, zicht, veelvuldig gebruikmaken pad, nieuwe beslissing op bezwaar, inhoudelijk beslissen bezwaarschriften
* Rechtbank Gelderland 19 december 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:11231: Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouwen en afwijken bpl, kruimelgevallenregeling, dakterras, evidente privaatrechtelijke belemmering, splitsingsakte, oprichting VvE, toestemming VvE, legalisatie bestaande situatie, belangenafweging, privacy, schadevergoeding/te late besluitvorming, redelijke termijn, artikel 6 EVRM, procedure rechtbank, houding gemachtigde, geen recht op schadevergoeding
* Rechtbank Noord-Holland 19 december 2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:14811: Awb, Wabo; vovo en kortsluiten, omgevingsvergunning bouwen, afwijken bpl en aanleggen uitrit, appartementen met een parkeergarage, alternatieven, uitvoering bouw- en sloopwerkzaamheden, Bouwbesluit 2012, deskundigenadviezen en rapportages, vergewisplicht, second opinion, afspraken anterieure overeenkomst, welstand, gemeentelijk beleid, groenstrook, VNG-brochure, schaduwwerking, beroep ongegrond, afwijzing verzoek
Rechtbank Gelderland 19 december 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:11245: Awb, Ow; weigering omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit, gebruiken en verbouwen van bijgebouw tot zelfstandige woning, evenwichtige toedeling van functies aan locaties, beoordeling niet gespecificeerd op concrete bouwplan, gelijkheidsbeginsel, motivering verweerschrift, intensiever gebruik en andere uitstraling, geen rechtstreekse ontsluiting, verkeersbewegingen, alleen inpandige verbouwing, vernietiging beslissing op bezwaar, geen aanleiding finaal beslechten geschil
Rechtbank Gelderland 19 december 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:11230: Awb, Ow; omgevingsvergunning beperkingengebiedactiviteit, gedeeltelijke verlening en weigering omgevingsvergunning, plaatsing safaritenten binnen beperkingengebied waterlichaam Geldersche IJssel, Besluit activiteiten leefomgeving, Beleidsregels grote rivieren, overgangsrecht Beleidsregels grote rivieren 2025, Besluit kwaliteit leefomgeving, doelstellingen uit de Kaderrichtlijn Water (KRW), splitsing besluitvorming bezwaarfase, artikel 7:11 lid 2 Awb, evenredigheid, jaarrond plaatsen, behoud afvoercapaciteit rivier, kamerbrief Water en Bodem sturend, hoogwaterperiodes, begrenzing beperkingengebied
Rechtbank Gelderland 18 december 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:11062: Awb, Ow; intrekking omgevingsvergunning jachtgeweeractiviteit, administratief beroep, vrees voor misbruik, Circulaire wapens en munitie 2019, belangenafweging
Rechtbank Gelderland 18 december 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:11067: Awb, Wnb, Ow; intrekking jachtakte, weigering aanvraag omgevingsvergunning, jachtgeweeractiviteit, proces-verbaal van bevindingen, vrees voor misbruik, Besluit kwaliteit leefomgeving, Circulaire wapens en munitie 2019, minder vergaande maatregel, evenredigheidsbeginsel
* Rechtbank Gelderland 18 december 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:11060: Awb, Wabo; bezwaar niet-ontvankelijk, besluit tot verlening omgevingsvergunning, bouwen bedrijfsruimte voor de verkoop van streekproducten, belanghebbende, concurrentiebelang, hetzelfde verzorgingsgebied en marktsegment, verzorgingsgebied/Betuwe, activiteiten vergunninghouder ruimer, bepaalde periode jaar/verkoop zelfde fruit, zekere overlap marktsegment, verkeersveiligheid, aantal verkeersbewegingen, onveilig rijgedrag, soortenbescherming, gebruik gewasbeschermingsmiddelen, relativiteitsvereiste
* Rechtbank Gelderland 18 december 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:11084: Awb, Wro; afwijzing aanvraag tegemoetkoming in planschade, procesbelang, indiener beroep overleden, identiteit van de erven, erven aangeschreven, intrekken of voortzetten beroep, geen reactie, beroep niet-ontvankelijk
* Rechtbank Gelderland 18 december 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:11118: Awb, Msw; bestuurlijke boetes, melkveehouderij en varkensfokbedrijf, toezichthouders NVWA, gebruiksnorm dierlijke meststoffen, stikstofgebruiksnorm, fosfaatgebruiksnorm, mestverwekingsplicht, bewijslastverdeling, evidente schijnconstructies, boetebeleid, vrachten dikke fractie, absolute bovengrens, objectieve en verifieerbare gegevens, analyseresultaten, berekening aangroei bezinklaag, matiging boete, overschrijding redelijke beslistermijn, overschrijding redelijke termijn artikel 6 EVRM, zelf in de zaak voorzien
* Rechtbank Gelderland 18 december 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:11123: Awb, Msw; bestuurlijke boete, melkveehouderij en varkensfokbedrijf, toezichthouders NVWA, eigen mestverwerkingsplicht, punitieve sanctie, artikel 6 EVRM, bij wettelijk voorschrift vastgestelde boetebedragen, evenredigheidstoets, beperkte economisch voordeel, wetgever, hoogte boetebedrag, redelijke beslistermijn, matiging boete, richtinggevende uitspraak CBb
* Rechtbank Gelderland 18 december 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:11095: Awb, Wabo, Gmw; handhaving, dwangsom, artikel 7:11 lid 2 Awb, onlosmakelijk geheel, beperking tot toilet bouwwerk, douche, vergroting bouwwerk, zelfstandige woonruimte, tekeningen splitsingsakte, luchtfoto, contract, nieuwe beslissing op bezwaar
* Rechtbank Zeeland-West-Brabant 18 december 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:9018: Awb, Wabo, Gmw; handhaving, dwangsom, schuilvoorziening, woonvoorzieningen, artikel 7:11 lid 2 Awb, heroverweging, moet worden gehandhaafd, herroepen en besluit tot handhaving nemen, in vooruitzicht stellen, daadwerkelijk opleggen herstelsanctie, onverbrekelijke samenhang, samenstellende bestanddelen, toepasselijke recht, Wabo/niet Ow, in stand laten rechtsgevolgen, zorgvuldigheid, wijziging kantooradres, inschrijving handelsregister, overtreding, omvang schuilschuur, afwijking vergunning, gebruik schuilschuur, strijd planregels, overgangsrecht, beginselplicht tot handhaving, geen zicht op legalisatie, vertrouwensbeginsel, opleggen last onder bestuursdwang/zekere vrijheid
* Rechtbank Den Haag 17 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:24400: Awb, Hvw; handhaving, dwangsom, onvergunde onzelfstandige bewoning, overgangsregeling, huurovereenkomsten, bankafschriften, BRP, overtreding, overtreder, horen in bezwaar, passeren gebrek
* Rechtbank Den Haag 17 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:24140: Awb, Wabo; omgevingsvergunning afwijken bpl, horeca in categorie “licht”, binnenplanse afwijkingsbevoegdheid, risico op fouten bij tellen, onverbindend verklaren, buiten toepassing laten, evidentiecriterium, rechtszekerheidsbeginsel, uitleg planregels, tellingen, BAG-viewer, Excel-bestand, passeren gebrek, horecabeleid, locatie specifieke afweging, woon- en leefklimaat
* Rechtbank Den Haag 17 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:24141: Awb, Wabo; afwijzing handhavingsverzoek, twee horecagelegenheden, nagekomen stukken na sluiting onderzoek, Procesreglement bestuursrecht rechtbanken, omgevingsvergunning, uitleg planregels, percentage, specifieke bestemmingsregeling, aanduiding op de verbeelding, specifieke gebruiksregel, geen overtreding, geen bevoegdheid tot handhavend optreden
* Rechtbank Den Haag 17 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:24145: Awb, Wabo, Gmw; handhaving, dwangsom, grond-, weg- en waterbouwsector, materieel en machines, voorlopig oordeel voorzieningenrechter, hoogte dwangsommen, richtlijnen VTH-beleid, klachten, invordering, matiging, voldaan aan last, vertrouwensbeginsel, e-mail
* Rechtbank Den Haag 17 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:24143: Awb, Wro; tegemoetkoming in planschade, molenstomp, waardevermindering onroerende zaak, directe planschade, bpl/vervallen bouwmogelijkheden, bouwvlakken, normaal maatschappelijk risico, drempelpercentage, normale maatschappelijke ontwikkeling, lijn der verwachtingen, ruimtelijke structuur omgeving, jarenlang gevoerd ruimtelijk beleid, bewuste beleidsmatige keuze planwetgever, zeer recent bpl, drempel 5% bovenmatig, wetgever/geen forfaitaire drempel, zelf in de zaak voorzien, drempel 3%
* Rechtbank Den Haag 16 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:24176: Awb; brief college burgemeester en wethouders, geen erkenning aansprakelijkheid, letselschade, langdurige werkzaamheden, besluit, publiekrechtelijke rechtshandeling, aanvraag, gestelde onrechtmatige handelen/geen besluit, feitelijk handelen, afhandeling schademeldingsformulier, Burgerlijk Wetboek, burgerlijke rechter, bestuursrechter kennelijk onbevoegd
* Rechtbank Zeeland-West-Brabant 12 december 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:9187: Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouwen, afwijken bpl en vellen houtopstand, bouwen nieuwbouwwoning en kappen bomen, beroep niet-ontvankelijk, beroep te laat ingesteld, termijnoverschrijding niet verschoonbaar, onbereikbaarheid brievenbus eiser, telefonisch contact, e-mailbericht, geen bijzondere omstandigheden, rechtszekerheid vergunninghouder
* Rechtbank Den Haag 12 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:24221: Awb, Wabo; niet tijdig nemen besluit aanvraag omgevingsvergunning, beslistermijn overschreden, beroep kennelijk gegrond, uniforme openbare voorbereidingsprocedure, verklaring van geen bedenkingen, raadsvoorstel, landelijk beleid, dwangsom
* Rechtbank Den Haag 12 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:23120: Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouwen en afwijken bpl, twee woongebouwen, tweede besluit tot verlening omgevingsvergunning/artikel 6:19 Awb, nieuwe aanvraag, verschillende grondslag, gevolgen vernietiging bpl, Tegelen-jurisprudentie, niet van toepassing, rechtszekerheid, terugwerkende kracht, ruimtelijke inpasbaarheid, in stand laten rechtsgevolgen
* Rechtbank Den Haag 12 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:24308: Awb, Wabo, Gmw; handhaving, dwangsom, slachterij, verwerking kalfsvlees, erfafscheiding, geen omgevingsvergunning, overtreding, strijd bestemming, afscherming parkeerplaats openbare weg, gebruik parkeerplaats niet toegelaten, brug met tourniquet, bestemming gronden weerszijden, demping sloot, parkeerterrein, bijzondere omstandigheden, gemeentelijke parkeernota, gelijkheidsbeginsel, Dienstenrichtlijn, besluit verlenging begunstigingstermijn
* Rechtbank Noord-Nederland 12 december 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:5097: Awb, TwG, BW; afwijzing verzoek schadevergoeding woning, mijnbouwactiviteiten, bewijsvermoeden, deskundige, vergewisplicht, eerder behandelde schades, bevoegdheid Instituut, hardheidsclausule, causaliteit, contra-expertiserapport, niet juist beoordelen schades, gebrekkige motivering, in stand laten rechtsgevolgen
* Rechtbank Noord-Nederland 12 december 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:5559: Awb, TwG, BW; afwijzing aanvraag, Loket Opname Op verzoek (LOOV), inspectie pand, mogelijke versterking, melding acuut onveilige situatie (AOS), beoordelingskader, niet binnen genoemde gemeenten, redelijke vermoeden versterking woning, te verwachten seismiciteit, mogelijke gevolgen gaswinning gasveld Annerveen en de zoutwinning, instortingsgevaar, geen concrete aanknopingspunten voor twijfel, gelijkheidsbeginsel
* Rechtbank Midden-Nederland 11 december 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:6651: Awb, Gmw; weigering toestemming verlenen aanleg inrit, rijcurve-analyse, Verordening fysieke leefomgeving, ten koste gaan openbare parkeerplaats, feitelijke situatie, Aanbevelingen voor Verkeersvoorzieningen Binnen de Bebouwde Kom 2021 (ASVV), afmetingen parkeervak, situering parkeervak ten opzichte van de rijbaan, steekbewegingen, haaks parkeren, fileparkeren, lange looptijd geschil, zelf in de zaak voorzien, opdracht verlenen toestemming
* Rechtbank Gelderland 10 december 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:10851: Onteigeningswet; vervroegde onteigening, onteigenen ter uitvoering van bestemmingsplan, woningbouw, zelfrealisatieverweer, taakverdeling Kroon en onteigeningsrechter, vernietiging exploitatieplan, Omgevingswet, marginale toetsing, verwervingslogboek, principeverzoek, verkavelingskaart, bestemmingsplanprocedure/particuliere initiatieven, concreet en tijdig kenbaar, minnelijk overleg, toewijzing vordering
* Rechtbank Den Haag 10 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:23409: Awb, Wabo; weigering uitwegvergunning, geen hoger beroep, Brummen-rechtspraak, uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gegeven oordelen, advies deskundige, Woo, aanpassen adviezen, oorspronkelijke adviezen, zeer bijzondere omstandigheden, gelijkheidsbeginsel, belangenafweging
* Rechtbank Den Haag 10 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:23301: Awb, Gmw; bezwaar niet-ontvankelijk, parkeerbeleid, brief, wijziging aanwijzingsbesluit parkeerbelastingen, besluitbegrip, publiekrechtelijke rechtshandeling, rechtsgevolg, toelichtende brief/geen rechtsgevolgen, aanwijzingsbesluit/wel rechtsgevolg, geen recht op nieuwe eerste bewonersparkeervergunning, contact opnemen n.a.v. e-mail, geen professionele gemachtigde, finale geschilbeslechting, parkeerverordening, beoordelingsruimte, parkeerdruk, afmetingen oprit, parkeervergunningensysteem
* Rechtbank Midden-Nederland 8 december 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:6647: Awb; verzoek om vergoeding proceskosten, besluit tot verlening omgevingsvergunning, verzoek vergunninghouder/intrekken omgevingsvergunning, Besluit proceskosten bestuursrecht, tegemoetgekomen aan beroep, beide partijen akkoord met toekennen proceskosten, toewijzing verzoek
* Rechtbank Midden-Nederland 3 december 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:6599: Awb, Ow; vovo, handhaving, dwangsom, sportschool, gebruik parkeergarage, belangenafweging, uitkomst heroverweging bezwaar onzeker, voortzetten bedrijfsvoering, 20 jaar in gebruik voor sportdoeleinden en opslag voor de sportschool, (on)veilige situatie, toewijzing verzoek
* Rechtbank Midden-Nederland 3 december 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:6569: Awb, Wvw 1994; verkeersbesluit, aanwijzing twee parkeerplaatsen, opladen van elektrische auto’s, evenredigheid, ruime beslis- en beleidsruimte, beleid en richtlijnen gemeente, algemeen belang, openbare oplaadinfrastructuur, stimuleren efficiënter gebruik laadnetwerk tbv verbeteren schoner verkeer in de toekomst, netcongestie, risico stroomuitval, geen bijzondere of individuele belangen, zorgvuldigheid besluitvorming
* Rechtbank Den Haag 2 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:24405: Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouwen, garageboxen, vergunninghouder, belanghebbende, niet kan worden verwezenlijkt, recht op een buurweg, verjaring, Burgerlijk Wetboek, evidente privaatrechtelijke belemmering, limitatief-imperatief stelsel, burgerlijke rechter, wijzigingsplan/ligt niet voor, beroep bij de Afdeling
Rechtbank Midden-Nederland 25 november 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:6376: Awb, Ow; vovo, omgevingsvergunning voor het plaatsen van zonnepanelen op het voordakvlak, omgevingsplan, beschermd stadsgezicht, binnenplanse afwijkingsbevoegdheid, welstand, spoedmaatregel, onomkeerbare gevolgen, geen spoedeisend belang, verklaring vergunninghouder, later e-mailbericht, eigen rekening en risico, geen sprake van een onomkeerbare situatie, afwijzing verzoek
* Rechtbank Midden-Nederland 24 november 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:6324: Awb; niet tijdig beslissen op aanvraag, ingebrekestelling, beslistermijn/acht weken, beslistermijn verstreken, ingebrekestelling, kennelijk gegrond, dwangsom
* Rechtbank Midden-Nederland 21 november 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:6293: Awb, Erfgoedwet; vovo, aanwijzing als gemeentelijk monument, omgevingsvergunning in behandeling nemen door college/ontbreken materiële connexiteitsvereiste, bob heeft hierop geen betrekking, sloop- en herbouwplannen doorkruisen, ontbreken spoedeisend belang, geen onomkeerbare situatie, acute financiële noodsituatie, evident onrechtmatig, nader onderzoek, (deskundigen)rapporten, belangenafweging, afwijzing verzoek
* Rechtbank Midden-Nederland 21 november 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:6710: Awb, Gmw; aanslag leges, verbouwen van Rijksmonumentale appartementen in ouderenwoningen, legesverordening, normblad NEN 2699, geen afspraak gemaakt, eis wet terinzagelegging, overschrijding redelijke termijn, schadevergoeding
* Rechtbank Den Haag 18 november 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:24364: Awb, Wabo; afwijzing aanvraag omgevingsvergunning splitsen woning, wijzigen dak en plaatsen dakramen, Bouwbesluit 2012, beoordelingsruimte, verdunningsfactor, bouwtekeningen, uitleg bpl, begrip “goothoogte”, geen definitie, wijze van meten, planwetgever, strijd planregels, gelijkheidsbeginsel
* Rechtbank Midden-Nederland 13 november 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:6693: Awb; vovo, spoedeisende bestuursdwang, bewoning voormalig clubgebouw, spoedeisend belang, toetsing ex tunc, toetsing ex nunc, brandveiligheid, overtredingen, mogelijk dreigende situatie, acuut onveilige situatie, deskundigenrapporten, vluchtroutes, begunstigingstermijn, vluchtroutes
* Rechtbank Den Haag 12 november 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:24568: Awb, Wvw 1994; verkeersbesluit, instellen parkeerverbod, plaatsen onderbroken gele streep, beoordelingsruimte, belangenafweging, beleidsruimte, evenredigheid, deskundigenadvies, vergewisplicht, adviseur verkeer en vervoer, foto’s situatie ter plaatse, wegbreedte, te dienen belangen, onderbouwing noodzaak, geen absolute noodzaak aantonen, vaste gedragslijn, waarborgen vrijheid van het verkeer en voorkomen van hinder, loopafstand, parkeerdruk, in- en uitstapplek
* Rechtbank Den Haag 12 november 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:24569: Awb, Wvw 1994; verkeersbesluit, instellen parkeerverbod, plaatsen onderbroken gele streep, beoordelingsruimte, belangenafweging, beleidsruimte, evenredigheid, deskundigenadvies, vergewisplicht, adviseur verkeer en vervoer, foto’s situatie ter plaatse, wegbreedte, te dienen belangen, onderbouwing noodzaak, geen absolute noodzaak aantonen, vaste gedragslijn, waarborgen vrijheid van het verkeer en voorkomen van hinder, loopafstand, parkeerdruk, in- en uitstapplek, mogelijkheid stoppen, verslechtering gezondheid, aanvragen gehandicaptenparkeerplaats
* Rechtbank Den Haag 12 november 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:23976: Awb, Wvw 1994; verkeersbesluit, intrekking geslotenverklaring en instellen nieuwe geslotenverklaring, beoordelingsruimte, belangenafweging, beleidsruimte, evenredigheid, feitelijke inrichting weg, verschillende functies weg, laden en lossen binnen venstertijden, verkeersbelangen, esthetische uitstraling gebied, gebruikservaring winkelend publiek, bescherming commerciële belangen middenstand, verhuizing, voetgangers en mindervaliden, zorgvuldigheidsbeginsel, kennelijke verschrijving, vertrouwensbeginsel, gelijkheidsbeginsel
* Rechtbank Midden-Nederland 7 november 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:6585: Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouwen en afwijken bpl, appartementencomplex, ontvankelijkheid, belanghebbende, participatietraject, wettelijke verplichtingen, cultuurhistorische waarden, stedenbouwkundige onderbouwing, gemeentelijke visie, bouwhoogtes, alternatief, privacy, milieuzonering, VNG-brochure, nieuwe brochure/Omgevingswet, maximale toegestane planologische mogelijkheden, geluid, maximale geluidniveaus, transportbewegingen, relevante geluidsbronnen, parkeren, parkeerplaatsen, parkeeronderzoek, CROW-kengetallen, meetmomenten, bezettingsgraad, bezonning, lichte TNO-norm, stikstof/relativiteitsvereiste
* Rechtbank Midden-Nederland 31 oktober 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:6339: Awb; bezwaar niet-ontvankelijk, twee brieven college van burgemeester en wethouders, derde-belanghebbende/belanghebbende, civielrechtelijke procedure, constructieve (on)veiligheid, eventueel handhavingstraject, nauwe verwevenheid, rechtstreeks belang, besluitbegrip, Bouwbesluit 2012, mededeling, niet gericht op rechtsgevolg, geen wijziging rechtspositie, vooraankondiging, niet gericht op rechtsgevolg
* Rechtbank Midden-Nederland 14 oktober 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:6705: Awb; verhaal kosten, spoedeisende bestuursdwang, brandveilig maken woning, last onherroepelijk, bijzondere omstandigheden, privacy
Rechtbank Midden-Nederland 14 oktober 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:5410: Awb, Ow; omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit, opzettelijk beschadigen en/of vernielen van voortplantings- of rustplaatsen van de das, belanghebbende, relativiteitsvereiste, Wnb, Besluit activiteiten leefomgeving, nauwe verwevenheid, foerageergebied, dwingende reden van groot openbaar belang, dringende behoefte aan woningbouw, type woningbouw, ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, eigen afweging, andere bevredigende oplossing, gunstige staat van instandhouding, Kennisdocument das, tussenuitspraak, voorlopige voorziening/schorsen omgevingsvergunning
* Rechtbank Den Haag 7 oktober 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:24540: Awb, Hvw; bestuurlijke boete, verhuren dan wel in gebruik geven woning, opkoopbescherming, Tijdelijke regeling inzake opkoopbescherming, gemeentelijke huisvestingsverordening, bepaalde WOZ-waarde, rechtmatigheid boete, hoogte boete, financiële draagkracht, bankafschriften en inkomensopgaven, netto besteedbare maandinkomen, overschrijding redelijke termijn, punitieve sancties, matiging, matigingspercentage
* Rechtbank Midden-Nederland 29 september 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:6808: Awb, Wabo; vovo, kapvergunning, kappen van 3 grove dennen, APV, gemeentelijk kapbeleid, bomenadviseur, meertakkige kroon, omgevingsrisico, stamdeel, staand dood hout, insecten en spechten, risico stam- en takbreuk, herplantplicht, belangenafweging, afwijzing verzoek
* Rechtbank Midden-Nederland 24 september 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:7010: Awb, Wabo; niet tijdig beslissen, verleende omgevingsvergunningen, bezwaarschrift, beslistermijn, nog geen beslissing, ingebrekestelling, bekendmaken besluit, dwangsom
* Rechtbank Midden-Nederland 24 september 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:7009: Awb; verzoek om nadeelcompensatie, geen wettelijke beslistermijn, beslistermijn van acht weken, nog geen beslissing, ingebrekestelling, bekendmaken besluit, dwangsom
Rechtbank Zeeland-West-Brabant 17 september 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:9135: Awb, Ow; omgevingsvergunning bopa en technische bouwactiviteit, tijdelijke crisisnoodopvang, tijdelijk gebruik/acht jaar, betrokkenheid gemeenteraad, instemmend advies, wettekst, toelichting amendement, Delegatiebesluit Omgevingsrecht, aanwijzingsbesluit, volledige heroverweging, tussenuitspraak
* Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch 19 augustus 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:2270: BW; onrechtmatige daad, uitlatingen medewerkers gemeente, kamergewijze verhuur, beoordelingsmaatstaf Hoge Raad, gebruiksmogelijkheden pand, (overgangs)regelgeving gemeente, verstrekte informatie onjuist, standaardovergangsbepalingen, Wet ruimtelijke ordening, Besluit ruimtelijke ordening, intensivering, register makelaar en register taxateur, enige kennis bestemmingsplanbepalingen, bestemmingsplanadviseur, geen diepgaand juridisch onderzoek, geen grote specialistische juridische kennis, redelijkerwijs niet op mocht vertrouwen dat de door de gemeente verstrekte informatie volledig en juist was

¶ = uitspraak waarop de Omgevingswet materieel van toepassing is (dus niet de uitspraken die vallen onder het overgangsrecht)
# = betrokkenheid STAB
!  = (nog) niet gepubliceerd

Bijzondere overwegingen

* ABRvS 31 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:6430: Awb, Woo; afwijzing verzoek openbaarmaking documenten, vastgestelde waarde woningen, Wet waardering onroerende zaken, prevaleren boven algemene regime Woo, bezwaar ongegrond, herhaling aangevoerde in beroep, Verzamelwet BZK 20XX, uitputtende openbaarmakingsregeling, bijlage, bedoeling wetgever, bij wet voorzien, artikel 10 EVRM (Rb Den Haag 23/6728)
3.1. De gronden die [appellant] in hoger beroep heeft aangevoerd zijn zo goed als een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellant] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 4 tot en met 4.3 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. Zij voegt daaraan nog toe dat de rechtbank terecht heeft verwezen naar de Verzamelwet BZK 20XX, waarin onder meer wetstechnische gebreken en leemten worden hersteld. Daaruit blijkt in dit geval duidelijk dat de wetgever met de Woo niet heeft beoogd een verandering te brengen in het uitputtende openbaarmakingsregime van de Wet WOZ, zoals dat reeds bleek uit de rechtspraak over de Wob. Deze wet is inmiddels ook in werking getreden, waardoor de artikelen 40, 40a en 40b van de Wet WOZ zijn opgenomen in de bijlage van artikel 8.8 van de Woo. Dat zoals [appellant] stelt het niet plaatsen van deze artikelen in de bijlage een bewuste keuze van de wetgever is geweest, kan dan ook niet gevolgd worden. De Afdeling merkt voorts op dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat uit de totstandkomingsgeschiedenis van de Woo blijkt dat het gegeven dat een wet niet in de bijlage is opgenomen er niet aan in de weg staat dat de bestuursrechter aanneemt dat van een bijzondere openbaarmakingsregeling sprake is en dat daarbij de bedoeling van de wetgever geldt (zie bijvoorbeeld Kamerstukken II, 2019/20, 35 112, nr. 9, p. 10/11). Verder is de beperking van de openbaarheid, anders dan [appellant] stelt, gelet op artikel 40b van de Wet WOZ bij wet voorzien. Het beroep op artikel 10 van het EVRM slaagt alleen al daarom niet. (…)

* ABRvS 31 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:6280: Awb, Wro, Wabo, Wvw 1994; bpl, verblijfsrecreatie, kampeerterrein, voorheen/uitsluitend dagrecreatie, verkeersbesluit, onttrekken weg aan de openbaarheid, omgevingsvergunning bouwen loods voor camping, gecoördineerde voorbereiding en besluitvorming, HOP, belangenafweging, alternatief, recreatieve wandelroute, overlast, niet verboden of wegbestemd, kap bomen, herplantplicht, memorie van toelichting, grond- en mensenrechten, EVRM
13. (…) De stichting heeft verder op de zitting aangevoerd dat uit de memorie van toelichting uit 1927 bij artikel 11 van de Wegenwet, zoals die luidde op het moment van de bekendmaking in 1930, blijkt dat een weg pas aan de openbaarheid mag worden onttrokken, als alle betekenis van de weg verloren is gegaan en een alternatief beschikbaar is. Omdat de weg door de bezoekers van de HOP wordt gebruikt en geen alternatief beschikbaar is, heeft de raad het onttrekkingsbesluit ten onrechte genomen.
13.2. De Afdeling overweegt dat in de memorie van toelichting bij artikel 11 van het wetsvoorstel dat tot de Wegenwet heeft geleid (Kamerstukken II, 1927-1928, 362, nr. 3) geen aanknopingspunten te vinden zijn voor een uitleg van artikel 9, eerste lid, van de Wegenwet zoals de stichting voorstaat.(…)

* Rechtbank Noord-Nederland 29 december 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:5582: Awb, Gmw; vovo, ontheffingen carbidschieten, APV, geluidhinder, paarden, voorschriften, afstandsvereiste, vaste gedragslijn, geluidwaarden omgevingsplan, strijd hogere regelgeving, zorgplicht Wet dieren, toewijzing verzoek
4.3. De voorzieningenrechter deelt niet de opvatting van verzoekster dat het besluit onuitvoerbaar is omdat de geluidgrenswaarde van het omgevingsplan overschreden gaat worden. De voorzieningenrechter overweegt dat artikel 4:6 van de Apv beoogt geluidshinder voor de buurt tegen te gaan. Een ontheffing van dat artikel dient voor het incidenteel toestaan van burengerucht. De geluidnormen van het omgevingsplan dienen om geluidgevoelige gebouwen te beschermen tegen hinder van niet-incidentele activiteiten zoals verkeer en industrie. Omdat het gaat om een ander toetsingskader, zal de voorzieningenrechter geen gevolgen verbinden aan een eventuele overschrijding door het carbidschieten van de geluidwaarden van artikel 22.63 van het omgevingsplan.
5.3. Toch wordt, naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter, het dierenwelzijn te zeer bedreigd door het carbidschieten in de toegestane vorm op zo korte afstand van de paardenstal. Dit leidt tot strijd met hogere regelgeving, te weten de door verzoekster genoemde algemene zorgplicht van artikel 1.4 van de Wet dieren. De voorzieningenrechter ziet hierin reden om het bestreden besluit deels te schorsen en een voorziening te treffen. (…)

* Rechtbank Midden-Nederland 24 december 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:6960: Awb, Wabo; afwijzing handhavingsverzoeken, bungalowpark, chalets, permanente bewoning, gelijkheidsbeginsel, capaciteitsproblemen, beleidsregelprioriteiten, brief minister van VRO, geen overtreding van geringe aard en ernst, uitleg beleidsregel, dagelijks spraakgebruik, beginselplicht tot handhaving
14. De rechtbank stelt voorop dat een overtreding van de bepalingen in het bestemmingsplan, zoals hier, geen overtreding is van geringe aard en ernst. Dat is vaste rechtspraak. Het college hecht er volgens de aanvullende toelichting belang aan dat de overtreding op grond van de beleidsregel een gemiddelde prioriteit heeft. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat prioriteitstelling in handhavingsbeleid is toegestaan om in het kader van doelmatige handhaving onderscheid te maken in de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan de handhavingstaak. Zo kan prioritering bepalend zijn voor de mate waarin toezicht wordt gehouden op de naleving van voorschriften. Ook mag prioritering inhouden dat bij bepaalde lichte overtredingen alleen naar aanleiding van een klacht of een verzoek van een belanghebbende wordt beoordeeld of handhavend moet worden opgetreden. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 1 september 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1961.
15. In de beleidsregel staat niet wat wordt verstaan onder ‘gemiddelde prioriteit’ en ook niet wat dit voor handhaving betekent (bijvoorbeeld dat alleen op verzoek wordt gehandhaafd). In het dagelijks spraakgebruik wil ‘gemiddelde prioriteit’ zeggen dat het gemiddeld belangrijk is. Minder urgent dan iets met een hoge prioriteit (direct actie ondernemen), maar belangrijker en urgenter dan iets met een lage prioriteit (later of helemaal geen actie). De rechtbank gaat er daarom van uit dat het uitgangspunt is dat het college handhavend optreedt tegen overtredingen met een gemiddelde prioriteit. Dat past ook bij de beginselplicht tot handhaving. De rechtbank begrijpt het primaire standpunt van het college zo dat de capaciteitsproblemen zodanig zijn dat hij in beginsel niet kán optreden tegen overtredingen met een gemiddelde prioriteit. Het college heeft vervolgens een afweging gemaakt tussen het algemene belang bij handhaving, de belangen van eiseres en de belangen van derde-partij 1 en derde-partij 2, en heeft het belang van woonruimte voor derde-partij 1 en derde-partij 2 het zwaarst laten wegen. Daar heeft het college dan ook weer bij betrokken dat in vergelijkbare gevallen niet handhavend wordt opgetreden.
16. De rechtbank vindt dat het college onvoldoende heeft uitgelegd waarom hij het algemeen belang en de belangen van eiseres niet zwaarwegend vindt om handhavend op te treden. Zoals eerder overwogen is een overtreding van de bepalingen uit het bestemmingsplan geen overtreding van geringe aard en ernst en weegt de beginselplicht tot handhaving zwaar. Daar komt bij dat uit de eigen beleidsregel van het college volgt dat de overtreding zoals hier aan de orde een gemiddelde prioriteit heeft. Het college heeft hier aanleiding in gezien om juist niet handhavend op te treden, maar dat standpunt kan de rechtbank niet volgen. Zoals hiervoor overwogen is dat niet in lijn met de betekenis van ‘gemiddelde prioriteit’. Het college had dit moeten betrekken in de afweging. Over de belangen van eiseres heeft het college alleen opgemerkt dat het niet aannemelijk is dat het park zijn functie verliest en verloedert, maar hij heeft niet onderbouwd waarom dat niet aannemelijk is. Dat had het college wel moeten doen.
17. De rechtbank vindt het ook onvoldoende duidelijk waarom de belangen van derde-partij 1 en derde-partij 2 doorslaggevend zijn geweest bij de afweging om niet handhavend op te treden. Niet in geschil is dat sprake is van krapte op de woningmarkt en de rechtbank begrijpt dat het voor derde-partijen daarom moeilijk is passende en betaalbare woonruimte te vinden. Dat neemt niet weg dat zij al geruime tijd weten dat de chalets niet permanent bewoond mogen worden. Daar komt bij dat de woningnood voor iedereen geldt en in zoverre geen bijzondere omstandigheid is om in het individuele geval van handhavend optreden af te zien. De Afdeling heeft in meerdere uitspraken geoordeeld dat handhaving zware gevolgen heeft en het door de krapte op de woningmarkt moeilijk is om andere woonruimte te vinden, maar dat dit niet betekent dat handhavend optreden onevenredig is gezien de daarmee te dienen doelen. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:854. Ook dit heeft het college niet kenbaar meegewogen.
18. Verder geldt dat de omstandigheid dat tegen andere permanente bewoners op het park niet handhavend wordt opgetreden, geen rol kan spelen bij de afweging om niet handhavend op te treden. Ten aanzien van derde-partij 1 en derde-partij 2 ligt er immers een verzoek om handhaving van eiseres, en dat is niet zo bij de andere permanente bewoners. Het is vaste rechtspraak dat, als het college naar aanleiding van een verzoek om handhaving beoordeelt of handhavend moet worden opgetreden en vervolgens inderdaad overgaat tot handhaving, dat op zichzelf geen strijd met het gelijkheidsbeginsel oplevert ten opzichte van gevallen waarin niet om handhaving is verzocht en niet wordt gehandhaafd. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 1 september 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1961
19. Op de zitting heeft de rechtbank het college gevraagd in wat voor omstandigheden hij wel over zou gaan tot handhavend optreden tegen permanente bewoning op het park. Het college heeft daarop geantwoord dat hij niet van plan is om daar handhavend tegen op te treden. De rechtbank benadrukt dat dit standpunt in strijd is met de beginselplicht tot handhaving. Zelfs als een overtreding op grond van het handhavingsbeleid een lage prioriteit heeft (wat hier dus niet het geval is), kan dit er niet toe leiden dat tegen een overtreding nooit handhavend wordt opgetreden. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 1 september 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1961. De brief van de minister van 19 december 2024, waar het college in het verweerschrift en op de zitting op heeft gewezen, maakt dat niet anders. In de brief verzoekt de minister de gemeente om in afwachting van de instructieregel niet te handhaven op permanente bewoning van recreatiewoningen. Het college heeft verklaard aan dat verzoek gehoor te willen geven. Dat is begrijpelijk, maar alleen deze brief van de minister ontslaat het college niet van de plicht om handhavend op te treden. De brief van de minister is immers geen regelgeving. Daar komt bij dat op het moment van het opleggen van de lasten onder dwangsom, maar ook ten tijde van het nemen van de bestreden besluiten op 17 december 2024 er geen sprake was van mogelijk gewijzigde regelgeving over permanente bewoning van recreatiewoningen. De brief van de minister is namelijk van na die tijd. Het college kon daarmee in de besluitvorming dus geen rekening houden. Bovendien is het de vraag of de in de brief van de minister van 19 december 2024 aangekondigde wijziging van de regelgeving tot gevolg zal hebben dat de permanente bewoning van de chalets in deze zaken zal moeten worden toegestaan door het college. Zie de uitspraak van de Afdeling van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:854. Inmiddels is wel meer duidelijkheid onder welke voorwaarden permanente bewoning kan worden toegestaan als de regelgeving wordt gewijzigd, maar het is nog niet duidelijk of dit daadwerkelijk gaat gebeuren en zo ja, wanneer. De rechtbank ziet in deze brief dan ook geen reden voor het college om niet handhavend op te treden.

Rechtbank Noord-Nederland 23 december 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:5454: Awb, Ow; handhaving, dwangsom, herbeplanten bomen, Besluit activiteiten leefomgeving, kappen bomen zonder melding, vellen en beheren van houtopstanden, uitzondering, houtopstanden in erven of in tuinen, geen definitie, normaal spraakgebruik, Van Dale, luchtfoto’s, bos, dunning, strekking last, uitvoerbaarheid en duidelijkheid last, evenredigheid
3.1. In de Omgevingswet is bepaald dat landelijke regels gelden voor het vellen en beheren van houtopstanden (artikel 4.3, eerste lid, onder o, van de Omgevingswet). Deze regels staan in het Bal. In artikel 11.129 van het Bal staat dat als een houtopstand is geveld of op een andere manier teniet is gegaan, binnen drie jaar zorg wordt gedragen voor herbeplanting van dezelfde grond. In artikel 11.111 van het Bal staat dat dit niet geldt voor houtopstanden in erven of in tuinen.
3.2. De rechtbank is met het college van oordeel dat het perceel niet in zijn geheel is aan te merken als erf of tuin in de zin van artikel 11.111 van het Bal. De rechtbank overweegt hierover als volgt.
3.2.1. Het woord ‘erf’ is in het Bal en in de Omgevingswet niet gedefinieerd. In bijlage I van het Bal wordt wel een definitie gegeven van ‘gebouwerf’, maar dit begrip wordt gebruikt in artikel 3.3a van het Bal en is daarom naar het oordeel van de rechtbank niet relevant voor toepassing van het begrip ‘erf’ in artikel 11.111 van het Bal. Ook het woord ‘tuin’ is niet gedefinieerd in het Bal.
3.2.2. In het normale spraakgebruik wordt erf gezien als grond die bij een huis hoort. Dit volgt ook uit de omschrijvingen van het woord erf in het Van Dale Groot Woordenboek van de Nederlandse Taal (Van Dale) waarin onder andere staat dat het gaat om een ‘al of niet omheind, onbebouwd stuk grond, behorend bij een huis, m.n. een boerenwoning.’ Een tuin is volgens Van Dale: ‘omheind of afgeperkt stuk grond dat hoort bij een huis en dat daaraan sluit of het omgeeft, waar bloemen gekweekt of groenten enz. geteeld worden’. Naar het oordeel van de rechtbank is bij de uitleg van dit begrip de feitelijke situatie van belang. Daarbij kunnen kadastrale grenzen een rol spelen, maar deze zijn niet doorslaggevend. Het college heeft terecht gewezen op de functionele relatie tussen de grond en het huis. Gekeken moet worden naar de inrichting en het gebruik van de grond, ten tijde van het vellen. Vergelijk ook de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 12 juni 2023, ECLI:NL:RBGEL:2023:3348.
3.2.3. Het college heeft luchtfoto’s overgelegd, waaruit blijkt dat in 2020 vrijwel het gehele perceel was begroeid met bomen, behalve het gedeelte rondom het huis. Uit de luchtfoto uit 2021 blijkt dat vrijwel alle bomen op het driehoekige perceel zijn gekapt. Hieruit volgt volgens de rechtbank dat het deel van het perceel dat het college niet als ‘tuin’ heeft aangemerkt, ten tijde van de velling was ingericht en werd gebruikt als bos. De rechtbank betrekt hierbij de grootte van het perceel (ongeveer 15.000 m²) en de hoeveelheid grond waarop de bomen zijn verwijderd (ongeveer 12.000 m²). Eiser heeft niet aangetoond dat zijn gehele perceel werd gebruikt en was ingericht als behorend bij de woning.
3.2.4. Eiser heeft in zijn aanvullend stuk aangevoerd dat niets hem in de weg staat om zijn perceel als tuin in te richten. Hij stelt dat het college niet mag bepalen hoe hij zijn tuin inricht. De rechtbank volgt dit standpunt niet. Het perceel van eiser heeft op grond van het Omgevingsplan van de gemeente Borger -Odoorn gedeeltelijk de bestemming ‘Wonen’ en gedeeltelijk de bestemming ‘Agrarisch’. Op de gronden met agrarische bestemming is geen inrichting als tuin toegestaan. Er staat dus wel degelijk iets in de weg aan de inrichting van het perceel als ‘tuin’.
3.2.5. Hieruit volgt dat eiser artikel 11.129 van het Bal heeft overtreden, omdat hij de grond waarop de bomen stonden niet binnen drie jaar heeft herbeplant. Het college was bevoegd om een last onder dwangsom op te leggen. De beroepsgrond van eiser slaagt niet.
4.1. De regels over de herplantplicht gelden niet voor het dunnen van houtopstanden ter bevordering van de groei van de overblijvende houtopstand (artikel 11.111, tweede lid, onder h, van het Bal). Met het college is de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken dat de bomen zijn verwijderd om de bomen die blijven staan een betere kans te geven. Uit de overgelegde foto’s blijkt dat eiser na de velling het perceel heeft ingericht als weide en een paardenbak heeft aangelegd. De bomen die zijn overgebleven zijn solitaire bomen en maken geen deel meer uit van een houtopstand als geheel (bos), zoals dat voor het kappen aanwezig was. De beroepsgrond slaagt niet.
8.2. Het doel van de herplantplicht is, onder andere, het behoud van de hoeveelheid bosareaal in Nederland (artikel 11.112 van het Bal). Het opleggen van een last tot herbeplanting is dan ook een geschikt en noodzakelijk middel om dit doel te bereiken. Dat hier kosten mee gemoeid zijn, is het rechtstreekse gevolg van de kap. Uit wat eiser heeft aangevoerd is niet gebleken dat het gehele (bos)perceel ongeschikt is voor de herplant, wat de oorzaak hiervan is, voor wiens rekening deze oorzaak hoort te komen en wat de exacte kosten zijn. Er is dan ook geen reden om aan te nemen dat de last in dit geval onevenredig is.

* Rechtbank Gelderland 22 december 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:11274: Awb, Wm; afwijzing handhavingsverzoek, melkveehouderij, Activiteitenbesluit milieubeheer, zorgplicht, controlerapport, mestoverschot, drijfmest, schoonmaakwerkzaamheden, vliegen, afwijzing verzoek stellen maatwerkvoorschriften, bijzondere en incidentele gevallen, uitputtende regeling, bevoegdheid, geur, vee op stal, passeren gebrek
6.2. Het bevoegd gezag, in dit geval het college, komt beleidsruimte toe bij de beantwoording van de vraag of het gebruik zal maken van de bevoegdheid om maatwerkvoorschriften te stellen. Uit de toelichting bij het Activiteitenbesluit volgt dat de wetgever ervan uitgaat dat, gezien de specifieke werkingssfeer van het instrument maatwerkvoorschrift, het gebruik van dit instrument tot bijzondere en incidentele gevallen beperkt zal blijven (Nota van toelichting, blz. 116; Stb. 2007, 415). Indien een aspect al uitputtend is geregeld in het Activiteitenbesluit, is het niet mogelijk om nog maatwerkvoorschriften te stellen. Van een uitputtende regeling is sprake indien er ten aanzien van een omschreven situatie of activiteit een limitatieve opsomming is opgenomen met eisen of voorschriften (Nota van toelichting, blz. 116; Stb. 2007, 416).
6.3. De stelling van het college dat het geen wettelijke grondslag heeft om maatwerkvoorschriften te stellen, is onjuist. Het college is immers op grond van artikel 2.1, vierde lid, van het Activiteitenbesluit bevoegd om met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde verplichting maatwerkvoorschriften te stellen, voor zover het betreffende aspect niet bij of krachtens dit besluit uitputtend is geregeld. Er zijn geen uitputtende regels in het Activiteitenbesluit die betrekking hebben op het stallen van vee. Het opslaan van drijfmest is echter wél uitputtend geregeld in paragraaf 3.4.6. Op grond van artikel 3.51, twaalfde lid, kunnen, indien blijkt dat geurhinder een aanvaardbaar niveau overschrijdt, uitsluitend maatwerkvoorschriften worden gesteld over de situering van het mestbassin, het afdekken van het mestbassin en de frequentie en het tijdstip van de aan- en afvoer van de opgeslagen drijfmest en het digestaat. Artikel 3.51, twaalfde lid, is ook van toepassing op een mestkelder (op grond van artikel 3.51, elfde lid van het Activiteitenbesluit). Voor de opslag van drijfmest in een mestkelder bestaat daarom geen mogelijkheid om maatwerkvoorschriften te stellen, anders dan over de frequentie en het tijdstip van de aan- en afvoer van de opgeslagen drijfmest. Eiseres wenst dat in de maatwerkvoorschriften de opslag van mest op het erf van april tot en met september wordt verboden, wat onder meer inhoudt dat er in die periode geen mest in de mestkelder mag worden opgeslagen. Dit valt buiten de mogelijkheden die artikel 3.51, twaalfde lid biedt voor het stellen van maatwerkvoorschriften. Daarnaast is niet gebleken dat er sprake is van geurhinder die een aanvaardbaar niveau overschrijdt, waardoor de grondslag voor het stellen van maatwerkvoorschriften ontbreekt. De rechtbank is van oordeel dat het college daarom alleen de mogelijkheid heeft om maatwerkvoorschriften te stellen over het moment waarop het vee op stal mag staan.
6.4. De rechtbank merkt op dat ook zonder maatwerkvoorschriften op grond van het Activiteitenbesluit handhavend kan worden opgetreden tegen vliegenoverlast. Het college heeft dit ter zitting bevestigd en aangegeven de melkveehouderij regelmatig te zullen blijven controleren en handhaven wanneer daartoe aanleiding bestaat. Omdat het gebruik van maatwerkvoorschriften beperkt moet blijven tot bijzondere en incidentele gevallen, en het college duidelijk heeft gemaakt dat het toezicht scherp zal worden uitgevoerd, is de rechtbank van oordeel dat maatwerkvoorschriften in dit geval niet passend zijn. Bovendien is niet aangetoond dat de vliegen op het erf van eiseres rechtstreeks te herleiden zijn tot de bedrijfsactiviteiten van de melkveehouderij. De rechtbank zal het motiveringsgebrek daarom met toepassing van artikel 6:22 Awb passeren, omdat aannemelijk is dat eiseres door dit gebrek niet in haar belangen is geschaad.

Rechtbank Gelderland 19 december 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:11230: Awb, Ow; omgevingsvergunning beperkingengebiedactiviteit, gedeeltelijke verlening en weigering omgevingsvergunning, plaatsing safaritenten binnen beperkingengebied waterlichaam Geldersche IJssel, Besluit activiteiten leefomgeving, Beleidsregels grote rivieren, overgangsrecht Beleidsregels grote rivieren 2025, Besluit kwaliteit leefomgeving, doelstellingen uit de Kaderrichtlijn Water (KRW), splitsing besluitvorming bezwaarfase, artikel 7:11 lid 2 Awb, evenredigheid, jaarrond plaatsen, behoud afvoercapaciteit rivier, kamerbrief Water en Bodem sturend, hoogwaterperiodes, begrenzing beperkingengebied
5.1. Ten tijde van het primaire besluit en de beslissing op bezwaar waren de Beleidsregels grote rivieren van toepassing. Op grond van het overgangsrecht dat is opgenomen in artikel 12 van de Beleidsregels grote rivieren 2025 blijven de Beleidsregels grote rivieren, zoals die luidden vóór 1 februari 2025, van toepassing op aanvragen die zijn ingediend vóór 1 februari 2025 (…).
6. Onder de Ow komen de doelstellingen uit de Kaderrichtlijn Water (KRW) aan de orde in het kader van de omgevingsvergunning voor bepaalde wateractiviteiten (onder andere vergunningplichtige beperkingengebiedactiviteiten). De beoordelingsregels voor de vergunning voor deze activiteiten zijn neergelegd in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De doelstellingen staan in artikel 8.84, eerste lid, van het Bkl. In dat artikel is bepaald dat een omgevingsvergunning enkel verleend wordt als de activiteit verenigbaar is met de aldaar genoemde belangen. In het tweede lid van artikel 8.84 van het Bkl is daarnaast opgenomen dat bij de beoordeling van de aanvraag rekening wordt gehouden met de waterbeheerprogramma’s, regionale waterprogramma’s, stroomgebiedsbeheerplannen, overstromingsrisicobeheerplannen en het nationale waterprogramma, die betrekking hebben op het betreffende krw-oppervlaktewaterlichaam.
7.1. De beroepsgrond slaagt. In de bezwaarfase is gebleken dat voor vijf van de dertien tenten geen vergunning is benodigd omdat deze passen binnen de vergunning die op 8 december 2023 aan eiseres is verleend. Dat betekent dat deze vijf tenten ten onrechte in de omgevingsvergunning zijn meegenomen. Dat, zoals de minister aangeeft, op de aanvraag voor dertien safaritenten is beslist en de omgevingsvergunning daarom niet onrechtmatig is, volgt de rechtbank niet. Allereerst is niet in geschil dat naar aanleiding van een controle door een toezichthouder van Rijkswaterstaat, eiseres de door de toezichthouder genoemd aantal van dertien safaritenten, heeft aangevraagd. Bovendien heeft de minister een eigen bevoegdheid om, indien hij constateert dat voor een aantal tenten geen vergunning benodigd is, dit in een besluit neer te leggen.In bezwaar heeft eiseres naar voren gebracht dat niet alle tenten vergunningplichtig zijn. Gelet op artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) had de minister deze fout in de omgevingsvergunning in heroverweging in de beslissing op bezwaar moeten herstellen. De rechtbank oordeelt dat de minister de besluitvorming in de bezwaarfase ten onrechte heeft gesplitst, door op 30 januari 2025 het bezwaar van eiseres ongegrond te verklaren en pas op 6 mei 2025 een ambtshalve besluit in de plaats te stellen van het primaire besluit van 25 september 2024. Dit is in strijd met artikel 7:11, tweede lid, van de Awb. Het beroep is reeds hierom gegrond.
8.2. De beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft terecht overwogen dat de artikelen 3 tot en met 6 van de beleidsregels geen mogelijkheden bieden om toestemming te geven voor het jaarrond plaatsen en in stand houden van de safaritenten en dat daarom niet toegekomen kan worden aan het bepaalde in artikel 7 van de beleidsregels. De Beleidsregels grote rivieren hebben betrekking op het behouden van de afvoercapaciteit van de rivier ter plaatse. Ook al heeft de aangevraagde activiteit niet direct gevolgen voor de waterstand, het is noodzakelijk om voldoende ruimte voor de rivieren te behouden voor nu en in de toekomst. Dit past bij de algehele tendens om minder (bouw)activiteiten toe te staan in de uiterwaarden. Hiermee worden de rivieren klimaatrobuuster gemaakt en wordt schade voorkomen bij hoge waterstanden of overstromingen. De minister heeft daarbij ook gewezen op de kamerbrief Water en Bodem sturend (Kamerbrief gericht aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, d.d. 25 november 2022, betreft Water en Bodem sturend) waarin dit ook wordt benadrukt. Eiseres heeft als zodanig het beleid niet betwist. Gelet op het voorgaande oordeelt de rechtbank dat de minister tot de conclusie heeft kunnen komen dat het belang van de bescherming van de doelstelling van de Beleidslijn grote rivieren en de bijbehorende Beleidsregels grote rivieren en de waterveiligheid, zwaarder weegt dan het belang om de safaritenten jaarrond te laten staan en de financiële belangen die eiseres naar voren heeft gebracht. De toepassing van de beleidsregels leidt er ook niet toe dat eiseres in zijn geheel geen safaritenten kan exploiteren. De tenten dienen wel conform de huidige vergunning tijdig te worden verwijderd. Het betoog van eiseres dat de waterkundige risico’s van hoogwaterperiodes met betrekking tot deze locatie zeer beperkt zijn slaagt niet, nu de weigering om de omgevingsvergunning jaarrond te verlenen terecht niet is getoetst aan de rivierkundige voorwaarden en de gedeeltelijke weigering van de omgevingsvergunning daar dus niet in is gelegen. Verder volgt de rechtbank het betoog van eiseres dat sprake is van een willekeurige begrenzing van het beperkingengebied niet. Niet in geschil is dat het hele gebied waar de dertien safaritenten zijn geplaatst valt binnen het beperkingengebied. Vijf safaritenten vallen binnen een gebied waar eerder al een vergunning was verleend voor een ophoging met bouwwerken. Deze vijf safaritenten passen daarom binnen de rechten van de eerder verleende vergunning. De overige acht safaritenten vallen buiten het gebied van de eerder verleende vergunning en zijn dus nog vergunningplichtig. De begrenzing die is aangehouden in de vergunning van 8 december 2023 kan nu niet meer ter discussie staan aangezien dit besluit onherroepelijk is omdat eiseres daar geen rechtsmiddelen tegen heeft ingediend. Hier moet dus vanuit gegaan worden. Het voorgaande betekent dat de minister niet heeft hoeven afwijken van de beleidsregels omdat geen sprake is van gevolgen die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.

* Rechtbank Gelderland 19 december 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:11231: Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouwen en afwijken bpl, kruimelgevallenregeling, dakterras, evidente privaatrechtelijke belemmering, splitsingsakte, oprichting VvE, toestemming VvE, legalisatie bestaande situatie, belangenafweging, privacy, schadevergoeding/te late besluitvorming, redelijke termijn, artikel 6 EVRM, procedure rechtbank, houding gemachtigde, geen recht op schadevergoeding
9.2. Uit vaste rechtspraak volgt dat de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van het EVRM, is overschreden als de duur van de totale procedure te lang is (zie bijvoorbeeld ABRvS 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:188). In zaken met een voorafgaande bezwaarschriftprocedure vangt de termijn aan op het moment van ontvangst van het bezwaarschrift door het bestuursorgaan. De termijn eindigt op het moment waarop de rechter uitspraak doet. Voor de berechting van een zaak in eerste aanleg geldt als uitgangspunt dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt, als de rechter in eerste aanleg niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet. In deze termijn is de duur van een eventuele bezwaarschriftprocedure inbegrepen (ABRvS 22 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:704, onder 3.1). In gevallen waarin de bezwaar- en beroepsfase samen zo lang hebben geduurd dat de redelijke termijn daardoor is overschreden, heeft voor de toerekening van die termijnoverschrijding aan het bestuursorgaan, respectievelijk de rechter, als uitgangspunt te gelden dat de bezwaarfase onredelijk lang heeft geduurd, als de duur daarvan een half jaar overschrijdt en de beroepsfase als zij meer dan anderhalf jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen een langere duur rechtvaardigen.
9.3. De behandeling van de totale procedure heeft vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift op 28 november 2023 tot aan deze uitspraak twee jaar en drie weken geduurd. De redelijke termijn voor de bezwaar- en beroepsfase is in beginsel gezamenlijk twee jaar, tenzij er omstandigheden zijn die een langere duur rechtvaardigen. Daarvan is in dit geval sprake. De procedure bij de rechtbank heeft door de proceshouding van de gemachtigde van eiseres – een advocaat – nodeloos drie maanden langer geduurd. De rechtbank heeft namelijk aan partijen voorgehouden dat de rechtbank zich voldoende voorgelicht achtte om in deze zaak zonder zitting uitspraak te doen. Eiseres heeft vervolgens via haar gemachtigde expliciet om een zitting verzocht, waarna de gemachtigde op vrijdagmiddag (voordat de zitting op maandagochtend plaatsvindt) mededeelt niet te zullen verschijnen omdat hij vindt dat de zaak voldoende is toegelicht. Gezien deze feiten oordeelt de rechtbank dat de procedure door het optreden van de gemachtigde van eiseres onnodig langer heeft geduurd. De rechtbank vindt daarom dat in dit geval, met een termijn van twee jaar en een maand, de redelijke termijn niet is overschreden. Eiseres heeft dus geen recht op een schadevergoeding.

* Rechtbank Gelderland 18 december 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:11123: Awb, Msw; bestuurlijke boete, melkveehouderij en varkensfokbedrijf, toezichthouders NVWA, eigen mestverwerkingsplicht, punitieve sanctie, artikel 6 EVRM, bij wettelijk voorschrift vastgestelde boetebedragen, evenredigheidstoets, beperkte economisch voordeel, wetgever, hoogte boetebedrag, redelijke beslistermijn, matiging boete, richtinggevende uitspraak CBb
8.1. Bij zaken waar het gaat om bestraffende sancties geldt het uitgangspunt dat de redelijke termijn voor een procedure in twee instanties in beginsel is overschreden als die procedure langer dan twee jaar in beslag heeft genomen. De termijn begint op het moment waarop een handeling is verricht waaraan de betrokkene in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat hem een bestuurlijke boete wordt opgelegd. De termijn eindigt op het moment waarop de rechter uitspraak doet in de procedure over het geschil dat de betrokkene en het bestuursorgaan verdeeld houdt. Er kunnen factoren zijn die aanleiding geven om een overschrijding van de termijn van twee jaar gerechtvaardigd te achten (zie bijvoorbeeld CBb 4 februari 2025 (ECLI:NL:CBB:2025:57).
8.2. In dit geval is de redelijke termijn begonnen op 15 oktober 2020, de datum van het voornemen om eiseres een bestuurlijke boete op te leggen. Dit betekent dat, op het moment van het doen van deze uitspraak, de redelijke termijn van twee jaar is overschreden met drie jaar en ruim twee maanden. Maar deze overschrijding is geen reden voor (verdere) matiging van de boete. Beide partijen hebben de rechtbank namelijk in juli 2021 gevraagd om de behandeling van het beroep uit te stellen in afwachting van een voor deze zaak relevante uitspraak van het CBb. Eiseres heeft de rechtbank meerdere keren (voor het laatst op 15 november 2024) desgevraagd meegedeeld dat het CBb de uitspraak waarop wordt gewacht nog niet heeft gedaan. Eiseres heeft de rechtbank geen enkele keer meegedeeld dat zij het verzoek om uitstel niet meer handhaaft. Op 7 februari 2025 heeft de minister meegedeeld dat het CBb een richtinggevende uitspraak heeft gedaan. Gelet op de lange periode dat de behandeling van het beroep op verzoek van beide partijen is uitgesteld, ziet de rechtbank geen aanleiding om de boete te matigen wegens overschrijding van de redelijke termijn. Anders dan eiseres op de zitting stelt, maakt de omstandigheid dat de minister het initiatief heeft genomen voor het verzoek om uitstel dit oordeel niet anders. Zoals hiervoor staat vermeld, heeft ook eiseres de rechtbank verzocht om uitstel en zij heeft geen enkele keer aangegeven dat zij dit verzoek niet meer handhaaft.

* Rechtbank Den Haag 17 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:24143: Awb, Wro; tegemoetkoming in planschade, molenstomp, waardevermindering onroerende zaak, directe planschade, bpl/vervallen bouwmogelijkheden, bouwvlakken, normaal maatschappelijk risico, drempelpercentage, normale maatschappelijke ontwikkeling, lijn der verwachtingen, ruimtelijke structuur omgeving, jarenlang gevoerd ruimtelijk beleid, bewuste beleidsmatige keuze planwetgever, zeer recent bpl, drempel 5% bovenmatig, wetgever/geen forfaitaire drempel, zelf in de zaak voorzien, drempel 3%
10. De rechtbank is, anders dan eisers betogen, van oordeel dat het vervallen van een bouwmogelijkheid tot het oprichten van woningen tot 10 meter hoog en een oppervlakte van maximaal 1000 m3 direct naast en tussen monumentale molenstompen in een open landschap los van de omstandigheden van het geval als een normale maatschappelijke ontwikkeling kan worden beschouwd. Deze conclusie volgt ook uit het advies van [adviesbureau] dat door het college op dat punt is overgenomen en nader is toegelicht in het verweerschrift. De rechtbank verwijst op dit punt verder naar hetgeen in rechtsoverweging 9.4 tot en met 9.7 is overwogen. Dat het onderhavige gebied aan de [straatnaam] , anders dan in de uitspraak van de Afdeling van 15 december 2021, niet in een anticipeergebied ligt, doet daar niet aan af. Uit die uitspraak volgt niet dat het laten vervallen van bouwmogelijkheden alleen een normale maatschappelijke ontwikkeling kan zijn als er sprake is van een anticipeergebied.
11.2. De rechtbank deelt op zich het standpunt van eisers dat het niet gaat om de vraag of het opnemen van de bouwmogelijkheid in het [bestemmingsplan 3] in lijn was met het reeds jarenlang gevoerde ruimtelijke beleid, maar of het wegbestemmen daarvan in het [bestemmingsplan 1] daarmee in lijn was. Dat wegbestemmen is immers de relevante planologische ontwikkelingen. De vraag is dus of dat wegbestemmen, gelet op het jarenlang gevoerde ruimtelijke beleid, in de lijn der verwachtingen lag in die zin dat eiser daarmee rekening heeft kunnen houden. Het [bestemmingsplan 3] en de daarin opgenomen bouwmogelijkheid is echter wel relevant bij die beoordeling, omdat het (een recent) onderdeel uitmaakt van het jarenlang gevoerde ruimtelijke beleid. Eisers mogen er naar het oordeel van de rechtbank in beginsel van uitgaan dat het creëren van die bouwmogelijkheid berustte op een bewuste beleidsmatige keuze van de planwetgever. Aan het opnemen van die bouwmogelijkheid komt slechts dan minder betekenis toe als aannemelijk is dat het niet de bedoeling is geweest van de planwetgever om die bouwmogelijkheid, in afwijking van het tot dan toe jarenlang gevoerde ruimtelijke beleid, op te nemen. In die zin is het wel relevant of het opnemen van die mogelijkheid in het bestemmingsplan uit 2013 berustte op een misverstand.
11.3. De wegbestemde bouwmogelijkheid maakte het mogelijk dat binnen de bouwvlakken op het perceel van eisers van respectievelijk 15 m2 en 160 m2 naast de molenstomp van eiser twee woningen konden worden opgericht met een goothoogte van 6 meter en een maximale bouwhoogte van 10 meter. De rechtbank is van oordeel dat het college, gelet ook op de nadere motivering in het verweerschrift, voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat deze in het [bestemmingsplan 3] opgenomen bouwmogelijkheid niet in lijn was met het jarenlang gevoerde ruimtelijke beleid in voorgaande bestemmingsplannen en evenmin in lijn was en nog steeds niet is met de Provinciale structuurvisie en het besluit tot aanwijzing als monument.(…) Dat de gemeenteraad die onbedoelde bouwmogelijkheid in het [bestemmingsplan 1] heeft gecorrigeerd, zodat de bouwmogelijkheden weer in lijn zijn met het jarenlang gevoerde beleid, lag derhalve wel in de lijn der verwachtingen. De rechtbank is echter van oordeel dat slechts ten dele kan worden aangenomen dat eisers er, gelet op het jarenlang gevoerde ruimtelijk beleid, rekening mee konden houden dat de daarin opgenomen bouwmogelijkheden weer zouden worden wegbestemd. De rechtbank acht daarbij van belang dat het [bestemmingsplan 3] ten tijde van de aankoop van het perceel in 2016 door eiser een zeer recent bestemmingsplan was. Gelet daarop hoefde eisers er in beginsel geen rekening mee te houden dat het bestemmingsplan snel weer zou worden gewijzigd. De rechtbank acht daarbij van belang dat het college de onbedoelde bouwmogelijkheden zelf pas heeft ontdekt nadat het daar door een bezwaarmaker in een procedure tegen een verleende omgevingsvergunning op is geattendeerd. Desondanks zijn die bouwmogelijkheden, uit vrees voor planschade, vervolgens niet weggestemd in het ontwerp-bestemmingsplan “ [bestemmingsplan 4] ”. Pas nadat uit een uitspraak van de Afdeling op beroepen tegen dat bestemmingsplan bleek dat alleen eisers aanspraak zouden kunnen maken op planschade, heeft de gemeenteraad dat bestemmingplan op 26 mei 2020 alsnog gewijzigd vastgesteld, inclusief het verwijderen van de bouwmogelijkheden.
11.4. De rechtbank komt tot de conclusie dat het laten vervallen van de bouwmogelijkheden op het perceel van eisers gelet op de ruimtelijke structuur geheel en, anders dan het college betoogt, gelet op het gevoerde ruimtelijk beleid slechts gedeeltelijk in de lijn der verwachtingen lag in die zin dat eisers daar rekening mee konden houden. Gelet hierop berust de toepassing van een drempel van 5% in het bestreden besluit niet op een deugdelijke motivering. De rechtbank voegt daaraan toe dat ook als het wegbestemmen van de bouwmogelijkheden wel geheel in de lijn der verwachtingen zou hebben gelegen, een drempel van 5% bovenmatig is. Daarbij is van belang dat het hier gaat om directe planschade, waarvoor de wetgever geen forfaitaire drempel heeft gesteld (zie de uitspraak van de Afdeling van 13 maart 2019, ECLI:NL:RVS 2019:776).
12.1. De rechtbank ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zelf in de zaak te voorzien. Nu het laten vervallen van de bouwmogelijkheid op het perceel van eisers gelet op het jarenlang gevoerde ruimtelijk beleid slechts gedeeltelijk in de lijn der verwachtingen lag in die zin dat eiseres daar rekening mee konden houden en het hier gaat om directe planschade zal de rechtbank de korting wegens het normaal maatschappelijk risico zelf voorziend vaststellen op 3% . (…)

* Rechtbank Gelderland 10 december 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:10851: Onteigeningswet; vervroegde onteigening, onteigenen ter uitvoering van bestemmingsplan, woningbouw, zelfrealisatieverweer, taakverdeling Kroon en onteigeningsrechter, vernietiging exploitatieplan, Omgevingswet, marginale toetsing, verwervingslogboek, principeverzoek, verkavelingskaart, bestemmingsplanprocedure/particuliere initiatieven, concreet en tijdig kenbaar, minnelijk overleg, toewijzing vordering
5.8. [gedaagde] voert aan dat de rechtbank de noodzaak tot onteigening volledig kan toetsen en dat die noodzaak ontbreekt, omdat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) het exploitatieplan bij uitspraak van 4 juni 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:2527) heeft vernietigd en onder de Omgevingswet het instrument ‘exploitatieplan’ niet langer bestaat. Dit verweer gaat niet op. Ten eerste geldt dat de rechtbank zich, zoals hiervoor overwogen, ten aanzien van de noodzaak tot onteigening moet beperken tot de vraag of de Kroon in redelijkheid heeft kunnen komen tot de afweging die aan het besluit ten grondslag ligt, en dat zij daarbij in beginsel alleen acht moet slaan op feiten die in de bestuurlijke procedure tijdig naar voren zijn gebracht. Anders dan [gedaagde] aanvoert, is het dus niet aan de rechtbank om het Kroonbesluit vol te toetsen. Hier past niet meer dan een marginale toets. Ten tweede gaat het hier, zoals de Kroon in het KB naast het hiervoor onder 5.7 geciteerde nog heeft overwogen, om een onteigening ex artikel 77 lid 1 Ow ten behoeve van de uitvoering van een bestemmingsplan. In het bestemmingsplan wordt een regeling gegeven voor de bestemming van de daarin begrepen gronden. Volgens de Kroon bestaat dan ook geen aanleiding om aan het onteigeningsbesluit de voorwaarde te verbinden dat het exploitatieplan al onherroepelijk is vastgesteld voordat kan worden gestart met de gerechtelijke onteigeningsprocedure. Zoals de Kroon overweegt, heeft het exploitatieplan namelijk (de rechtbank begrijpt: slechts) betrekking op de financiële uitvoering (regeling van het kostenverhaal) van het bestemmingsplan. De omstandigheid dat het exploitatieplan door de Afdeling is vernietigd, brengt dus op zichzelf niet mee dat de noodzaak tot onteigening ontbreekt.

* Rechtbank Den Haag 10 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:23409: Awb, Wabo; weigering uitwegvergunning, geen hoger beroep, Brummen-rechtspraak, uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gegeven oordelen, advies deskundige, Woo, aanpassen adviezen, oorspronkelijke adviezen, zeer bijzondere omstandigheden, gelijkheidsbeginsel, belangenafweging
5.1.Volgens vaste rechtspraak mag het college afgaan op het advies van een deskundige, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Deze verplichting is neergelegd in artikel 3:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor de wettelijke adviseur en volgt uit artikel 3:2 van de die wet voor andere adviseurs. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 6 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:998, r.o. 8.2
5.2. Uit de informatie die eiser op grond van de Woo van het college over deze zaak heeft verkregen, blijkt dat het college de adviezen zelf heeft aangepast. Het college heeft dat op zitting ook erkend. Zo vermeldt een mailbericht van 14 september 2023 onder meer: “Ik heb zelf die wijzingen nav het HOR toegevoegd en gecontroleerd. De adviezen heb ik wat uitgebreid in het kader van de belangenafweging, omdat sommige zaken niet voldoende waren gemotiveerd (…).” In het dossier bevindt zich geen exemplaar van het oorspronkelijke adviezen, zodat niet is na te gaan hoe deze hebben geluid. Ook ter zitting heeft het college daar geen helderheid over kunnen verschaffen. Voor de rechtbank is aldus niet na te gaan in hoeverre het college de adviezen heeft aangepast om beter aan te sluiten bij zijn eigen visie en of er sprake is geweest van handelen in strijd met het verbod op vooringenomenheid van artikel 2:4, eerste lid van de Awb.
5.3. Hieruit volgt dat bestreden besluit in strijd met artikel 3:2 van de Awb onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb ondeugdelijk is gemotiveerd. Het bestreden besluit kan alleen al daarom niet in stand blijven.

* Rechtbank Midden-Nederland 7 november 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:6585: Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouwen en afwijken bpl, appartementencomplex, ontvankelijkheid, belanghebbende, participatietraject, wettelijke verplichtingen, cultuurhistorische waarden, stedenbouwkundige onderbouwing, gemeentelijke visie, bouwhoogtes, alternatief, privacy, milieuzonering, VNG-brochure, nieuwe brochure/Omgevingswet, maximale toegestane planologische mogelijkheden, geluid, maximale geluidniveaus, transportbewegingen, relevante geluidsbronnen, parkeren, parkeerplaatsen, parkeeronderzoek, CROW-kengetallen, meetmomenten, bezettingsgraad, bezonning, lichte TNO-norm, stikstof/relativiteitsvereiste
22. Allereerst is de rechtbank van oordeel dat bij de besluitvorming terecht de VNG-handreiking uit 2009 is toegepast. De nieuwe VNG-handreiking dateert weliswaar van vóór het bestreden besluit, maar deze nieuwe handreiking is specifiek tot stand gekomen vanwege de invoering van de Omgevingswet. Deze nieuwe handreiking is dus primair bedoeld voor de toepassing van milieuzonering in de context van de Omgevingswet en heeft niet dezelfde juridische status voor gevallen die nog onder de Wabo vallen. Omdat in deze zaken de Wabo met de onderliggende regelingen nog van toepassing zijn, gelden de regels en richtlijnen uit de oude VNG-handreiking. Het college heeft dus kunnen aansluiten bij de richtafstanden uit deze VNG-handreiking.

Rechtbank Midden-Nederland 14 oktober 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:5410: Awb, Ow; omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit, opzettelijk beschadigen en/of vernielen van voortplantings- of rustplaatsen van de das, belanghebbende, relativiteitsvereiste, Wnb, Besluit activiteiten leefomgeving, nauwe verwevenheid, foerageergebied, dwingende reden van groot openbaar belang, dringende behoefte aan woningbouw, type woningbouw, ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, eigen afweging, andere bevredigende oplossing, gunstige staat van instandhouding, Kennisdocument das, tussenuitspraak, voorlopige voorziening/schorsen omgevingsvergunning
7. Op grond van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder ’belanghebbende’ verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Uit rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat de ruimtelijke uitstraling van een project dat met een soortenbeschermingsontheffing op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) mogelijk wordt gemaakt, bij de beoordeling van de belanghebbendheid niet van belang is (zie de uitspraak van de Afdeling van 17 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2385). Bepalend is of de handeling waarvoor de ontheffing is verleend, een ruimtelijke uitstraling heeft op de woon- en leefomgeving van de eisers. In beginsel is sprake van een ruimtelijke uitstraling op de woon- en leefomgeving als sprake is van een geringe afstand tussen de woon- en leefomgeving en het (te ontwikkelen) project waarvoor de ontheffing nodig is (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 4 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1146). De rechtbank overweegt verder dat uit artikel 8:69a van de Awb volgt dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin eisers door het bestreden besluit dreigen te worden geraakt. In deze zaak beroepen eisers zich als natuurlijke personen op bepalingen uit de Omgevingswet en het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) die strekken tot de bescherming van diersoorten, in dit geval de das, en hun voortplantings- en rustplaatsen. In beginsel beroepen eisers zich dus op wettelijke bepalingen die niet zijn gericht op de bescherming van hun belangen. Uit rechtspraak van de Afdeling volgt dat de belangen van omwonenden bij het behoud van een goede kwaliteit van hun directe woon- en leefomgeving zo verweven kunnen zijn met het algemeen belang dat de Wnb beoogt te beschermen, dat niet kan worden geoordeeld dat de betrokken normen uit de Wnb niet strekken tot bescherming van de belangen van omwonenden (uitspraak van de Afdeling van 9 september 2022, ECLI:NL:RVS:2022:387). Bij beoordeling van die verwevenheid, wordt in het bijzonder rekening gehouden met de afstand tussen de woning en het plangebied waarop de activiteiten voorzien zijn.
8. De rechtbank overweegt dat deze rechtspraak ziet op het voorheen geldende toetsingskader voor soortenbescherming onder de Wnb, maar dat de uitgangspunten in deze rechtspraak ook toepasbaar zijn op de gelijkluidende bepalingen over soortenbescherming in de Omgevingswet en bijbehorende wetten die in deze zaak van toepassing zijn.
9. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen eisers als belanghebbenden in deze zaak worden aangemerkt en staat de relativiteit als bedoeld in artikel 8:69a van de Awb niet in de weg aan de beoordeling van het beroep van eisers. Voor beide eisers geldt immers dat de afstand van hun woning tot het plangebied minder dan 50 meter is. Vanwege deze geringe afstand is het aannemelijk dat de flora- en fauna-activiteit ruimtelijke uitstraling heeft op het woon- en leefgebied van eisers. De geringe afstand leidt ook tot de conclusie dat kan worden aangenomen dat het belang van eisers bij het behoud van een goede kwaliteit van hun directe woon- en leefomgeving zo verweven is met de algemene belangen die de Omgevingswet en het Bal beogen te beschermen dat kan worden geoordeeld dat eisers zich ook als natuurlijke personen kunnen beroepen op bescherming tegen de aantasting van deze algemene belangen. Dit betekent dat de rechtbank toekomt aan de inhoudelijke beoordeling van het beroep van eisers.
16. Bij haar beoordeling stelt de rechtbank voorop dat een dringende behoefte aan woningbouw onder omstandigheden kan worden aangemerkt als maatschappelijke reden van sociale of economische aard, op basis waarvan sprake kan zijn van een groot openbaar belang om een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit te verlenen. Dit volgt ook uit de rechtspraak van de Afdeling die ziet op het voorheen geldende soortenbeschermingsregime uit de Wnb en de Flora- en Faunawet. De rechtbank verwijst naar de uitspraken van de Afdeling van 11 januari 2000, ECLI:NL:RVS:2000:AH6955, overweging 2.6.3, van 21 januari 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BH0446, overweging 2.16.1 en van 13 mei 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BI3701, overweging 2.11.3. Verder is het algemeen bekend dat er landelijk, regionaal en lokaal een grote behoefte aan (koop)woningen bestaat. De rechtbank stelt echter vast, en tussen partijen is niet in geschil, dat de woningen die vergunninghoudster wil realiseren bestaan uit grondgebonden koopwoningen in het hoge marktsegment. Om te onderbouwen dat sprake is van een dwingende reden van groot openbaar belang moeten gedeputeerde staten daarom deugdelijk motiveren dat een dringende behoefte óók bestaat aan dit type koopwoningen in Soest. Daarbij kan ook een rol spelen dat met de bouw van dit type woningen op andere wijze wordt bijgedragen aan de dringende behoefte aan woningbouw in de regio, bijvoorbeeld door het bevorderen van doorstroming op de woningmarkt.
17. Naar het oordeel van de rechtbank zijn gedeputeerde staten er niet in geslaagd om concreet en deugdelijk te motiveren dat de noodzaak voor het verlenen van de omgevingsvergunning is gelegen in de lokale behoefte aan dit type woningbouw in het hoge segment in Soest. De rechtbank overweegt daarover het volgende.
22. De rechtbank overweegt ten overvloede dat het enkele feit dat de beoogde woningen inmiddels zijn verkocht en dat het aantal inschrijvingen voor deze woningen veel hoger lag dan het aanbod, niet direct een onderbouwing is van de dringende noodzaak voor het bouwen van dit type woningen. De rechtbank begrijpt dat de verkoop voor vergunninghoudster een indicatie is van de vraag naar dit type woningen, maar de juridische onderbouwing van de noodzaak vraagt van gedeputeerde staten een deugdelijke en specifiek voor deze omgevingsvergunning opgestelde motivering.
26. De rechtbank oordeelt dat gedeputeerde staten onvoldoende hebben gemotiveerd waarom het nodig is de omgevingsvergunning te verlenen voor de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. De enkele verwijzing naar het vastgestelde bestemmingsplan en de bevoegdheid van gemeenten om functies aan locaties toe te kennen, is daarvoor onvoldoende. Als gedeputeerde staten de omgevingsvergunning willen verlenen, omdat dit nodig is voor de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden dan moeten zij daarvoor onderbouwen waarom de ontwikkeling in deze zaak juist op de desbetreffende locatie noodzakelijk is. Daarbij kunnen overwegingen uit het bestemmingsplan over deze locatie een rol spelen, maar het is aan gedeputeerde staten om daar in het kader van de verleende omgevingsvergunning een eigen, voor deze zaak geldende afweging over te maken. Dit betekent dat gedeputeerde staten ook onvoldoende hebben gemotiveerd dat de omgevingsvergunning nodig is in verband met de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. De beroepsgronden van eisers slagen. De rechtbank zal in de conclusie van deze uitspraak bespreken welke consequenties dit heeft en hoe gedeputeerde staten dit kunnen herstellen.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 17 september 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:9135: Awb, Ow; omgevingsvergunning bopa en technische bouwactiviteit, tijdelijke crisisnoodopvang, tijdelijk gebruik/acht jaar, betrokkenheid gemeenteraad, instemmend advies, wettekst, toelichting amendement, Delegatiebesluit Omgevingsrecht, aanwijzingsbesluit, volledige heroverweging, tussenuitspraak
In artikel 16.16 Ow is bepaald dat het college in een aantal gevallen slechts tot vergunningverlening mag overgaan als andere bestuursorganen een instemmend advies hebben gegeven. In afwijking daarvan is in artikel 16.15b Ow bepaald dat het advies van de gemeenteraad door het college in acht moet worden genomen. Dit artikel laat geen ruimte voor het college om anders te beslissen dan conform het advies van de gemeenteraad. De rechtbank verwijst daarvoor ook naar de toelichting bij het gewijzigd amendement (Kamerstukken II, 34986, nr. 53) waarin wordt aangegeven dat het advies van de gemeenteraad bindend is. Weliswaar wordt in de daarop volgende parlementaire behandeling die binding enigszins genuanceerd door vooral te benadrukken dat bij een negatief advies de vergunning geweigerd moet worden, maar gelet op de wettekst en de toelichting op het amendement kan de conclusie niet anders zijn dan dat de wetgever heeft willen regelen dat het college ook gebonden is aan een positief advies. Dat laat overigens onverlet dat bij een gecombineerde vergunningaanvraag voor meer activiteiten dan alleen de omgevingsplanactiviteit het college in afwijking van een positief advies van de raad een omgevingsvergunning kan weigeren, als een andere activiteit daar aanleiding voor geeft.
Ter zitting heeft het college nog gewezen op de regeling in art.16.85, tweede lid onder b Ow, waarin is bepaald dat een besluit over instemming als bedoeld in art.16.16 Ow onderdeel uitmaakt van het besluit waartegen beroep is ingesteld en niet zelfstandig appellabel is. Het college leidt daaruit af dat zij ruimte heeft om af te wijken van een positief advies van de raad. Anders dan het college meent, is deze regeling hier niet van toepassing, nu het hier gaat om een (bindend) advies als bedoeld in artikel 16.15b Ow en niet over een besluit of advies als bedoeld in artikel 16.16 Ow.
Artikel 16.15a, onder b, onder 1̊, van de Ow bepaalt dat de gemeenteraad – bij een aanvraag tot verlening van een omgevingsvergunning – als adviseur geraadpleegd moet worden in de door de gemeenteraad aangewezen gevallen van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Als een college ten onrechte de raad niet om advies vraagt, ontbreekt de bevoegdheid van het college om op de vergunningaanvraag te beslissen. Gelet daarop dient de rechtbank steeds ambtshalve te beoordelen of het in artikel 16.15a, onder b, onder 1o bedoelde aanwijzingsbesluit voor buitenplanse omgevingsplanactiviteiten in een concreet geval noopt tot een adviesrecht van de gemeenteraad.
Het gevolg van de keuze van de wetgever is dat de gemeenteraad volledig geïnformeerd moet zijn voordat zij advies kan geven. Het college zal naast de aanvraag dan ook alle zienswijzen en adviezen aan de raad moeten zenden. Het college blijft wel het bevoegde orgaan om op de aanvraag te beslissen; de stelling van eisers 1 dat zij over hun zienswijze niet door het college, maar door de gemeenteraad gehoord hadden moeten worden, is dan ook onjuist.
Het college kan ervoor kiezen om in een concreet geval de uitgebreide voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Awb van toepassing te verklaren. In deze zaak heeft het college dit niet heeft gedaan, zodat op deze aanvraag de reguliere procedure van toepassing is. Dat betekent ook dat tegen het primaire besluit bezwaar openstond.
Omdat het college door artikel 16.15b Ow geen ruimte heeft om anders te beslissen dat door de raad in haar advies is bepaald, dient de raad ook bij de behandeling van bezwaren volledig betrokken te worden, zodat het college ten minste de bezwaren en het verslag van de hoorzitting en -indien van toepassing- het advies van de bezwaarschriftencommissie aan de gemeenteraad moet voorleggen. Zolang de raad haar advies niet wijzigt, is het college immers gehouden om dat advies te volgen.
Ook hier geldt dat -anders dan eisers 1 menen- de raad niet zelf de bezwaarmakers hoeft te horen.
De gemeenteraad van de gemeente Drimmelen heeft met het Delegatiebesluit Omgevingsrecht een aanwijzingsbesluit als bedoeld in artikel 16.15a, onder b onder 1o Ow genomen. In artikel 5.1 van het Delegatiebesluit is bepaald dat de gemeenteraad bij het realiseren van specifieke maatschappelijke voorzieningen gebruik wenst te maken van zijn adviesbevoegdheid. Uit de toelichting bij dit artikel in het Delegatiebesluit volgt dat hieronder maatschappelijke voorzieningen worden verstaan, die normaal gesproken niet zonder meer overal in de woonomgeving of in het overwegende agrarische buitengebied passen, gelet op specifieke eisen ten aanzien van het gebruik, situering en bereikbaarheid. Naar oordeel van de rechtbank is een crisisnoodopvang een maatschappelijke voorziening die normaal gesproken niet zonder meer in de woonomgeving of het buitengebied past. In deze zaak gaat het om een crisisnoodopvang die op een industrieterrein wordt gerealiseerd, wat het vorenstaande bevestigt. Het college had derhalve over de aanvraag advies moeten vragen aan de raad. Dit is niet gebeurd, maar het college heeft dit gebrek hersteld door in de bezwaarfase alsnog advies te vragen aan de raad.
De rechtbank volgt eisers 1 niet in de grond dat dit een gebrek is dat niet meer in de beslissing op bezwaar hersteld kan worden. Uit artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) volgt dat in bezwaar een volledige heroverweging plaatsvindt. Dat geldt dan dus ook voor de beoordeling van de gehonoreerde aanvraag en dus kon dit gebrek in bezwaar hersteld worden.
Daartoe was wel vereist dat de gemeenteraad over de aanvraag en de zienswijzen en eventueel over uitgebrachte adviezen moest kunnen beschikken, maar ook over de bezwaren en het verslag van de hoorzitting en het advies van de bezwaarschriftencommissie, voordat zij advies kon uitbrengen.
Uit de stukken leidt de rechtbank af dat de raad in ieder geval beschikte over de aanvraag en een toelichting op de procedure door het college, maar uit de stukken valt niet op te maken of de raad bekend was met de zienswijzen en bezwaarschriften en in ieder geval kon de raad niet bekend zijn met de hoorzitting en het advies van de bezwaarschriftencommissie, omdat de raad al op 10 oktober 2024 haar advies heeft gegeven en de hoorzitting pas op 15 oktober 2024 plaatsvond.
Met het positieve advies van de raad van 10 oktober 2024 is het hiervoor geconstateerde gebrek dus niet volledig hersteld. (…)

Privacy beleid
STAB hecht aan het naleven van de beginselen uit de AVG. De wijze waarop we met gegevens omgaan, is vastgelegd in een privacyverklaring. Voor onze volledige privacyverklaring kunt u hier terecht.

Privacy Preference Center

Ontdek meer van STAB

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder