Weekoverzicht uitspraken omgevingsrecht

* ABRvS 21 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2343: Awb, Gmw; buiten behandeling stellen aanvraag, indelingsplan pleinterras, horecalokaliteit, loodlijncriterium, gemeentelijke terrasverordening, exceptieve toetsing, Dienstenrichtlijn, herhaling aangevoerde in beroep, gemotiveerde bespreking rechtbank, onjuist of onvolledig, selectiecriterium, dwingende reden van algemeen belang, openbare orde, (verkeers)veiligheid, beste criterium selecteren gegadigden, toetsbaar, objectief en transparant, zichtcriterium (Rb Limburg 20/2900)
* ABRvS 21 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2341: Awb, Wro, Wgh; bpl, woningbouw, besluit HGW/relativiteitsvereiste, provinciale verordening, stedelijk gebied/landelijk gebied, toetsing avv, geen wet in formele zin, evidentiecriterium, exceptieve toetsing, geen evidente strijd met hogere regelgeving, zorgvuldig ruimtegebruik, geen externe werking instructieregel, soortenbescherming, quickscan, oordeel voorzieningenrechter, gehanteerde onderzoeksmethode, gebiedsbescherming, Natuur Netwerk Brabant, externe effecten, stikstofdepositie, aanlegfase, bouwvrijstelling, Porthos-uitspraak, gebruiksfase, woningen zonder gasaansluiting, verkeersbewegingen, AERIUS-berekeningen, individuele plantoets, landelijke opgave terugbrengen stikstofdepositie, woon- en leefklimaat, uitzicht, privacy, welstandscriteria, beschermd stadsgezicht, welstandsnota, voorwaardelijke verplichting, doelgroep woningen, geen ruimtelijk relevant onderscheid, tussenuitspraak
* ABRvS 21 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2329: Awb, Wgh; saneringsplan, verlagen geluidproductieplafonds, bronmaatregelen en afschermende maatregelen, referentiepunten, stiller asfalt, geluidscherm/kosten, berekende geluidbelasting, saneringsobject, geldende geluidproductieplafonds/volledig benut, rekensystematiek, hoofdstuk 11 Wm, Reken- en meetvoorschrift geluid 2012, verslag wegbeheerder, financieel doelmatige geluidbeperkende maatregel, Besluit geluid milieubeheer, aantal reductiepunten, weerkaatsing, absorberend uitvoeren, geen wettelijke norm, geluidniveau buiten woningen, streefwaarde, gelijkheidsbeginsel
* ABRvS 21 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2281: Awb, Wro; bpl, woningbouw, inrichting als erf, achtererfgebied, omgevingsvergunningvrije bouwwerken met geluidsgevoelige ruimten, belemmering bedrijfsvoering, tuinbestemming, niet aangemerkt als “erf”, geen bebouwing zonder omgevingsvergunning, Omgevingswet, omgevingsplan, tijdelijk deel, omgevingsrechtelijke regels, Besluit bouwwerken leefomgeving, begrip “bijbehorend bouwwerk”, begrip “achtererfgebied”, begrip “gebouwerf”, planregel/voldaan aan omschrijving gebouwerf, nota van toelichting Invoeringsbesluit Omgevingswet, rechtszekerheid, herhaling beroepsgronden, tussenuitspraak/oordeel, geen uitzonderlijk geval, einduitspraak na tussenuitspraak
* ABRvS 21 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2283: Awb, Wabo, Gmw; afwijzing handhavingsverzoek, kleinschalige kampeerterreinen, tenaamstelling kampeervergunning, gemeentelijke kampeerverordening, nieuwe kampeerregeling bpl, voornemen intrekking kampeerverordening, handhavend optreden onevenredig, herhaling aangevoerde in beroep, gemotiveerde bespreking rechtbank, onjuist of onvolledig, uitgangspunt handhavingsbesluiten, optreden tegen overtreding, algemeen belang niet gediend met handhaving, rechtsgang bpl, nieuwe andersluidende regeling, onverbindend verklaren verordening, geen overtreding, gelijkheidsbeginsel, processuele gedrag, in minder brengen deel behandelduur, redelijke termijn, verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn (Rb Zeeland-West-Brabant 20/19)
# ABRvS 21 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2292: Awb, Wro, Wgh; bpl, besluit HGW, woningbouw, detailhandel, horeca met een poppodium met 24-uurs-horeca, hotel, parkeergarage, goede procesorde, bestaande legaal gebruik, nieuwe planologische inzichten, (nacht)horeca, woningbouw, akoestisch onderzoek, strengere geluidswaarden, Activiteitenbesluit milieubeheer, gebruik op termijn beëindigen, Dienstenrichtlijn, activiteit “horeca”/dienst, noodzakelijkheidseis, bescherming van het milieu en stedelijk milieu, cultuurbeleid, evenredigheid, overgangsrecht, minder beperkende maatregel, geluidreductie/isolatie, gelijkheidsbeginsel, stichting, belanghebbende, statutaire doelstelling, MER, cumulatie, vooringenomenheid, Chw, meer dan 11 woningen, lokaal project met nationale betekenis, participatie, provinciale verordening, besluit HGW/relativiteitsvereiste, aanwijzing moderniseringsgebied, bevoegdheid raad, treffen constructieve maatregelen, gemoderniseerd vanwege omliggende functies, belangen zorgvuldig afwegen, VNG-brochure, gebruiksregel, structuurvisie, alternatief, privaatrechtelijke belemmering, Activiteitenbesluit milieubeheer, cumulatieve maximale etmaalwaarde, realiseren maatregelen, hoogte kosten, drager kosten, geluid, reflectie, railverkeerslawaai, emplacement, bezonning, Provenierswijkregel, som schaduwwerking, windhinder, windklimaatonderzoek, windtunnelmaquette, luchtkwaliteit, NSL, externe veiligheid, groepsrisico, water, tussenuitspraak
* ABRvS 21 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2344: Awb, Wbb; weigering instemmen saneringsplan, op- en overslagbedrijf vloeibare energie en chemische producten, bedrijfsactiviteiten, verontreiniging, minerale olie en vluchtige aromaten, termijn opgeschort, schriftelijk met uitstel ingestemd, feitelijke gang van zaken, ontwerpbesluit, niet weersproken, tijdig beslist, onderzoek ter zitting, tussenuitspraak, spoedige en definitieve beslechting geschil, heropenen onderzoek, uitnodiging nieuwe zitting
* ABRvS 21 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2324: Awb, Wabo, Gmw; handhaving, dwangsom, bouw berging, geen omgevingsvergunning, splitsing perceel, vergunningvrij bouwen, herhaling aangevoerde in beroep, gemotiveerde bespreking rechtbank, onjuist of onvolledig, Bor, geen definitie “perceel”, feitelijke actuele situatie, ander kadastraal perceel, twee kadastrale percelen/één perceel in de zin van het Bor (Rb Zeeland-West-Brabant 22/1962)
* ABRvS 21 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2226: Awb, Wro; bpl, uitwerking mogelijkheid, woningbouwlocatie in de nabijheid, beperking bedrijfsvoering, mestopslag, rechtmatig aanwezig, reparatieplan, artikel 6:19 Awb, goede procesorde, wens realiseren woningbouw, actueel/na vernietiging bpl, ruimte voor mestopslag, transportbewegingen, geen logische aanrijroute, beletsel aan- en afrijden niet onder ogen gezien
* ABRvS 21 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2290: Awb, Ontgrondingenwet; intrekking ontgrondingenvergunning, graafwerkzaamheden, aanleg van watergangen, riolering en gemalen, ontwikkeling nieuwe wijk, ontvankelijkheid beroep, PostNL, eerste werkdag na afloop van de beroepstermijn, poststempel niet leesbaar, procesbelang, reëel en actueel belang, proceskostenveroordeling, geen belang bij inhoudelijke beoordeling, geen tegemoetkomen aan beroep, geen veroordeling proceskosten, geen vergoeding proceskosten, beroepen niet-ontvankelijk
* ABRvS 21 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2295: Awb, Gmw, DHW; Drank- en Horecawetvergunning, exploitatievergunning, permanente ontheffing sluitingstijden, APV, geldende bpl, gebruiksovergangsrecht, zware horeca, langer dan een jaar onderbroeken, juiste data, intentie gebruiker, duur onderbreking of gedeelte daarvan niet tegenwerpen, concrete objectieve gegevens, bijzondere omstandigheden, bevoegde gezag, lange tijd/niet beslist op aanvraag, intrekking benodigde vergunningen/ten onrechte, hypothetische situaties (Rb Den Haag 22/669)
* ABRvS 21 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2340: Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouwen, teeltondersteunende voorzieningen, fruitteelt, frambozenteelt, bestektekening, verbeelding, bestemming(en), aanduiding(en), regels, rechtszekerheid, letterlijk uitleggen, systematiek, bedoeling planwetgever, vergunde tov, geen permanente tov, “teeltondersteunende voorzieningen, overig” (Rb Zeeland-West-Brabant 22/1216)
* ABRvS 21 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2330: Awb, Gmw; intrekking terrassenvergunning, uitbreiding, terras, strijd gemeentelijk beleid, fout, op heel korte termijn hersteld, artikel 4:84 Awb, totstandkoming terrassenplan, ruimtelijke afwegingen, geïndividualiseerd, straat- en adresniveau, belangenafweging, verzoek om schadevergoeding, overschrijding redelijke termijn (Rb Amsterdam 22/1946)
* ABRvS 21 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2298: Awb, Wro; bpl met verbrede reikwijdte, Chw, gewijzigd vastgesteld, artikel 6:19 Awb, beroep van rechtswege, voorgestelde wijzigingen, toereikend, Afdeling verzocht zelf in de zaak te voorzien, rechthebbende/onderschreven in een overeenkomst, andere derdebelanghebbenden, finaal beslecht, oorspronkelijke besluit/geen procesbelang
* ABRvS 21 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2314: Awb, Wro; tegemoetkoming in planschade, provinciaal inpassingsplan, windpark, windturbines, hotel, restaurant en café, waardevermindering, inkomensderving, planschadeverhaalovereenkomst, planvergelijking, geluid, geluidsbronnen genoemd, geen reële prognose gemaakt, metingen, berekeningen, voorzienbaarheid, ten tijde investeringsbeslissing, redelijk denkend en handelend koper, niet aannemelijk gemaakt/openbaar is gemaakt, screenshot, persberichten, provinciaal blad, inhoud ingediende zienswijzen, normaal maatschappelijk risico, bestuursorgaan, beoordelingsruimte, lijn der verwachtingen, omstandigheden van het geval, reeks van jaren gevoegd beleid, ruimtelijke structuur omgeving, normale maatschappelijke ontwikkeling, één van de indicatoren, algemene maatschappelijke ontwikkelingen en nadelen, waarmee burgers en instanties rekening kunnen en moeten houden, nieuwe besluiten op bezwaar (Rb Den Haag 22/2735 en 22/2738)
* ABRvS 21 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2318: Awb, Wro; afwijzing aanvraag tegemoetkoming in planschade, provinciaal inpassingsplan, windpark, windturbines, geluid, uitzicht, woning, waardevermindering, planschadeverhaalovereenkomst, voorzienbaarheid, ten tijde investeringsbeslissing, redelijk denkend en handelend koper, niet aannemelijk gemaakt/openbaar is gemaakt, screenshot, persberichten, provinciaal blad, inhoud ingediende zienswijzen, nieuwe beslissing op bezwaar, normaal maatschappelijk risico (Rb Den Haag 21/1689)
* ABRvS 21 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2319: Awb, Wro; afwijzing aanvraag tegemoetkoming in planschade, provinciaal inpassingsplan, windpark, windturbines, geluid, slagschaduw, lichtschittering, uitzicht, situeringswaarde, woning, waardevermindering, planschadeverhaalovereenkomst, voorzienbaarheid, ten tijde investeringsbeslissing, redelijk denkend en handelend koper, niet aannemelijk gemaakt/openbaar is gemaakt, screenshot, persberichten, provinciaal blad, inhoud ingediende zienswijzen, nieuwe beslissing op bezwaar, normaal maatschappelijk risico (Rb Den Haag 21/7054)
* ABRvS 21 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2312: Awb, Wro; tegemoetkoming in planschade, provinciaal inpassingsplan, windpark, windturbines, geluid, slagschaduw, lichtschittering, uitzicht, situeringswaarde, woning, waardevermindering, planschadeverhaalovereenkomst, voorzienbaarheid, ten tijde investeringsbeslissing, redelijk denkend en handelend koper, niet aannemelijk gemaakt/openbaar is gemaakt, screenshot, persberichten, provinciaal blad, inhoud ingediende zienswijzen, nieuwe beslissing op bezwaar, planvergelijking, geluid, normaal maatschappelijk risico (Rb Den Haag 21/3443)
* ABRvS 21 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2311: Awb, Wro; tegemoetkoming in planschade, provinciaal inpassingsplan, windpark, windturbines, planvergelijking, geluid, gecumuleerde geluidbelasting, uitzicht, situering, woning, waardevermindering, planschadeverhaalovereenkomst, planvergelijking, geluid, geluidsbronnen genoemd, geen reële prognose gemaakt, metingen, berekeningen, nieuwe beslissing op bezwaar, normaal maatschappelijk risico, niet tegen opgekomen/oorspronkelijke besluit, buiten beschouwing (Rb Den Haag 21/4672)
* ABRvS 21 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2317: Awb, Wro; tegemoetkoming in planschade, provinciaal inpassingsplan, windpark, windturbines, planvergelijking, geluid, gecumuleerde geluidbelasting, gezondheidsrisico’s, uitzicht, situeringswaarde, slagschaduw, obstakelverlichting, woning, waardevermindering, planschadeverhaalovereenkomst, planvergelijking, geluid, geluidsbronnen genoemd, geen reële prognose gemaakt, metingen, berekeningen, nieuwe beslissing op bezwaar, normaal maatschappelijk risico, niet tegen opgekomen/oorspronkelijke besluit, buiten beschouwing (Rb Den Haag 20/6108)
* ABRvS 21 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2320: Awb, Wro; tegemoetkoming in planschade, provinciaal inpassingsplan, windpark, windturbines, geluid, uitzicht, situeringswaarde, woning, waardevermindering, planschadeverhaalovereenkomst, planvergelijking, geluid, geluidsbronnen genoemd, geen reële prognose gemaakt, metingen, berekeningen, nieuwe beslissing op bezwaar, normaal maatschappelijk risico, niet tegen opgekomen/oorspronkelijke besluit, buiten beschouwing (Rb Den Haag 21/3616)
* ABRvS 21 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2136: Awb, Wro; tegemoetkoming in planschade, provinciaal inpassingsplan, windpark, windturbines, geluid, slaapverstoring, woning, waardevermindering, planschadeverhaalovereenkomst, onafhankelijkheid taxateur, planvergelijking, gezondheidseffecten, objectief te verwachten gevolgen, subjectieve elementen, TNO-rapport, deskundigenberichten, wetenschappelijke inzichten, planvergelijking, geluid, geluidsbronnen genoemd, geen reële prognose gemaakt, metingen, berekeningen, taxatie, terughoudend toetsen, tegentaxaties, niet gebleken waarom taxatie onjuist zou zijn, normaal maatschappelijk risico, normale maatschappelijk ontwikkeling, lijn der verwachtingen, reeks van jaren gevoerd beleid, provinciaal en rijksbeleid, vergoeding proceskosten, nieuwe besluiten op bezwaar, planvergelijking, taxatie, wettelijke rente (Rb Den Haag 22/2737 en 22/3028)
* ABRvS 21 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2279: Awb, Gmw; intrekking nummeraanduiding, gemeentelijke verordening, samenvoegen panden, muurdoorbraken, Wet Bag, één verblijfsobject, procesbelang, vertegenwoordigingsbevoegdheid, herhaling aangevoerde in beroep, gemotiveerde bespreking rechtbank, onjuist of onvolledig, geen onrechtmatig besluit, geen schadevergoeding (Rb Den Haag 22/5198)
* ABRvS 21 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2227: Awb, Wro; bpl, woningbouw, veehandel, beperkingen bedrijfsvoering, mestopslag, woon- en leefklimaat, geur, noodzaak agrarische bedrijfsvoering, geuronderzoek, kengetallen, geurbelasting, cumulatieve geursituatie, houden van dierengeurzone, rechtmatig aanwezig, niet wegbestemd, Activiteitenbesluit milieubeheer, geurgevoelige objecten, maatwerkvoorschriften, rechtsonzekere situatie
* ABRvS 21 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2300: Awb; Integrale Plan van Eisen en Functioneel Ontwerp, omwonenden, bezwaar niet-ontvankelijk, besluit, publiekrechtelijke rechtshandeling, geen besluit, niet gericht op rechtsgevolg, feitelijke herinrichting, andere besluiten nodig, rechtsbeschermingsmogelijkheden, burgerlijke rechter, verantwoordelijkheid wetgever, hoorplicht in bezwaar (Rb Midden-Nederland 23/2428)
* ABRvS 21 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2288: Awb, Wro; afwijzing aanvraag tegemoetkoming in planschade, directe planschade, bpl/schadeoorzaak, glastuinbouwbedrijf, 5 ha/voorheen 2 ha, biedingen, geen voorbeelden interesse vestiging zelfstandig glastuinbouwbedrijf, taxatie, vergelijkingstransacties, sloop- en verbouwingskosten, uitspraak na judiciële lus Afdeling
* ABRvS 21 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2331: Awb, Wro; bpl, woningbouw, braakliggend terrein, participatie, water, verkeer, verkeersveiligheid, verkeersintensiteit, verkeersmodel, maximum snelheid, CROW-richtlijnen, parkeren, parkeerdruk, parkeeronderzoek, loopafstand, woongenot, woon- en leefklimaat, privacy, alternatieven
* ABRvS 21 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2326: Awb, Wabo; omgevingsvergunning veranderen woning, vergroten kelder, bouwtekeningen, nieuwbouweisen voor thermische isolatie, Bouwbesluit 2012, herhaling in aangevoerde in beroep, gemotiveerde bespreking rechtbank, onjuist of onvolledig, verzoek om schadevergoeding, redelijke termijn nog niet verstreken (Rb Den Haag 22/499)
* ABRvS 21 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2287: Awb, Wro; bpl, woningbouw, reparatieplan, verkeer, ontsluiting, verkeersveiligheid, toekomstige verkeerssituatie, niet alle relevante aspecten, haakse bocht, interne advisering, parkeervakken, hulpdiensten, definitieve civieltechnische ontwerp, eigendomsverhoudingen/uitvoerbaarheid, woon- en leefklimaat, alternatief, aansluiting, bouwverkeer, aanvullende beroepsgronden/gebreken, tussenuitspraak
* ABRvS 21 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2327: Awb, Hvw; afwijzing aanvraag woningvormingsvergunning, gemeentelijke huisvestingsvergunning, exceptieve toetsing, onderbouwing vergunningplicht, noodzakelijk en geschikt (Rb Den Haag 23/2019)
* ABRvS 21 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2304: Awb, Gmw; gemotoriseerde vaartuigen, geluidoverlast, APV, vaarverbod, verhuizing, geen belang/uitkomst procedure, alleen zijn procesbelang, hoger beroep/niet-ontvankelijk (Rb Noord-Holland 23/2821)
* ABRvS 21 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2332: Awb, Hvw; omzettingsvergunning, zelfstandige woning/onzelfstandige woonruimten, buurten wijk/Leefbaarometer, herhaling aangevoerd in beroep, gemotiveerde bespreking rechtbank, onjuist of onvolledig, juridisch en feitelijk handbaar, instrumenten, adequaat uitvoering geven (Rb Den Haag)
* ABRvS 21 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2285: Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouwen, wijzigen onherroepelijke omgevingsvergunning, nieuwbouwwoning, belanghebbende, eigenaar perceel, aanvrager wijziging omgevingsvergunning, niet kan worden verwezenlijkt/doet zich niet voor, herhaling aangevoerd in beroep, gemotiveerde bespreking rechtbank, toetsingskader artikel 2.10 Wabo, limitatief-imperatief stelsel, omgevingsrecht, grondentrechter, kennelijk onredelijk gebruik procesrecht (Rb Midden-Nederland 23/2883)
* ABRvS 21 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2323: Awb, Wm, Gmw; spoedeisende bestuursdwang, aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, strijd gemeentelijke afvalstoffenverordening, ferro en non-ferro materialen, bewijsvermoeden, adreslabel op de doos, overtreder, schriftelijke verklaring buurman, overgelegde foto, puincontainer, weggooien afval, openbare ruimte, feitelijk toegankelijk voor derden, niet verantwoordelijk kan worden gehouden, privaatrechtelijke kwestie, bewijsvermoeden ontkracht
* ABRvS 21 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2334: Awb, Wro; bpl, woningbouw, gemeentelijk beleid, groen, herplant bomen, woon- en leefklimaat, bezonningsonderzoek, TNO-norm, parkeren, bestaand parkeerprobleem, parkeerbehoefte, CROW-publicatie 381, dubbel parkeergebruik, bestaande woningen, bestaande parkeerplaatsen, spreiding woningbouwopgave, tussenuitspraak
* ABRvS 21 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2302: Awb, Wro; bpl, voormalige agrarische bedrijfslocatie, woningbouw, zienswijzennota, samengevat weergeven zienswijzen, verkeer, alternatieven, kencijfers CROW, verkeerintensiteiten, houtwal, provinciale verordening, soortenbescherming, quickscan, geen gegevens, begin van bewijs, te beschermen planten- en diersoorten, door hen zelf opgestelde lijst
* ABRvS 21 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2299: Awb, Wro; afwijzing aanvraag om tegemoetkoming in planschade, directe planschade, bpl/schadeoorzaak, mogelijkheid woningbouw, uit te werken woonbestemming, groenbestemming, waardevermindering perceel, passieve risicoaanvaarding, voorzienbaarheid, structuurvisie, concreet beleidsvoornemen, herhaling aangevoerde in beroep, gemotiveerde bespreking rechtbank, onjuist of onvolledig, andere schadeoorzaak, ander beleidsdocument, feiten en omstandigheden, geen vergelijkbare zaak (Rb Limburg 21/3109)
* ABRvS 21 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2284: Awb, Wm, Gmw; spoedeisende bestuursdwang, aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, strijd gemeentelijke afvalstoffenverordening, naam en adres op adreslabel, foto’s controlerapport, doos voor 95 procent in container, bewijsvermoeden, adreslabel, overtreder, inzamelvoorziening na gebruik, goed worden gesloten, afval mag niet uitsteken, vol, blokkeerde, verantwoordelijkheid appellant, juiste manier op een ander moment of bij een andere container, onvoldoende twijfel/ontkrachten bewijsvermoeden
* ABRvS 21 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2282: Awb, Wm, Gmw; spoedeisende bestuursdwang, aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, strijd gemeentelijke afvalstoffenverordening, naam en adres op adreslabel, foto’s controlerapport, grofvuilafspraak, mocht niet aanbieden als grof huishoudelijk afval, verkeerd aangeboden
* ABRvS 21 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2336: Awb, Hvw; splitsingsvergunning, gemeentelijke huisvestingsverordening, omgevingsvergunning, procesorde, geen belanghebbende, bezwaar niet-ontvankelijk (Rb Amsterdam 24/482)
* ABRvS 21 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2240: Awb, Wro; bpl, woningbouw, voorheen agrarische bestemming, akkerbouwbedrijf, negatieve gevolgen bedrijfsvoering, beroep ingesteld, griffierecht verschuldigd, ontvankelijkheid beroep, belanghebbende, feitelijke gevolgen van enige betekenis, luwte agrarisch perceel, verminderen landbouwopbrengst, wind, windstroom, gebruik gewasbeschermingsmiddelen, 50 m
* ABRvS 21 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2240: Awb, Wro; vovo, bpl, woningbouw, uitspraak in de bodemprocedure, geen sprake meer van een geding, afwijzing verzoek om voorlopige voorziening
* Rechtbank Oost-Brabant 21 mei 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:2909: Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning bouwen supermarkt en appartementen, nieuw bpl, uitspraak Afdeling, blinde gevel, peil, goothoogte, expeditieruimte, planwetgever, afwijzing verzoek om voorlopige voorziening
* Gerechtshof Den Haag 20 mei 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:937: BW; pluimveehouderij, vergunning, Natuurbeschermingswet 1998, Programma Aanpak Stikstof, verklaring voor recht, uitvaardigen PAS-regelgeving/onrechtmatig, schadevergoeding, uitspraak ABRvS, delen PAS onverbindend, ontwikkelruimte, speciale beschermingszone, Vogelrichtlijn, ontbreken vereiste verband, aankoop ammoniakrechten (Rb Den Haag C/09/632856 / HA ZA 22-640)
* ABRvS 20 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2257: Awb, Wabo; vovo, aanvraag omgevingsvergunning buiten behandeling gesteld, verzorgingsplaats, afwijzing verzoek om voorlopige voorziening, privaatrechtelijke geschilpunten, beleid uitgifte grond, civielrechtelijke aspecten, civiele rechter, indiener verzoek, in beginsel belanghebbende, eigendom, zakelijke rechten, verzoeker geen belanghebbende/geen aanvraag, rechthebbende geen toestemming, geen mogelijkheden uitvoeren tegen wens rechthebbende, Staat/eigenaar, verhuren, huurovereenkomst, enige serieuze gegadigde, oordeel civiele rechter in kort geding, publiekrechtelijke vergunning, rechtsmiddelen (Rb Den Haag 25/1925, 25/2465)
Rechtbank Zeeland-West-Brabant 20 mei 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:2931: Awb, Ow; verzoek om bekrachtiging onteigeningsbeschikking, planologische grondslag, omgevingsplan, tijdelijk deel, gedeeltelijk bekrachtigen, toetsingskader, ambtshalve basistoets, wettelijke vormvoorschriften, onteigeningsbelang, noodzaak, urgentie, intensieve toetsing, ontvankelijkheid verzoek, Awb, alle stukken ter inzage leggen, minnelijk overleg, alle logboeken, passeren gebrek, notaris, verlijden onteigeningsakte, griffierecht, kosten belanghebbende
Rechtbank Limburg 20 mei 2025, ECLI:NL:RBLIM:2025:4832: Awb, Ow; vovo en kortsluiten, handhaving, dwangsom, bouwwerken verwijderen en verwijderd houden, overtreding, gebouwd zonder benodigde vergunning, Besluit bouwwerken leefomgeving, bouwactiviteit, omgevingsplan, tijdelijk deel, verkeersbestemming, vergunningvrij bouwen, overgangsrecht, bouwovergangsrecht, geen vervangende titel, overtreder, in hun macht overtreding te beëindigen, vruchtgebruik, legaat, artikel 5.6 Omgevingswet, evenredigheid
* Rechtbank Midden-Nederland 20 mei 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:2318: Awb, Wabo; weigering omgevingsvergunning, huisvesten arbeidsmigranten, uitleg geldende bpl, wonen in woning, begrip “woning”, één huishouden, algemeen spraakgebruik, geen familieband, (geen) aanduiding, strijd bpl, bezwaar, volledige heroverweging, advies, geen vergunning meer, intrekken beleidsregel, voorbereidingsbesluit, toetsing ex-nunc, toetsing voorbereidingsbesluit, motiveringsgebrek, passeren gebrek, vergoeden griffierecht, parkeren, data en wijze berekening parkeerdruk, geen concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de objectiviteit van het onderzoeksbureau, parapluplan parkeren, gemeentelijke nota parkeernormen, parkeerdruk/maatgevende moment, representatief onderzoek, afwijkingsmogelijkheid, breng- en haalservice, belangenafweging
* Rechtbank Midden-Nederland 20 mei 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:2319: Awb, Wnb; vaststelling kaart Bebouwde kom Wet natuurbescherming, bevoegdheid rechtbank, ambtshalve beoordeling, appellabel besluit, concretiserend besluit van algemene strekking, Boswet, ontvankelijkheid, uov, ontwerpbesluit/zienswijzen, Varkens in nood, begrip “bebouwde kom”, wetsgeschiedenis, Omgevingswet, Besluit kwaliteit leefomgeving, Besluit activiteiten leefomgeving, bebouwingscontour houtkap, bestemmingsplan, uitbreiding stedelijk gebied, bestemmingen
* Rechtbank Rotterdam 19 mei 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:5992: Awb, Wvw 1994, Wm, Wgh; verkeersbesluit, tijdelijke inperking keumerktaxistandplaats, mogelijk maken terras op strook grond, terrasvlonder, (particulier) economisch belang/rechtvaardigt geen verkeersbesluit, handhavingsverzoek, geluid, Wet geluidhinder, ander geluidsgevoelig gebouw, Besluit geluidhinder, Activiteitenbesluit, hotel/geen geluidsgevoelig gebouw
* Rechtbank Rotterdam 19 mei 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:6083: Awb, Wabo; weigering omgevingsvergunning splitsen woning, twee appartementsrechten, parkeren, CROW, parkeernorm, beleidsregels, recente landelijke parkeercijfers, verkeersdeskundige, in- en uitrijden, parkeerdruk, gelijkheidsbeginsel, buitenruimten, Bouwbesluit 2012
* Rechtbank Rotterdam 19 mei 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:6077: Awb Wabo; bezwaar niet-ontvankelijk, handhavingsverzoek, schuren, gebruik perceel, belanghebbende, feitelijke gevolgen, gevolgen van enige betekenis, afstand, feitelijke gevolgen/verkeersbewegingen, zichtbaar, onderzoek/niet overgelegd, toezichthouder, landelijk open gelegen gebied, geluid, doorslaggevende factor, doodlopende weg, bestemmingsverkeer, nieuw besluit nemen
* Rechtbank Rotterdam 19 mei 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:6072: Awb, Wabo; afwijzing aanvraag omgevingsvergunning, vrijstaande overkapping/zonweringsconstructie, terras, horecagelegenheid, procesbelang, welstandsadvies, strijd bpl, ongebouwde terrassen, planwetgever, bouwwerken, goede ruimtelijke ordening, cultuurhistorische plek, beschermd stadsgezicht, historische kade, gemeentelijk horecabeleid, advies welstandscommissie, gelijkheidsbeginsel
Rechtbank Gelderland 16 mei 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:3843: Awb, Ow; vovo, omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit, één specifieke wolf doden, aanleveren nader rapport, identificatie specifiek wolf, rol betreffende wol in de roedel, Omgevingswet, Besluit activiteiten leefomgeving, Besluit kwaliteit leefomgeving, belang van de openbare veiligheid, vergunningvoorschrift, afschot, voldoende individueel te identificeren, uitvoerbaarheid, bijtincident, uiterlijke kenmerken en gedragen, overige roedelleden, genetische verwantschapsanalyse, noodzaak, afwijkend gedrag, kraamlocatie, andere (minder verstrekkende) oplossingen, gedeeltelijk sluiten park, aversieve conditionering, monitoren, verjagen, gunstige staat van instandhouding
* Rechtbank Zeeland-West-Brabant 16 mei 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:2966: Awb, Wm; afwijzing handhavingsverzoek, windturbines, goede procesorde, bevoegdheid tot handhaving, Tijdelijke overbruggingsregeling windparken, geluidnorm, gezoneerd industrieterrein, Unirecht, geen vergunningvoorschriften op planregels, externe veiligheid, externe veiligheidsnormen, geen overtreding
* Rechtbank Midden-Nederland 16 mei 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:2325, Rechtbank Midden-Nederland 16 mei 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:2327 en Rechtbank Midden-Nederland 16 mei 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:2330: Wro; tegemoetkoming in planschade, indirecte planschade, rijksinpassingsplan, windturbines, zorgvuldigheid proces, planvergelijking, planologisch nadeel, geluid, gestelde toename geluidsbelasting, reële prognose, maximale turbine per peildatum, RIVM-rapport, laagfrequent geluid, obstakelverlichting, normaal maatschappelijk risico, rijksbeleid en decentraal beleid, ruimtelijke structuur, waardebepaling perceel, taxatie, TNO-rapport, algemeenheden en onzekerheden, referentieobjecten, overschrijding redelijke termijn
* Rechtbank Midden-Nederland 16 mei 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:2324 en Rechtbank Midden-Nederland 16 mei 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:2331: Wro; tegemoetkoming in planschade, indirecte planschade, rijksinpassingsplan, windturbines, zorgvuldigheid proces, planvergelijking, planologisch nadeel, geluid, gestelde toename geluidsbelasting, reële prognose, maximale turbine per peildatum, RIVM-rapport, RIVM Atlas van de Leefomgeving, normaal maatschappelijk risico, ruimtelijke structuur, rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid, deels passend binnen reeks van jaren gevoerd beleid, waardebepaling perceel, taxatie, TNO-rapport, algemeenheden en onzekerheden, meest nadelige invulling, referentieobjecten
Rechtbank Overijssel 16 mei 2025, ECLI:NL:RBOVE:2025:3094: Awb, Ow; omgevingsvergunning, provinciale omgevingsverordening, vernieuwen weg en verlagen berm, procesbelang, reëel en actueel belang, doel dat eisers voor ogen staat, feitelijke betekenis, voorkomen uitvoeren werkzaamheden, werkzaamheden zijn uitgevoerd
* Rechtbank Overijssel 16 mei 2025, ECLI:NL:RBOVE:2025:3089: Awb, Wnb; Wijzigingsbesluit Habitatrichtlijngebieden, aanwezige waarden, speciale beschermingszones, Habitatrichtlijn, habitattypen en/of soorten integraal toegevoegd, in voldoende mate en duurzaam aanwezig, instandhoudingsdoelstellingen, habitattypenkaarten, mogelijkheid opvragen (achtergrond)documenten, mondeling of schriftelijk indienen zienswijze, leemten of gebreken, rapport Vlinderstichting, in meer dan verwaarloosbare mate, minimumoppervlakte, economisch, sociaal of cultureel gebied, (bedrijfs)belangen eiser, ambitieniveaus, standaardgegevensformulieren, databank Europese Commissie
* Rechtbank Midden-Nederland 16 mei 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:2332: Wro; tegemoetkoming in planschade, indirecte planschade, rijksinpassingsplan, windturbines, planvergelijking, planologisch nadeel, geluid, gestelde toename geluidsbelasting, reële prognose, maximale turbine per peildatum, RIVM-rapport, laagfrequent geluid, mate van hinderbeleving, normaal maatschappelijk risico, ruimtelijke structuur, open polderlandschap, geen windturbines in de directe omgeving, deels en niet geheel passend, deels passend in reeks van jaren gevoerd beleid, percentage van 3, waardebepaling perceel, taxatie, TNO-rapport, locatiespecifieke kenmerken, bestemmingsplannen, gemiddelden transacties, grote onzekerheidsmarge, referentieobjecten
* Rechtbank Midden-Nederland 16 mei 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:2323: Awb, Wro; tegemoetkoming in planschade, indirecte planschade, rijksinpassingsplan, windturbines, planvergelijking, planologisch nadeel, schadefactoren, geluidhinder, gestelde toename geluidsbelasting, reële prognose, maximale turbine per peildatum, normaal maatschappelijk risico, ruimtelijke structuur omgeving, deels passend, percentage van 3, waardebepaling perceel, vergelijkingsmethode, TNO-rapport/andere uitgangspunten, locatiespecifieke kenmerken, bestemmingsplannen, gemiddelden, transacties, onzekerheidsmarges, proceskostenvergoeding in bezwaar
* Rechtbank Midden-Nederland 16 mei 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:2269: Awb, Wro; tegemoetkoming in planschade, indirecte planschade, rijksinpassingsplan, windturbines, exploitant windpark, exploitatieovereenkomst, planvergelijking, planologisch nadeel, schadefactoren, geluidhinder, gestelde toename geluidsbelasting, reële prognose, maximale turbine per peildatum, slagschaduw, slagschaduwonderzoek, regels inpassingsplan, Activiteitenregeling milieubeheer, dynamische verwijzing, stilstandvoorziening, planologische verslechtering iets te groot ingeschat, normaal maatschappelijk risico, past deels binnen reeks van jaren gevoerd beleid, ruimtelijke structuur, polderlandschap, percentage van 3, zakenrechtelijke rechtsbescherming, voorzienbaarheid, geen actieve risicoaanvaarding, belastingstechnische redenen/tussentijds op naam gezet
* Centrale Raad van Beroep 15 mei 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:700: Awb; uitspraak grote kamer, toetsing aan algemene rechtsbeginselen en (ander) ongeschreven recht, evenredigheidsbeginsel, exceptieve toetsing, beleid/uiteenlopende vormen, binnenwettelijk beleid, buitenwettelijk beleid, tegenwettelijk beleid, wijze van toetsing, toetsingsintensiteit
* Rechtbank Gelderland 15 mei 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:3733: Awb, Wabo; afwijzing handhavingsverzoek, mantelzorgwoning, artikel 2 onderdeel 22 bijlage II bij het Bor, bouwen en gebruiken, vergaren kennis over de relevante feiten, opvragen nieuwe mantelzorgverklaring, beoordelingsruimte, ruimtelijke en milieufactoren, verhardingen, bpl, volledige heroverweging in bezwaar, feiten en omstandigheden, op dat moment geldende recht en beleid, primaire besluit/overtreding, beslissing op bezwaar/vergunningaanvraag ingediend, concreet zicht op legalisatie
* Rechtbank Gelderland 15 mei 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:3692: Awb, Wabo; afwijzing handhavingsverzoek, fokken honden, bedrijfsmatig karakter, bestemmingsplanregels, woonbestemming, relevante feiten en omstandigheden vergaren, controlerapport, aankondiging bezoek toezichthouder, onaangekondigd bezoek, overlast geblaf, ruimtelijke uitstraling, aard en intensiteit, hoeveelheid honden, (geluids)overlast, relatief groot economisch belang, niet kenbaar meegenomen in afweging, rechtsgevolgen niet in stand laten, niet zelf in de zaak voorzien, geen bestuurlijke lus, geen eenvoudig herstel, te verwachten is dat nader onderzoek nodig is
* Rechtbank Midden-Nederland 15 mei 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:2290: Awb, Wabo; omgevingsvergunning woningbouw, aanleggen van twee uitritten en een weg, ontvankelijkheid, vereniging met beperkte rechtsbevoegdheid, belanghebbende, gevolgen van enige betekenis, meettool van Regels op de kaart, verandering verkeers- en parkeersituatie, feitelijke gevolgen, binnenplanse afwijkingsbevoegdheid, overschrijding bouwvlakken, prefabwoningen, Bouwbesluit 2012, woon- en leefklimaat, parkeren, parkeernormen, CROW, parkeeradvies, verkeersveiligheid, plantanen, Boom Effect analyse, saneren/Wet bodembescherming, relativiteitsvereiste, veiligheidsplan, veiligheid en hinder tijdens bouwwerkzaamheden, participatie, vertrouwensbeginsel
* Rechtbank Noord-Nederland 14 mei 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:1889: Awb, TwG, BW; afwijzing verzoek om terug te komen op een besluit, mijnbouwschade, fysieke schade, herzieningsverzoek/nav schadevergoeding buren, geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden, artikel 4:6 Awb, rapport buren, specifieke woningkenmerken betreffende woning, bewijsvermoeden, beoordeling van causaliteit, overduidelijke onevenredigheid, besluit niet evident onevenredig, beoordeling buren mogelijkerwijs te ruimhartig, niet gehouden tot het herhalen van fouten
* Rechtbank Limburg 14 mei 2025, ECLI:NL:RBLIM:2025:4552: BW; verbouwing, keuken verplaatst naar (nieuwe) aanbouw, afzuiging, overlast, kooklucht uit de afvoer, hinder, onrechtmatige hinder, duur van de hinder, toegebrachte geschade, verdere omstandigheden van het geval, gewicht belangen hinder toebrengende activiteit, maatregelen ter voorkoming van schade, alledaagse kookgeur, geen sterk ruikende ingrediënten, duur, één keer per dag koken, aantal minuten, filter, ingrijpende werkzaamheden, hoge kosten, recirculatie systeem, ramen dichtdoen, achterin de tuin zitten
* Rechtbank Den Haag 14 mei 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:8548: BW; woning, gedeeltelijk ontbinden koopovereenkomst, vermindering betaalde koopprijs, wijzigen koopovereenkomst, negatieve gevolgen, verklaring voor recht, aansprakelijkheid, toerekenbare tekortkoming, onrechtmatige daad, schadevergoeding, mededelingsplicht, bouwwerken waarvoor geen omgevingsvergunning was verleend, gemeente/last onder dwangsom, bouwwerken vergunningplichtig, rechtsgebrek, artikel 7:15 BW, publiekrechtelijke bijzondere lasten, publiekrechtelijke belemmering, Portsight-arrest, non-conformiteit, eigenschappen/normaal gebruik, geldende voorschriften, geen consumentenkoop, voorgedrukte (standaard)bepalingen, uitleg, gangbaar spraakgebruik, bedoeling opstellers standaardakte niet van belang, normaal gebruik/in overeenstemming met de benodigde omgevingsvergunning, niet geconfronteerd met handhaving, handhavingsplicht, lopende legalisatieproces, eigen schuld, causaal verband, condicio sine qua non-verband, toerekenen schade aan bedoelde gedraging, normatief verband, saneringswerkzaamheden, juridische kosten, schadestaatprocedure, partiële ontbinding, schatten vermindering wederzijdse prestaties, regels van stelplicht en bewijslast, vrijwaringsprocedure, zwembad, aangelegd met vergunning Hoogheemraadschap
* Rechtbank Amsterdam 14 mei 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:3041: BW; vordering/vernietigen koopovereenkomst woning wegens dwaling, opheffen geleden nadeel, financiële compensatie, gezag van gewijsde, non conform/niet vergund zijn dakterras, buitenruimte, grote investering, onzekerheden, handhavend optreden, nadeel, discretionaire bevoegdheid rechtbank, ruimte beoordelingsruimte, vergelijking situatie waarin is gedwaald met hypothetische situatie waarin niet is gedwaald, zo nodig schattenderwijs vaststellen, juiste voorstelling van zaken/lager bod, rapporten bestuursrecht advocaten, mogelijkheid legaliseren deel dakterras, onzekere factor, benoemen deskundige, tussenvonnis
* Rechtbank Gelderland 14 mei 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:3618: Awb, Wabo; omgevingsvergunning afwijken bpl, veranda, totale oppervlakte aan bebouwing op het perceel, binnenplanse afwijkingsbevoegdheid, kruimelgevallenregeling, omgevingsvergunning activiteit bouwen, geen onlosmakelijke samenhang, vergunningvrij bouwen, artikel 3 bijlage II bij het Bor, aantasting straat- en bebouwingsbeeld, impact bouwwerk beperkt, zicht vanaf openbare weg, begroeiing en andere bouwwerken, verminderde gebruiksmogelijkheden, schaduwwerking, privaatrechtelijke verplichtingen, netbeheerder, niet zonder nader onderzoek, leveringsakte, evidente privaatrechtelijke belemmering, beleid, proceskostenvergoeding
* Rechtbank Overijssel 14 mei 2025, ECLI:NL:RBOVE:2025:3008: Awb, Verdrag biologische wapens; bezwaar niet-ontvankelijk, handhavingsverzoek, biologische agentia, dierhouderijen, Uitvoeringswet verdrag biologische wapens, Q-koorts, MRSA bacterie, inhoud bezwaarschrift, aansporing maken bepaalde politieke keuzes, onvoldoende concreet, geen aanvraag, bestuurlijke dwangsom
* Rechtbank Overijssel 14 mei 2025, ECLI:NL:RBOVE:2025:2978: Awb; bezwaar niet inhoudelijk behandelen, niet-ontvankelijk, geen belang, handhavingsverzoek, mestopslag, belanghebbende, direct en persoonlijk geraakt door de gevolgen van het besluit, dagelijks leven, grote afstand, geen stankoverlast of hinder, gelijkheidsbeginsel
* Rechtbank Overijssel 14 mei 2025, ECLI:NL:RBOVE:2025:3083: BW; verklaring voor recht, tekortschieten nakoming verplichtingen bouwclaim, schadevergoeding, substantiëringsplicht, artikel 21 Rv, uitleg overeenkomst, letterlijke bewoordingen, bedoeling partijen, van elkaar mochten verwachten, toezegging gemeente, bpl, overige bestuursrechtelijke regelgeving, finale kwijting, voldaan aan verplichting, vertrouwensbeginsel, zorgvuldigheidsbeginsel, gelijkheidsbeginsel
* Rechtbank Oost-Brabant 14 mei 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:2763: Awb, Wnb; afwijzing verzoek gedeeltelijk intrekken natuurvergunning, verleend met PAS, uitbreiding veehouderij, herstelbesluit, wijziging lijn rechtspraak intern salderen, instandhoudingsmaatregelen, passende maatregelen, blijvende daling stikstofdepositie, advies Ecologische Autoriteit, AERIUS Monitor, KDW, natuurdoelanalyse, maatregelpakketten, Greenpeace-vonnis, LBV, LBV-plus en de MGA-1, hoogst belaste hexagoon, artikel 1 EP EVRM, Handvest, einduitspraak na tussenuitspraak
* Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 13 mei 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:2966: BW; kort geding, spoedeisend belang, toewijzen standplaats binnen de gemeente, permanente bewoning/strijd bpl, afstammingsbeginsel, Huisvestingswet, bestendige gedragslijn, mensenrechten, EVRM, gedogen permanente bewoning, beginselplicht tot handhaving, overtreding bpl, gedoogbeslissing/niet op rechtsgevolg gericht, afwijken bpl/omgevingsvergunning, bestuursrechtelijk traject, voldoende waarborgen omklede rechtsgang, bestuursrechter, ‘impliciete’ omgevingsvergunning, concrete uitlatingen of gedragingen van(uit) de gemeente, vertrouwen, (tijdelijke) stalling, bestuursrechtelijke aanvraag (Rb Gelderland 428658)
Rechtbank Overijssel 13 mei 2025, ECLI:NL:RBOVE:2025:2962: Awb, Ow; vovo, handhaving, dwangsom, gebruik pand als woonruimte en voor hobbymatige activiteiten, tijdelijk deel omgevingsplan, mogelijkheid verlenen omgevingsvergunning onderzocht, in beginsel bevoegd handhavend op te treden, beginselplicht handhavend optreden, evenredigheid, Harderwijk-uitspraak, concreet zicht op legalisatie, geen sprake omgevingsvergunning of aanvraag daartoe, geluidgezoneerd industrieterrein, vaststelling omgevingsplan, grote lawaaimakers, milieutechnisch onmogelijk, onwenselijke belemmering bedrijven, gelijkheidsbeginsel, vertrouwensbeginsel, persoonlijke situatie, begunstigingstermijn
* Rechtbank Overijssel 13 mei 2025, ECLI:NL:RBOVE:2025:2974: Awb, Wnb; Wijzigingsbesluit Habitatrichtlijngebieden, toepasselijke recht, overgangsrecht Aanvullingswet natuur Omgevingswet, Natura 2000-gebieden, belanghebbende, instandhoudingsdoelstellingen stikstofgevoelige natuurwaarden, stikstof-veroorzakende bedrijfsmatige activiteiten, minder dan 25 km, standaardgegevensformulier (SGF), uitvoeringsbesluit Europese Commissie, databank, voorbereiding wijzigingsbesluit, habitattypekaarten, motivering zelfstand leesbaar en begrijpelijk, bestrijdbaar voor eiseres, mogelijkheid opvragen achtergrondinformatie, aanwijzingsbesluiten, ecologisch onderzoek, eigen waarneming, minimumoppervlakte, habitattype H7150, belangenafweging
* Rechtbank Gelderland 13 mei 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:3614: Awb, Wabo, Gmw; handhaving, dwangsom, bewoning bovenverdieping pand, strijd bpl, uitleg bpl, bedrijfswoning, noodzakelijkheidscriterium, bedrijfsprocessen ter plaatse, redelijk belang ter plaatse te wonen, gebruiksovergangsrecht, beginselplicht tot handhaving, vertrouwensbeginsel, geen sprake van een toezegging, evenredigheid, hoogte dwangsom, begunstigingstermijn
* Rechtbank Noord-Nederland 12 mei 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:1879: Awb, Wabo; weigering omgevingsvergunning, geen verklaring van geen bedenkingen, strijd goede ruimtelijke ordening, aanvraag/toetsing aan welk bpl, reparatieplan, geen bestemming toegekend, vernietiging plandeel, dubbelbestemmingen, archeologische dubbelbestemming, uitspraak ABRvS, getoetst aan verkeerd bpl, aard gebrek, rechtsgevolgen besluit niet in stand laten, niet zelf in de zaak voorzien
Rechtbank Gelderland 9 mei 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:3574: Awb, Ow; vovo, omgevingsvergunning bopa, verrichten van graafwerkzaamheden voor aanleg van nutsvoorzieningen, plaatsen woonunit, twee opslagcontainers en gebouwtje met meterkast, spoedeisend belang, woonunit geplaatst, overlast, eventuele ingebruikname/niet met terugwerkende kracht ongedaan te maken, onverwijlde spoed, evenwichtige toedeling van functies aan locaties, alternatieven, geen (gelijkwaardig) alternatief, quick scan flora en fauna, vervallen onlosmakelijke samenhang, ETFAL/uitvoerbaarheidstoets, kwalitatieve beoordeling, geen beschermde flora- en faunawaarden, privacy en uitzicht, participatie, aangewezen gevallen/verplicht aanvraagvereiste, enige betekenis, aard van het project en de impact op de omgeving, brief met strekking project
* Rechtbank Rotterdam 9 mei 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:5948: Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouwen, planologisch strijdig gebruik en het veranderen en in werking hebben van een inrichting, uitbreiding melkveehouderij, onlosmakelijk samenhangende activiteiten, duidelijk te onderscheiden, adviezen, juistheid en objectiviteit onderzoeken, milieueffectrapport, m.e.r.-beoordelingsbesluit, Nevele-arrest, drempelwaarden, criteria bijlage III bij de Richtlijn, aanhaakplicht, Wnb-vergunning aangevraagd, emissiearme stalsystemen, beste beschikbare technieken, Rav, good housekeeping-maatregelen, belang bescherming van het milieu, fijnstof, WHO-advieswaarden, gezondheidseffecten, voorzorg, algemeen wetenschappelijk aanvaarde inzichten, wettelijke luchtkwaliteitsgrenswaarden, geluid, Handreiking industrielawaai en vergunningverlening, gebiedstype landelijke omgeving, akoestisch onderzoek
* Rechtbank Noord-Nederland 9 mei 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:1867: Awb, Wabo; vovo, afhaalrestaurant met bovenwoning, reikwijdte omgevingsvergunning, sloopactiviteit, uitleg bpl, tijdelijk deel omgevingsplan, omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit, bouwregels, behoud van de karakteristieke verschijningsvorm, definitie “bestaand”, toewijzing verzoek om voorlopige voorziening
* Rechtbank Noord-Nederland 9 mei 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:1908: Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouwen, afwijken bpl en milieu, vergistingsinstallatie voor biogas, goede procesorde, onafhankelijkheid commissie, inspraak, Unierecht, Verdrag van Aarhus, chemische omzetting op industriële schaal, geïntegreerde chemische installatie, RIE, rechtstreekse werking Habitatrichtlijn, aanhaakverplichting, geen separate aanvraag Wnb-vergunning, één project, toepassen of uitrijden van digestaat, fakkel bij overdruk, overdrukbeveiliging, AERIUS-berekening, filteren en ontzwavelen, intern salderen, intern salderen, Rendac-uitspraak, referentiesituatie, voortoets, aanlegfase
* Rechtbank Limburg 8 mei 2025, ECLI:NL:RBLIM:2025:4798: Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning bouwen en afwijken bpl, woningbouw, spoedeisend belang, gewasbeschermingsmiddelen, geen wettelijke bepalingen, afstand 50 m, locatie-specifiek onderzoek, mogelijke beperkingen bedrijfsvoering, treffen voorlopige voorziening, schorsing besluit
* Rechtbank Limburg 8 mei 2025, ECLI:NL:RBLIM:2025:4414; Awb, Wabo; omgevingsvergunning afwijken bpl, bedrijfswoning/burgerwoning, vergunningvoorschrift, bezwaar niet-ontvankelijk, niet langer eigenaar, geen beroepsgronden tegen n-o, geen vernietiging bestreden besluit, schade/pas ter zitting aangevoerd, goede procesorde, gedeeltelijk slopen loods, ruimtelijke motivering, ondertekende planschadeovereenkomst, op de hoogte van vergunningvoorwaarde, kapitaalsvernietiging/geen ruimtelijk relevant argument, alternatieven, gelijkwaardig resultaat met aanmerkelijk minder bezwaren, motiveringsbeginsel, transparantiebeginsel
* Rechtbank Midden-Nederland 8 mei 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:2166: Awb, Wabo, Gmw; handhaving, last onder dwangsom, vereniging, belanghebbende, doelstelling, dierenverblijven of andere bouwwerken geen gebouw zijnde, erfafscheidingen, houden van vee, ‘ondergeschikt extensief agrarisch medegebruik’, geen definitie, plantoelichting, Van Dale, overtreding planvoorschriften, geen concreet zicht op legalisatie, gelijkheidsbeginsel
* Rechtbank Noord-Nederland 8 mei 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:1850: Awb, TwG, BW; afwijzing aanvraag vergoeding van immateriële schade, mijnbouwschade, Persoonlijke Impact Analyse (PIA), persoonsaantasting, civiele procedure, Hoge Raad, IMG, forfaitaire bedragen, puntensysteem, versterkingsoperatie, bouwstenen, gevoelens en persoonlijke omstandigheden, redelijk en aanvaardbaar, maatwerk, bijzonder ernstige persoonlijke omstandigheden, evident niet verdisconteerd, geestelijk letsel, psychisch of psychiatrisch rapport
* Rechtbank Noord-Nederland 7 mei 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:1912: Awb, Wro; afwijzing aanvraag tegemoetkoming in planschade, directe planschade, weigering aanvraag omgevingsvergunning, toepasselijke recht, Invoeringswet Omgevingswet, passieve risicoaanvaarding, voorzienbaarheid, concrete poging, zodanig uitgewerkt, beoordelen op passendheid, bestaande mogelijkheden bpl, verschil van inzicht bestemmingsplanbepalingen, stilzetten eigenaar centraal, veelvuldig overleg
* Rechtbank Limburg 6 mei 2025, ECLI:NL:RBLIM:2025:4234: Awb, Gmw; evenementenvergunning, houden festival, APV, procesbelang, toekomstige editie, ondertekening bestreden besluit, passeren gebrek, weigeringsgrond ‘openbare veiligheid’, hoogwaterstanden, hoogwaterwaarschuwing, veilige wijze evacueren, rampenplan, extra veiligheidsrisico, verhoogde risico op materiele schade/als gevolg van overstroming, ontruimingssituatie, belangenafweging
Rechtbank Rotterdam 2 mei 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:5822: Awb, Ow; vovo, omgevingsvergunning voorbelasten gronden ten behoeve van tijdelijke huisvesting, goede procesorde, geen belanghebbende, geen spoedeisend belang, voldoende objectief en actueel, eigen, persoonlijk belang, feitelijke gevolgen, gevolgen van enige betekenis, afstand, met PFOA verontreinigde grond, gemeten concentraties, humane risicogrenzen, grondonderzoek, waterlegger, diepe grondwater, waterdoorlatendheid klei- en veengrond
* Rechtbank Den Haag 2 mei 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:7440: Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouwen en afwijken bpl, realiseren sociale (huur)appartementen, afstand, hinder, schaduwwerking, privacyaantasting, parkeren, beleidsregel, parkeernorm, OV-halte, deelauto’s, fietsverbindingen, provinciale verordening, bijzonder gemeentelijk belang, richtafstanden bedrijventerrein, m, ilieuzonering, VNG-brochure, relativiteitsvereiste
* Rechtbank Den Haag 2 mei 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:7378: Awb, Wabo, Gmw; omgevingsvergunning veranderen kantoor tot restaurant en voor een seizoensgebonden (gevel)terras, terrasvergunning, APV, mogelijkheden bpl, woon- en leefklimaat, parkeren, voldoende parkeergelegenheid, parkeerbehoefte, externe parkeergelegenheid, parkeergarage, loopafstand en looptijd, verblijfstijd verzoekers, parkeereis fietsers, gelijkheidsbeginsel, belangenafweging, overlast, aanzien buurt, procesbelang
* Rechtbank Noord-Nederland 2 mei 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:1902: Awb, Wabo, Gmw; vovo, handhaving, dwangsom, aarden wallen, vijver en zandheuvel, spoedeisend belang, bpl, aanlegvergunning nodig, op de bestemming gerichte beheer of gebruik van de grond, evenredigheid, Harderwijk-uitspraak, concreet zicht op legalisatie, geen bereidheid verlenen vergunning, andere bijzondere omstandigheden, vertrouwensbeginsel, hoogte dwangsom, begunstigingstermijn, foerageergebied, beschermde nesten, vaste verblijfplaats, broedseizoen, kamsalamander en de poelkikker, ecologische schade, artikel 5:34 Awb
* Rechtbank Den Haag 1 mei 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:8522: Awb, Wabo; omgevingsvergunning afwijken bpl, dakopbouw met dakkapel en zijraam, bezonning omliggende percelen/goede ruimtelijke ordening, geen wettelijke normen, afweging alle bij het besluit betrokken belangen, TNO-norm, straatbeeld, stedenbouwkundige gevolgen, welstand, welstandsadvies, stadsbouwmeester, welstandscriteria,
* Rechtbank Noord-Nederland 1 mei 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:1900: Awb, Wabo; intrekking voorschrift omgevingsvergunning milieu, AVI-bodemas, vloeistofkerende voorziening, bodembedreigend, geen verwaarloosbaar bodemrisico, belang bescherming van het milieu, bevoegdheid, IPPC-installatie, formele rechtskracht, Bor/GS bevoegd tot intrekking, (causaliteits)verweer, (civielrechtelijke) schadezaak, handhavingsprocedure, Activiteitenbesluit milieubeheer, Nederlandse Richtlijn Bodembescherming, stappenplan, Besluit activiteiten leefomgeving, stoffenlijst, stoffenschema, IBC-criteria, opgewerkte AVI-bodemas, 2.22, vijfde lid, van de Wabo, afwijken van de standaardwaarde, rechtstreeks werkende voorschriften
* Rechtbank Den Haag 1 mei 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:7425: Awb, Wnb; natuurvergunning, uitbreiding melkveehouderij, extern salderen, passende beoordeling, mitigerende maatregelen, AERIUS-berekeningen, volledige ecologische toets, relatie instandhoudingsdoelstellingen, stikstofgevoelige habitattypen, 25 kilometer-afkapgrens, randeffecten, wetenschappelijke onderbouwing, elke redelijke wetenschappelijke twijfel, additionaliteitsvereiste, zeer geringe afname, wegnemen van geringe deposities, milieutoestemming
* Rechtbank Den Haag 23 april 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:8388: BW; verklaring voor recht, aansprakelijk voor geleden schade, voorschot, onderzoekskosten, onrechtmatige daad, bestuurders, rechtstreeks aansprakelijk, Spaanse Villa-arrest, opdrachtgever, bedrijfsruimte, constructieberekeningen bouwplannen, onveilig bouwwerk, Bouwbesluit 2012, staalconstructie, deskundige onderaannemer, aannemingsovereenkomst, gevaarzetting, vordering verjaard
* Rechtbank Noord-Nederland 18 april 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:1911: Awb, Wabo; bezwaar niet-ontvankelijk, last onder dwangsom, bamboegewassen, van rechtswege verleende omgevingsvergunning, procesbelang, toepasselijke recht, overgangsrecht, Wabo van toepassing, niet tijdig bekendmaken beschikking van rechtswege/beroep bij de rechtbank, intrekking aanvraag, dwaling, (evidente) nieuwe aanvraag, Omgevingsloket online, formulier Bor, zelfstandig stuk
* Gerechtshof Den Haag 15 april 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:927: BW; terreinvervuiling-aansprakelijkheidspolis, opruimen verontreiniging, lekkende olietank, vergoeden kosten, afgesloten polis, bereddingskosten, petroleum, maatregelen ter voorkoming of vermindering van de schade, onmiddellijk dreigend gevaar, hoge(re) viscositeit, snel ingrijpen, milieuschade, beperken verdere schade, verwijderen grond, leegpompen olietank, saneringswerkzaamheden, kosten reinigen tank
* Rechtbank Den Haag 14 april 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:8520: Awb, Wabo; weigering omgevingsvergunning, plaatsen koekoek, procesbelang, strijd bpl, beheeraspecten openbare ruimte, gemeentegrond, algemene argumenten/concrete geval, vergelijkbare gevallen, overschrijding redelijke termijn, schadevergoeding
* Rechtbank Oost-Brabant 9 april 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:2760: BW; schadevergoeding, deskundigenbericht, onrechtmatig handelen gemeente, reacties concept deskundigenbericht, bespreking in definitief deskundigenbericht, beperkte motiveringsplicht, specifieke bezwaren, kapitalisatiefactor, vleesvarkensplaatsen, omzet en winst in het hypothetische geval van bedrijfsuitbreiding, KWIN-normen, referentieperiode, schommelingen varkenscyclus, voerwinsten, subsidies of andere begunstigende regelingen, schaalvoordelen, aankoop voer, schadebeperkingsplicht, alternatieve bedrijfsactiviteiten, plaatsen van zonnepanelen, bestemmingsplan, vergunning, geen reëel alternatief, arbeidskosten, waardevermindering, gemiste (kans op een) waardestijging
* Rechtbank Noord-Nederland 9 april 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:1851: Awb, TwG, BW; afwijzing aanvraag vaste vergoeding, Werkwijze IMG, adres in de zin van de BAG, verblijfsobject, schuur, pand/geen adres, WOZ-beschikking, onroerende zaak, onjuiste rechtsopvatting, zorgvuldigheids- of motiveringsbeginsel
* Rechtbank Noord-Nederland 7 maart 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:1848: Awb, TwG, BW; afwijzing aanvraag vergoeding van immateriële schade, prejudiciële vraag, Hoge Raad, gestandaardiseerde methode, smartengeld, puntensysteem, oud werknemer NAM, keuzes NAM als werkgever, vaststellingsovereenkomst
* Rechtbank Noord-Nederland 25 februari 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:1849: Awb, TwG, BW; schadevergoeding waardedaling percelen, aardbevingsgebied, methode van Atlas, voornemen overdracht percelen, taxatierapporten, uitgangspunt gevraagde schadevergoeding, deskundige, laagdrempelig, niet met vereiste zorgvuldigheid gehandeld, verkoopprijzen, medewerking verlenen, inzicht verschaffen in taxatierapporten en verkoopakte(n)
* Rechtbank Noord-Nederland 13 februari 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:1846: Awb, TwG, BW; schadevergoeding mijnbouwactiviteiten, roetvlekken, schoorsteen, lekkage rookkanaal, fysieke schade, wettelijk bewijsvermoeden, niet met voldoende zekerheid uitgesloten, inwendige camera-inspectie, warme toestand, onderzoeksplicht, wisselende oorzaken, infraroodmeting, adequaat onderzoek, opnieuw beslissen door IMG
* Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba 2 april 2025, ECLI:NL:OGEAA:2025:103: Lar; bezwaar niet-ontvankelijk, afwijzende beschikking bouwaanvraag, bezwaartermijn, bezwaarschrift na verstrijken termijn ingediend, verschoonbaar, toerekenen termijnoverschrijding aan appellant, Bouw- en woonverordening, onverwijld mededelen aan aanvrager, Awb, geen bepalingen verkeer langs elektronische weg, e-mailadres bouwaanvraagformulier, IT-systeem, vermoeden ontvangst, screenshot mailbox
* Rechtbank Noord-Nederland 29 januari 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:1853 Awb, TwG, BW; afwijzen aanvraag, lekkage dubbele beglazing, wettelijk bewijsvermoeden, veroudering of onthechting van de kit, langdurig inwateren in de sponning, gevolgschade, plaatsingsconstructie ontzet door aardbevingen, destructief onderzoek
* Rechtbank Noord-Nederland 23 januari 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:1852: Awb, TwG, BW; afwijzing aanvraag vergoeding waardedaling, woning, waardedalingsgebied, methode van Atlas, artikel 4:84 van de Awb, bijzondere omstandigheden, omvang waardedalingsgebied, berekeningsmethodiek
* Rechtbank Noord-Nederland 22 januari 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:1833: Awb, TwG, BW; vergoeding schade woning, SBR Trillingsrichtlijn A, trillingssnelheid, geformuleerde grenzen, bewijsvermoeden, herstelmode schades, begroting van (vermogens)schade, calculatie schade
* Rechtbank Midden-Nederland 16 januari 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:2171: Awb, Wabo; handhavingsverzoek renovatieproject, omgevingsvergunning verwijderen van asbesthoudende materialen en het vervangen en veranderen van gevelkozijn en dakkapellen, ingebrekestelling uitblijven beslissing, niet tijdig beslissen/beroep ingesteld, prematuur, wettelijke beslistermijn, algemene redelijke termijn, 8 weken na ontvangst verzoek, niet voldaan aan wettelijke eisen, geen dwangsommen verbeurd
* Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch 14 januari 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:62: BW; onrechtmatig handelen door bij bouwwerkzaamheden (ontgraving) aan het buurperceel geen voorzorgsmaatregelen te treffen, schade (scheurvorming) ontstaan aan garage buren ten gevolge van deze werkzaamheden, deskundigenrapporten, verjaring, rechtsverwerking, aansprakelijkheid, causaal verband, hoogte schadevergoeding, buitengerechtelijke incassokosten
* Rechtbank Den Haag 6 januari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:8475: Awb, Wbr; Wbr-vergunning, verzorgingsplaats, Kennisgeving, bestaande infrastructuur, uniforme en sobere opzet, kenbare hoofdactiviteit basisvoorziening, energielaadpunt, verkeersveiligheid, verkeersbewegingen, verkeerssituatie overzichtelijk, locatie specifieke verkeerskundige beoordeling, verkeersstromen, groenvoorzieningen
* Rechtbank Noord-Nederland 9 oktober 2024, ECLI:NL:RBNNE:2024:5350: Awb, TwG, BW; tegemoetkoming waardedaling woning, concrete of abstracte berekening, WOZ-waarde, methode van Atlas, zespositiepostcodegebied, vermogensvergelijking, bepaalde marktwaarde/van veel factoren afhankelijk, bijzondere omstandigheden, motivering/van algemene aard, finale geschilbeslechting, causaliteit ontbreekt, rechtsgevolgen in stand laten
* Rechtbank Den Haag 24 september 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:23574: Awb, Wabo, Hvw; weigering omgevingsvergunning en onttrekkings- en woningvormingsvergunning, splitsen bovenwoning in twee appartementen, Wet Bibob, fiscaal voordeel, overtreding belastingregels, procesbelang, vermogensschade, aantasting in eer en goede naam, motivering herhaaldelijk gewijzigd, feiten en verwijten anders, ernstig motiveringsgebrek, geen volledige heroverweging, verschil in rechtsgevolg, zelf in de zaak voorzien, herroepen primaire besluit, externe deskundige, bewijslast, financiële gegeven

¶ = uitspraak waarop de Omgevingswet materieel van toepassing is (dus niet de uitspraken die vallen onder het overgangsrecht)
# = betrokkenheid STAB
= (nog) niet gepubliceerd

Bijzondere overwegingen

* ABRvS 21 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2281: Awb, Wro; bpl, woningbouw, inrichting als erf, achtererfgebied, omgevingsvergunningvrije bouwwerken met geluidsgevoelige ruimten, belemmering bedrijfsvoering, tuinbestemming, niet aangemerkt als “erf”, geen bebouwing zonder omgevingsvergunning, Omgevingswet, omgevingsplan, tijdelijk deel, omgevingsrechtelijke regels, Besluit bouwwerken leefomgeving, begrip “bijbehorend bouwwerk”, begrip “achtererfgebied”, begrip “gebouwerf”, planregel/voldaan aan omschrijving gebouwerf, nota van toelichting Invoeringsbesluit Omgevingswet, rechtszekerheid, herhaling beroepsgronden, tussenuitspraak/oordeel, geen uitzonderlijk geval, einduitspraak na tussenuitspraak
8.3. Vervolgens stelt de Afdeling vast dat op 1 januari 2024 de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking zijn getreden. Op grond van artikel 22.1, aanhef en onder a, van de Omgevingswet en artikel 4.6, eerste lid, onder g, van de Invoeringswet Omgevingswet is een bestemmingsplan dat onder de Wet ruimtelijke ordening tot stand is gekomen bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Dit betekent dat het bestreden plan onderdeel is van het Omgevingsplan gemeente Pekela. De Afdeling ziet hierin aanleiding om te onderzoeken of het met deze planregels onder de Omgevingswet en de daarbij behorende omgevingsrechtelijke regels ook niet mogelijk is om bebouwing zonder omgevingsvergunning op te richten.
8.6. De Afdeling stelt vast dat het begrip ‘erf’ niet meer in de definitie van het begrip ‘achtererfgebied’ staat. De vraag die de Afdeling in deze zaak moet beantwoorden is of, indien in een bestemmingsplan het vergunningvrij bouwen is beperkt door de gronden niet aan te merken als ‘erf’ als bedoeld in bijlage II van het Bor, de wijziging in de definitie van achtererfgebied tot gevolg heeft dat met die regeling niet meer kan worden bereikt dat het vergunningvrij bouwen van bijbehorende bouwwerken in achtererfgebied wordt tegengegaan.
8.7. Door het gebied niet aan te merken als ‘erf’ in de zin van artikel 1, van bijlage II van het Bor is de inrichting van dat gebied ten dienste van het gebruik van het hoofdgebouw verboden. In het begrip ‘gebouwerf’ wordt materieel hetzelfde geregeld als in het begrip ‘erf’. Met de planregel is dan ook voldaan aan de omschrijving van het begrip ‘gebouwerf’. Steun voor de uitleg dat de verandering van het begrip’ erf’ naar het begrip ‘gebouwerf’ niet is bedoeld als inhoudelijke verandering vindt de Afdeling in de nota van toelichting op het Invoeringsbesluit Omgevingswet (Stb. 2020, 400, blz. 1533). Daarin staat: “Het begrip «erf» uit het Besluit omgevingsrecht is in dit besluit inhoudelijk gelijk omgezet naar het nieuwe begrip «gebouwerf». Dit is gedaan om te voorkomen dat het uit het Besluit omgevingsrecht afkomstige begrip binnen het stelsel van de Omgevingswet een bredere reikwijdte krijgt en ook van toepassing wordt op andere regels die verwijzen naar het erf zoals dat in het spraakgebruik gebruikt wordt. Aangezien het wel wenselijk blijft dat gemeenten via lokale invulling van het erfbegrip kunnen sturen op de mogelijkheden rond vergunningvrij bouwen, is besloten in afdeling 2.3 Bbl van de specifiekere term «gebouwerf» te spreken. Deze term werkt ook door in de begripsomschrijvingen van «achtererfgebied» en «voorerfgebied».” Een andere uitleg zou bovendien in strijd zijn met de rechtszekerheid voor plannen die onherroepelijk zijn en waarin regels zijn opgenomen om vergunningvrij bouwen uit te sluiten. Die regels zouden dan hun werking verliezen waardoor het alsnog mogelijk is om vergunningvrij gevoelige gebouwen in de nabijheid van bedrijven te bouwen. Het voorgaande betekent dat artikel 3.2.1 van de planregels zijn werking niet heeft verloren als gevolg van de inwerkingtreding van de Omgevingswet en de daarbij behorende omgevingsrechtelijke regels. Het gebied kan ook onder de Omgevingswet niet als achtererfgebied worden aangemerkt waardoor niet omgevingsvergunningvrij bijbehorende bouwwerken kunnen worden gebouwd op de gronden waaraan de bestemming “Tuin” is toegekend.

# ABRvS 21 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2292: Awb, Wro, Wgh; bpl, besluit HGW, woningbouw, detailhandel, horeca met een poppodium met 24-uurs-horeca, hotel, parkeergarage, goede procesorde, bestaande legaal gebruik, nieuwe planologische inzichten, (nacht)horeca, woningbouw, akoestisch onderzoek, strengere geluidswaarden, Activiteitenbesluit milieubeheer, gebruik op termijn beëindigen, Dienstenrichtlijn, activiteit “horeca”/dienst, noodzakelijkheidseis, bescherming van het milieu en stedelijk milieu, cultuurbeleid, evenredigheid, overgangsrecht, minder beperkende maatregel, geluidreductie/isolatie, gelijkheidsbeginsel, stichting, belanghebbende, statutaire doelstelling, MER, cumulatie, vooringenomenheid, Chw, meer dan 11 woningen, lokaal project met nationale betekenis, participatie, provinciale verordening, besluit HGW/relativiteitsvereiste, aanwijzing moderniseringsgebied, bevoegdheid raad, treffen constructieve maatregelen, gemoderniseerd vanwege omliggende functies, belangen zorgvuldig afwegen, VNG-brochure, gebruiksregel, structuurvisie, alternatief, privaatrechtelijke belemmering, Activiteitenbesluit milieubeheer, cumulatieve maximale etmaalwaarde, realiseren maatregelen, hoogte kosten, drager kosten, geluid, reflectie, railverkeerslawaai, emplacement, bezonning, Provenierswijkregel, som schaduwwerking, windhinder, windklimaatonderzoek, windtunnelmaquette, luchtkwaliteit, NSL, externe veiligheid, groepsrisico, water, tussenuitspraak
17.2. De toelichting (Kamerstukken II, 2002/03, 28 916, nr. 3, blz. 96) op artikel 3.5 van de Wro luidt: “In dit artikel is de zogenaamde moderniseringsbepaling uit artikel 32 van de Wsdv opgenomen. Deze houdt in dat bij het plan een gebied kan worden aangewezen waar de bestaande binnenstedelijke bestemming wordt gehandhaafd; de kwaliteit hiervan is echter niet meer acceptabel. Gedacht moet worden aan modernisering van de bestaande bebouwing door samenvoeging van panden en inpandige doorbraken, of door sloop van panden en vervangende nieuwbouw van soortgelijke, gemoderniseerde bebouwing in nagenoeg gelijke omvang. Dit kan betekenen dat de bebouwing qua bouwmassa ongeveer gelijk blijft maar dat de gebruiksruimten hierin worden veranderd. Zolang deze modernisering niet is voltooid wordt het gebruik geacht af te wijken van het plan, ook al is het feitelijk gebruik van het bouwwerk in overeenstemming met het plan. Deze fictie is van belang voor de mogelijkheid om zo nodig ter uitvoering van de in het bestemmingsplan opgenomen modernisering de grond en opstallen te kunnen onteigenen of om hierop een voorkeursrecht te kunnen vestigen”.
17.4.  De Afdeling is van oordeel dat de raad op zichzelf de bevoegdheid heeft om de gronden van Urban Minds en C010 aan te wijzen als moderniseringsgebied in de zin van artikel 3.5 van de Wro. De tekst van dit artikel verzet zich hier niet tegen. Uit de toelichting op het artikel blijkt dat dit instrument er nadrukkelijk voor bedoeld is om ingrijpende inpandige verbouwingen of nieuwbouw te bewerkstelligen met als doel het vergroten van de bouwkundige kwaliteit daarvan. Hieronder kan naar het oordeel van de Afdeling ook het treffen van constructieve maatregelen om een pand uit akoestisch oogpunt meer geschikt te maken om te functioneren in de omgeving geschaard worden. Het pand houdt dezelfde functie en bestemming, maar de bebouwing moet gemoderniseerd worden vanwege omliggende functies. Weliswaar is de aanleiding daarvoor dat er ontwikkelingen in de omgeving zijn voorgenomen, maar uit artikel 3.5 van de Wro en de toelichting hierop volgt naar het oordeel van de Afdeling niet dat deze bepaling alleen kan worden toegepast als modernisering nodig is vanwege (enkel) de kwaliteit van het betrokken pand en dat daarbij geen relatie met de omgeving kan worden gelegd.
17.5. De Afdeling hecht eraan hierbij te overwegen dat de bevoegdheid gronden aan te wijzen als moderniseringsgebied een ingrijpende bevoegdheid betreft. Dat brengt met zich dat de raad bij de keuze gebruik te maken van deze bevoegdheid de aan de orde zijnde belangen zorgvuldig moet afwegen en dat het resultaat van die afweging geen onevenredige gevolgen mag hebben. Urban Minds en C010 en Delftsestraat B.V. hebben in hun beroepschriften erop gewezen dat de keuze de gronden als moderniseringsgebied aan te wijzen, voor hen onevenredige gevolgen heeft. De Afdeling bespreekt deze beroepsgrond van Urban Minds en C010 in overweging 18.3. De beroepsgrond van Delftsestraat B.V. komt aan de orde in overweging 23.1.
18.3. De Afdeling stelt vast dat artikel 7.3.1 van de planregels een gebruiksregel is. Omdat het onroerend goed van C010 is aangewezen als moderniseringsgebied, betekent dit dat zo lang niet wordt aangetoond dat de geluidbelasting vanwege muziekgeluid van Annabel niet hoger is dan 36 dB(A) ter hoogte van de gevels van de onderste woonlaag van de woningen, het gebruik van het pand als poppodium in strijd is met het bestemmingsplan. Niet in geschil is verder dat er ingrijpende maatregelen nodig zijn om aan artikel 7.3.1 van de planregels te voldoen. De raad heeft echter niet onderzocht wat de gevolgen hiervan zijn voor Urban Minds en C010. Ook heeft de raad niet gemotiveerd in hoeverre de gevolgen van deze planregel in combinatie met de aanwijzing van het pand als moderniseringsgebied aanvaardbaar zijn, en of het redelijk is dat Urban Minds en C010 en niet de gemeente of ontwikkelaar van de geplande woningen de financiële gevolgen daarvan moeten dragen. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad de belangen van Urban Minds en C010 dan ook onvoldoende in kaart gebracht en onvoldoende in zijn belangenafweging betrokken. Dat is in strijd met artikel 3:2 en artikel 3:4 van de Awb.
37. Met het oog op een finale geschilbeslechting zal de Afdeling de raad opdragen om binnen 26 weken na verzending van deze tussenuitspraak de hierboven onder 18.3 en 23.1 vermelde gebreken in het besluit van 19 oktober 2022 te herstellen. De raad kan dat doen door alsnog te onderzoeken en te motiveren in hoeverre de keuze het vastgoed van C010 als moderniseringsgebied aan te wijzen gelet op de belangen van zowel Urban Minds en C010 als Delftsestraat B.V. aanvaardbaar is. Daarbij dient de raad er in het bijzonder aandacht aan te besteden dat zoals het plan nu geldt, er ingrijpende constructieve maatregelen aan poppodium Annabel moeten worden gerealiseerd, zonder dat inzichtelijk is gemaakt wie dit moet doen en wie de kosten daarvan moet dragen. Deze last kan niet, in elk geval niet volledig, bij Urban Minds en C010 of Delftsestraat B.V. worden gelegd.

*
ABRvS 21 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2295: Awb, Gmw, DHW; Drank- en Horecawetvergunning, exploitatievergunning, permanente ontheffing sluitingstijden, APV, geldende bpl, gebruiksovergangsrecht, zware horeca, langer dan een jaar onderbroeken, juiste data, intentie gebruiker, duur onderbreking of gedeelte daarvan niet tegenwerpen, concrete objectieve gegevens, bijzondere omstandigheden, bevoegde gezag, lange tijd/niet beslist op aanvraag, intrekking benodigde vergunningen/ten onrechte, hypothetische situaties (Rb Den Haag 22/669)
4.1. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat Hague 5 geen beroep kan doen op het in artikel 4.5 van het bestemmingsplan Archipel e.o. neergelegde overgangsrecht, omdat het gebruik in de categorie “zwaar” langer dan een jaar is onderbroken. De rechtbank is uitgegaan van de juiste data om te bepalen wanneer de exploitatie door [bedrijf] is gestopt en wanneer de exploitatie door Hague 5 op hetzelfde adres is hervat. Het staat vast dat [bedrijf] het pand heeft gebruikt voor “zware horeca”, maar dat de exploitatievergunning is ingetrokken op 7 januari 2020. Hague 5 heeft op 15 maart 2021 aanvragen ingediend voor een exploitatievergunning en een ontheffing van de sluitingstijden. Daarmee is het gebruik van het pand voor “zware horeca” meer dan een jaar onderbroken geweest. Er kan aanleiding bestaan rekening te houden met de intentie van de gebruiker en de duur van de onderbreking of een gedeelte daarvan niet aan de gebruiker tegen te werpen. De gebruiker die zich op het overgangsrecht beroept moet daarvoor aan de hand van concrete objectieve gegevens aannemelijk maken dat de onderbreking verband houdt met zodanig bijzondere omstandigheden die niet aan hem zijn toe te rekenen dat ondanks de lange duur van de onderbreking moet worden uitgegaan van blijvend voortgezet gebruik. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als het bevoegd gezag lange tijd niet heeft beslist op een aanvraag om voor het gebruik benodigde vergunningen. Of als het bevoegd gezag ten onrechte voor het gebruik benodigde vergunningen heeft ingetrokken. Hague 5 heeft beide omstandigheden op de zitting naar voren gebracht, maar niet omdat ze zich hebben voorgedaan. Hague 5 heeft de omstandigheden alleen als hypothetische situaties gepresenteerd. Er bestaat daarom geen aanleiding een uitzondering aan te nemen op de regel. Het betoog slaagt niet.

* ABRvS 21 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2314: Awb, Wro; tegemoetkoming in planschade, provinciaal inpassingsplan, windpark, windturbines, hotel, restaurant en café, waardevermindering, inkomensderving, planschadeverhaalovereenkomst, planvergelijking, geluid, geluidsbronnen genoemd, geen reële prognose gemaakt, metingen, berekeningen, voorzienbaarheid, ten tijde investeringsbeslissing, redelijk denkend en handelend koper, niet aannemelijk gemaakt/openbaar is gemaakt, screenshot, persberichten, provinciaal blad, inhoud ingediende zienswijzen, normaal maatschappelijk risico, bestuursorgaan, beoordelingsruimte, lijn der verwachtingen, omstandigheden van het geval, reeks van jaren gevoegd beleid, ruimtelijke structuur omgeving, normale maatschappelijke ontwikkeling, één van de indicatoren, algemene maatschappelijke ontwikkelingen en nadelen, waarmee burgers en instanties rekening kunnen en moeten houden, nieuwe besluiten op bezwaar (Rb Den Haag 22/2735 en 22/2738)
13.7. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de ontwikkeling en realisatie van een windpark op agrarische gronden op zichzelf is aan te merken als een normale maatschappelijke ontwikkeling. Dat, naar het college stelt, dit in dit geval niet zo zou zijn vanwege de ligging, nu het hier gaat om een windpark met vijf (grote) windturbines dat tussen twee dorpskernen is gelegen in een omgeving waar nog geen andere windturbines staan en de turbines niet zijn gelegen nabij zee of industrie, waar windturbines vaker voorkomen of worden gerealiseerd, is in dit kader niet van belang. Zoals hiervoor onder 13.5 uiteen is gezet, wordt de vraag of sprake is van een normale maatschappelijke ontwikkeling, namelijk los van de omstandigheden van het geval beoordeeld. Die omstandigheden zijn wel van belang voor het antwoord op de vraag of de ontwikkeling in de lijn der verwachtingen lag. Het betoog van het college faalt in zoverre.
14.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld in de uitspraak van 8 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1603, r.o. 21) wordt in het kader van de voorzienbaarheid van een planologische ontwikkeling beoordeeld of op het moment dat de aankoop werd gedaan er een kenbaar concreet beleidsvoornemen van een bestuursorgaan was, waaruit een burger of instantie had kunnen afleiden dat de planologische situatie in ongunstige zin kon veranderen. Bij normaal maatschappelijk risico gaat het echter om algemene maatschappelijke ontwikkelingen en nadelen waarmee burgers en instanties rekening kunnen en moeten houden. Het al dan niet voorzienbaar zijn van een planologische ontwikkeling moet dus worden onderscheiden van de vraag of planschade geheel of gedeeltelijk tot het normaal maatschappelijk risico behoort. Het zijn zelfstandige criteria voor de beoordeling of planschade voor een tegemoetkoming in aanmerking komt. Dit betekent dat het betoog van [appellante sub 1], dat het niet redelijk is om voor de vraag of de ontwikkeling past in een reeks van jaren gevoerd ruimtelijk beleid te kijken naar beleid van na de aankoopdatum van het perceel, niet slaagt.

* ABRvS 21 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2344: Awb, Wbb; weigering instemmen saneringsplan, op- en overslagbedrijf vloeibare energie en chemische producten, bedrijfsactiviteiten, verontreiniging, minerale olie en vluchtige aromaten, termijn opgeschort, schriftelijk met uitstel ingestemd, feitelijke gang van zaken, ontwerpbesluit, niet weersproken, tijdig beslist, onderzoek ter zitting, tussenuitspraak, spoedige en definitieve beslechting geschil, heropenen onderzoek, uitnodiging nieuwe zitting
7. De conclusie is dat geen instemming van rechtswege met het raamsaneringsplan 2022 is verleend. Dat betekent dat de Afdeling toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van het beroep van Evos. Nu het onderzoek op de zitting van 14 april 2025 beperkt is gebleven tot de vraag of het college op grond van artikel 39, tweede lid, van de Wbb van rechtswege heeft ingestemd met het raamsaneringsplan 2022, is het onderzoek op de zitting niet volledig geweest. Gelet op het belang van partijen bij een antwoord op deze vraag, kiest de Afdeling ervoor om haar oordeel daarover al in deze tussenuitspraak te geven. Met het oog op een spoedige en definitieve beslechting van het geschil zal de Afdeling het onderzoek heropenen. Partijen zullen worden uitgenodigd voor een nieuwe zitting.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 20 mei 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:2931: Awb, Ow; verzoek om bekrachtiging onteigeningsbeschikking, planologische grondslag, omgevingsplan, tijdelijk deel, gedeeltelijk bekrachtigen, toetsingskader, ambtshalve basistoets, wettelijke vormvoorschriften, onteigeningsbelang, noodzaak, urgentie, intensieve toetsing, ontvankelijkheid verzoek, Awb, alle stukken ter inzage leggen, minnelijk overleg, alle logboeken, passeren gebrek, notaris, verlijden onteigeningsakte, griffierecht, kosten belanghebbende
3. Toetsingskader
3.1 Onteigening is het instrument waarmee de overheid eigendomsrechten op onroerende zaken kan ontnemen, waardoor de onroerende zaak tot het eigendom van de onteigenaar gaat horen (Kamerstukken II 2018/2019 35133, 3, p. 10). In artikel 11.5 van de Ow staan de drie voorwaarden voor onteigening. Uit die bepaling blijkt dat een onteigeningsbeschikking alleen kan worden gegeven in het belang van het ontwikkelen, gebruiken of beheren van de fysieke leefomgeving (onteigeningsbelang) en als de onteigening noodzakelijk en urgent is.
Ambtshalve basistoets
3.2 In artikel 16.107 van de Ow is de hiermee samenhangende ambtshalve basistoets van de rechtbank opgenomen. Het gaat om een ambtshalve toetsing, die ook wordt uitgevoerd als de ingebrachte bedenkingen daar geen aanleiding toe geven en ook wanneer er geen bedenkingen zijn ingebracht. Deze basistoets, die vier aspecten omvat, vormt de inhoudelijke waarborg dat niemand onteigend zal worden zonder dat een rechter zich heeft uitgesproken over de onteigening (Kamerstukken II 2018/2019 35133, 3, p. 114). Ongeacht of tegen de onteigeningsbeschikking bedenkingen zijn ingebracht, wijst de rechtbank het verzoek in ieder geval af als de onteigeningsbeschikking niet volgens de wettelijke vormvoorschriften is voorbereid, het onteigeningsbelang ontbreekt, de noodzaak ontbreekt of de urgentie ontbreekt. Voor alle onderdelen vindt een intensieve toetsing plaats door de rechtbank. De rechtbank wijst op het (aangenomen) amendement van kamerlid Bisschop tot wijziging van het voorgestelde artikel 16:107, kamerstukken II 2019/2020, 35133, 32. Het voorstel had als doel te bewerkstelligen dat er geen twijfel over de door de rechter aan te leggen toets zal bestaan, namelijk een volle intensieve toetsing. Zie ook A. de Snoo, ‘Commentaar op art. 16.107 Ow’, in C.W. Backes, A.G.A. Nijmeijer, R. Uylenburg en G.A. van der Veen (red.), Tekst en commentaar Omgevingswet, Deventer, Kluwer 2024. Het eerste onderdeel van de basistoets betreft de voorbereiding van de onteigeningsbeschikking. De rechter toetst of deze voorbereiding volgens de wettelijke vormvoorschriften van de Ow en de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is verlopen. Het gaat om de voorgeschreven eisen aan de terinzagelegging en kennisgeving van de ontwerpbeschikking die als minimale waarborgen voor de rechthebbenden moeten worden beschouwd en waarvan strikte naleving noodzakelijk is. De andere drie onderdelen van de basistoets betreffen de criteria van een onteigeningsbelang, de noodzaak en de urgentie. Aan deze criteria moet worden voldaan op het moment waarop het bevoegd gezag de beschikking geeft en moet ook worden voldaan op het moment waarop de bestuursrechter de bekrachtiging uitspreekt. De rechtbank toetst dus ex nunc of aan die criteria is voldaan. Als aan een of meer van deze drie criteria niet wordt voldaan, dan wijst de rechter het verzoek tot bekrachtiging af (Kamerstukken II 2018/2019 35133, 3, p. 114 en 117).
Bedenkingen
3.3 Het uitgangspunt is dat de bekrachtigingsprocedure bij de rechtbank ook de rechtsbeschermingsfunctie van de behandeling van een beroep in eerste aanleg vervult. Gelet daarop wordt aan belanghebbenden (in de zin van artikel 1:2 van de Awb) de gelegenheid geboden hun argumenten tegen de onteigeningsbeschikking aan de rechter voor te leggen in de vorm van een bedenking. Die heeft dus een vergelijkbare functie als een beroepschrift in een reguliere beroepsprocedure. Deze door de belanghebbenden ingediende bedenkingen kunnen de bestuursrechter aanleiding geven om aanvullend op de basistoets een meer casusspecifieke toetsing van de rechtmatigheid van de onteigeningsbeschikking voor een bepaalde rechthebbende te verrichten. Er geldt geen getrapt stelsel voor het indienen van bedenkingen, wat betekent dat ook een bedenking kan worden ingediend als geen zienswijze is ingediend (dit komt in de voorgestelde regeling tot uiting doordat artikel 6:13 Awb niet is opgenomen in de opsomming van artikelen die van overeenkomstige toepassing worden verklaard). Dat zulke bedenkingen bij de inhoudelijke behandeling worden betrokken, betekent niet dat de bestuursrechter deze bedenkingen ook gegrond moet achten en zich van bekrachtiging van de onteigeningsbeschikking zou moeten onthouden. De bestuursrechter heeft de ruimte en de verantwoordelijkheid om een passende toetsingsmaatstaf en toetsingsmoment te kiezen. Daarbij kan de rechter, afhankelijk van de rechtsgrond waarop een bedenking steunt, gewicht toekennen aan de opstelling van de belanghebbende in het minnelijk overleg en de openbare voorbereidingsprocedure (Kamerstukken II 2018/2019 35133, 3, p. 114 en 115 en artikel 16.97 van de Ow).
4. Ontvankelijkheid bekrachtigingsverzoek
4.1 De rechtbank acht het bekrachtigingsverzoek ontvankelijk, omdat het tijdig (artikel 16.96, eerste en tweede lid, van de Ow) is ingediend en voldoet aan de indieningsvereisten uit artikel 16.93, tweede en derde lid, van de Ow.
4.2 Belanghebbende heeft in zijn bedenking aangevoerd dat het bekrachtigingsverzoek van de raad niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat de bewijsstukken bij het logboek niet samen met het verzoek zijn overgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat geen aanleiding om het verzoek om bekrachtiging van de raad niet-ontvankelijk te verklaren (met toepassing van artikel 16.95 van de Ow), omdat de raad de op de onteigeningsbeschikking betrekking hebbende stukken heeft overgelegd, die redelijkerwijs nodig zijn voor de behandeling van het verzoek (artikel 16.93, derde lid, onder b, van de Ow). Welke stukken moeten worden overgelegd, volgt uit artikel 7.2 van het procesreglement: het onteigeningsdossier dat ter inzage heeft gelegen, logboeken van het gevoerde minnelijke overleg, het besluit dat ten grondslag ligt aan de onteigening (het onteigeningsbelang), bewijsstukken van wie zijn aangeschreven, waaronder een lijst van belanghebbenden, bewijsstukken van publicaties, recente kadastrale uittreksels (eigendomsinformatie kadaster) en de ingediende zienswijzen. De rechtbank stelt vast dat de raad die stukken heeft overgelegd. (…)
5. Wettelijke vormvoorschriften
5.1 Met de wettelijke vormvoorschriften wordt bedoeld de voorschriften die zien op de procedure van totstandkoming van de onteigeningsbeschikking en de wijze waarop deze beschikking moet worden gegeven en vastgelegd (A. de Snoo, ‘Commentaar op art. 16.107 Ow’, in C.W. Backes, A.G.A. Nijmeijer, R. Uylenburg en G.A. van der Veen (red.), Tekst en commentaar Omgevingswet, Deventer, Kluwer 2024). In artikel 16.33b van de Ow staat dat afdeling 3.4 van de Awb – de uniforme openbare voorbereidingsprocedure – van toepassing is op de voorbereiding van een onteigeningsbeschikking.
5.2 Als onderdeel van die procedure was de raad verplicht om een ontwerponteigeningsbeschikking – met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp – ter inzage te leggen (artikel 3:11, eerste lid, van de Awb). Uit artikel 7.6 van het Omgevingsbesluit (Ob) volgt welke stukken in ieder geval samen met het ontwerp ter inzage moeten worden gelegd. De terinzagelegging van de ontwerponteigeningsbeschikking vindt plaats binnen de gemeente of gemeenten waarin de onroerende zaak ligt. De kosten van de terinzagelegging en de kennisgeving komen voor rekening van de onteigenaar (artikel 16.33d, eerste lid, van de Ow). Voorafgaand aan de terinzagelegging geeft de raad kennis van het ontwerp (artikel 3:12, eerste lid, van de Awb). De stukken worden ter inzage gelegd voor de duur van zes weken, met ingang van de dag waarop het ontwerp ter inzage is gelegd en daarvan kennis is gegeven (artikel 3:11, derde lid, en artikel 3:16, eerste en tweede lid, van de Awb). Belanghebbenden kunnen bij het bestuursorgaan naar keuze schriftelijk of mondeling hun zienswijze over het ontwerp naar voren brengen binnen die termijn (artikel 3:15 van de Awb).
5.3 Uit de Awb volgt verder dat de onteigeningsbeschikking ook ter inzage wordt gelegd gedurende de beroepstermijn, samen met alle stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het besluit. Van die terinzagelegging wordt kennisgegeven op dezelfde wijze als van de ontwerponteigeningsbeschikking. Daarnaast wordt een exemplaar van het besluit toegestuurd aan degene die over het ontwerp van het besluit zienswijzen naar voren hebben gebracht (artikel 3:44, eerste lid, van de Awb). Artikel 16.33d, tweede lid, van de Ow voegt daaraan toe dat de raad bij de bekendmaking en de kennisgeving van de onteigeningsbeschikking vermeldt welke rechtbank de raad zal verzoeken de onteigeningsbeschikking te bekrachtigen. Verder dient erbij te worden vermeld dat belanghebbenden binnen zes weken na de dag waarop de beschikking ter inzage is gelegd, bij die rechtbank schriftelijk bedenkingen kunnen inbrengen tegen de beschikking en dat de beschikking in werking treedt met ingang van de dag na die waarop de uitspraak waarbij zij is bekrachtigd, op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.
5.6 Naar het oordeel van de rechtbank heeft de raad – in strijd met artikel 3:11 van de Awb en artikel 7.6 van het Ob – verzuimd om samen met de (ontwerp)onteigeningsbeschikking alle stukken ter inzage te leggen, die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het (ontwerp)besluit. Naar het oordeel van de rechtbank is voor de beoordeling van de noodzaak van de onteigening redelijkerwijs vereist dat kennis wordt genomen van de inhoud van het logboek (en bijlagen) over het minnelijk overleg. Uit artikel 11.7, eerste lid, van de Ow blijkt namelijk dat geen sprake is van de voor onteigening vereiste noodzakelijkheid, wanneer de raad geen redelijke poging heeft ondernomen om de onroerende zaak in minnelijkheid te verwerven. Of daaraan is voldaan moet worden vastgesteld door middel van het logboek (en bijlagen). Gelet daarop diende voor een belanghebbende gedurende de terinzageleggingen een mogelijkheid te bestaan om inzicht te krijgen in het logboek (en bijlagen) dat betrekking had op het minnelijk overleg dat is gevoerd met diezelfde belanghebbende. Naar het oordeel van de rechtbank kon van de raad redelijkerwijs niet worden verwacht dat hij alle logboeken voor eenieder ter inzage zou leggen, omdat daar persoonsgegevens en financiële gegevens in zijn opgenomen van betrokkenen. Van de raad kon redelijkerwijs wel worden verwacht dat de raad belanghebbenden op enigerlei wijze zou hebben gewezen op de mogelijkheid om een kopie van het logboek (en bijlagen) op te vragen dat specifiek betrekking had op die belanghebbende. De raad had in de kennisgeving van de terinzagelegging bijvoorbeeld kunnen wijzen op de mogelijkheid om een persoonlijk dossier op te vragen bij de raad. Ter zitting is door mr. Wijnen toegelicht dat het vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet ook mogelijk was om een persoonlijk dossier op te vragen, dat dan per e-mail werd toegezonden en waar het logboek en andere relevante en specifiek op die belanghebbende stukken in zaten.
6. Onteigeningsbelang
6.1 Artikel 14 van de Grondwet bepaalt dat onteigening alleen kan plaatsvinden in het algemeen belang. Artikel 11.5, onder a, van de Ow kleurt die grondwettelijke norm nader in. Een onteigeningsbeschikking kan op grond van die bepaling alleen worden gegeven als de aan te wijzen onroerende zaken nodig zijn voor het belang van het ontwikkelen, gebruiken of beheren van de fysieke leefomgeving. Er dient dus sprake te zijn van een onteigeningsbelang. Het onteigeningsbelang wordt in de regeling verbonden aan de toedeling van functies aan locaties in samenhang met een aantal instrumenten in de Ow. De verbinding bestaat uit de eis dat de verwezenlijking van de beoogde vorm van ontwikkeling, gebruik of beheer van de fysieke leefomgeving waarvoor onteigening nodig is, mogelijk moet zijn gemaakt in een van die wettelijke instrumenten, onder uitsluiting van de bestaande vorm van ontwikkeling, gebruik of beheer.
6.2 Van een onteigeningsbelang is onder andere sprake als de beoogde vorm van ontwikkeling, gebruik of beheer van de fysieke leefomgeving onder uitsluiting van de bestaande vorm van ontwikkeling, gebruik of beheer, mogelijk is gemaakt in een vastgesteld omgevingsplan (Kamerstukken II 2018/2019 35133, 3, p. 104 en artikel 11.6, onder a, van de Ow). Het omgevingsplan bevat voor het gehele grondgebied de regels die nodig zijn met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Uit het samenstel van de op een locatie geldende regels kan worden afgeleid welke functie(s) een locatie vervult. Deze in het omgevingsplan aan locaties toegedeelde functies kunnen aan het onteigeningsbelang ten grondslag worden gelegd. De functie is het gebruiksdoel dat, of de status (in de betekenis van bijzondere eigenschap) die een onderdeel van de fysieke leefomgeving op een bepaalde locatie heeft (Kamerstukken II 2018/2019 35133, 3, p. 105 en 106). Vormt het omgevingsplan de basis van de onteigening, dan geldt de eis dat de beoogde vorm van ontwikkeling, gebruik of beheer is toegelaten “onder uitsluiting van de bestaande vorm”. Met het uitsluiten van de bestaande vorm van ontwikkeling, gebruik of beheer is niet bedoeld dat die bestaande vorm eerst, zonder overgangsrecht, strikt moet worden verboden alvorens een onteigeningsbelang kan ontstaan. Het gaat erom dat op basis van het geldende omgevingsplan voldoende duidelijk is welke vorm ontwikkeling, gebruik of beheer wordt beoogd, en dat die vorm afwijkt van de bestaande vorm (Kamerstukken II, 2022-23, 36367, nr. 3, p. 23-24, onderdeel AU. Zie ook A. de Snoo, ‘Commentaar op art. 11.6 Ow’, in C.W. Backes, A.G.A. Nijmeijer, R. Uylenburg en G.A. van der Veen (red.), Tekst en commentaar Omgevingswet, Deventer, Kluwer 2024).
6.3 Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van een onteigeningsbelang. (…)
7. Noodzaak
7.1 Een onteigeningsbeschikking kan op grond van artikel 11.5, onder b, van de Ow alleen worden gegeven wanneer de onteigening noodzakelijk is. In artikel 11.7 van de Ow wordt nader uitgewerkt in welke gevallen geen sprake is van de voor onteigening vereiste noodzaak. Dat is in ieder geval wanneer de onteigenaar geen redelijke poging heeft ondernomen om de onroerende zaak in minnelijkheid te verwerven dan wel om overeenstemming te bereiken over het vervallen van zakelijke of persoonlijke rechten op die onroerende zaak. Zo wordt het ultimum remedium-karakter van het onteigeningsinstrument gewaarborgd. Daarbij moet het minnelijk overleg een reëel en serieus overleg inhouden, waarbij wordt geprobeerd tot overeenstemming te komen (HR 8 april 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD2955, NJ 1999/24). Wat onder een redelijke poging moet worden verstaan, hangt volgens de memorie van toelichting onder andere af van de omstandigheden van het geval. Afhankelijk van de situatie kunnen de onderhandelingen ook betrekking hebben op de verwerving van een groter geheel dan de benodigde gronden, het toestaan van voortgezet gebruik, een aanbod van ruilgronden, de vestiging van een gebruiksrecht of de aanleg van bijkomende voorzieningen. Omdat de eigenaar in het stelsel van de onteigening niet verplicht kan worden om een schadeloosstelling anders dan in geld te aanvaarden, (HR 22 maart 1989, NJ 1990/251 (Vierboom/Winschoten) en HR 27 oktober 2006, NJ 2008/3 (Nieuwe Werklust Kleiwarenfabriek/Staat)) moet in ieder geval een aanbod in geld worden gedaan dat betrekking heeft op de onroerende zaak zoals deze bij de beschikking zal worden aangewezen (Kamerstukken II 2018/2019 35133, 3, p. 109 en 110). De noodzaak tot onteigening ontbreekt op grond van het eerste lid ook als aannemelijk is dat op afzienbare termijn alsnog overeenstemming kan worden bereikt over de minnelijke verwerving / het vervallen van zakelijke of persoonlijke rechten en dat die overeenstemming zal leiden tot een spoedige levering van de onroerende zaak dan wel vervallen van die rechten.
8. Urgentie
8.1 Een onteigeningsbeschikking kan op grond van artikel 11.5, onder c, van de Ow alleen worden gegeven als de onteigening urgent is. Gemotiveerd moet worden dat binnen drie jaar vanaf het moment waarop de eigendom door de onteigenaar wordt verkregen een begin moet worden gemaakt met de uitvoering van de beoogde vorm van ontwikkeling, gebruik of beheer van de fysieke leefomgeving waarvoor onteigening nodig is. Onteigenaars kunnen dit aannemelijk maken aan de hand van concrete, op uitvoering gerichte projectplannen en planningen. Het urgentiecriterium waarborgt dat eigenaren niet onnodig vroeg worden gestoord in hun eigendomsrecht. Als startmoment van de driejaarstermijn geldt het moment waarop de onteigenaar de eigendom heeft verkregen. Met het inschrijven van een door een notaris verleden onteigeningsakte in de openbare registers verkrijgt de raad de eigendom vrij van alle lasten en rechten die met betrekking tot de zaak bestaan. Vanaf dat moment kan de onteigenaar daadwerkelijk aan de slag met de verwezenlijking van het onteigeningsbelang. Het is reëel om voor de urgentietermijn bij dat moment aan te sluiten (Artikel 11.18 van de Ow en Kamerstukken II 2018/2019 35133, 3, p. 111).
8.2 Naar het oordeel van de rechtbank is de onteigening urgent, omdat de raad gemotiveerd heeft toegelicht dat uiterlijk drie jaar na het verkrijgen van de eigendom aan de slag zal worden gegaan met de verwezenlijking van de functies waarvoor wordt onteigend. (…)
9.2 De rechtbank ziet in deze grond van belanghebbende geen aanleiding om van bekrachtiging van de onteigening ten aanzien van perceel 1 af te zien. Onder V staat in de onteigeningsbeschikking dat de gemeenteraad heeft besloten om het college op te dragen om bij het wegvallen van de grondslag of de noodzaak van onteigening, de bekrachtigings-procedure voor de betreffende onroerende zaken te beëindigen. Ter zitting heeft de raad bevestigd dat voor de raad in dat geval ook geen belang meer bestaat bij een voortzetting van de civiele procedure over de schadeloosstelling. De rechtbank ziet geen aanleiding om dat toe te voegen aan punt V, omdat onteigening niet plaats kan vinden wanneer het omgevingsplan (voorheen bestemmingsplan) niet onherroepelijk is geworden. Uit artikel 11.16, eerste lid, onder b, van de Ow vloeit voort dat de notaris de onteigeningsakte pas kan verlijden, op het moment dat het omgevingsplan (in dit geval het bestemmingsplan) onherroepelijk is geworden. Alleen met het inschrijven van een door een notaris verleden onteigeningsakte in de openbare registers verkrijgt de onteigenaar de eigendom vrij van alle lasten en rechten die met betrekking tot de zaak bestaan (artikel 11.18, eerste lid, van de Ow).
12. Kosten belanghebbende
12.1 De uitspraak houdt op grond van artikel 16.111 van de Ow in dat het bestuursorgaan wordt veroordeeld in de kosten die een belanghebbende die een bedenking tegen de onteigeningsbeschikking heeft ingebracht, in verband met de behandeling van het verzoek naar aard en omvang redelijkerwijs heeft moeten maken. Het Besluit proceskosten bestuursrecht is niet van toepassing. De belanghebbende die een bedenking heeft ingediend krijgt in alle gevallen de proceskosten van deelname aan de bekrachtigingsprocedure vergoed. De rechtbank wordt verplicht een proceskostenveroordeling ten gunste van de belanghebbende uit te spreken, zodat deze veroordeling niet afhankelijk is van het inhoudelijke rechterlijke oordeel op het verzoek tot bekrachtiging. Het moet gaan om kosten die de belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Het is aan de rechtbank om te beoordelen of de kosten redelijkerwijs gemaakt zijn. Het woord ‘redelijkerwijs’ betekent hier een tweeledige redelijkheidstoets. Dit betekent dat beoordeeld dient te worden of de bijstand redelijkerwijs is ingeroepen en of de kosten daarvan redelijk zijn (Kamerstukken II 2018/2019, 35133, 3, p. 280 en 281 en A. de Snoo, ‘Commentaar op art. 16.111 Ow’, in C.W. Backes, A.G.A. Nijmeijer, R. Uylenburg en G.A. van der Veen (red.), Tekst en commentaar Omgevingswet, Deventer, Kluwer 2024).
12.2 Het bestuursorgaan wordt daarnaast veroordeeld in de kosten die de belanghebbende die bedenkingen heeft ingediend, heeft gemaakt in de fase voor de vaststelling van de onteigeningsbeschikking. De uitspraak houdt daarom op grond van artikel 16.112 van de Ow ook in dat het bestuursorgaan wordt veroordeeld in de kosten die de belanghebbende die een bedenking tegen de onteigeningsbeschikking heeft ingebracht, naar aard en omvang redelijkerwijs heeft moeten maken voor:
a. door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand of andere deskundige bijstand voor het overleg over de minnelijke verwerving, bedoeld in artikel 11.7, eerste lid, en
b. door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand of andere deskundige bijstand in verband met het naar voren brengen van een zienswijze en de behandeling daarvan bij de voorbereiding van de onteigeningsbeschikking.
De kostenveroordeling wordt uitgesproken ongeacht of de onteigeningsbeschikking wordt bekrachtigd. Het gaat ook hier om de werkelijke kosten van (rechts)bijstand, voor zover deze redelijk zijn (Kamerstukken II 2018/2019, 35133, 3, p. 281 en A. de Snoo, ‘Commentaar op art. 16.112 Ow’, in C.W. Backes, A.G.A. Nijmeijer, R. Uylenburg en G.A. van der Veen (red.), Tekst en commentaar Omgevingswet, Deventer, Kluwer 2024).
12.3 De rechtbank zal de raad veroordelen in de kosten die belanghebbende heeft gemaakt. Dit is een bedrag van € 20.039,42.(…)

* Rechtbank Midden-Nederland 20 mei 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:2319: Awb, Wnb; vaststelling kaart Bebouwde kom Wet natuurbescherming, bevoegdheid rechtbank, ambtshalve beoordeling, appellabel besluit, concretiserend besluit van algemene strekking, Boswet, ontvankelijkheid, uov, ontwerpbesluit/zienswijzen, Varkens in nood, begrip “bebouwde kom”, wetsgeschiedenis, Omgevingswet, Besluit kwaliteit leefomgeving, Besluit activiteiten leefomgeving, bebouwingscontour houtkap, bestemmingsplan, uitbreiding stedelijk gebied, bestemmingen
4. De rechtbank moet ambtshalve beoordelen of de aanwijzing van de bebouwde kom een appellabel besluit is. De rechtbank Oost-Brabant heeft in een uitspraak van 27 juni 2018 (ECLI:NL:RBOBR:2018:3110) geoordeeld dat de aanwijzing van de bebouwde kom op basis van de Wnb een concretiserend besluit van algemene strekking is, waartegen een rechtsmiddel kan worden aangewend. Ook de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft in het verleden over de aanwijzing van de bebouwde kom onder de Boswet geoordeeld dat een dergelijk besluit een concretiserend besluit van algemene strekking is, waartegen beroep openstaat (uitspraak van 20 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1710). De rechtbank ziet geen aanleiding daarover anders te oordelen.
11. De rechtbank overweegt dat wat onder ‘bebouwde kom’ in de Wnb moet worden verstaan niet duidelijk is. Het begrip ‘bebouwde kom’ is in de Wnb en ook in de daarvoor geldende Boswet niet gedefinieerd. Ook de wetsgeschiedenis biedt geen aanknopingspunten voor de uitleg van dit begrip, behalve dat daaronder niet hetzelfde wordt verstaan als onder het begrip bebouwde kom in de Wegenwet.
12. Onder de Omgevingswet komt de vaststelling van de grenzen bebouwde kom terug in artikel 5.165b van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Dat artikel bepaalt dat in een omgevingsplan voor de toepassing van artikel 11.111, tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving een bebouwingscontour houtkap wordt aangewezen aansluitend aan stedelijk gebied. Dit betekent dat onder de Omgevingswet de bebouwingscontour houtkap deel is gaan uitmaken van het omgevingsplan, waarin de nadruk ligt op ruimtelijke aspecten. De ruimtelijke afwegingen die gemeenten in het kader van een omgevingsplan maken bepalen ook de keuzes omtrent verstedelijking en de (wijze van) bescherming van houtopstanden binnen de bebouwingscontour. Gelet op deze systematiek ligt het onder de Omgevingswet voor de hand dat met het ter inzage leggen van het ontwerp omgevingsplan waarin is voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling die leidt tot een uitbreiding van stedelijk gebied, tegelijkertijd ook de wijziging van de bebouwingscontour houtkap wordt meegenomen.
13. Voor het standpunt van eisers, dat de grenzen bebouwde kom pas mogen worden aangepast als een vastgesteld bestemmingsplan eenmaal onherroepelijk is en de verstedelijking daadwerkelijk heeft plaatsgevonden, zijn geen aanknopingspunten te vinden in de Wnb of in de daarvoor geldende Boswet. Ook gelet op hoe de bebouwingscontour houtkap in de Omgevingswet is geregeld volgt de rechtbank deze uitleg niet.
14. Dat betekent niet dat er ten tijde van de vaststelling van een uitbreiding van de bebouwde kom Wet natuurbescherming niet tenminste een bepaalde mate van zekerheid moet bestaan dat de uitbreiding van het stedelijk gebied ook planologisch kan worden gefaciliteerd. Naar het oordeel van de rechtbank kan daarom een besluit tot uitbreiding van de bebouwde kom Wet natuurbescherming niet eerder worden genomen dan het moment waarop een bestemmingsplan wordt vastgesteld waarmee planologisch in de uitbreiding van het stedelijk gebied wordt voorzien. Dat met de vaststelling of verlegging van de grenzen bebouwde kom vooruit wordt gelopen op de vaststelling van een bestemmingsplan vindt de rechtbank te ver gaan.

* Centrale Raad van Beroep 15 mei 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:700: Awb; uitspraak grote kamer, toetsing aan algemene rechtsbeginselen en (ander) ongeschreven recht, evenredigheidsbeginsel, exceptieve toetsing, beleid/uiteenlopende vormen, binnenwettelijk beleid, buitenwettelijk beleid, tegenwettelijk beleid, wijze van toetsing, toetsingsintensiteit
Verschillende soorten beleid
4.6. Beleid komt voor in uiteenlopende verschijningsvormen. Dat is weergegeven in de conclusie die raadsheer advocaat-generaal mr. R.H. de Bock (de A-G) op verzoek van de president van de Raad op 10 november 2023 heeft genomen in een andere zaak (de conclusie) (ECLI:NL:CRVB:2023:2086). De conclusie dateert dus van vóór de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (College) van 26 maart 2024 (de uitspraak van het College van 26 maart 2024, ECLI:NL:CBB:2024:190). In aansluiting op de conclusie worden voortaan, gelet op de verschillen in grondslag en in aard, drie soorten beleid onderscheiden: binnenwettelijk beleid, buitenwettelijk beleid en tegenwettelijk beleid.
4.6.1. Binnenwettelijk beleid is beleid dat een grondslag heeft in een wettelijk voorschrift. Binnenwettelijk beleid kan gaan over de afweging van belangen, over de vaststelling van feiten of over de uitleg van wettelijke voorschriften (ook wel aangeduid als wetsinterpreterend beleid). Zie de definitie van beleidsregel in artikel 1:3, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Anders dan de A-G onderscheidt de Raad wetsinterpreterend beleid dus niet als een afzonderlijke vierde categorie van beleid, maar als één van de drie verschijningsvormen van binnenwettelijk beleid. Deze uitspraak gaat voor zover het binnenwettelijk beleid betreft alleen over beleid over de afweging van belangen. De onderverdeling in binnenwettelijk, buitenwettelijk en tegenwettelijk beleid is ook van toepassing op beleid dat niet in een beleidsregel is vastgelegd. Soms bevat de wettelijke regeling uitdrukkelijk de bevoegdheid of de verplichting voor het bestuursorgaan om beleid vast te stellen. Dat gebeurt bijvoorbeeld bij bevoegdheden om boetes op te leggen, waarbij dan de hoogte van de boete per situatie in beleid wordt vastgelegd. Veel vaker bevat de wettelijke regeling zo’n uitdrukkelijke bevoegdheid of verplichting niet. Dan is artikel 4:81, eerste lid, van de Awb de grondslag, althans voor zover het om beleidsregels gaat. Onder binnenwettelijk beleid valt ook beleid dat in de conclusie van de A-G wordt aangeduid als ‘praeter legem’, omdat het blijft binnen de grenzen van het wettelijk voorschrift dat de bevoegdheid om bepaalde besluiten te nemen aan het bestuursorgaan toekent. Een voorbeeld van dergelijk binnenwettelijk beleid biedt het beleid dat aan de orde was in de tussenuitspraak van de Raad van 18 april 2024 naar aanleiding van de conclusie van de A-G (ECLI:NL:CRVB:2024:726). Een ander voorbeeld van dit soort binnenwettelijk beleid deed zich voor in de zaken over de Afsluitingsregeling waarin de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling bestuursrechtspraak) op 17 augustus 2022 en 8 april 2024 uitspraak heeft gedaan (ECLI:NL:RVS:2022:2290 en ECLI:NL:RVS:2024:1424).
4.6.2. Buitenwettelijk beleid is beleid dat de basis biedt voor besluiten waarvoor geen grondslag in een wettelijk voorschrift is opgenomen. Het biedt daarmee een buitenwettelijke bevoegdheidsgrondslag. Om die reden vallen buitenwettelijke beleidsregels niet onder de definitie van artikel 1:3, vierde lid, van de Awb. De Raad komt op dit punt dus tot een ander oordeel dan de A-G in 2.36 van de conclusie. (…)
4.6.3. Tegenwettelijk beleid is beleid dat in strijd is met een wettelijk voorschrift. In de conclusie van de A-G heet dat beleid ‘contra legem’. Het bestuursorgaan kiest er dan voor om voor een specifieke groep of categorie van gevallen een of meer van de toepassingsvoorwaarden in het wettelijk voorschrift waarop de bevoegdheid berust, niet of niet volledig toe te passen. De achtergrond daarvan is veelal dat het wel of onverkort toepassen ervan naar het oordeel van het bestuursorgaan voor die situaties zou leiden tot ongewenste gevolgen of zelfs tot strijd met het evenredigheidsbeginsel. De vraag hoe dit soort beleid getoetst moet worden doet zich alleen voor bij tegenwettelijk begunstigend beleid. Tegenwettelijk belastend beleid mag zonder meer niet worden toegepast. Tegenwettelijk begunstigend beleid kan zich niet alleen voordoen bij een gebonden bevoegdheid, maar ook bij een discretionaire bevoegdheid als niet aan een of meer toepassingsvoorwaarden voor de uitoefening van die bevoegdheid is voldaan. Zoals verderop in deze uitspraak zal worden toegelicht is in de hier voorliggende zaak sprake van tegenwettelijk begunstigend beleid. Zulk beleid was, bijvoorbeeld, ook aan de orde in de uitspraak van het College van 26 maart 2024.
Toetsing van besluiten aan hoger geschreven recht, algemene rechtsbeginselen en (ander) ongeschreven recht
4.7. Hieronder wordt ingegaan op de wijze waarop hoger geschreven recht, algemene rechtsbeginselen en (ander) ongeschreven recht, zoals het evenredigheidsbeginsel, een rol kunnen spelen bij de toetsing van besluiten.
Rechtstreekse toetsing en exceptieve toetsing
4.8. Een concreet besluit kan berusten op alleen een wettelijk voorschrift, op een wettelijk voorschrift en beleid, of op alleen beleid. De bestuursrechter toetst aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het wettelijk voorschrift en/of het beleid en vervolgens of het besluit in strijd is met hoger geschreven recht, waaronder Unie- en verdragsrecht, algemene rechtsbeginselen en (ander) ongeschreven recht. Die toetsing wordt rechtstreekse toetsing genoemd. Het toegepaste wettelijk voorschrift en het toegepaste beleid kunnen – als grondslag van het concrete bestreden besluit – ook worden getoetst aan hoger geschreven recht, algemene rechtsbeginselen en (ander) ongeschreven recht, waaronder het evenredigheidsbeginsel. Die toetsing wordt exceptieve toetsing genoemd. De Raad verwijst voor een verdere uitleg van deze termen naar de uitspraak van het College van 26 maart 2024.
Toetsing aan het evenredigheidsbeginsel
4.9. Enkele hoogste bestuursrechters hebben eerder uitspraken gedaan over de rol van het evenredigheidsbeginsel bij exceptieve toetsing en bij rechtstreekse toetsing. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft in haar uitspraak van 2 februari 2022 uiteengezet op welke wijze een besluit wordt getoetst aan het evenredigheidsbeginsel als met dat besluit een discretionaire bevoegdheid is uitgeoefend (ECLI:NL:RVS:2022:285). In haar uitspraak van 1 maart 2023 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak tot uitdrukking gebracht dat een bepaling van een wet in formele zin niet exceptief kan worden getoetst aan onder andere het evenredigheidsbeginsel, maar dat het onder bepaalde omstandigheden wel mogelijk is de wet in een concreet geval buiten toepassing te laten (ECLI:NL:RVS:2023:772). In de uitspraak van 26 maart 2024 van het College zijn de in deze twee uitspraken neergelegde overwegingen aangevuld. Daarnaast is in die uitspraak uiteengezet hoe de exceptieve toetsing plaatsvindt als een concreet besluit is gebaseerd op een algemeen verbindend voorschrift dat niet een wet in formele zin is en hoe de rechtstreekse toetsing verloopt van een besluit dat berust op zo’n algemeen verbindend voorschrift. Die rechtspraak over de exceptieve en rechtstreekse toetsing wordt in 4.9.1 tot en met 4.9.3 van deze uitspraak verder toegelicht en aangevuld.
Toetsing bij de drie soorten beleid
Toetsing bij binnenwettelijk beleid
4.9.1. De wijze van toetsing bij binnenwettelijk beleid blijft ongewijzigd. Wel wordt de intensiteit van deze toetsing verduidelijkt.
4.9.1.1. In de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 2 februari 2022 is uiteengezet hoe de toetsing aan het evenredigheidsbeginsel verloopt bij binnenwettelijke beleidsregels (ECLI:NL:RVS:2022:285). Dit is op een enkel punt aangevuld in de uitspraak van het College van 26 maart 2024. Het gaat daarbij om gevallen waarin het bestreden besluit berust op een wettelijke discretionaire bevoegdheid die is ingevuld met beleidsregels en waarin de (on)evenredigheid van het bestreden besluit tussen partijen in geschil is. Die rechtspraak bevat twee kernelementen. Het eerste is dat de bestuursrechter, al dan niet uitdrukkelijk, niet alleen het besluit maar ook de evenredigheid van de beleidsregel toetst. Als de beleidsregel zelf niet onevenredig is, toetst de bestuursrechter vervolgens het bestreden besluit aan de norm van artikel 4:84 (slot) van de Awb. Daarbij gelden dezelfde maatstaven als bij de toetsing van een besluit (rechtstreeks) aan de norm van artikel 3:4, tweede lid, van de Awb. Het tweede kernelement is dat de toetsing aan het evenredigheidsbeginsel drie trappen kent: geschiktheid, noodzaak en evenwichtigheid. De geschiktheid en de noodzaak zullen bijna altijd aan de orde komen bij de exceptieve toetsing van het algemeen verbindende voorschrift of de beleidsregel waarop het bestreden besluit berust. De evenwichtigheid zal bijna altijd aan de orde komen bij de rechtstreekse toetsing van het besluit. Daarbij geldt dat de bestuursrechter van geval tot geval, in het verlengde van de aangevoerde beroepsgronden, moet bepalen of en, zo ja, op welke wijze de geschiktheid, de noodzaak en de evenwichtigheid uitdrukkelijk bij de toetsing aan het evenredigheidsbeginsel moeten worden betrokken en dat daarbij waar mogelijk doublures moeten worden voorkomen. Het voorgaande geldt ook voor beleid dat niet in een beleidsregel is vastgelegd.
4.9.1.2. De intensiteit van de exceptieve toetsing van binnenwettelijk beleid aan het evenredigheidsbeginsel is afhankelijk van verschillende factoren. Het College heeft in de uitspraak van 26 maart 2024 over de intensiteit van de toetsing van algemeen verbindende voorschriften aan hoger geschreven recht, algemene rechtsbeginselen en (ander) ongeschreven hoger recht overwogen dat deze intensiteit afhankelijk is van onder meer de beslissingsruimte die het vaststellend orgaan heeft, gelet op de aard en de inhoud van de vaststellingsbevoegdheid en de daarbij te betrekken belangen. De beoordeling kan materieel terughoudend zijn als de beslissingsruimte voortvloeit uit de feitelijke of technische complexiteit van de materie, dan wel als bij het nemen van de beslissing politiek-bestuurlijke afwegingen kunnen worden of zijn gemaakt. Wat de in acht te nemen belangen en de weging van die belangen betreft, geldt dat de beoordeling daarvan intensiever kan zijn naarmate de beleidsregel meer ingrijpt in het leven van de belanghebbende(n) en daarbij fundamentele rechten aan de orde zijn. Dit geldt ook voor de toetsing van binnenwettelijk beleid, met deze kanttekening dat bij binnenwettelijk beleid de beslissingsruimte die het bestuursorgaan heeft om zijn beleid te bepalen, wordt ingekaderd door de formulering en de systematiek van de wettelijke voorschriften waarop de bevoegdheid berust.
4.9.1.3. Het bestuursorgaan is verplicht te handelen overeenkomstig het beleid. Voor beleidsregels in de zin van artikel 1:3, vierde lid, van de Awb is dit neergelegd in artikel 4:84 van de Awb. Voor ander beleid vloeit deze verplichting voort uit het vertrouwensbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel. De bestuursrechter zal daarom bij de rechtstreekse toetsing van een besluit in de eerste plaats toetsen of het bestuursorgaan in het concrete geval het beleid juist heeft toegepast. Als de beroepsgronden daartoe aanleiding geven zal de bestuursrechter vervolgens, met (overeenkomstige) toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Awb, toetsen of de voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van het toepassen van het beleid onevenredig zijn in verhouding tot de met het beleid te dienen doelen.
Toetsing bij buitenwettelijk beleid
4.9.2. De wijze van toetsing bij buitenwettelijk beleid wordt aanzienlijk verruimd. Hierna wordt ingegaan op de intensiteit van de exceptieve toetsing van buitenwettelijk beleid.
4.9.2.1. In overeenstemming met de conclusie van de A-G wordt buitenwettelijk beleid voortaan ruimer getoetst. Daarbij wordt aangesloten bij de wijze van toetsing van binnenwettelijk beleid. Dit betekent dat, anders dan voorheen, ook buitenwettelijk beleid wordt getoetst op rechtmatigheid en daarmee – zoals voorgesteld in de conclusie van de A-G – aan hoger geschreven recht, algemene rechtsbeginselen en (ander) ongeschreven recht, waaronder het evenredigheidsbeginsel.
4.9.2.2. Ook bij buitenwettelijk beleid is de intensiteit van de toetsing afhankelijk van verschillende factoren. Maar, anders dan bij binnenwettelijk beleid (zie 4.9.1.2), wordt bij buitenwettelijk beleid de beslissingsruimte die het bestuursorgaan heeft om zijn beleid te bepalen, niet ingekaderd door de formulering en de systematiek van wettelijke voorschriften. Die zijn er immers niet. De beslissingsruimte is dus groot, wat in beginsel leidt tot een terughoudender toets dan bij binnenwettelijk beleid.
4.9.2.3. Dat het bestuursorgaan verplicht is te handelen overeenkomstig het beleid geldt voor alle soorten beleid, dus ook voor buitenwettelijk beleid. Wat hierover in 4.9.1.3 staat, is daarom ook hier van toepassing.
Toetsing bij tegenwettelijk beleid
4.9.3. Bij tegenwettelijk beleid geldt een andere wijze van toetsing dan bij binnenwettelijk en buitenwettelijk beleid.
4.9.3.1. Tegenwettelijk beleid wordt net als voorheen niet getoetst op rechtmatigheid, maar als een gegeven aanvaard. Tegenwettelijk beleid wordt dus, anders dan de A-G in de conclusie heeft voorgesteld, niet exceptief getoetst aan hoger geschreven recht, algemene rechtsbeginselen en (ander) ongeschreven recht, waaronder het evenredigheidsbeginsel. De reden daarvoor is dat het bestuursorgaan, met het oog op een evenredige uitkomst, met het voeren van tegenwettelijk beleid ervoor gekozen heeft om van het wettelijk voorschrift af te wijken ten gunste van een specifieke categorie of groep van gevallen. Als de bestuursrechter dit beleid zou toetsen aan het evenredigheidsbeginsel, zou dat ertoe kunnen leiden dat het beleid in modaliteit of toepassingsbereik voor bepaalde belanghebbenden onevenredig wordt geacht. Die uitkomst zou betekenen dat het bestuursorgaan, om te voldoen aan het evenredigheidsbeginsel, nog verder in strijd met het wettelijk voorschrift zou moeten handelen dan het al heeft gedaan. Het evenredigheidsbeginsel strekt niet zo ver dat het bestuursorgaan daartoe wordt gedwongen.
4.9.3.2. Ook voor tegenwettelijk beleid geldt dat het bestuursorgaan verplicht is te handelen in overeenstemming met het beleid. De bestuursrechter zal daarom in de eerste plaats toetsen of het bestuursorgaan in het concrete geval het tegenwettelijk beleid juist heeft toegepast. Dit omvat de voorheen al geldende toets of het tegenwettelijke beleid in het voorliggende geval consistent is toegepast. Anders dan bij de toetsing van een concreet besluit aan binnenwettelijk of buitenwettelijk beleid (zie 4.9.1.3) bestaat hier om de reden genoemd in 4.9.3.1 geen ruimte om te toetsen of het bestuursorgaan van het tegenwettelijk beleid had moeten afwijken omdat de toepassing ervan in het concrete geval voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen heeft die onevenredig zijn in verhouding tot de met dat beleid te dienen doelen.
4.9.3.3. In de tweede plaats zal de bestuursrechter toetsen of het concrete bestreden besluit berust op een juiste wettelijke grondslag en niet in strijd is met hoger geschreven recht, algemene rechtsbeginselen en ander (on)geschreven recht, waaronder het evenredigheidsbeginsel. Dit omvat ook de vraag of de fundamentele rechten waarop de betrokkene zich beroept niet zijn geschonden. Die toetsing geschiedt op dezelfde wijze als bij een besluit in het geval geen beleid van toepassing is. Dat het besluit is genomen in overeenstemming met tegenwettelijk beleid staat daaraan niet in de weg. Met het bestaan van het tegenwettelijk beleid wordt in het kader van deze toetsing namelijk geen rekening gehouden. Dat beleid wordt dus als het ware ‘weggedacht’. Daarmee toetst de bestuursrechter het concrete bestreden besluit net als in de uitspraak van het College van 26 maart 2024, in 7 tot en met 8.3 (‘rechtstreekse toetsing’). Die toetsing omvat dus ook de vraag of fundamentele rechten zijn geschonden, zoals die voorheen al was opgenomen in de rechtspraak van de Raad.
4.9.3.4. Uit 4.9.3.1 tot en met 4.9.3.3 volgt dat de bestuursrechter voortaan, in gevallen waarin sprake is van tegenwettelijk beleid, beslist niet minder rechtsbescherming biedt. Hieruit volgt ook dat de Raad afwijkt van wat de A-G in de conclusie over de toetsing van tegenwettelijk beleid en daarop berustende besluiten heeft voorgesteld.
4.9.3.5. Toegespitst op de toetsing aan het evenredigheidsbeginsel betekent dit dat de bestuursrechter voortaan zal beoordelen of in het concrete geval het dwingende wettelijke voorschrift waarvan met het tegenwettelijk beleid is afgeweken, buiten toepassing moet blijven wegens strijd met het evenredigheidsbeginsel. Is dit een algemeen verbindend voorschrift dat niet een wet in formele zin is, dan zal moeten worden beoordeeld of het besluit in overeenstemming is met het evenredigheidsbeginsel zoals besproken in de uitspraak van het College van 26 maart 2024 (in 8.2) en zoals verduidelijkt in 8.1 van de uitspraak van het College van 24 december 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:927). Is het tegenwettelijk beleid in strijd met een wet in formele zin, dan zal moeten worden beoordeeld of er bijzondere omstandigheden zijn die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever. Alleen als zulke omstandigheden zich voordoen, is er ruimte voor toetsing van het besluit aan (onder andere) het evenredigheidsbeginsel, zoals de Afdeling bestuursrechtspraak heeft overwogen in de uitspraak van 1 maart 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:772).

* Rechtbank Oost-Brabant 14 mei 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:2763: Awb, Wnb; afwijzing verzoek gedeeltelijk intrekken natuurvergunning, verleend met PAS, uitbreiding veehouderij, herstelbesluit, wijziging lijn rechtspraak intern salderen, instandhoudingsmaatregelen, passende maatregelen, blijvende daling stikstofdepositie, advies Ecologische Autoriteit, AERIUS Monitor, KDW, natuurdoelanalyse, maatregelpakketten, Greenpeace-vonnis, LBV, LBV-plus en de MGA-1, hoogst belaste hexagoon, artikel 1 EP EVRM, Handvest, einduitspraak na tussenuitspraak
5.6. De rechtbank vat het beoordelingskader voor het intrekken van een natuurvergunning verleend met het PAS samen in vier vragen die in de hieronder weergegeven volgorde zullen worden beantwoord:
a. Leidt uitvoering van het volledige project op zichzelf bezien tot een verslechtering of storende factoren die gelet op de doelstellingen van de Habitatrichtlijn een significant effect zouden kunnen hebben (artikel 5.4, tweede lid, van de Wnb)?
b. Is er door andere passende maatregelen zicht op de noodzakelijke daling van stikstofdepositie op de betrokken gebieden binnen afzienbare termijn?
c. Leidt uitvoering van het volledige project in samenhang met de andere passende maatregelen tot een verslechtering of storende factoren die gelet op de doelstellingen van de Habitatrichtlijn een significant effect zouden kunnen hebben (artikel 5.4, tweede lid, van de Wnb)?
d. Heeft het college kunnen afzien van volledige inwilliging van het verzoek van eisers op grond van artikel 5.4, eerste lid, onder c, van de Wnb?
5.9. De rechtbank is van oordeel dat het beoordelingskader voor het treffen van instandhoudingsmaatregelen (op basis van artikel 6, eerste lid, van de Habitatrichtlijn) verschilt van het beoordelingskader voor het treffen van passende maatregelen. De Afdeling oordeelt dit letterlijk in rechtsoverwegingen 21.2 en 21.3 van de uitspraak van 18 december 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:4923). In rechtsoverweging 21.2 van die uitspraak geeft de Afdeling het beoordelingskader voor intern salderen als mitigerende maatregel en legt zij het bevoegd gezag de verplichting op om te motiveren dat het behoud van de staat van instandhouding door het treffen van instandhoudingsmaatregelen is gewaarborgd, dan wel dat het herstel van de staat van instandhouding mogelijk blijft. Deze motiveringsplicht geldt ook voor de inzet van extern salderen als mitigerende maatregel in een passende beoordeling. Als voorbeeld verwijst de Afdeling naar overweging 48 e.v. van haar uitspraak van 14 februari 2024 die betrekking had op de vraag of de beëindiging van de saldogevende bedrijven bij extern salderen nodig was om de instandhoudingsdoelstellingen voor de betrokken Natura 2000-gebieden te behalen. Direct daarna in rechtsoverweging 21.3 geeft de Afdeling het beoordelingskader voor intern salderen als mitigerende maatregel voor het geval die maatregel ook als passende maatregel kan worden ingezet. De Afdeling verwijst hiertoe naar het beoordelingskader in de uitspraak van 20 januari 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:71) en dat kader is overgenomen in rechtsoverweging 25 van de uitspraak van 18 december 2024 ((zie rechtsoverweging 25.4 van de uitspraak van 18 december 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:4409)).Dat kader hanteert de rechtbank ook, evenals andere rechtbanken (zie onder meer de uitspraak van 26 maart 2025 van de rechtbank Limburg, ECLI:NL:RBLIM:2025:2780). Dat betekent dat het college niet kan volstaan met de enkele verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 14 februari 2024 en de stelling dat sprake is van een blijvende daling van stikstofdepositie want die uitspraak heeft betrekking op een ander beoordelingskader. De rechtbank leest een bevestiging voor dit oordeel in rechtsoverweging 81 en verder van de uitspraak van de Afdeling van 30 april 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:1971). De rechtbank zal hierna wel bespreken of door middel van een blijvende daling van stikstofdepositie wordt voorzien in de noodzakelijke daling van stikstofdepositie binnen een afzienbare termijn (met andere woorden, of dit genoeg is).
7.6. Naarmate de (dreiging van) verslechtering groter is, zal het college meer inzichtelijk moeten maken dat met andere passende maatregelen uitvoering wordt gegeven of zal worden gegeven aan de noodzakelijke reductie van stikstofdepositie. De rechtbank wijst daarnaast op de mededeling van de Europese Commissie van 21 november 2018 (Mededeling van de Commissie C(2018) 7621) over het beheer van Natura 2000-gebieden en de bepalingen van artikel 6 van de Habitatrichtlijn (92/43/EEG), in het bijzonder paragraaf 3.2 over passende maatregelen. Hierin overweegt de Commissie: “De lidstaten moeten preventieve maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat er geen verslechtering of verstoring optreedt die verband houdt met gebeurtenissen, activiteiten of processen die te voorzien zijn. Deze maatregelen zijn van toepassing op alle soorten en habitats waarvoor de gebieden zijn aangewezen en moeten waar nodig ook buiten de gebieden worden uitgevoerd.” In deze mededeling ligt besloten dat passende maatregelen ook uit voorzorg en ter voorkoming kunnen worden getroffen. Bij een dreigende verslechtering moet het college snel passende maatregelen treffen en bij een optredende verslechtering moet het college nog sneller passende maatregelen treffen om de verslechtering te stoppen.
8.8. Artikel 1 EP EVRM waarborgt het recht op het ongestoord genot van eigendom, beschermt tegen de ontneming van eigendom en regelt de mogelijkheid van regulering van eigendom. Het college is bij de uitoefening van zijn bevoegdheden gebonden aan artikel 1 EP EVRM. De rechtbank verwijst in dit verband naar het tussenvonnis van de rechtbank Den Haag in de zaak tussen enkele belangenverenigingen en individuele veehouders en het college over de vaststelling van emissie-eisen ter bescherming van Natura 2000-gebieden. Bevoegdheid Provincie op grond van artikel 2.4, lid 3, Wnb (tussenvonnis 15 juli 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:6375, eindvonnis 4 augustus 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:8278).De Europese Unie (waar de basis ligt voor artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn) is niet aangesloten bij het EVRM maar artikel 1 EP EVRM is wel verankerd in het recht van de Europese Unie, namelijk in artikel 17 van het Handvest. Hierin is bepaald dat niemand zijn rechtmatig verkregen eigendom mag worden ontnomen, behalve in het algemeen belang, in de gevallen en onder de voorwaarden waarin de wet voorziet en mits het verlies tijdig op billijke wijze wordt vergoed. Het gebruik van de goederen kan bij wet worden geregeld, voor zover het algemeen belang dit vereist. Artikel 52, eerste lid, van het Handvest bepaalt vervolgens dat beperkingen op de uitoefening van in dit Handvest erkende rechten en vrijheden bij wet moeten worden gesteld en de wezenlijke inhoud van die rechten en vrijheden moeten eerbiedigen. Met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel kunnen slechts beperkingen worden gesteld, indien zij noodzakelijk zijn en daadwerkelijk beantwoorden aan door de Unie erkende doelstellingen van algemeen belang of aan de eisen van de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. In de toelichting bij dit artikel is aangegeven dat artikel 17 van het Handvest correspondeert met artikel 1 EP EVRM. Een geslaagd beroep op artikel 17 van het Handvest kan aan het treffen van passende maatregelen in de weg staan. Hierna zal de rechtbank uitgaan van een beroep op artikel 17 van het Handvest. Bij de behandeling van dit beroep moeten een aantal vragen worden beantwoord:
a. is er sprake van een ‘possession’ (eigendom) in de zin van deze bepaling?
b. is er sprake van ontneming of regulering van het eigendomsrecht?
c. is de inbreuk bij wet voorzien?
d. dient de inbreuk een algemeen belang?
e. is er sprake van ‘fair balance’, dat wil zeggen bestaat er een redelijk evenwicht tussen de eisen van het algemeen belang en de bescherming van de fundamentele rechten van het individu?
De rechtbank beantwoordt de eerste vier vragen als volgt.
Ad a) De door eisers gevraagde passende maatregel maakt inbreuk op het economisch belang van de derde-partij. Daarom is sprake van “possession” en vormt het gedeeltelijk intrekken van de natuurvergunning van 2015 een inbreuk op eigendomsrecht. Zie de arresten van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens van 7 juli 1989, nr. 10873/84 (Tre Traktörer Aktiebolag/Zweden) en 18 februari 1991, nr. 12033/86 (Fredin/Zweden).
Ad b) De rechtbank gaat er ook van uit dat het intrekken van het vergunde recht om 210 extra dieren te houden een vorm van ontneming is omdat eisers willen dat het recht definitief wordt ingetrokken. Het gaat verder dan alleen het wijzigen van de natuurvergunning (zoals is gebeurd in het herstelbesluit) en kan niet worden gezien als reguleren. Het effect van intrekking van de vergunning is dat de derde-partij haar bedrijfsactiviteiten op het perceel moet staken, zodat de intrekking van de vergunning kan worden vereenzelvigd met beëindiging van haar bedrijf of een substantieel deel daarvan.
Ad c) De inbreuk is bij wet voorzien, namelijk in de artikelen 2.4 en 5.4, tweede lid, van de Wnb en artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn.
Ad d) De rechtbank is van oordeel dat het natuurbelang een algemeen belang is in de zin van artikel 17 van het Handvest. Nederland is op grond van de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn, die zijn geïmplementeerd in de Wnb, verplicht de instandhoudingsdoelstellingen met betrekking tot de Natura 2000-gebieden te halen en passende maatregelen te treffen om verslechtering tegen te gaan en te voorkomen. Dit algemeen belang biedt als zodanig een grondslag voor een inbreuk op een eigendomsrecht.
8.9. Een inmenging door de overheid op het ongestoorde genot van eigendom is slechts toegestaan wanneer er een “fair balance” is getroffen tussen het met de passende maatregelen gediende algemeen belang enerzijds en de bescherming van individuele rechten anderzijds (de zogenoemde “fair balance-toets”). Een “fair balance” vereist het bestaan van een redelijke mate van evenredigheid tussen de gebruikte middelen en het doel dat daarmee wordt nagestreefd. Er moet een proportionaliteitstoets worden uitgevoerd, waarbij alle omstandigheden van het geval, in onderling verband bezien, in ogenschouw moeten worden genomen. Daarbij moet worden betrokken of de maatregelen die tot een inbreuk leiden geschikt en noodzakelijk zijn. Bij deze keuze van de middelen om het algemeen belang te dienen, komt het provinciebestuur beoordelingsruimte toe. Aan het vereiste van een “fair balance” is niet voldaan als één of meer betrokkene(n) een individuele en buitensporige last te dragen hebben als gevolg van de wettelijke maatregel. Overigens dient een soortgelijke toets te worden uitgevoerd in het kader van het evenredigheidsbeginsel, waarbij moet worden bezien of de te treffen maatregel geschikt en noodzakelijk is en evenwichtig is.
8.10. Bij de proportionaliteitstoets is van belang wat het effect is van de beoogde passende maatregel. Daarnaast heeft de Afdeling in de uitspraak van 18 december 2024 overwogen dat een passende maatregel ten aanzien van een bedrijf al dan niet in samenhang met passende maatregelen ten aanzien van andere bedrijven nadrukkelijk in beeld komt als er geen zicht is op de uitvoering van andere stikstofreducerende maatregelen binnen afzienbare termijn, met name als die intrekking(en) of wijziging(en) wel binnen afzienbare termijn tot relevante verbetering kan of kunnen leiden.
8.11. Hierboven heeft de rechtbank geoordeeld dat meer maatregelen nodig zijn om een substantiële reductie van de stikstofdepositie te bewerkstelligen, en dat die op korte termijn moeten worden getroffen. De door eisers gevraagde passende maatregel (het intrekken van een deel van de natuurvergunning uit 2015, namelijk voor zover deze de mogelijkheid biedt om 210 extra kalf- en melkkoeien ouder dan 2 jaar te houden) komt daarmee nadrukkelijk in beeld en kan leiden tot een verbetering voor een deel van het gebied. De verbetering is echter relatief beperkt als deze wordt afgezet tegen de geplande maatregelen waaronder de hierboven genoemde deelname (en daaruit voortvloeiende intrekking van de natuurtoestemming) van een nabijgelegen melkrundveehouderij aan de LBV-plus. De rechtbank verwijst naar rechtsoverweging 7.27 van deze uitspraak.
8.12. De rechtbank houdt verder rekening met de volgende omstandigheden: (…)
8.13. Naar het oordeel van de rechtbank weegt het betrekkelijk geringe voordeel voor de natuur bij inwilliging van het verzoek van eisers niet op tegen het (te verwachten) nadeel voor de derde-partij, namelijk het mogelijke faillissement van het gehele bedrijf zonder dat hier een volledige compensatie tegenover staat. Intrekking van de natuurvergunning voor het houden van 210 extra kalven en melkkoeien ouder dan 2 jaar is disproportioneel en onevenredig (onevenwichtig) en daarmee in strijd met artikel 17 van het Handvest. Het verplicht verder intrekken van de natuurvergunning uit 2015 is daarom niet aan de orde. In het verlengde hiervan is de rechtbank van oordeel dat het college zich in het herstelbesluit heeft kunnen beperken tot een wijziging van de natuurvergunning uit 2015 en was het niet noodzakelijk deze natuurvergunning verder in te trekken met toepassing van artikel 5.4, eerste lid, onder c, van de Wnb.
8.14. De rechtbank kent aan het belang van de rechtszekerheid in dit geval geen doorslaggevende betekenis toe. Hoewel de derde-partij beschikt over een onherroepelijke natuurvergunning en het belang van rechtszekerheid daarom zal moeten worden betrokken bij de belangenafweging ingevolge artikel 17 van het Handvest, is deze natuurvergunning wel verleend in strijd met artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat het verzoek van eisers is ingediend voordat gebruik werd gemaakt van de natuurvergunning. Bovendien is gebruik gemaakt van de natuurvergunning na de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1603).

Rechtbank Gelderland 9 mei 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:3574: Awb, Ow; vovo, omgevingsvergunning bopa, verrichten van graafwerkzaamheden voor aanleg van nutsvoorzieningen, plaatsen woonunit, twee opslagcontainers en gebouwtje met meterkast, spoedeisend belang, woonunit geplaatst, overlast, eventuele ingebruikname/niet met terugwerkende kracht ongedaan te maken, onverwijlde spoed, evenwichtige toedeling van functies aan locaties, alternatieven, geen (gelijkwaardig) alternatief, quick scan flora en fauna, vervallen onlosmakelijke samenhang, ETFAL/uitvoerbaarheidstoets, kwalitatieve beoordeling, geen beschermde flora- en faunawaarden, privacy en uitzicht, participatie, aangewezen gevallen/verplicht aanvraagvereiste, enige betekenis, aard van het project en de impact op de omgeving, brief met strekking project
11. De voorzieningenrechter stelt voorop dat het college gehouden is om te beslissen op het bouwplan zoals dat is ingediend. De voorzieningenrechter overweegt verder dat op grond van vaste rechtspraak geldt dat als een project op zichzelf aanvaardbaar is, het bestaan van alternatieven alleen dan tot het onthouden van medewerking dwingt, indien op voorhand duidelijk is dat door de verwezenlijking van één of meerdere alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren (ABRvS 31 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2058. Deze uitspraak is weliswaar gebaseerd op de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en dus op het oude recht, maar de voorzieningenrechter is van oordeel dat deze rechtspraak ook onverkort toegepast kan worden onder de Omgevingswet). (…)
12. De voorzieningenrechter stelt voorop dat het aan de aanvrager is om te bepalen wat wel en niet gelijktijdig met de buitenplanse omgevingsplanactiviteit wordt aangevraagd. De onlosmakelijkheid zoals die gold onder de Wabo, is onder de Omgevingswet komen te vervallen (zie artikel 5.7 van de Omgevingswet, waaruit volgt dat een omgevingsvergunning voor verschillende activiteiten zowel los als gelijktijdig kan worden aangevraagd). Verzoekster heeft de Natura 2000-activitiet en de flora- en fauna-activiteit niet aangevraagd bij Gedeputeerde Staten van de Provincie Gelderland. In principe vallen deze activiteiten buiten de reikwijdte van deze omgevingsvergunning.
12.1. Desondanks moet het college bij de beoordeling van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties wel motiveren waarom deze twee activiteiten niet op voorhand de uitvoering van de aangevraagde vergunning onmogelijk maken. Dit betreft de uitvoerbaarheidstoets. Afhankelijk van aard van het project en de impact daarvan op de fysieke leefomgeving kan het in het kader van de uitvoerbaarheidstoets nodig zijn om een Quickscan uit te (laten) voeren. De uitvoerbaarheidstoets gaat echter niet zo ver dat bij alle omgevingsvergunningen voor buitenplanse omgevingsplanactiviteiten een Quickscan nodig is. In voorkomende gevallen kan het college in het kader van de uitvoerbaarheidstoets namelijk ook volstaan met een kwalitatieve beoordeling (een vergelijking van de oude en nieuwe situatie) voor deze aspecten. Zie ter vergelijking Rb. Gelderland 11 april 2024, ECLI:NL:RBGEL:2024:2126, waaruit ook impliciet volgt
16.1. De voorzieningenrechter neemt aan dat in die gevallen dat participatie verplicht is gesteld, de participatie wel enige betekenis moet hebben. Anders zou het verplicht stellen van participatie weinig zinvol zijn. Het hangt vervolgens af van de aard van het project en de impact op de omgeving wat er in redelijkheid aan participatie gedaan moet worden. Het is in eerste instantie aan het college om te beoordelen of de initiatiefnemer in redelijkheid heeft kunnen volstaan met de verrichte participatie.
16.2. Vergunninghoudster heeft het plan aangetekend verzonden aan verzoekster en daarvan ook bewijsstukken aangeleverd bij het college. De voorzieningenrechter is het met het college eens dat het toezenden van een brief met de strekking van het project in dit geval voldoende was. De voorzieningenrechter neemt daarbij in aanmerking dat dit plan geen grote gevolgen voor de fysieke leefomgeving heeft. Verder merkt de voorzieningenrechter nog op dat het college andere vormen van participatie, bijvoorbeeld het houden van een overleg, ook niet in redelijkheid heeft kunnen verlangen van vergunninghoudster. Het college heeft er namelijk terecht op gewezen dat verzoekster en vergunninghoudster niet met elkaar op goede voet staan en dat een goed, constructief overleg naar het lijkt niet mogelijk was geweest. Ook op de zitting bij de voorzieningenrechter is duidelijk naar voren gekomen dat een goed gesprek tussen partijen niet (meer) tot de mogelijkheden behoort. Ook om die reden acht de voorzieningenrechter de (weliswaar beperkt verrichte) participatie in voorliggend geval toch voldoende. De bezwaargrond heeft geen redelijke kans van slagen.

* Rechtbank Den Haag 1 mei 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:7425: Awb, Wnb; natuurvergunning, uitbreiding melkveehouderij, extern salderen, passende beoordeling, mitigerende maatregelen, AERIUS-berekeningen, volledige ecologische toets, relatie instandhoudingsdoelstellingen, stikstofgevoelige habitattypen, 25 kilometer-afkapgrens, randeffecten, wetenschappelijke onderbouwing, elke redelijke wetenschappelijke twijfel, additionaliteitsvereiste, zeer geringe afname, wegnemen van geringe deposities, milieutoestemming
5.2. De rechtbank ziet zich als eerst voor de vraag gesteld of in deze zaak een passende beoordeling is opgesteld. Volgens artikel 2.7, derde lid, en artikel 2.8 van de Wnb mag het college een natuurvergunning alleen verlenen als een passende beoordeling van de gevolgen van het project voor het Natura 2000-gebied is gemaakt, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen voor dat gebied. Uit rechtspraak volgt dat de inhoud van de aangeleverde documenten leidend is voor de vraag of het document gezien kan worden als een passende beoordeling. Zie de Porthos-uitspraak van 16 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3129, r.o. 10.2. Van belang daarbij zijn ook de eisen waaraan een passende beoordeling moet voldoen. Uit vaste rechtspraak volgt dat een passende beoordeling geen leemten mag vertonen en volledige, nauwkeurige en definitieve constateringen en conclusies moet bevatten die elke redelijke wetenschappelijke twijfel over de gevolgen van het project voor het betrokken beschermde gebied wegnemen (ECLI:NL:RVS:2019:1603).
5.3. De rechtbank overweegt dat het college alleen de AERIUS-berekeningen ten grondslag heeft gelegd aan het bestreden besluit tot het verlenen van de natuurvergunning. Volgens het college moeten de AERIUS-berekeningen worden geduid als een zogenaamde “technische” passende beoordeling, waarbij een volledige ecologische toets achterwege kan blijven (vergelijk de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 24 mei 2022, ECLI:NL:RBOBR:2022:2090). De rechtbank is echter van oordeel dat in deze zaak het alleen verrichten van AERIUS-berekeningen waarbij de stikstofdepositie van de beoogde situatie wordt weggestreept tegen de referentiesituatie en de externe maatregel niet volstaat als een passende beoordeling. Uit de AERIUS-berekeningen volgt alleen de hoeveelheid stikstofdepositie die de beoogde situatie veroorzaakt op de verschillende Natura 2000-gebieden, maar hierin ontbreekt een relatie met de instandhoudingsdoelen die gelden voor die gebieden. Evenmin volgt uit de AERIUS-berekeningen welke voor stikstofgevoelige habitattypen zich in de Natura 2000-gebieden bevinden en welke gevolgen deze ondervinden van stikstofdepositie. Ten slotte is de rechtbank van oordeel dat de AERIUS-berekeningen niet elke redelijke wetenschappelijke twijfel over de gevolgen voor de betrokken Natura 2000-gebieden wegneemt. Uit de AERIUS-berekeningen volgt immers dat na intern en extern salderen nog steeds een toename van stikstofdepositie resteert op Natura 2000-gebieden.

* Rechtbank Noord-Nederland 1 mei 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:1900: Awb, Wabo; intrekking voorschrift omgevingsvergunning milieu, AVI-bodemas, vloeistofkerende voorziening, bodembedreigend, geen verwaarloosbaar bodemrisico, belang bescherming van het milieu, bevoegdheid, IPPC-installatie, formele rechtskracht, Bor/GS bevoegd tot intrekking, (causaliteits)verweer, (civielrechtelijke) schadezaak, handhavingsprocedure, Activiteitenbesluit milieubeheer, Nederlandse Richtlijn Bodembescherming, stappenplan, Besluit activiteiten leefomgeving, stoffenlijst, stoffenschema, IBC-criteria, opgewerkte AVI-bodemas, 2.22, vijfde lid, van de Wabo, afwijken van de standaardwaarde, rechtstreeks werkende voorschriften
11. De rechtbank is met het college van oordeel dat het, ondanks dat de vloer inmiddels vloeistofdicht is, in het belang van het milieu is om het voorschrift in te trekken. Zolang het vergunningvoorschrift blijft gelden kan de opslag op een vloeistofkerende vloer in de toekomst weer worden hervat. Dat, zoals namens eiseres ter zitting is betoogd, het onwaarschijnlijk is dat de vloeistofdichte vloer weer verwijderd wordt, kan niet tot een ander oordeel leiden.
13.2. De rechtbank overweegt dat voorschrift 5.3.8 van de vergunning van 30 januari 2013 toestaat dat opslag van opgewerkte AVI-bodemas op een vloeistofkerende vloer plaatsvindt. In de NRB is aangegeven dat ervan uit wordt gegaan dat een stof bodembedreigend is, tenzij deze opgenomen is als niet bodembedreigend in de stoffenlijst of de bodembedreigendheid daarvan via het doorlopen van het stoffenschema kan worden weerlegd. AVI-bodemas is niet opgenomen in de stoffenlijst. Niet bestreden is echter dat onder de opslag van de opgewerkte AVI-bodemas in de inrichting van eiseres zich ook nat stortgoed kan bevinden dat kan uitlogen. Gelet daarop heeft het college naar het oordeel van de rechtbank terecht aangehaakt bij BRCL-categorie 3.1.3 van de NRB en, is ook gelet op de stoffenlijst en het stoffenschema, sprake van de opslag van een bodembedreigende stof die moet plaatsvinden op een vloeistofdichte vloer. Nu het op grond van de vergunning is toegestaan om alle varianten, dus ook bodembedreigende opgewerkte AVI-bodemas, op te slaan, hoefde naar het oordeel van de rechtbank geen onderzoek naar de aard van de in de inrichting opgeslagen opgewerkte AVI-bodemas plaats te vinden. Eiseres heeft overigens ook niet onderbouwd dat niet alle varianten opgewerkte AVI-bodemas bodembedreigend zijn.
13.2.1. Dat, zoals eiseres heeft gesteld, bij de aanvraag van 6 december 2012 een bijlage is gevoegd waarin staat dat de slakken worden opgewerkt op zodanige wijze dat ze voldoen aan de kwalificatie ‘niet vormgegeven bouwstoffen zonder IBC-criteria, welke niet bodembedreigend zijn en niet hoeven te worden opgeslagen op een vloeistofdichte vloer’. doet daaraan niet af. Het vergunningvoorschrift 5.3.8 is bepalend voor hetgeen ter plaatse kan worden opgeslagen. Dat voorschrift beperkt de opslag van de opgewerkte AVI-bodemas niet tot schone of niet-bodembedreigende opgewerkte AVI-bodemas.
13.2.2. Nu de mogelijkheid bestaat dat bodembedreigende AVI-bodemas wordt opgeslagen dient, om een verwaarloosbaar bodemrisico te realiseren, de opslag van de AVI-bodemas plaats te vinden op een vloeistofdichte vloer. Het betoog van eiseres slaagt niet.

Samenvattingen van jurisprudentie op STAB-site

Op de website van STAB wordt recente jurisprudentie ook samengevat.
De volgende uitspraken zijn deze week nieuw geplaatst:

Rb Noord-Holland 25 april 2025 Handhaving, het ontstaan van ongare kooks is niet als inherent aan het productieproces vergund, er is daarom sprake van een overtreding
ABRvS 30 april 2025 Wnb-vergunning, een PAS-vergunning mag worden gebruikt als referentiesituatie bij intern salderen
Rb Midden-Nederland 24 april 2025 Omgevingsvergunning bouwen, het battery energy storage system (BESS) kan worden aangemerkt als nutsvoorziening

Rectificatie nieuwsbrief 20
In de nieuwsbrief van week 20 is in het overzicht met de bijzondere overwegingen onder het kopje “* ABRvS 14 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2198” één van de rechtsoverwegingen als volgt weergegeven:
“4.  Uit artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb volgt dat een project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied zonder vergunning mag worden uitgevoerd. Kortweg wordt dit een beheermaatregel genoemd.”
In deze overweging is abusievelijk het woord “niet” opgenomen. Na correctie luidt deze overweging:
“4.  Uit artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb volgt dat een project dat direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied zonder vergunning mag worden uitgevoerd. Kortweg wordt dit een beheermaatregel genoemd.”

Privacy beleid
STAB hecht aan het naleven van de beginselen uit de AVG. De wijze waarop we met gegevens omgaan, is vastgelegd in een privacyverklaring. Voor onze volledige privacyverklaring kunt u hier terecht.

Privacy Preference Center

Ontdek meer van STAB

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder