Weekoverzicht uitspraken omgevingsrecht
# ABRvS 28 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2457: Awb, Wro, Chw; bpl verbrede reikwijdte, exploitatieplan, woningbouw, herstelbesluiten, inspraak, open normen en beleidsregels, gebruiksmogelijkheden, situering woningen, beleidsruimte, bouwaanduidingen, globaliteit, bouwen bij perceelsgrenzen, minimale afstand tussen woningen, toegestane aantal woningen, begrip nieuw te bouwen woningen, regeling maximale bouwhoogte, motiveringsgebrek, verkeersonderzoeken, verkeersintensiteiten, gecumuleerde toename, verkeersmodel, telcijfers, interne wegen, borging fietsstraat, voorwaardelijke verplichting, afsluiting weg, gezondheid, geluid, geluidsreducerende wegdekverharding, akoestisch onderzoek, relativiteitsvereiste, waterhuishouding, waterberging, groen, woon- en leefklimaat, bebouwingsdichtheid, uitwerkingsplicht, VNG-brochure, inbrengwaarden, raming kosten, plankostenscan, bouw- en woonrijp maken, niet directe kosten, grondopbrengsten, gehanteerde parameters en rentepercentages, begrenzing exploitatiegebied
* ABRvS 28 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2429: Awb, Wabo; omgevingsvergunning, realisering kleinschalig kampeerterrein, strijd met bpl, redelijke termijn (Rb Gelderland 20/1512)
* ABRvS 28 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2463: Awb, Wabo; aanleg mountainbikeroute, in- en uitritten, herstelbesluit, verkeersveiligheid, risicoanalyse, nadere motivering, einduitspraak na tussenuitspraak (Rb Overijssel 21/710)
* ABRvS 28 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2467: Awb, Wabo; omgevingsvergunning, bouw loods, soortenbescherming, herstelbesluit, aanvullend natuuronderzoek, uitvoerbaarheid, einduitspraak na tussenuitspraak (Rb OostBrabant 21/1012)
* ABRvS 28 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2466: Awb, Wro; bpl, bedrijventerrein, ontvankelijkheid, belanghebbendheid, goede procesorde, participatie, behoefte, ladder duurzame verstedelijking, omgevingsverordening, natuurwaarden, ecologische verbindingszone, bescherming wespendief, lichthinder, geluidhinder, VNG-brochure, uitbreidingsmogelijkheden veehouderij, geuronderzoek
* ABRvS 28 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2454: Awb, Wabo; weigering handhaving, carport, verleende vergunning, geen overtreding (Rb Gelderland 22/372 en 21/4737)
* ABRvS 28 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2404: Awb, Wnb; natuurvergunning, realisatie/gebruik woningen, Natura 2000-gebieden, stikstofdepositieruimte, Eco-Advocacy arrest, PAS-arrest, onderdelen project, natuurvergunningplicht, intern salderen, agrarisch gebruik, algemene regels bemesten, natuur- en/of milieutoestemmingen, referentiesituatie, voortoets, peilmoment, passende beoordeling, mitigerende maatregel, additionaliteitsvereiste, Habitatrichtlijn, passende maatregelen, aanlegfase, verkeersgeneratie, Gaswet (Rb NoordHolland 20/6318)
* ABRvS 28 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2470: Awb; handhaving, horeca, APV, sluitingstijd, overtreding, openbaar karakter, eigen gebruik
* ABRvS 28 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2465: Awb, Wnb; handhaving, afwijzing verzoek, verhoging maximumsnelheid, Natura 2000-gebieden, stikstofneerslag, significante gevolgen, intern saldering in voortoets, gewijzigde rechtspraak, afname stikstofemissie rechtsgevolgen in stand gelaten
* ABRvS 28 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2450: Awb, Wabo; handhaving, huisvesting arbeidsmigranten, strijd bpl, belanghebbendheid, relativiteitsvereiste, landgoed, recreatie, ondergeschikte functie, fysieke uitstraling, hoofdfunctie, feitelijke situatie, ruimtelijke omvang, gebruiksregel (Rb Limburg 21/143)
* ABRvS 28 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2430: Awb, Wro; bpl, herinrichting voormalig agrarisch perceel, inpandige opslag, showroom, caravans, omgevingsverordening, behoud natuurwaarden, bedrijfseconomische belangen, relativiteitsvereiste, gelijkheidsbeginsel
* ABRvS 28 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2476: Awb, Wro; bpl, transformatie bedrijventerrein, appartementen, woontorens, parkeeroverlast, nulvergunningenregeling, herstelbesluit, einduitspraak na tussenuitspraak
* ABRvS 28 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2473: Awb; exploitatievergunning, horecabedrijf, naastgelegen begraafplaats, gedeeltelijke weigering, gewijzigde tekening, situatietekening omgevingsvergunning, geldend bpl, grootte/positie terras (Rb Amsterdam 21/5060)
* ABRvS 28 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2438: Awb, Wro; planschade, medisch centrum, overgangsrecht, verjaringstermijn aanvraag, rechtmatigheid bpl (Rb NoordHolland van 12 mei 2023 in zaak nr. 22/3191
* ABRvS 28 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2451: Awb, Wro; bpl, reparatieplan, glastuinbouwbedrijven, ontwikkelingsmogelijkheden, wijzigingsbevoegdheid, toegestane oppervlakte bebouwing, omgevingsverordening, beperkte bestemming, afwijkingsmogelijkheden
* ABRvS 28 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2464: Awb, Wabo; omgevingsvergunning, bouw woning, bouwhoogte, vloerpeil, begrip aansluitend terrein, beleidsregels, bpl, AHN
(Rb ZeelandWest-Brabant 22/4059 en 22/4072)
* ABRvS 28 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2449: Awb; ontheffing, evenementenvergunning, festival, geluidshinder, verblijfruimten klooster, beleidsregels, belangenafweging, geluidsplan, Nota Limburg (Rb ZeelandWest-Brabant 22/4785)
* ABRvS 28 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2471: Awb; handhaving, verwijderen vaartuigen uit haven, overtreding, havenverordening, laad- en losplek, liggeld, feitelijke ligplaats, geen toezegging, belangenafweging, bedrijfsrisico, eigen schuld, veiligheid haven, evenredigheid (Rb MiddenNederland 23/2894 en 23/1023)
* ABRvS 28 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2437: Awb, Wabo; omgevingsvergunning, gebruik bedrijfswoningen als burgerwoning, vergunningen van rechtswege, keuze voorbereidingsprocedure, grens bebouwde kom, omgevingsverordening, overgangsrecht, gelijkheidsbeginsel, vertrouwensbeginsel (Rb Amsterdam 21/5193, 21/5196 en 21/5195)
* ABRvS 28 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2448: Awb, Wro; bpl, woningbouw, voorbereidingsprocedure, verwijderen agrarisch bouwvlak, geen compensatie, toekennen woonbestemming, ruimtelijke kwaliteitsverbetering
* ABRvS 28 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2425: Awb, Wro, Wabo; bpl, appartementen, woning, ontvankelijkheid, stedenbouwkundige kwaliteit, bouwhoogte, schaal, privacy, rechtszekerheid, peil, bestuurlijke lus, tussenuitspraak
* ABRvS 28 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2445: Awb, WVW 1994; verkeersbesluit, afwijzing verzoek, verwijderen verkeerspaaltjes, verkeersveiligheid, toezegging, procedure bpl, vertrouwensbeginsel (Rb Oost-Brabant 22/2505)
* ABRvS 28 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2435, ABRvS 28 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2434 en ABRvS 28 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2433: Awb, WVW 1994; verkeersbesluit, aanwijzing woonerf, parkeren, parkeerregeling, verkeersveiligheid, gedoogbeslissing, pilot, herinrichting, belangenafweging, motiveringsgebrek (Rb Den Haag 23/3136)
* ABRvS 28 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2469: Awb, Wabo; omgevingsvergunning, handhaving, bouw tijdelijke schuur, legalisatie (Rb Den Haag 22/876)
* ABRvS 28 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2411: Awb, Wro; vovo, bpl, tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen, binnenplanse afwijkingsbevoegdheid, planregels, rechtszekerheid
* ABRvS 28 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2363: Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning, bedrijfsverzamelgebouw, woon- en leefklimaat, schaduwhinder, TNO-norm (Rb Gelderland 23/7346)
* Rechtbank Oost-Brabant 27 mei 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:2983: Awb, WVW 1994; verkeersbesluit, nul-emissiezone bedrijfs- en vrachtauto’s, bedrijvengebied, omgevingsrechtelijk besluit, milieueffecten, luchtkwaliteit, gevolgen bedrijven, belangenafweging, onvoldoende onderzoek, zorgvuldigheidsbeginsel
* ABRvS 27 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2410: Awb, Wro; vovo, bpl, woningbouw, stikstof, Wnb, relativiteitsvereiste, verkeersveiligheid, kernrandzone, omgevingsverordening, aardkundige waarden.
* ABRvS 23 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2364: Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning, slopen en nieuwbouw, woningen, detailhandel, parkeergarage, nadere besluiten, omvang schorsing
* Rechtbank Overijssel 23 mei 2025, ECLI:NL:RBOVE:2025:3303: Awb, Wabo; omgevingsvergunning, bouw appartementencomplex, procedure, afspraken, toelichting, strijd met bpl, afwatering, peil, parkeren, parkeerbehoefte, gelijkheidsbeginsel
* Rechtbank Noord-Nederland 23 mei 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:1894: Awb, TwG; mijnbouwschade, immateriële schade, hoogte vergoeding, persoonlijke omstandigheden, maatwerk, werkwijze, toetsing bouwstenen, PIA, toepassing methode, onderbouwing claim
* Rechtbank Overijssel 23 mei 2025, ECLI:NL:RBOVE:2025:3307: Awb, Wabo; omgevingsvergunning, afwijken bpl, appartementen, toevoeging aan appartementencomplex, parkeerdruk, goede ruimtelijke ordening, structuurvisie, gelijkheidsbeginsel
* Rechtbank Overijssel 23 mei 2025, ECLI:NL:RBOVE:2025:3314: Awb, Wabo; handhaving, verwijderen beplanting/klinkers/walbeschoeiing, afmeren boten, verhuuractiviteiten, bevoegdheid, geen vergunningvrij bouwwerk, geen bijzondere omstandigheden, gelijkheidsbeginsel, rechtszekerheidsbeginsel
* Rechtbank Overijssel 23 mei 2025, ECLI:NL:RBOVE:2025:3329: Awb, Wabo; omgevingsvergunning, appartementencomplex, strijd met bpl, parkeren, goede ruimtelijke ordening, bouwhoogte, bezonning, onvolledige vergunning, overschrijding bouwvlak, afwijken planregels, geen expliciete vergunning, bestuurlijke lus, tussenuitspraak
* ABRvS 22 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2361: Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning, verbouw/uitbreiding pand tbv voormalige dak- en thuislozen, slopen, monumentale status, gemeentelijk monument, welstand, natuuronderzoek, maatwerkvoorziening, doelgroepomschrijving, aantal bewoners, bouwhoogte (Rb OostBrabant 24/2968, 24/3031, 24/3368 en 24/3528)
* ABRvS 22 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2275: Awb, Wro; vovo, bpl, rallycrosscircuit, belangenafweging, overgangsrecht, woon- en leefklimaat, natuurwaarden, trainingen, feitelijk gebruik
* ABRvS 22 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2359: Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning, appartementencomplex, voormalig schoolgebouw, parkeerplaatsen, ontbreken akoestisch onderzoek, piekgeluiden, notaparkeernormen (Rb Den Haag 21/8186)
* Rechtbank Overijssel 22 mei 2025, ECLI:NL:RBOVE:2025:3289: Sr, WED; overtreding Waterwet, afvalwaterzuiveringsinstallatie, strijd voorschrift watervergunning, lozing oppervlaktewater, lozing stikstof, stikstofnorm, rapportageverplichting, overschrijding, Ow, analyserapport, meetuitslagen, toerekening
* Rechtbank Overijssel 22 mei 2025, ECLI:NL:RBOVE:2025:3250: Awb, Wabo; omgevingsvergunning, plaatsen tuinhuis, bevoegdheid, groenstrook, goede ruimtelijke ordening, vertrouwensbeginsel
¶ Rechtbank Zeeland-West-Brabant 21 mei 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:3064: Awb, Ow; vovo, omgevingsvergunning, B&B bij paardenhouderij, logiesgebouw, bopa, eftal, nevenactiviteit agrarisch bedrijf, landschaps- en natuurwaarden, landschappelijk inpassingsplan, aangrenzend perceel, belemmering bedrijfsvoering
* Rechtbank Limburg 21 mei 2025, ECLI:NL:RBLIM:2025:4909: BW; onrechtmatig handelen, Didam-arrest, herinrichting havengebied, exploitatierechten, overleg, aanbesteding, informatievoorziening, consultatie markt, gelijkheidsbeginsel, zorgvuldigheidsbeginsel, vordering nieuw planvormingsproces, gebiedsontwikkeling, beleidsruimte, geen concreet voornemen uitgifte
* Rechtbank Gelderland 21 mei 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:3954: Awb; handhaving, transportbedrijf, strijd bpl, parkeren, opslag steigermaterialen, geluid, doorzetten diesel, overtreding, eigenaar terrein, geen functioneel daderschap
* Rechtbank Gelderland 21 mei 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:3951: Awb; weigering nadeelcompensatie, vervanging stalen damwand door L-krib, verzakking bedrijfsbebouwing, onderspoeling, aanzanding haven, beleidsregel, causaal verband, jurisprudentie Afdeling, condicio sine qua non-verband, nmr, abnormale last, normkosten, hardheidsclausule
* Rechtbank Gelderland 21 mei 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:3940: Awb, Wabo; weigering omgevingsvergunning, kleinschalige wapenhandel, begrip bedrijf in bpl, geen detailhandel, milieucategorie 1 SBA, sociale veiligheid, positieve weigering
* Rechtbank Gelderland 20 mei 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:3948: BW; kortgeding, executie dwangbevelen, rechtmatigheid, handhaving, permanente bewoning recreatiewoningen, bedrijfsmatige activiteiten, strijd met bpl, formele rechtskracht, bevoegdheid, afwijzing verzoek
* Rechtbank Overijssel 20 mei 2025, ECLI:NL:RBOVE:2025:3197: Awb; afwijzing handhaving, begrip uitweg, APV, beleidsregels, erfverharding, geen overtreding
* Rechtbank Overijssel 20 mei 2025, ECLI:NL:RBOVE:2025:3196: Awb; feitelijke handeling, plaatsing attentiepalen en borden, geen besluit, ontvankelijkheid
* Rechtbank Overijssel 20 mei 2025, ECLI:NL:RBOVE:2025:3194: Awb; handhaving, gebruik grasveld, parkeerplaats, strijd bpl, overgangsbepalingen, gebruik op peildatum, toename gebruik, overtreding, evenredigheidsbeginsel
* Rechtbank Overijssel 20 mei 2025, ECLI:NL:RBOVE:2025:3208: Awb, Wabo; tijdelijke omgevingsvergunning bedrijfsmatig verhuren recreatievaartuigen, houseboats, woon- en leefklimaat, Bor, zorgvuldigheidsbeginsel, goede ruimtelijke ordening, gebiedsvisie, APV, ligplaatsenbeleid, VNG-brochure, parkeerbehoefte, incidenteel overnachten, overlast, voorschriften, ruimtelijke uitstraling
* Rechtbank Rotterdam 20 mei 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:5990: Awb, Wabo; omgevingsvergunning, wijziging eerdere vergunning, bouw woning, afwijzing handhavingsverzoek, vergunningvrij, aanbouwen, hoofdgebouw, bebouwingsgebied, gewijzigde positionering woningen, goede ruimtelijke ordening, afstand, dakoverstek, bouwhoogte
* Rechtbank Overijssel 20 mei 2025, ECLI:NL:RBOVE:2025:3217: Awb, Wnb; ontheffing, geen natuurvergunning, afschieten koppelvormende grauwe ganzen, beheerplan, Natura 2000-gebieden, verjagingsmiddelen, geluid schieten, uitvoerbaarheid, oorzakelijk verband, belangrijke schade gewassen, effectiviteit opdracht, alternatieven
* Rechtbank Rotterdam 19 mei 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:6199: Awb, Wabo; handhaving, afwijzing verzoeken, fouragehandel, legalisatie, omgevingsvergunning, bouwplan, vvgb, ladder duurzame verstedelijking, bebouwingspercentage, strijd met bpl, goede ruimtelijke ordening, woon- en leefklimaat, parkeren, welstand, motiveringsgebrek, overtreding, brandveiligheid, brandwerendheid gevels
* Rechtbank Gelderland 19 mei 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:3836: Awb, Wabo; handhaving, afwijzing verzoek, plaatsing containers, strijd inrichtingsplan/beplantingsplan, omvang verzoek, voorwaardelijke verplichting
¶ Rechtbank Zeeland-West-Brabant 19 mei 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:3062: Awb, Ow; vovo en kortsluiten, handhaving, overtredingen Bbl en omgevingsplan, verzamelstoornis, onderhoud dak en gevel, verwarmingsinstallatie, muizenoverlast, zorgplicht, uitleg bepalingen en doel Bbl, begrip uitwendige scheidingsconstructie, gezondheid, binnenzijde woning, brandgevaar, evenredigheidsbeginsel, Harderwijk-uitspraak
* Rechtbank Noord-Nederland 16 mei 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:1895: Awb, TwG; mijnbouwschade, afwijzing aanvraag, afbakening waardedalingsgebied, Atlas-methode, schade-intensiteit, invloed aandeel sociale huurwoningen, postcodegebied, eigen onderzoek, onderliggende data, op de zaak betrekking hebbende stukken
* Rechtbank Noord-Nederland 16 mei 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:1893: Awb, TwG; mijnbouwschade, afwijzing aanvraag, afbakening waardedalingsgebied, Atlas-methode, enclave, schade-intensiteit, percentage, enclave, postcodegebied, geen aantoonbare waardedaling, bewijs
* Rechtbank Noord-Nederland 16 mei 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:1892: Awb, TwG; mijnbouwschade, afwijzing aanvraag, lekkage kelder, gestapelde mijnbouw, weerlegging bewijsvermoeden, indirecte effecten diepe bodemdaling, noodzaak onderzoek, zakkings- of zettingsschade
* Rechtbank Noord-Nederland 16 mei 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:1890: Awb, TwG; mijnbouwschade, afwijzing aanvraag aanvullende tegemoetkoming, NAM-vergoeding, Atlas-methode, schadevaststelling
* Rechtbank Midden-Nederland 15 mei 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:2311: Awb, Wabo; omgevingsvergunning, wijziging inrichting, gemengd agrarisch bedrijf, beperkend voorschrift, gedeeltelijke weigering, zienswijze, zorgvuldigheidsbeginsel, passeren gebrek, grondslag aanvraag, geur, 50 % regeling, Wgv, strijd met SBM-richtlijn, onverbindendheid, uitspraak Rb Oost-Brabant, voermengwagen, geluidsnorm, nachtperiode, ontbreken geluidsrapport
* Rechtbank Zeeland-West-Brabant 15 mei 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:2930: Awb, Wabo; omgevingsvergunning, communicatiemast, locatiecriteria, alternatievenonderzoek, gebied specifieke criteria, witte vlekken, noodzaak
* Rechtbank Limburg 14 mei 2025, ECLI:NL:RBLIM:2025:4645: Awb, Wabo; omgevingsvergunning, biomeiler, strijd Bouwbesluit 2012, strijd bpl, biologisch glastuinbouwbedrijf, aannemelijkheidstoets, verwarming kassen, ondersteunende voorziening, , vervanging WKK’s, onduidelijkheden compostering, motiveringsgebreken
* Rechtbank Rotterdam 13 mei 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:6150: Awb, Wabo; afwijzing verzoek, intrekking omgevingsvergunningen windpark, ontvankelijkheid, woon- en leefklimaat, slagschaduw, externe veiligheid, gezondheid, geluid, windturbinebepalingen, Activiteitenbesluit, SMB-richtlijn, plan-mer, Kühne & Heitz-arrest, jurisprudentie Afdeling, heroverweging, herstelbesluiten
* Rechtbank Rotterdam 13 mei 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:6151 en Rechtbank Rotterdam 13 mei 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:6153: Awb, Wabo; omgevingsvergunning inkoopstation, windpark, ontvankelijkheid, opknippen vergunning, Verdrag van Aarhus, geen inspraakverplichting, Unierechtelijk gebrek, milieuneutrale wijziging inrichting, Bor, berekening oppervlakte,
* Rechtbank Rotterdam 13 mei 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:6152: Awb, Wabo; omgevingsvergunning, vellen en rooien houtgewas, windpark, ontvankelijkheid, opknippenvergunning, Verdrag van Aarhus, geen inspraakverplichting, Unierechtelijk gebrek, natuur- en landschapswaarden, NNN, compensatie, herplantplicht
* Rechtbank Limburg 12 mei 2025, ECLI:NL:RBLIM:2025:4573: Awb, Wabo; weigering omgevingsvergunning, dempen sloot, inrit, poort/hekwerk, onzorgvuldige besluitvorming, motiveringsgebrek
* Rechtbank Noord-Holland 9 mei 2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:5688: Awb, Waterwet; watervergunning, dam met duiker, belanghebbendheid, afstand, gevolgen waterpeil/doorstroming, ontvankelijkheid.
* Rechtbank Den Haag 8 mei 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:7376: Awb, Wabo; intrekking omgevingsvergunning, uitbreiden bedrijfshal, geen begin werkzaamheden, belangenafweging
¶ Rechtbank Midden-Nederland 7 mei 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:2204: Awb, Ow; weigering omgevingsvergunning, vergroten paardenkraamhotel, strijd omgevingsplan, strijdig gebruik, bouwen buiten bouwvlak, bopa, instructieregels, omgevingsverordening, volwaardig agrarisch bedrijf, landschappelijke en natuurlijke waarden, eftal
* Rechtbank Oost-Brabant 29 april 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:2494: Awb, Wabo; omgevingsvergunningen, hobbydieren, hekwerken, woonbestemming, agrarische bestemming, aantal dieren, herstelbesluit, einduitspraak na tussenuitspraak
¶ Rechtbank Oost-Brabant 29 april 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:2492: Awb; vovo, handhaving, loonwerkbedrijf, asbesthoudende materialen, horen verzoeker
* Rechtbank Oost-Brabant 25 april 2024, ECLI:NL:RBOBR:2024:1660: Awb, WVW 1994; verkeersbesluit, scholen, parkeerplaatsen, Kiss & Ride-strook, aanwijzingsbesluit, beoordelingsruimte, specialiteitsbeginsel, woon- en leefklimaat, parkeerdruk, geluid, verkeersveiligheid, belangenafweging
* Rechtbank Den Haag 23 april 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:8523: Awb, Wabo; afwijzing handhavingsverzoek, dempingswerkzaamheden haven, geen overtreding, bouwwerkzaamheden, begrip dempen, bestemming onbebouwd gebied
¶ = uitspraak waarop de Omgevingswet materieel van toepassing is (dus niet de uitspraken die vallen onder het overgangsrecht)
# = betrokkenheid STAB
! = (nog) niet gepubliceerd
Bijzondere overwegingen
* ABRvS 28 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2404: Awb, Wnb; natuurvergunning, realisatie/gebruik woningen, Natura 2000-gebieden, stikstofdepositieruimte, Eco-Advocacy arrest, PAS-arrest, onderdelen project, natuurvergunningplicht, intern salderen, agrarisch gebruik, algemene regels bemesten, natuur- en/of milieutoestemmingen, referentiesituatie, voortoets, peilmoment, passende beoordeling, mitigerende maatregel, additionaliteitsvereiste, Habitatrichtlijn, passende maatregelen, aanlegfase, verkeersgeneratie, Gaswet (Rb NoordHolland 20/6318)
1. De Afdeling oordeelt in deze uitspraak dat de wijziging van haar rechtspraak over intern salderen bij de beoordeling van de natuurvergunningplicht, zoals uiteengezet in de uitspraak van de Afdeling van 18 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4923, (hierna: de 18 december- uitspraak) ook geldt voor intern salderen met een toestemming ontleend aan algemene regels over agrarisch gebruik waar bemesten een onderdeel van is. De wijziging komt er in de kern op neer dat intern salderen met een toestemming ontleend aan algemene regels over bemesten, evenals intern salderen met natuur- en/of milieutoestemmingen, niet meer mag worden betrokken bij de vraag of een natuurvergunning nodig is. Intern salderen met een van de bovengenoemde toestemmingen mag wel worden betrokken bij de vraag of een natuurvergunning kan worden verleend.
1.1. Deze zaak gaat over het woningbouwproject Overduin (voorheen: Delversduin) in Egmond aan den Hoef. BPD heeft een natuurvergunning aangevraagd voor de bouw en het gebruik van 162 woningen en bijbehorende verkeersgeneratie. Nadat de rechtbank de natuurvergunning van het college van 14 oktober 2020 had vernietigd, heeft het college bij besluit van 22 mei 2024 de natuurvergunning geweigerd, omdat het project leidt tot een gelijkblijvende of lagere stikstofdepositie ten opzichte van de referentiesituatie (intern salderen). (…)
1.2. In de 18 december-uitspraak heeft de Afdeling geoordeeld dat, anders dan voorheen, de referentiesituatie niet mag worden betrokken bij de vraag of significante gevolgen van een project op voorhand zijn uitgesloten. In de voortoets mag voor de beoordeling of significante gevolgen zijn uitgesloten, geen vergelijking worden gemaakt van de gevolgen van de bestaande vergunde situatie met de gevolgen van het project na wijziging. Dit betekent dat in de voortoets, bij de beoordeling of significante gevolgen op voorhand zijn uitgesloten, de gevolgen van het project op zichzelf worden onderzocht. Als uit de voortoets volgt dat significante gevolgen niet op voorhand zijn uitgesloten, dan is voor het project een natuurvergunning nodig. Die zal dus vaker dan voorheen nodig zijn. De Afdeling komt in deze uitspraak tot de conclusie dat ditzelfde geldt voor situaties waarin de referentiesituatie is ontleend aan algemene regels over bemesten. Dit is uitgewerkt in 9-9.8.
1.3. Intern salderen met een referentiesituatie ontleend aan algemene regels over bemesten mag, evenals intern salderen met natuur- en milieutoestemmingen, onder voorwaarden als mitigerende maatregel betrokken worden in de passende beoordeling van de gevolgen van het project. Voor de wijze waarop wordt bepaald of er een referentiesituatie kan worden ontleend aan algemene regels over bemesten en wat de omvang van de referentiesituatie is, wordt aangesloten bij de uitspraak van de Afdeling van 12 oktober 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2874. Aan dat kader wordt toegevoegd dat, bij intern salderen met een toestemming die is ontleend aan algemene regels over agrarische gebruik van gronden, de gevolgen van dat toegestane gebruik als landbouwgrond in de referentiesituatie mogen worden betrokken, tenzij die gronden structureel niet meer in gebruik zijn als landbouwgrond en niet zonder nieuwe natuurtoestemming opnieuw in gebruik kunnen worden genomen als landbouwgrond. Als peilmoment voor de vraag of de gronden structureel niet meer in gebruik zijn als landbouwgrond geldt de aanvraag voor de natuurvergunning of de overeenkomst tot overname van de rechten van het toegestane gebruik of een ander objectief bepaalbaar moment. Dit is uitgewerkt in 17.2-17.6.
1.4. De Afdeling verwijst naar overwegingen 18-18.4, waarin uiteengezet is hoe in dit geval aan de voorwaarden is voldaan dat intern salderen als mitigerende maatregel in een passende beoordeling mag worden betrokken. De uitspraak heeft ook tot gevolg dat intern salderen met een referentiesituatie ontleend aan algemene regels alleen mogelijk is, als voldaan is aan het additionaliteitsvereiste. De Afdeling licht in deze uitspraak nogmaals toe dat het additionaliteitsvereiste alleen ziet op het gedeelte van de referentiesituatie dat wordt ingezet als mitigerende maatregel. Bij de vraag of aan het additionaliteitsvereiste wordt voldaan, is dus alleen het gedeelte van de referentiesituatie dat wordt ingezet als mitigerende maatregel relevant. Slechts voor dat deel (en dus niet voor de gehele referentiesituatie) moet worden onderbouwd dat het inzetten daarvan niet al nodig is in het licht van artikel 6, eerste en tweede lid, van de Habitatrichtlijn (hierna: Hrl).
Ook verduidelijkt de Afdeling in deze uitspraak dat de afweging over welke instandhoudings- en/of passende maatregelen worden getroffen niet plaatsvindt op het niveau van het individuele project, maar project-overstijgend is. Dat betekent niet dat de aspecten die samenhangen met het individuele project helemaal geen rol kunnen spelen, maar het is aan het college om hierover een afweging te maken. Dat is uitgewerkt in 19-19.5.
19.6. BPD heeft een natuurvergunning aangevraagd voor een geheel nieuw project, bestaande uit de bouw en het gebruik van 162 woningen inclusief verkeersbewegingen. Het college zal moeten beoordelen of het bovenstaande project significante gevolgen kan hebben. Bij die beoordeling mag het college in de voortoets geen rekening houden met de positieve gevolgen van mitigerende maatregelen, waaronder de vergelijking met de gevolgen die zijn toe te rekenen aan de referentiesituatie, die in dit geval is ontleend aan algemene regels over agrarisch gebruik waarvan bemesten een onderdeel is.
Als op grond van die beoordeling niet op voorhand op grond van objectieve gegevens kan worden uitgesloten dat het project significante gevolgen heeft, dan is het project vergunningplichtig en dient een passende beoordeling te worden gemaakt. In die passende beoordeling mogen de gevolgen die zijn toe te rekenen aan de referentiesituatie als mitigerende maatregel worden betrokken. Daarvoor gelden de voorwaarden die in deze uitspraak uiteengezet zijn. Daarbij hecht de Afdeling eraan om aan te geven dat in een passende beoordeling, waarin intern salderen als mitigerende maatregel wordt ingezet – net zoals bij een passende beoordeling waarin extern salderen wordt ingezet als mitigerende maatregel – kan worden volstaan met een verschilberekening en een motivering van het college wat betreft het additionaliteitsvereiste. Uit de passende beoordeling of verschilberekening moet dan wel blijken dat de beoogde situatie niet leidt tot meer of andere gevolgen dan de gevolgen van de mitigerende maatregel. Indien het college een natuurvergunning verleent op grond van de passende beoordeling, zal moeten worden voldaan aan de voorwaarden zoals uiteengezet onder 18.1-18.4.
* ABRvS 28 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2465: Awb, Wnb; handhaving, afwijzing verzoek, verhoging maximumsnelheid, Natura 2000-gebieden, stikstofneerslag, significante gevolgen, intern saldering in voortoets, gewijzigde rechtspraak, afname stikstofemissie rechtsgevolgen in stand gelaten
7. Over de eerste beroepsgrond overweegt de Afdeling als volgt. Het bestreden besluit is gebaseerd op interne saldering. Daarbij is een vergelijking gemaakt van de stikstofdepositie van het project met stikstofdepositie in de referentiesituatie als hulpmiddel om vast te stellen of het project significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. In dit geval is het project dat stikstofdepositie veroorzaakt het gebruik van het snelwegtraject Leenderheide-Budel met een maximumsnelheid overdag van 100 km/uur en in de avond en nacht (van 19:00 tot 6:00 uur) een maximumsnelheid van 130 km/uur. Dit is geregeld in Verkeersbesluit 2. In dit geval heeft de minister de referentiesituatie voor het gebruik van de snelweg ontleend aan het toegestane gebruik van dit wegvak op de peildatum 24 maart 2000.
Voor zover Milieudefensie met haar beroepsgrond betoogt dat niet intern mag worden gesaldeerd omdat een toestemming voor het gebruik van dit wegvak niet beschouwd kan worden als de toestemming voor een project, waarmee intern mag worden gesaldeerd, overweegt de Afdeling als volgt. Zoals uit de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1604, onder 4 t/m 4.3, blijkt, dient uitgegaan te worden van een breed projectbegrip, waarbij voor beantwoording van de vraag of iets een project is, relevant is of deze activiteit significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. De rechtspraak over intern salderen is ook op deze activiteit van toepassing.
8.1. In de 18 december-uitspraak is de rechtspraak over intern salderen gewijzigd. Die wijziging houdt kort gezegd in dat de referentiesituatie niet mag worden betrokken bij de vraag of significante gevolgen van een project op voorhand zijn uitgesloten. Anders dan voorheen, mag in de voortoets voor de beoordeling of significante gevolgen zijn uitgesloten, geen vergelijking worden gemaakt tussen de gevolgen van de bestaande vergunde of anderszins toegestane situatie en de gevolgen van het project na de wijziging ervan. Dit betekent dat voortaan in de voortoets bij de beoordeling of significante gevolgen op voorhand zijn uitgesloten, de gevolgen van het project op zichzelf moeten worden onderzocht. Als uit een dergelijke voortoets volgt dat significante gevolgen van het project op zichzelf niet op voorhand zijn uitgesloten, dan is voor het project een natuurvergunning nodig. In het kader van de beoordeling van de vraag of een dergelijke vergunning kan worden verleend kan vervolgens in een passende beoordeling een vergelijking tussen de gevolgen van de bestaande vergunde of anderszins toegestane situatie en de gevolgen van het project na de wijziging ervan wel worden betrokken. Zie de overwegingen 17-18.7 van de 18 december-uitspraak over de wijze waarop een beoordeling van de gevolgen van een project moet worden uitgevoerd.
8.2. Gelet op deze wijziging in de rechtspraak slaagt het betoog van Milieudefensie. Vast staat dat het project op zichzelf stikstof uitstoot en in zoverre significante gevolgen op voorhand niet zijn uitgesloten. Het oordeel van de rechtbank dat de minister kon concluderen dat significante gevolgen voor een Natura 2000-gebied na de snelheidsverlaging overdag kunnen worden uitgesloten, is ook gebaseerd op een interne saldering die in de voortoets heeft plaatsgevonden en dat mag niet, zo blijkt uit de 18 december-uitspraak.
14. Onder 24-24.6 van de 18 december-uitspraak is de betekenis van deze uitspraak voor handhavingsprocedures uiteengezet. Omdat deze zaak gaat over een verzoek om handhaving van Milieudefensie, zijn die overwegingen relevant voor de vraag of de minister in dit geval handhavend moet optreden.
Zoals staat onder 24.3 van de 18 december-uitspraak, geldt voor activiteiten die op of na 1 januari 2020 fysiek zijn gestart dat deze alsnog vergunningplichtig zijn, als de activiteit nog in uitvoering is en significante gevolgen daarvan niet op grond van objectieve gegevens op voorhand zijn uitgesloten. Omdat het verrichten van een activiteit zonder natuurvergunning, indien benodigd, in strijd is met artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb en inmiddels artikel 5.1, eerste lid, onder e, van de Omgevingswet, zou het bevoegd gezag handhavend kunnen optreden tegen de voortzetting van de activiteit zonder natuurvergunning.
Onder 24.4 van de 18 december-uitspraak is overwogen dat voor activiteiten die fysiek zijn gestart tussen 1 januari 2020 en 1 januari 2025 én waarvoor op grond van de voorheen geldende rechtspraak over intern salderen geen vergunning nodig was, een overgangsperiode van vijf jaar (tot 1 januari 2030) geldt waarin het bevoegd gezag niet met een last onder bestuursdwang of last onder dwangsom kan optreden tegen de voortzetting van die activiteit zonder natuurvergunning.
In dit geval geldt dat de activiteit waar het over gaat in deze procedure, fysiek is gestart in maart 2020.
Dit betekent dat op de activiteit die aan de orde is in deze uitspraak de overwegingen over de overgangsperiode in de 18 december-uitspraak, onder 24 t/m 24.4, van toepassing zijn, mits daarvoor op grond van de voorheen geldende rechtspraak over intern salderen, geen vergunning nodig was.
15. Uit de overwegingen onder 7 en 9 t/m 10 hierboven volgt dat er geen aanleiding is om te oordelen dat voor de effectuering van Verkeersbesluit 2 op grond van de voorheen geldende rechtspraak over intern salderen een natuurvergunning nodig was. Omdat de wijziging van het gebruik van het traject Leenderheide-Budel bovendien geëffectueerd werd in maart 2020, kan de minister tot 1 januari 2030 dus niet handhavend optreden, ook als nieuw onderzoek naar de vergunningplicht voor het gebruik van het traject uitwijst dat voor dit project een vergunning nodig is.
De weigering om handhavend op te treden kan dus in stand blijven. De zaak is daarmee finaal beslecht.
* ABRvS 28 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2450: Awb, Wabo; handhaving, huisvesting arbeidsmigranten, strijd bpl, belanghebbendheid, relativiteitsvereiste, landgoed, recreatie, ondergeschikte functie, fysieke uitstraling, hoofdfunctie, feitelijke situatie, ruimtelijke omvang, gebruiksregel (Rb Limburg 21/143)
7.3. De Afdeling volgt de rechtbank in het oordeel dat artikel 4.1, aanhef, onder f, in samenhang gelezen met artikel 1.48 van de planregels voldoende duidelijk is. De rechtbank overweegt daarbij ten onrechte dat voor de vraag of de huisvesting van arbeidsmigranten ondergeschikt is aan de functies van verblijfsrecreatie en training, de feitelijke situatie bepalend is. Uit artikel 1.48 van de planregels valt niet af te leiden dat de feitelijke situatie een onderdeel is van de in die planregel weergegeven definitie van “ondergeschikte functie”. In artikel 1.48 van de planregels is bepaald dat sprake is van een ondergeschikte functie wanneer “een activiteit van zeer beperkte bedrijfsmatige en/of ruimtelijke omvang [is] zodat de functie waaraan zij wordt toegevoegd, qua aard, omvang en verschijningsvorm, overwegend of nagenoeg geheel als hoofdfunctie herkenbaar blijft.” Het college en [appellant sub 2] hebben er terecht op gewezen dat de ruimtelijke omvang van de huisvesting van arbeidsmigranten, gezien het daarvoor aangewezen plandeel en gelet op de aard, omvang en verschijningsvorm, ondergeschikt is aan de daarvoor aangewezen functies van verblijfsrecreatie en training aangezien de huisvesting van arbeidsmigranten maximaal 1/3e deel van het landgoed in beslag neemt ten opzichte van de functies van verblijfsrecreatie en training.
Het college en [appellant sub 2] betogen verder terecht dat voor de vraag of het huisvesten van arbeidsmigranten is toegestaan, ook betrokken moet worden wat daarover in het artikel 4.5.2, aanhef, onder b, van de gebruiksregels staat. Daarin is bepaald dat maximaal 300 arbeidsmigranten mogen worden gehuisvest. De ondergeschiktheid in artikel 4.1, aanhef, onder f, wordt dus ook begrensd door artikel 4.5.2, aanhef, onder b, van de planregels. Uit de uitspraak van de Afdeling van 18 december 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:4349), overweging 10.3 en 10.4, volgt ook dat met in ieder geval een aantal van maximaal 300 arbeidsmigranten sprake is van een ondergeschikte functie ten opzichte van de hoofdfunctie.
Nu de ruimtelijke omvang van de huisvesting van arbeidsmigranten ondergeschikt is aan de functies verblijfsrecreatie en training en ten tijde van het controlerapport van 14 januari 2020 ook niet meer dan 300 arbeidsmigranten gehuisvest waren, was geen sprake van overtreding van artikel 4.1, aanhef, onder f, en artikel 4.5.2, aanhef en onder b, van de planregels. De feitelijk aanwezige recreanten op dat moment is daarvoor niet bepalend. Dit heeft de rechtbank ten onrechte niet onderkend
* Rechtbank Oost-Brabant 27 mei 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:2983: Awb, WVW 1994; verkeersbesluit, nul-emissiezone bedrijfs- en vrachtauto’s, bedrijvengebied, omgevingsrechtelijk besluit, milieueffecten, luchtkwaliteit, gevolgen bedrijven, belangenafweging, onvoldoende onderzoek, zorgvuldigheidsbeginsel
4.5. Zoals overigens ook door eiseres 3 terecht is betoogd, betreft dit verkeersbesluit een besluit dat gaat over het al dan niet toestaan van activiteiten die een aanzienlijk effect kunnen hebben op het milieu. Met dit verkeersbesluit worden immers nog uitsluitend emissieloze bedrijfs- en vrachtauto’s binnen de Ring toegestaan. De rechtbank wijst in dit verband op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 13 juli 2022 waarin is overwogen dat een besluit op grond van de Wegenverkeerswet onder omstandigheden als een omgevingsrechtelijke zaak kan worden beschouwd. De rechtbank beschouwt het verkeersbesluit ook als een omgevingsrechtelijk besluit. Daarom kan aan belanghebbenden niet worden tegengeworpen dat zij geen zienswijze over het ontwerpbesluit hebben ingediend. Voor niet-belanghebbenden geldt dat zij ook beroep kunnen instellen tegen omgevingsrechtelijke besluiten, als zij een zienswijze naar voren hebben gebracht over het ontwerpbesluit of hen niet verweten kan worden dat zij dit niet hebben gedaan. Eisers 2, 5 en 6 zijn inwoners binnen de Ring respectievelijk de vertegenwoordiger daarvan. Reeds om die reden kan niet worden volgehouden dat zij geen belanghebbenden zijn bij dit verkeersbesluit. Het verkeersbesluit beoogt de leefomgeving van in het bijzonder inwoners van Eindhoven te verbeteren en het raakt hen in die zin rechtstreeks. Daarbij komt dat, voor zover de rechtbank heeft kunnen vaststellen, in ieder geval eisers 2 en 5 ook een zienswijze hebben ingediend, zodat, zelfs al zouden ze niet-belanghebbend zijn, zij op grond van voormelde jurisprudentie toch ontvankelijk zouden zijn. Het verweer dat eisers 2, 5 en 6 niet ontvankelijk zijn, slaagt dus niet. Wel brengt het college terecht naar voren dat dit verkeersbesluit niet gaat over personenauto’s. De rechtbank zal dus niet ingaan op het betoog van eisers 2 voor zover het gaat over het weren van personen-dieselauto’s.
4.7. Naar het oordeel van de rechtbank mocht het college op grond van het rapport van bureau CE Delft concluderen dat van de invoering van de zero-emissie voor deze categorie motorvoertuigen een positief effect op de luchtkwaliteit binnen de Ring te verwachten valt door vermindering van fijnstof en CO2-uitstoot ter plaatse. Het betoog van eisers 2 dat de productie van elektrische motorvoertuigen op zichzelf ook een belasting voor het milieu kan vormen doet er niet aan af dat van het gebruik van elektrische motorvoertuigen binnen de Ring wel degelijk een positief effect te verwachten is op de luchtkwaliteit voor de inwoners van Eindhoven. Datzelfde geldt voor het betoog van eisers 1 dat houtstook en CV-ketels vervuilender zijn dan diesel euro 5 vrachtwagens en bestelbussen. De rechtbank sluit niet uit dat de luchtkwaliteit mogelijk niet op alle plekken binnen de Ring even veel zal verbeteren. Eisers 3 betogen terecht dat de Ring zelf ook als een bron vervuiling wordt gezien. Inwoners die direct naast de Ring wonen zullen dus ook mogelijk een minder grote verbetering ervaren. Echter, naar het oordeel van de rechtbank zal er hoe dan ook een positief effect zijn. Eisers 1 hebben gewezen op metingen die huns inziens aantonen dat de bestaande milieuzone waarbij vervuilende dieselvrachtwagens en bestelbussen geweerd worden, slechts een beperkt effect hebben op de luchtkwaliteit. De rechtbank merkt hierover op dat het instellen van een milieuzone zonder adequate handhaving niet tot de beoogde milieuverbetering zal leiden. Zoals de rechtbank verderop zal bespreken is er lange tijd door het college een beleid gevoerd waarbij het niet naleven van de reeds bestaande milieuzone slechts beperkt is gehandhaafd en dat beleid is zelfs ook zo gecommuniceerd naar bepaalde partijen. Daarmee valt te verwachten dat de ingestelde milieuzone minder effect heeft gehad op de luchtkwaliteit dan die had kunnen hebben bij adequate handhaving. Echter, dit vormt geen grond om te concluderen dat het college de grenzen van zijn beoordelingsruimte tot het instellen van een nul-emissiezone in dit opzicht heeft overschreden of dat het verkeersbesluit in dit opzicht onzorgvuldig is voorbereid. Gelet op het voorgaande, is voldaan aan het in artikel 2, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wvw 1994 gestelde vereiste dat het verkeersbesluit een feitelijk effect op het milieu moet hebben. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat met deze maatregel een milieubelang wordt gediend. Dat het verkeersbesluit in dit opzicht onzorgvuldig is voorbereid of dat de grenzen van de beoordelingsruimte ten aanzien van het feitelijk effect op het milieu zijn overschreden volgt de rechtbank dus niet. De betogen slaagt niet.
4.15. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college de gevolgen van de milieuzone voor eisers 3 en 4 onderschat. Het college had het gedoogbeleid moeten betrekken bij de belangenafweging. Het college heeft in de belangen van bedrijventerrein ‘De Kade’ kennelijk altijd aanleiding gezien om de bedrijven tegemoet te komen voor wat betreft het niet handhaven van de milieuzone. De bestaande milieuzone gold voor hen slechts op papier. Dit maakt dat van het college verwacht mocht worden dat het in het bijzonder ten aanzien van dit bedrijventerrein de nodige kennis zou vergaren omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen bij dit verkeersbesluit.
4.17. Het college heeft echter verzuimd om zelf voor het nemen van het verkeersbesluit op zorgvuldige wijze na te gaan of het besluit voor deze belanghebbenden geen onevenredige gevolgen heeft zoals het college die kennelijk eerder wel zag toen het besloot om de milieuzone voor (bezoekers van) eisers 3 en 4 niet te handhaven. Dit verdraagt zich ook niet goed met de eerder in het raadsvoorstel gelegde nadruk op samenspraak of en hoe de milieuzone en de nul-emissiezone mogelijk zou worden gemaakt in dit bedrijvengebied. Het verkeersbesluit geeft er onvoldoende blijk van dat het voldoende heeft geïnventariseerd wat voor soort bedrijven er zijn gevestigd, hoe zij door dit besluit worden geraakt of de eventuele nadelen wel kunnen worden weggenomen met ontheffingen. En, als de gevolgen van het verkeersbesluit niet kunnen worden gemitigeerd, of dit nog evenredig is in verhouding tot de met het verkeersbesluit te dienen doelen. Hierbij zou zwaar moeten wegen dat dit bedrijventerrein grenst aan de Ring waar geen nul-emissiezone geldt. Dit betekent dat het betoog van eisers 3 en 4 slaagt. Het verkeersbesluit, voor zover het gaat om de instelling van de nul-emissie zone op het bedrijvengebied ‘De Kade’ binnen de Ring, is onzorgvuldig voorbereid en komt wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank zal de overige beroepsgronden van eisers 3 en 4 die zien op de gemaakte belangenafweging, niet beoordelen omdat eerst het college deze belangen beter zal moeten inventariseren en zal moeten wegen.
* Rechtbank Gelderland 21 mei 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:3951: Awb; weigering nadeelcompensatie, vervanging stalen damwand door L-krib, verzakking bedrijfsbebouwing, onderspoeling, aanzanding haven, beleidsregel, causaal verband, jurisprudentie Afdeling, condicio sine qua non-verband, nmr, abnormale last, normkosten, hardheidsclausule
11.4 De rechtbank is van oordeel dat het plaatsen van een L-krib in de Waal als een normale maatschappelijke ontwikkeling moet worden beschouwd die in de lijn der verwachting lag, zodat sprake is van een normale infrastructurele maatregel. Door [eiser] is niet betwist dat de oude damwand in slechte staat verkeerde en dat daarom vervanging noodzakelijk was. Het lag daarom in de lijn der verwachting dat een nieuw waterstaatswerk gerealiseerd moest worden. De uit het besluit voortvloeiende schade behoort daarom in beginsel tot het normaal ondernemersrisico. Omdat sprake is van een normale infrastructurele maatregel is artikel 3d, tweede lid, van de Beleidsregel, dat ziet op niet-normale infrastructurele maatregelen, niet van toepassing.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister in de door [eiser] aangevoerde omstandigheden geen reden hoeven te zien om een lagere kostendrempel toe te passen. Een schade van € 315.643 is weliswaar fors, maar de omvang van de normkosten bedraagt € 36.880.000, zodat het percentage slechts 0,85 % bedraagt. Dit is ruim onder de norm van 2 % uit artikel 2 van de Beleidsregel en ook onder de aanvankelijk gehanteerde kostendrempel van 1 %. De omstandigheid dat de kosten plots toenemen, is inherent aan een infrastructurele maatregel en vormt op zichzelf geen aanleiding om af te wijken van het percentage voor het normaal ondernemersrisico. Ook de keuze om niet meer te baggeren komt voor risico van [eiser]. Zoals de minister terecht heeft overwogen staat het [eiser] vrij om op een later moment een nieuw verzoek om nadeelcompensatie in te dienen.
* Rechtbank Overijssel 20 mei 2025, ECLI:NL:RBOVE:2025:3217: Awb, Wnb; ontheffing, geen natuurvergunning, afschieten koppelvormende grauwe ganzen, beheerplan, Natura 2000-gebieden, verjagingsmiddelen, geluid schieten, uitvoerbaarheid, oorzakelijk verband, belangrijke schade gewassen, effectiviteit opdracht, alternatieven
8.11 Uit de gegevens, zoals die zijn opgenomen in de aanvraag/het beheerplan en het primaire besluit, nader toegelicht ter zitting, volgt dat het aantal overzomerende grauwe ganzen in Overijssel blijft toenemen en dat ook de getaxeerde gewasschade (en dan met name in de winterperiode) een stijgende lijn laat zien. Hoewel de gegevens over de omvang van de populaties grauwe ganzen en de hoogte van de schade aan gewassen van jaar tot jaar enige fluctuaties laten zien, komt uit deze gegevens het algemene beeld naar voren dat bij grotere ganzenpopulaties er ook een grotere schade is aan gewassen.
8.12. Het college heeft daarom aannemelijk mogen achten dat een oorzakelijk verband bestaat tussen het aantal overzomerende grauwe ganzen en de schade aan gewassen.
8.18. Naar het oordeel van de rechtbank moet bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van belangrijke schade worden gekeken naar het totale plaatje, oftewel de gehele schade die is te herleiden tot grauwe ganzen. Het bedrag van € 250,- is daarbij slechts de ondergrens van schadebedragen die in de berekening worden meegewogen. Uit de tabel op pagina 21 van de verleende opdracht volgt dat de getaxeerde gewasschade in de winterperiode, veroorzaakt door grauwe ganzen, sinds 2018 een stijgende lijn laat zien. Het jaar 2021 valt ‘er tussen uit’, gelet op de door de FBE gegeven toelichting ter zitting. In 2022 bedroeg deze schade ongeveer € 1.400.000,-. De getaxeerde schade in de zomerperiode bedroeg in 2022 ongeveer € 300.000,-. Dit is het totaalbedrag aan gemelde schades vanaf 250,- in dat jaar in de provincie Overijssel. Gelet op de omvang van de schade (€ 1.700.000,- in 2022) die door grauwe ganzen wordt veroorzaakt, heeft het college zich op het standpunt mogen stellen dat bij de huidige omvang van de ganzenpopulatie sprake is van ‘belangrijke schade’. Dat het bedrag niet is gespecificeerd per bedrijf of hectare landbouwgrond zoals Fauna4Life stelt, is naar het oordeel van de rechtbank niet van belang. Gegeven is namelijk dat het steeds gaat om schades van minimaal € 250,- per incident. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt van de Afdeling dat dit bedrag voldoende is om als ondergrens te hanteren.
¶ Rechtbank Zeeland-West-Brabant 19 mei 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:3062: Awb, Ow; vovo en kortsluiten, handhaving, overtredingen Bbl en omgevingsplan, verzamelstoornis, onderhoud dak en gevel, verwarmingsinstallatie, muizenoverlast, zorgplicht, uitleg bepalingen en doel Bbl, begrip uitwendige scheidingsconstructie, gezondheid, binnenzijde woning, brandgevaar, evenredigheidsbeginsel, Harderwijk-uitspraak
6.3. De voorzieningenrechter begrijpt het standpunt van het college zo dat het onder de term bouwwerkinstallatie mede verstaat een verwarmingsinstallatie.
In bijlage 1 van het Bbl is als definitie van bouwwerkinstallatie opgenomen een voor het functioneren van een bouwwerk of een gedeelte daarvan noodzakelijke voorziening van niet-bouwkundige aard. In de toelichting op de bijlage van het Bbl worden bij de definitie voorbeelden van zo’n bouwwerkinstallatie genoemd. Dit zijn een mechanische ventilatievoorziening, de drink- of warmwatervoorziening, de binnenriolering, rookmelders en een brandmeldinstallatie. De woning van eiseres is een bestaand bouwwerk. Hoofdstuk 3 van het Bbl is daarom van toepassing. Afdeling 3.7 betreft regels voor bouwwerkinstallaties in bestaande bouw. In deze afdeling zijn geen regels te vinden over verwarmingsinstallaties. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is een verwarmingsinstallatie daarom niet aan te merken als een voor het functioneren van een bouwwerk noodzakelijke voorziening van niet-bouwkundige aard. Dit betekent dat eiseres artikel 2.6 van het Bbl niet kan hebben overtreden.
6.10. (…) Uit het bestreden besluit, en met name de last onder bestuursdwang, leidt de voorzieningenrechter af dat het college bij de gestelde schending van de specifieke zorgplicht doelt op de staat aan de binnenzijde van de woning. Artikel 3.5 van het Bbl is immers opgenomen onder het kopje “Aanvulling wettelijke grondslag last onder bestuursdwang welke ziet op het schoonmaken en opruimen van de woning”. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college niet onderbouwd waarom de staat van de woning aan de binnenzijde van de woning (dreigend) gevaar voor gezondheid of veiligheid oplevert. In het bestreden besluit wordt met name ingegaan op het vermeende brandgevaar, maar daarop ziet niet artikel 3.5 maar 6.4 van het Bbl.
6.11. Uit de rapportages van de controles blijkt dat er vochtplekken en schimmel op de muren en het plafond van de keuken en de zolderkamers zitten, en dat het plafond op sommige plaatsen is ingezakt. Voor zover het college heeft bedoeld deze constateringen aan de toepassing van artikel 3.5 van het Bbl ten grondslag te leggen, heeft het college niet onderbouwd waarom hiervan (dreigend) gevaar voor de gezondheid en veiligheid te duchten is.
6.12. Uit de rapportages volgt ook dat wordt gesteld dat door de combinatie van vocht en elektra gevaar voor kortsluiting kan ontstaan in de aanbouw. Voor zover het college hiermee heeft bedoeld dat er (dreigend) gevaar voor gezondheid en veiligheid kan ontstaan door de staat van het bouwwerk, overweegt de voorzieningenrechter dat hiervoor is geconstateerd dat er sprake is van overtreding van artikel 3.64 van het Bbl. Indien de lekkage aan het dak is verholpen, is er geen (dreigend) gevaar meer voor gezondheid en veiligheid. Er is met andere woorden een specifieke bepaling die gericht is op het waterdicht maken van het dak. Toepassing van artikel 3.5 van het Bbl is in dit geval niet nodig.
6.13. (…)
Uit het bestreden besluit leidt de voorzieningenrechter af dat het college wil dat eiseres de woning opruimt en schoonhoudt, maar dat is niet het doel waarvoor artikel 3.5 van het Bbl is geschreven. Dit betekent dat niet vastgesteld kan worden dat eiseres artikel 3.5 van het Bbl heeft overtreden.
6.14. (…) In de toelichting op artikel 22.18, eerste lid, staan verder voorbeelden van situaties waarin dit artikel toegepast kan worden, zoals een hennepkwekerij, opslag van stoffen die gevaar kunnen opleveren, et cetera. Dit zijn steeds situaties die naar hun aard gevaar opleveren. Het gebruik dat eiseres en haar zus van de woning maken kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet als zodanig worden aangemerkt. Zij gebruiken de woning namelijk om in te wonen en niet voor andere doeleinden. Er worden wel spullen bewaard dan wel opgeslagen in de woning, maar deze zijn naar hun aard niet als gevaarlijk aan te merken. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat eiseres artikel 22.18, eerste lid, van het Omgevingsplan niet heeft overtreden.
6.16. De voorzieningenrechter is van oordeel dat eiseres artikel 22.18, tweede lid, onder c, van het Omgevingsplan niet heeft overtreden. De woning van eiseres en haar zus zou beter kunnen worden onderhouden dan nu het geval is, maar er is geen sprake van hinder dan wel overlast voor de omgeving. Uit het dossier blijkt niet dat er klachten over hinder of overlast uit de omgeving zijn gemeld. Het betoog van het college dat sprake zou zijn van muizenoverlast bij de buren door de woning van eiseres, maakt dat niet anders. Het college heeft onvoldoende concreet gemaakt dat daadwerkelijk sprake is van muizenoverlast en dat dit afkomstig is van de woning van eiseres.
* Rechtbank Midden-Nederland 15 mei 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:2311: Awb, Wabo; omgevingsvergunning, wijziging inrichting, gemengd agrarisch bedrijf, beperkend voorschrift, gedeeltelijke weigering, zienswijze, zorgvuldigheidsbeginsel, passeren gebrek, grondslag aanvraag, geur, 50 % regeling, Wgv, strijd met SBM-richtlijn, onverbindendheid, uitspraak Rb Oost-Brabant, voermengwagen, geluidsnorm, nachtperiode, ontbreken geluidsrapport
10. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college in dit geval gehandeld in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel door eiser vóór het nemen van het gewijzigde definitieve besluit niet te informeren over het voornemen om de aanvraag gedeeltelijk te weigeren. De gedeeltelijke weigering ziet op de toegestane hoeveelheid te houden vleesvarkens en biggen en op het gebruik van de voermengwagen buiten de dagperiode. De weigering wijkt daarmee op wezenlijke onderdelen af van de door eiser gevraagde inrichting omdat een wijziging in het aantal te houden dieren leidt tot een andere bedrijfsvoering en ook verstrekkende (financiële) gevolgen kan hebben voor eiser. Ook wijkt het definitieve besluit wezenlijk af van het ontwerpbesluit, omdat in het ontwerpbesluit nog werd toegestaan dat het aantal dieren zou toenemen. Dit betekent dat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel. De beroepsgrond slaagt.
22. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat in de Wet stankemissie veehouderijen al een milieubeoordeling is uitgevoerd voor de in de Wgv opgenomen 50%-regeling. Voor zover artikel 3, vierde lid, van de Wgv zijn oorsprong vindt in de Wet stankemissie veehouderijen, ziet de rechtbank in de memorie van toelichting en het door eiser geciteerde deel daarvan geen strategische milieubeoordeling in de zin van de SMB-richtlijn. Uit de toelichting blijkt niet dat onderzoek is gedaan naar milieueffecten van de 50%-regeling en de soortgelijke regeling onder de Wet stankemissie veehouderijen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het oordeel van de rechtbank Oost-Brabant in de uitspraak van 16 juni 2023 dat aan de 50%-regeling in de Wgv ten onrechte geen strategische milieubeoordeling ten grondslag ligt, onjuist is.
23. Eiser heeft als subsidiair standpunt op de zitting aangevoerd dat het college zich tegenover eiser ten onrechte rechtstreeks beroept op de SMB-richtlijn door de 50%-regeling buiten toepassing te laten. Volgens eiser is de SMB-richtlijn in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd en is de implementatietermijn verstreken. In dat geval brengt het verbod op omgekeerde verticale werking met zich dat het college zich tegenover eiser niet rechtstreeks mag beroepen op de SMB-richtlijn. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft eiser gewezen op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 oktober 1987 (Kolpinghuis).
24. De rechtbank volg eiser daarin niet. De rechtbank overweegt dat in het arrest Kolpinghuis sprake was van een strafrechtelijke vervolging in verband met de overtreding van een Europese richtlijn. Daarvan is in dit geval geen sprake. Het college heeft immers niet vastgesteld dat eiser de SMB-richtlijn heeft overtreden, maar heeft een bepaling uit het nationale recht (artikel 3, vierde lid, van de Wgv) buiten toepassing gelaten omdat deze bepaling in strijd is met de SMB-richtlijn. Uit het arrest Fratelli Costanzo SpA van het Hof van Justitie van de Europese Unie volgt dat bestuursorganen rechtstreeks werkende bepalingen van richtlijnen moeten toepassen en bepalingen van nationaal recht die daarmee niet verenigbaar zijn, buiten toepassing moeten laten.
* Rechtbank Rotterdam 13 mei 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:6150: Awb, Wabo; afwijzing verzoek, intrekking omgevingsvergunningen windpark, ontvankelijkheid, woon- en leefklimaat, slagschaduw, externe veiligheid, gezondheid, geluid, windturbinebepalingen, Activiteitenbesluit, SMB-richtlijn, plan-mer, Kühne & Heitz-arrest, jurisprudentie Afdeling, heroverweging, herstelbesluiten
13.7. De rechtbank stelt voorop dat uit de rechtspraak van het Hof en de uitspraken van de Afdeling van 18 september 2024 volgt dat een heroverweging niet noodzakelijkerwijs tot gevolg heeft dat de vergunningen moeten worden ingetrokken. Anders dan eisers hebben betoogd, moet het bevoegd gezag een afweging maken waarin alle relevante belangen worden betrokken. De rechtszekerheid speelt daarin een grote rol.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college op grond van de gemaakte belangenafweging tot de conclusie kunnen komen dat de omgevingsvergunningen van 2 oktober 2017 niet moeten worden ingetrokken. Het college mocht het belang van de rechtszekerheid zwaarder laten wegen dan de belangen van eisers. Eisers hebben gesteld dat het college zich niet op de rechtszekerheid kan beroepen, omdat de overheid de SMB-richtlijn niet goed heeft geïmplementeerd. Het gaat in dit geval echter om de rechtszekerheid van vergunninghoudsters. Zij hebben het windpark gebouwd nadat het bestemmingsplan en de omgevingsvergunningen door de uitspraak van de Afdeling van 19 juni 2019 onherroepelijk zijn geworden. Het Unierechtelijke gebrek vindt zijn grondslag in het ontbreken van een plan-mer voor de windturbinebepalingen in het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling. Dit gebrek is voornamelijk procedureel van aard. Bovendien is er een plan-mer in voorbereiding om het gebrek te herstellen. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraken van 18 september 2024, volgt uit het Nevele-arrest en de tussenuitspraak Delfzijl niet dat de inhoudelijke milieunormering die was neergelegd in de windturbinebepalingen op zichzelf onverenigbaar was met het Unierecht. Verder is van belang dat naar het oordeel van de rechtbank geen sprake is van een schending van fundamentele rechten van eisers. Voor zover eisers hebben betoogd dat dit het geval is vanwege de gezondheidseffecten van de windturbines, overweegt de rechtbank dat er geen algemeen aanvaarde wetenschappelijke inzichten zijn die inhouden dat windturbines zoals hier aan de orde onaanvaardbare gezondheidseffecten veroorzaken.