Bij beoordeling voorwaardelijke verplichting moeten cumulatieve effecten van eerdere ontwikkelingen worden meegenomen. Verder acht de Afdeling het in het licht van de voorwaardelijke verplichting niet aanvaardbaar dat het college onzekerheden over de grootte van de grondwaterstandveranderingen op het perceel en het toepassen van een ruime onzekerheidsmarge voor het risico van appellant laat komen.

Casus

De hoger beroepen van [appellant] richten zich tegen de uitspraken van de rechtbank over de omgevingsvergunning die is verleend voor het woningbouwproject bekend als Mortiere fase 9B, en over de omgevingsvergunningen die zijn verleend voor de twee woningbouwprojecten bekend als Mortiere fases 9D en 9E, alle in Middelburg. [Appellant] kan zich niet verenigen met de drie bouwplannen, omdat hij als gevolg daarvan voor wateroverlast op zijn perceel vreest. Volgens hem voldoen de aanvragen voor de bouwplannen niet aan de voorwaardelijke verplichting in de regels van de geldende uitwerkingsplannen en had het college de omgevingsvergunningen daarom moeten weigeren.

De rechtbank heeft het beroep van [appellant] ongegrond verklaard. Zij heeft overwogen dat de beoogde maatregelen in de memo van Arcadis van 23 juli 2019 toereikend zijn om negatieve hydrologische gevolgen van het bouwplan Mortiere fase 9B voor het perceel van [appellant] te voorkomen.

[Appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de bouwplannen voor Mortiere fases 9B, 9D en 9E geen negatieve hydrologische gevolgen hebben voor zijn perceel. Hij voert aan dat het college de omgevingsvergunningen ten onrechte heeft verleend omdat de bouwplannen niet voldoen aan de voorwaardelijke verplichting.

Rechtsvraag

Voldoen de aanvragen voor de bouwplannen aan de voorwaardelijke verplichting?

Uitspraak

De Afdeling is van oordeel dat artikel 5.2.1, aanhef en onder i, van de uitwerkingsplannen zo moet worden uitgelegd dat bij de beoordeling of een aanvraag voor een bouwplan voldoet aan de voorwaardelijke verplichting, niet alleen de hydrologische gevolgen van dat bouwplan op omliggende gronden op zichzelf moeten worden beschouwd, maar in samenhang met de hydrologische gevolgen op omliggende gronden als gevolg van het realiseren van andere al geplande of al gebouwde woningen of andere bouwwerken. Voor die uitleg vindt de Afdeling van belang dat wanneer alleen acht zou worden geslagen op de hydrologische gevolgen van het bouwplan waarover een individuele vergunningaanvraag gaat en het plan in zoverre niet op bezwaren stuit, dit onverlet laat dat door cumulatieve effecten met andere ontwikkelingen in de omgeving toch negatieve hydrologische effecten op een perceel kunnen optreden. De Afdeling acht het in strijd met de planregel, en het belang dat deze beoogt te beschermen, als dat wordt toegelaten.

De Afdeling is van oordeel dat de formulering van de voorwaardelijke verplichting dat ‘geen hydrologische gevolgen’ mogen optreden, niet inhoudt dat hydrologische gevolgen onder alle theoretisch denkbare weercondities en -scenario’s moeten worden voorkomen. Dit neemt echter niet weg dat, juist gelet op de formulering van de voorwaardelijke verplichting dat alleen mag worden gebouwd als dat geen negatieve hydrologische gevolgen heeft voor de omliggende gronden, de mate van bescherming die [appellant] moet worden geboden tegen negatieve hydrologische gevolgen op zijn perceel, hoog moet zijn. Het is, zoals het college op zitting ook zelf heeft erkend, vervolgens aan het college om te onderbouwen dat wordt voldaan aan de voorwaardelijke verplichting.

Daarbij is gelet op de formulering van de voorwaardelijke verplichting het uitgangspunt dat uit die onderbouwing moet blijken dat de mate van bescherming die aan [appellant] moet worden geboden tegen negatieve hydrologische gevolgen op zijn perceel, hoog is. Gelet op dit uitgangspunt is de Afdeling van oordeel dat het college met de memo’s van Arcadis die ten grondslag liggen aan de besluiten onvoldoende heeft onderbouwd dat voor het aspect grondwater is voldaan is aan de voorwaardelijke verplichting. De Afdeling acht het mede in het licht van de voorwaardelijke verplichting niet aanvaardbaar dat het college onzekerheden over de grootte van de grondwaterstandveranderingen op het perceel en het toepassen van een ruime onzekerheidsmarge voor het risico van [appellant] laat komen. Die onzekerheid is gelegen in het ontbreken van meetreeksen en het bij aanvang van de ontwikkeling van het plangebied niet vastleggen van de nul-situatie op het perceel van [appellant]. Dat in het STAB-verslag in paragraaf 3.3.2 is gesteld dat de grondwaterstand op een gedeelte van het perceel van [appellant] nog verder zal verlagen indien de resterende voorgestelde maatregelen worden getroffen, is in het licht van het voorgaande niet toereikend om te concluderen dat de bouwplannen voldoen aan de voorwaardelijke verplichting. Dat betekent dat de Afdeling, anders dan de rechtbank in de uitspraken van 1 juli 2021 en 31 augustus 2022, van oordeel is dat het college zich er onvoldoende van heeft vergewist dat in de besluiten waarbij de omgevingsvergunningen voor respectievelijk Mortiere fases 9B, en 9D en 9E in stand zijn gelaten, met de voorgestelde maatregelen wordt voldaan aan de voorwaardelijke verplichting voor zover het veranderingen in de grondwaterstand op het perceel betreft.

Rechtelijke Instantie : Raad van State
Datum Uitspraak : 10-01-2024
Eclinummer : ECLI:NL:RVS:2024:44
Odile Scholte

Privacy beleid
STAB hecht aan het naleven van de beginselen uit de AVG. De wijze waarop we met gegevens omgaan, is vastgelegd in een privacyverklaring. Voor onze volledige privacyverklaring kunt u hier terecht.

Privacy Preference Center

Ontdek meer van STAB

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder