Omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit (bopa). Bij verlening van een omgevingsvergunning hoeft geen aandacht te worden geschonken aan de wijze waarop het omgevingsplan in overeenstemming zal worden gebracht met deze vergunning. De rechtbank is niet gebleken dat het college onvoldoende actief heeft getoetst.
Casus
Het college van burgemeester en wethouders van Hellendoorn (het college) heeft onder meer een buitenplanse omgevingsplanactiviteit verleend voor het bouwen van een woning met bijgebouwen. Met het bestreden besluit heeft het college het bezwaar ongegrond verklaard en het primaire besluit in stand gelaten, met aanvulling van de motivering van dat besluit.
Eisers voeren aan dat het college ten onrechte geen aandacht heeft besteed aan de wijze waarop de bestreden omgevingsvergunning zal worden doorvertaald naar het Omgevingsplan. Ook brengen eisers naar voren dat het college actiever had moeten toetsen of het bouwplan dan wel de aanvraag voor de omgevingsvergunning voldoet aan de eisen in hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Ter onderbouwing hiervan wijst hij naar een uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Nederland van 4 april 2025 (ECLI:NL:RBNNE:2025:1419, rechtsoverwegingen 10.5 en 10.6).
Rechtsvragen
1. Heeft het college ten onrechte geen aandacht besteed aan de wijze waarop de omgevingsvergunning zal worden ‘doorvertaald’ naar het omgevingsplan?
2. Had het college actiever moeten toetsen of het bouwplan dan wel de aanvraag voor de omgevingsvergunning voldoet aan de eisen in hoofdstuk 5 van het Bkl?
Uitspraak
1. Op grond van artikel 4.17 van de Omgevingswet (Ow) moet het Omgevingsplan uiterlijk vijf jaar na het onherroepelijk worden van de aan [derde belanghebbende] verleende omgevingsvergunning in overeenstemming worden gebracht met die vergunning. De rechtbank ziet niet in waarom bij het verlenen van de bestreden omgevingsvergunning al had moeten worden aangegeven hoe het Omgevingsplan met die vergunning in overeenstemming zal worden gebracht. Daarvoor ziet de rechtbank geen wettelijke grondslag en [eisers] heeft ook niet aangegeven uit welke bepaling zo’n verplichting zou volgen. Deze beroepsgrond slaagt dan ook niet. Daarbij komt dat deze beroepsgrond met name ziet op de locatie van de paardenrijbak. Hiervoor is in de bestreden omgevingsvergunning geen toestemming verleend. [derde belanghebbende] heeft ter zitting verklaard dat de paardenrijbak niet wordt gerealiseerd, dat hij daarvoor ook geen vergunning meer gaat aanvragen en dat de locatie van de rijbak gewoon ‘groen’ blijft. Naar het oordeel van de rechtbank zijn hiermee ook de feitelijke grondslag voor en het procesbelang van [eisers] bij deze beroepsgrond komen te vervallen.
2. Artikel 8.0b, tweede lid, van het Bkl bepaalt dat voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, de omgevingsvergunning alleen wordt verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Mede aan de hand van het stappenplan uit het BNB heeft het college de aanvraag van [derde belanghebbende] aan dit criterium getoetst. Dat het college daarbij onvoldoende ‘actief’ heeft getoetst is de rechtbank niet gebleken. [Eisers] heeft niet specifiek aangegeven op welk punt de toetsing van de aanvraag door het college onvoldoende actief is geweest. De verwijzing naar de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Nederland maakt dit niet anders. In die uitspraak oordeelde de voorzieningenrechter dat het desbetreffende college van burgemeester en wethouders in het kader van een toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking zelf het bestaan van een behoefte aan een stedelijke ontwikkeling had moeten onderzoeken. Een toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking is in de onderhavige zaak echter niet aan de orde. Alleen al om deze reden kan uit de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Nederland niet worden afgeleid dat het college de aanvraag van [derde belanghebbende] onvoldoende actief zou hebben getoetst. Wat [eisers] hierover aanvoert slaagt niet.
Rechtelijke Instantie : Rechtbank Overijssel
Datum Uitspraak : 24-07-2026
Eclinummer : ECLI:NL:RBOVE:2026:4533
Ruud Veenhof