Omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit, waarbij toepassing is gegeven aan een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat de binnenplanse omgevingsplanactiviteit moet voldoen aan de eis van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Voor de binnenplanse omgevingsplanactiviteit volgt dit uit artikel 22.281 van het omgevingsplan. Ten onrechte zijn een beoordeling van het criterium van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL) en een belangenafweging achterwege gebleven.
Casus
Vergunninghouder heeft een omgevingsvergunning aangevraagd voor de bouw van een dakopbouw op een woning. De ingediende aanvraag heeft betrekking op de bouwactiviteit (omgevingsplan) en de technische bouwactiviteit.
Het college van burgemeester en wethouders van Rijswijk (het college) heeft op grond van artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet (Ow) een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit verleend. Er is sprake van strijd met een regel in een beheersverordening. Van het desbetreffende artikellid uit de beheersverordening is het college afgeweken met toepassing van een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid.
Met het bestreden besluit op het bezwaar van eiser is het college bij dit besluit gebleven.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Eiser wijst onder meer op de gevolgen van het bestreden besluit voor wat betreft bezonning. In het bestreden besluit heeft het college zich op het standpunt gesteld dat op grond van de beheersverordening een extra bouwlaag op de woning is toegestaan. Het college stelt dat de afweging of het plaatsen van een dakopbouw op deze rij woningen evenredig is qua zonlichtinval en schaduwwerking al is gemaakt bij de vaststelling van de beheersverordening. Omdat op grond van de beheersverordening een dakopbouw op de woning is toegestaan, met als enige voorwaarde dat aan welstandseisen moet worden voldaan, aan welke voorwaarde is voldaan, is hier volgens het college sprake van een gebonden beschikking. Schaduwwerking is bovendien niet opgenomen als afwegingscriterium in genoemde bepaling.
Rechtsvraag
Is sprake van een gebonden beschikking en heeft het college terecht een beoordeling van de gevolgen voor wat betreft schaduwwerking achterwege gelaten?
Uitspraak
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) volgt dat de binnenplanse omgevingsplanactiviteit moet voldoen aan de eis van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 13 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4624, r.o. 14). Voor de binnenplanse omgevingsplanactiviteit volgt dit uit artikel 22.281 van het Omgevingsplan. Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het omgevingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.
Gelet op deze vaste rechtspraak is de rechtbank, anders dan het college, van oordeel dat geen sprake is van een gebonden beschikking. Dat de planwetgever een extra bouwlaag op deze woning op zich toelaatbaar heeft geacht, neemt niet weg dat het college voor een concreet bouwplan pas een omgevingsvergunning kan verlenen indien het college gebruik wil maken van de bevoegdheid tot het verlenen van de binnenplanse vrijstelling. In dat kader moet het college beoordelen of voldaan is aan de eis van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en moeten de belangen worden afgewogen. Daarbij dienen ook de belangen van eiser, zoals schaduwwerking, betrokken te worden. Dat aan de voorwaarden in artikel 13, lid 5, onder e, van de beheersverordening is voldaan en deze belangen van eiser niet bij de voorwaarden zijn vermeld, doet daar niet aan af.
Voor zover het college zich op het standpunt stelt dat geen sprake is van onevenredige schaduwwerking, is dat standpunt onvoldoende onderbouwd. De stedenbouwkundige heeft in zijn advies ten aanzien van schaduwwerking vermeld dat de dakopbouw vanwege zijn ligging mogelijk zorgt voor extra schaduw in de achtertuinen van de aangrenzende percelen en met een bezonningsstudie de mate van schaduwwerking in beeld kan worden gebracht. Het college kan naar het oordeel van de rechtbank niet volstaan met de opmerking dat het standpunt dat sprake is van onevenredige schaduwwerking ook zonder bezonningsstudie door een onafhankelijk deskundige niet aannemelijk is. Ook kan het college niet volstaan met de opmerking dat eiser onevenredige schaduwwerking onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. Voor zover het college zich (alsnog) baseert op de zonnestudie die vergunninghouder op 8 juli 2025 bij het college heeft ingediend volgt de rechtbank dat niet, nu het college in het bestreden besluit zelf opmerkt dat die zonnestudie niet door een onafhankelijk bureau is uitgevoerd, zodat de zonnestudie niet bij de heroverweging kan worden betrokken.
Naar het oordeel van de rechtbank is het bestreden besluit, gelet op en het ontbreken van een beoordeling van evenwichtige toedeling van functies en van een belangenafweging en de onvoldoende beoordeling van de stelling van eiser over onevenredige schaduwwerking van de dakopbouw, in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb, niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid en berust het bestreden besluit niet op een draagkrachtige motivering.
Rechtelijke Instantie : Rechtbank Den Haag
Datum Uitspraak : 04-02-2026
Eclinummer : ECLI:NL:RBDHA:2026:1700
Ruud Veenhof