Weekoverzicht uitspraken omgevingsrecht

* ABRvS 8 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4610: Awb, Wro; bpl, integrale herziening bpl-en buitengebied, positief bestemmen caravanstalling, uitsterfregeling of persoonsgebonden overgangsrecht, herstelbesluit, beroep op rechtsmiddel tegen eigen besluit, einduitspraak na tussenuitspraak
* ABRvS 8 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4806: Awb, Wro, Wabo; bpl en omgevingsvergunning, gecoördineerde voorbereiding en bekendmaking, vier torens met diverse bouwhoogten, vaststellen voorgestelde wijziging planregels, verkeer, verkeersintensiteiten, verkeersveiligheid, geluidbelasting, wegverkeerslawaai, geluidsscherm, einduitspraak na tussenuitspraak
* ABRvS 8 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4808: Awb, Wro; bpl, actuele planologisch-juridische regeling, bebouwde kom, conserverend, onjuiste functieaanduiding, Staat van Bedrijven, categorie 2 planregels, beperking in bedrijfsmogelijkheden
* ABRvS 8 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4812: Awb, Wabo; gedeeltelijke intrekking revisievergunning, vleeskuikenbedrijf, houden lagere aantallen dieren, vergunde stal nog niet geheel gebouwd, bouwactiviteiten gestart, ontvankelijkheid, procesbelang, werkvloer, stalen spanten, houten balklaag, voortgang bouwwerkzaamheden, ongebruikt voortbestaan rechten (Rb Oost-Brabant 22/255)
* ABRvS 8 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4803: Awb, Wvw 1994; handhavingsverzoeken, niet tijdig beslissen, ingebrekestelling, handhaving verkeersbesluit, verkeer, onbevoegd gebruik maken gedeelte weg, aanvraag, dikgedrukt en onderstreept, niet tijdig beslist, dwangsom, verzoek is geen aanvraag (Rb Gelderland 21/2987)
* ABRvS 8 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4816: Awb, Wabo, Gmw; handhaving, dwangsom, hooischuur verwijderen en verwijderd houden, controlerapport, schuur/opslagruimte, vergunningvrij achtererfgebied (Rb Oost-Brabant 23/2273 en 23/2275)
*ABRvS 8 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4811: Awb, Wro; bpl, woningbouw, gevolgen woonsituatie, landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden, rivierduin, voorwaardelijke verplichting effectanalyse, verkeerslawaai, verkeer, ontsluitingsweg, wegbreedte, voorwaardelijke verplichting verkeerskundige maatregelen, waterhuishouding niet geborgd, ecologisch onderzoek, uil, tussenuitspraak
# ABRvS 8 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4807: Awb, Waterwet; watervergunning, onttrekken aan en het brengen van water in de rivier de Maas, waterkrachtcentrale, vissterfte, voorschrift, tijdelijk stilleggen, zalmsmolts, experimenteerfase, vissterfteonderzoek, NEN-norm (Rb Zeeland-West-Brabant 23/10755)
* ABRvS 8 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4611: Awb, Wro; vovo, bpl, herstelbesluit, uitspraak in bodemprocedure, connexiteitsvereiste
* Rechtbank Rotterdam 7 oktober 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:11623: Awb, Wabo; omgevingsvergunning realiseren dakopbouw, geen omgevingsvergunning bouwen nodig, uitzicht, privacy, bezonning, lichtinval, aantal bouwlagen, stedenbouwkundig advies,  zonnepanelen, precedentwerking
* ABRvS 7 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4775: Awb, Wro; vovo, bpl, 92 appartement, 4 stadswoningen, ondergrondse parkeerplaatsen, stedenbouwkundige inpassing, bouwhoogten, positie bouwvlak, privacy, woongenot, waardevermindering, verkeersveiligheid, CROW-normen, ontsluitingsweg ingericht als fietsstraat, parkeren, bezoekersparkeren openbare ruimte, cultuurhistorie, mogelijke gebreken leiden niet tot vovo
# Rechtbank Oost-Brabant 7 oktober 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:6158: Awb, Ow; ambtshalve wijziging omgevingsvergunning MBA, actualiseringsplicht, art. 5.38 Ow, emissienorm lozing PFBS, ontwikkeling kwaliteit milieu, juistheid toetsingsnorm, vaststelling jaarvracht, mengzone, omgekeerde immissietoets, evenredigheid, relatieve bijdrage, mogelijkheid tot afvoeren
* Rechtbank Overijssel 6 oktober 2025, ECLI:NL:RBOVE:2025:5869: Awb, Gmw; vovo, evenementenvergunning, ontheffing alcohol, bierfestival, strijdigheid met omgevingsplan, geen weigeringsgrond, doorzendplicht, geluid, ecologische toets
* ABRvS 3 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4744: Awb, Wabo, Wegenwet; afwijzing handhavingsverzoek, erfafscheiding, geen openbare weg in de zin van Wegenwet, doorsteek naar garageplein, geen overschrijding redelijke termijn (Rb Noord-Holland 22/324, 22/349, 22/369 en 22/370)
* Rechtbank Oost-Brabant 3 oktober 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:6067: Awb,Wabo; weigering omgevingsvergunning bouwen, afwijken bpl, legaliseren splitsing 5 appartementen, feitelijke splitsing niet doorslaggevend, gelijkheidsbeginsel, interne gedragslijn
* Rechtbank Overijssel 3 oktober 2025, ECLI:NL:RBOVE:2025:5836: Awb, Wnb; opdracht doden ganzen, geweer, beperken omvang populatie, grauwe gans, schade aan gewassen, ontheffingseis verstoren/vernielen nestplaatsen, significante gevolgen Natura 2000-gebieden, uitvoerbaarheid, ontbreken natuurvergunning, mogelijke verstoring doelsoorten, noodzakelijkheid, oorzakelijk verband schade, belangrijke schade, doelstand bij populatiebeheer, andere bevredigende oplossingen
* Rechtbank Overijssel 3 oktober 2025, ECLI:NL:RBOVE:2025:5840: Awb, Wnb; wijzigingsbesluit Habitatrichtlijngebieden vanwege aanwezige waarden, niet beschikbaarstellen kaarten, uitsluitend overwegingen van ecologische aard, bedrijfsbelangen geen rol bij toevoegen habitattypen
# College van Beroep voor het bedrijfsleven 2 oktober 2025, ECLI:NL:CBB:2025:505, College van Beroep voor het bedrijfsleven 2 oktober 2025, ECLI:NL:CBB:2025:506,
College van Beroep voor het bedrijfsleven 2 oktober 2025, ECLI:NL:CBB:2025:509, College van Beroep voor het bedrijfsleven 2 oktober 2025, ECLI:NL:CBB:2025:529 en (476 t/m 528): Awb, Wet verbod pelsdierhouderij; schadevergoeding, beëindigen bedrijf, nertsen, vervroegde beëindiging overgangsrechtelijke bescherming, normaal maatschappelijk risico, voergeldconstructie, onjuiste vaststelling schade
* ABRvS 2 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4702: Awb, Wro; vovo, bpl, 6 levensloopbestendige woningen, vooringenomenheid bestuursorgaan, woningen voor familie raadslid, juridisch te complex voor vovo, belangenafweging, schijn van partijdige en niet-integere besluitvorming
* Rechtbank Gelderland 2 oktober 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:8223: Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning bouwen, woning, belanghebbendheid, spoedeisend belang, enkel belangenafweging, juistheid bestemming, geen onderdeel van besluit, vrij uitzicht, relatief grote afstand
* Rechtbank Noord-Nederland 2 oktober 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:3969: Awb; vovo, buiten behandeling stellen verzoek handhaving, lelieteelt, gebruik bestrijdingsmiddelen zonder vergunning, onderzoeksplicht bestuursorgaan, inhoudelijke beoordeling door bestuursorgaan nodig, afwachten beslissing op bezwaar
* Rechtbank Noord-Nederland 2 oktober 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:3957: Awb, Wnb; afwijzing handhavingsverzoek, agrarisch bedrijf, geen natuurvergunning, intern salderen, referentiedatum, referentiesituatie, startdatum project
Rechtbank Gelderland 2 oktober 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:8229: Awb, Ow; vovo, flora- en fauna-activiteit, doden van een wolf, maatwerkvoorschrift, specifieke zorgplicht, wolfwerende hekken, probleemwolf, onvoldoende onderzoek naar andere bevredigende oplossingen, staat van instandhouding, cumulatie met verkeersslachtoffers, waarborgen enkel doden specifieke wolf
Rechtbank Overijssel 30 september 2025, ECLI:NL:RBOVE:2025:5801: Awb, Ow; vovo, omgevingsvergunning bouwen, tijdelijke opvanglocatie asielzoekers, 190 personen in 6 woonunits, niet evident onrechtmatig, geen besluit met onomkeerbare gevolgen
* Rechtbank Gelderland 30 september 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:8096: Awb, Wabo; weigering omgevingsvergunning, 2 padelbanen, tennisclub, geen procesbelang, volledige heroverweging in bezwaar, finale geschilbeslechting, bevoegdheid bestuursrechter, civiele schade, herstel van eer en goede naam
* Rechtbank Gelderland 29 september 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:8075: Awb, Wabo; omgevingsvergunning motorsportvereniging, gebrek hersteld, middeling uitbreiden crossuren over jaar, omgevingsverordening, aanpassing rijroute, planologische verankering, einduitspraak na tussenuitspraak
Rechtbank Gelderland 29 september 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:8094: Awb, Ow; handhaving, last onder dwangsom, werkzaamheden zonder omgevingsvergunning, paardenpension, procesbelang, grondslag bouwstop, strijd met omgevingsplan, gebruiksgerichte paardenhouderij, geen bijzondere omstandigheden
Rechtbank Overijssel 29 september 2025, ECLI:NL:RBOVE:2025:5791: Awb, Ow; vovo, handhaving, last onder dwangsom, structureel houden van meer melkkoeien dan vergund, ammoniakemissieplafond, geen procesdossier, onvolledige beoordeling, inhoudelijke vraagtekens, belangenafweging
* Rechtbank Noord-Nederland 26 september 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:3974: Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouwen, antennemast, hekwerk, afwijken bpl, toepassen antennebeleid, open gebied, noodzakelijkheid, recreatiegebied
* Rechtbank Gelderland 26 september 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:8037: Awb, Wabo; intrekking 2 omgevingsvergunningen varkenshouderij, geen misbruik van bevoegdheid, tegengaan onbenutte milieuruimte, evenredigheid, belangenafweging
Rechtbank Gelderland 26 september 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:8026: Awb, Ow; gedeeltelijke intrekking natuurvergunning varkenshouderij, bevoegdheid tot intrekking, geen misbruik van bevoegdheid, behoud van natuurdoelstellingen, belangenafweging, negatieve gevolgen Natura 2000-gebieden, niet aannemelijk in korte tijd benutten
* Rechtbank Noord-Holland 26 september 2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:11014: Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouwen, dakopbouw met 7 appartementen, woningsplitsing, wijziging brandscheidingen, beperking toekomstige bedrijfsvoering, gewenst voorschrift geluid en geur, noodzakelijkheid, geen rekening houden met toekomstige ontwikkelingen, risico dragen handhaving, geen ruimtelijk belang
! Rb Noord-Nederland 26 september 2025, LEE 23/4411: Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouwen, kleine windturbine, alternatieve locaties, zicht op windturbine, slagschaduw, automatische stilstandvoorziening, apart kantoorgebouw, geen slagschaduwgevoelig gebouw, schaduwduur in minuten, belangenafweging
* Rechtbank Noord-Holland 26 september 2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:11366: Awb, Wabo; handhaving, last onder dwangsom, tiny house, zwembad/ecovijver, terras, ontbreken omgevingsvergunning, toetsingskader handhaving, geen concreet zicht op legalisatie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant 25 september 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:6428: Awb, Ow, Gmw; omgevingsvergunning aanleggen in- en uitrit, parkeerplaats eigen grond, elektrisch laden, beoordelingsvrijheid, onafhankelijkheid commissie, ondertekening door voorzitter, verkeersveiligheid, doelmatig gebruik weg, parkeerdruk, uiterlijk aanzien
* Rechtbank Zeeland-West-Brabant 25 september 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:6430: Awb, Wabo; omgevingsvergunning van rechtswege, wijzigen wonen en B&B naar wonen en pension, bekendmaking na 9 jaar, onjuiste tekeningen, verwarring door nieuwere vergunning, rechtszekerheidsbeginsel
* Rechtbank Zeeland-West-Brabant 25 september 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:6432: Awb, Wabo; handhaving, last onder dwangsom, pakhuis als logiesgebouw, rijksmonument, strijd met bpl, inhoud last, exploitatie B&B, niet hoofdbewoner
* Rechtbank Zeeland-West-Brabant 25 september 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:6431: Awb, Wabo; afwijzing aanvraag omgevingsvergunning wijzigen gebruik, van B&B naar wonen en pension, horecavisie, geen sprake van legale B&B’s
* Rechtbank Den Haag 24 september 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:17464: Awb, Wabo; weigering verzoek tot intrekking omgevingsvergunning bouwen, loods, omgevingsvergunning bouwen, bedrijfsgebouw, veranderen uitweg, strijd met bpl, parkeren, rijroutes vrachtwagens, niet verwerken omgevingsvergunning bij vaststelling bpl, onvoldoende belangenafweging
* Rechtbank Zeeland-West-Brabant 24 september 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:6433: Awb, Wabo; herroepen en weigeren omgevingsvergunning bouwen, loods, ontvankelijkheid, grenzen geschil, heroverweging, bijbehorend bouwwerk, alternatieve oplossingen, vertrouwensbeginsel
* Rechtbank Oost-Brabant 24 september 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:5906: Awb, Wvw; verkeersbesluit, nadere besluitvorming verkeersmaatregelen, geluidgrenswaarden, wijziging verkeerssituatie leidt tot overschrijding geluidgrenswaarden, afhankelijk van toekomstig onderzoek, vovo
* Rechtbank Zeeland-West-Brabant 24 september 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:6389: Awb, Wabo; weigering omgevingsvergunning afwijken bpl, minicamping, kruimelprocedure of uitgebreide procedure, beleidsregel, structuurvisie, recreatiebeleid
* Rechtbank Zeeland-West-Brabant 23 september 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:6367: Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouwen, recreatie-/ontvangstruimte, camping, strijd met bpl, geen uitbreiding woning, geen functionele verbondenheid, geen bijbehorend bouwwerk, geen uniforme openbare voorbereidingsprocedure toegepast
* Rechtbank Noord-Nederland 23 september 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:3862:
Awb, Wabo; omgevingsvergunning viskraam, afwijken bpl, geurhinder, representativiteit onderzoek, bureauonderzoek, richtafstanden VNG, parkeren, landschappelijke inpassing, alternatieve locatie
* Rechtbank Midden-Nederland 22 september 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:5003: Awb, Ow; vovo, omgevingsvergunning bouwen, uitbreiding woning aan voorgevel, toezegging vergunninghouder, geen spoedeisend belang, ondergeschikte wijziging bouwplan
* Rechtbank Rotterdam 17 september 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:11622: Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouwen, opbouw zonder dakterras, aantal bouwlagen, entresol, lichtinval zonnepanelen, precedentwerking
Rechtbank Rotterdam 17 september 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:11621: Awb, Ow; vovo, omgevingsvergunning bouwen, kelder als extra woonruimte, vervangen kozijnen, geen spoedeisend belang, daglichteisen, relativiteitsvereiste, fietsparkeernorm, vrees voor studentenhuisvesting, beperkte toename fietsparkeren
Rechtbank Amsterdam 16 september 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:6754: Awb, Ow; handhaving, invordering last onder dwangsom, bouwen boomhut zonder omgevingsvergunning, bouwen kabouterverblijf zonder omgevingsvergunning, omgevingsplanactiviteit, constructie van enige omvang
* Rechtbank Zeeland-West-Brabant 15 september 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:6491: Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouwen, 98 flexwoningen, lichthinder, beschrijving onderzoeksmethodiek, deskundig onderzoek, einduitspraak na tussenuitspraak
* Rechtbank Noord-Holland 9 september 2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:10342: BW; kort geding, vordering tot laten uitvoeren flora- en faunaonderzoek, omgevingsvergunning, tennishal, beletten onderzoek, verlopen afgesproken termijn
* Gerechtshof Den Haag 2 september 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:2041: BW; kort geding, vordering tot staking exploitatie bezorgrestaurant, geuroverlast, geurconstatering, onafhankelijkheid omgevingsdienst als deskundige, onrechtmatige hinder, bestuursrechtelijke vs. civielrechtelijke normen, nadere rookmeting, objectieve normen
* Rechtbank Midden-Nederland 6 augustus 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:5007: Awb, Wabo; weigering omgevingsvergunning bouwen, carport, oppervlakte bijbehorende bouwwerken, oorspronkelijk hoofdgebouw, maximale nokhoogte, strijd met beheersverordening
* Rechtbank Noord-Nederland 1 augustus 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:3979: Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouwen, omheining, afwijken bpl, gebruik grond voor vrije uitloop kippen, bevoegdheid, ambtshalve toetsing rechtbank, vvgb, toegestaan gebruik binnen bpl, provinciaal beleid, geur, VNG-richtafstanden, gezondheid, overschrijding redelijke termijn
* Rechtbank Noord-Holland 21 juli 2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:11349: Awb, Wabo; weigering omgevingsvergunning realiseren logiesaccommodatie, 3 short-stay kamers, parkeergelegenheid, afname parkeerbehoefte, geen weigeringsgronden, geen strijd met bpl
# Rechtbank Oost-Brabant 25 juni 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:3644: Awb, Ow; vovo, gewijzigde lozingsnorm PFBS, STAB betrokken in bodemprocedure, afvalwater, plasticfabrikant, schorsing onder strenge voorwaarden
# Rechtbank Oost-Brabant 25 juni 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:3641: Awb, Ow; vovo, gewijzigde lozingsnorm PFBS, STAB betrokken in bodemprocedure, afvalwater, verzoek tot rectificatie eerdere uitspraak, jaarvracht PFBS
Rechtbank Zeeland-West-Brabant 15 mei 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:3256: Awb, Ow; vovo, herroepen en weigeren omgevingsvergunning nevenactiviteiten agrarisch bedrijf, boerderijwinkel, workshops, proeverijen, gebreken in beslissing op bezwaar, geen etfal, enkel financiële schade
Rechtbank Amsterdam 30 april 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:2574: Awb, Ow; weigering kapvergunning, kappen 1 boom, advies bomendeskundige, cultuurhistorische waarde, bijzondere bomenlijst, veiligheidsrisico’s, levensduur boom
* Rechtbank Amsterdam 18 april 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:2553: Awb, Gmw; vovo en kortsluiten, handhaving, last onder dwangsom, terrasconstructie strijdig met vergunning, beginselplicht tot handhaving, vertrouwensbeginsel, gerechtvaardigde verwachtingen, algemeen belang, gelijkheidsbeginsel

¶ = uitspraak waarop de Omgevingswet materieel van toepassing is (dus niet de uitspraken die vallen onder het overgangsrecht)
# = betrokkenheid STAB
! = (nog) niet gepubliceerd

Bijzondere overwegingen

* ABRvS 8 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4803: Awb, Wvw 1994; handhavingsverzoeken, niet tijdig beslissen, ingebrekestelling, handhaving verkeersbesluit, verkeer, onbevoegd gebruik maken gedeelte weg, aanvraag, niet tijdig beslist, dwangsom, verzoek is geen aanvraag (Rb Gelderland 21/2987)
3.2. In de brief van 25 januari 2021, zijnde een reactie op de ontwerp-beheersverordening “Landelijk gebied-2020”, heeft [wederpartij] verzocht om handhavend optreden tegen het verkeer dat onbevoegd gebruik maakt van het noordelijke gedeelte van de Heijendaalseweg, dat is gelegen tussen de Kerkhofweg en de Doesburgseweg in Wehl.

Dit verzoek kan naar het oordeel van de Afdeling niet worden aangemerkt als een aanvraag om een besluit te nemen als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Awb. Ten tijde van het indienen van het verzoek gold het besluit van 9 augustus 2017, waarin het gedeelte van de Heijdendaalseweg tussen de Kerkhofweg en de Doesburgseweg gesloten is verklaard voor alle motorvoertuigen met uitzondering van bestemmingsverkeer. Het verzoek om handhaving van dit besluit komt erop neer dat controles zouden moeten worden verricht en mogelijke overtredingen worden bestraft. Het verrichten van controles is een feitelijke handeling. Daarnaast gaat het hier niet om een verzoek om tegen een concrete overtreding van een wettelijk voorschrift op te treden door het opleggen van een bestuurlijke sanctie. Evenmin gaat het om een verzoek tot het nemen van een verkeersbesluit met een verdergaande strekking dan het besluit van 9 augustus 2017. Vergelijk de uitspraak van 4 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:671.
Omdat het verzoek geen aanvraag is als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Awb, kan het niet tijdig nemen van een beslissing op het verzoek niet worden gelijkgesteld met een besluit waartegen bezwaar en beroep open staat. De rechtbank had zich daarom onbevoegd moeten verklaren om van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op het verzoek kennis te nemen. Verder is de dwangsomregeling niet van toepassing zodat de rechtbank ten onrechte het besluit van 17 juni 2021 heeft vernietigd.

* ABRvS 8 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4610: Awb, Wro; bpl, integrale herziening bpl-en buitengebied, positief bestemmen caravanstalling, uitsterfregeling of persoonsgebonden overgangsrecht, herstelbesluit, beroep op rechtsmiddel tegen eigen besluit, einduitspraak na tussenuitspraak
8. De raad en de gemeente hebben naar voren gebracht dat de raad het herstelbesluit heeft genomen naar aanleiding van de tussenuitspraak. De raad en de gemeente hebben beroep ingesteld tegen dit herstelbesluit, omdat de vrees bestaat dat met het herstelbesluit meerdere zogenoemde postzegelplannen zijn overschreven. Deze postzegelplannen zijn vastgesteld na de tussenuitspraak, liggen binnen het plangebied van het bestemmingsplan “Buitengebied Oss – 2020”, hebben betrekking op enkele percelen en maken woningbouw mogelijk. De raad heeft niet beoogd dat deze postzegelplannen worden overschreven door het herstelbesluit. De raad en de gemeente hebben de Afdeling verzocht om in een uitspraak te bepalen dat het herstelbesluit geen integraal vaststellingsbesluit is, maar een reparatiebesluit, strekkende tot uitsluitend de wijziging van de hiervoor onder 1 genoemde onderdelen. Als de Afdeling daar anders over oordeelt, verzoeken zij de Afdeling om aan te geven op welke wijze de raad het ongewenste gevolg van zijn herstelbesluit moet herstellen.
8.1. De Afdeling moet de vraag beantwoorden of de raad tegen zijn eigen herstelbesluit beroep kan instellen en of de gemeente beroep kan instellen tegen het herstelbesluit van de raad van de eigen gemeente.
De Afdeling is van oordeel dat met het openstellen van beroep voor belanghebbenden tegen besluiten van bestuursorganen is bedoeld rechtsbescherming te bieden tegen overheidshandelen. Dit rechtsmiddel is niet gegeven om een bestuursorgaan de mogelijkheid te bieden een door hemzelf genomen besluit ongedaan te maken. De raad kan dus niet tegen zijn eigen herstelbesluit beroep instellen.
Het rechtsmiddel van beroep is in dit geval evenmin bedoeld om de gemeente rechtsbescherming te bieden tegen het herstelbesluit. Niet is gebleken dat de belangen van de gemeente rechtstreeks bij het herstelbesluit zijn betrokken. De gemeente heeft geen ander belang dan dat van de raad, namelijk het wegnemen van de ongewenste effecten van het besluit. Aangezien de burgemeester volgens artikel 171 van de Gemeentewet de gemeente in en buiten rechte vertegenwoordigt, is het aan hem of haar om met de raad af te stemmen hoe het gezamenlijke belang in dit geval kan worden gediend, waarna de raad daaraan door middel van een nieuw of gewijzigd besluit uitvoering kan geven. De gemeente is daarom geen belanghebbende bij het herstelbesluit. Er is niet gebleken van omstandigheden die in dit geval tot een ander oordeel leiden.
9. Gelet op het voorgaande zal de Afdeling het beroep van de raad en de gemeente niet-ontvankelijk verklaren.

# Rechtbank Oost-Brabant 7 oktober 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:6158: Awb, Ow; ambtshalve wijziging omgevingsvergunning MBA, actualiseringsplicht, art. 5.38 Ow, emissienorm lozing PFBS, ontwikkeling kwaliteit milieu, juistheid toetsingsnorm, vaststelling jaarvracht, mengzone, omgekeerde immissietoets, evenredigheid, relatieve bijdrage, mogelijkheid tot afvoeren
8.3. Op basis van artikel 5.38, eerste lid van de Ow beziet het bevoegd gezag regelmatig of de voorschriften van een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit nog toereikend zijn gezien de ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van het milieu. Het derde lid van dit artikel biedt de grondslag voor artikel 8.99 van het Bkl. Op grond van artikel 8.99, eerste lid, onder b. van het Bkl wijzigt het bevoegd gezag de aan de omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit verbonden voorschriften als door toepassing van artikel 5.38, eerste lid, van de Ow blijkt dat de milieuverontreiniging die de activiteit veroorzaakt, door de ontwikkeling van de kwaliteit van het milieu verder moet worden ingeperkt. Dat artikel verplicht het college regelmatig te bezien of de voorschriften van een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit nog toereikend zijn, gezien de ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van het milieu. Artikel 8.99 eerste lid van het Bkl bevat een dwingende verplichting. In artikel 8.99, derde lid van het Bkl is bepaald dat in ieder geval sprake is van ontwikkelingen als bedoeld in het eerste lid als de door de activiteit veroorzaakte milieuverontreiniging zodanig is dat de emissiegrenswaarden die in de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften zijn opgenomen, moeten worden gewijzigd of dat in die voorschriften nieuwe emissiegrenswaarden moeten worden opgenomen. Onder de werking van de Wabo was in artikel 2.31, eerste lid onder b, van de Wabo een soortgelijke verplichting opgenomen.
8.4. Met de artikelen wordt artikel 21 van de RIE geïmplementeerd. Dit blijkt ook uit de Nota van Toelichting bij het Bkl (Staatsblad 2018, 292, p. 875 en volgende). Op basis van artikel 21, vijfde lid, onder a, van de RIE worden de vergunningsvoorwaarden getoetst en zo nodig bijgewerkt als de door de installatie veroorzaakte verontreiniging van dien aard is dat de bestaande emissiegrenswaarden in de vergunning gewijzigd of nieuwe emissiegrenswaarden in de vergunning opgenomen moeten worden.
8.5. In de door partijen genoemde uitspraken van de rechtbank Den Haag heeft de rechtbank geoordeeld dat onder “de ontwikkeling van de kwaliteit van het milieu” ook de ontwikkeling van de kennis over de kwaliteit van het milieu kan worden begrepen en dat nieuwe kennis over de milieugevolgen van de activiteiten van een inrichting daarmee de grondslag kan vormen voor een ambtshalve wijziging van de omgevingsvergunning van die inrichting.
8.6. De rechtbank volgt SABIC niet in haar betoog dat bij letterlijke lezing van artikel 8.99, eerste lid, aanhef en onder b, van het Bkl dat dat artikel maar voor één uitleg vatbaar is. In dit geval is de tekst van artikel 8.99 van het Bkl niet zo duidelijk dat er voor de uitleg hiervan niet meer hoeft te worden gekeken naar bijvoorbeeld de memorie van toelichting of de achtergrond van de wetsbepaling. Het begrip “ontwikkeling van de kwaliteit van het milieu’ is een breed begrip. Er is ruimte om te bepalen hoe de ontwikkeling van de kwaliteit van het milieu moet vastgesteld en aan de hand van welke inzichten dat moet worden vastgesteld. Niet is uitgesloten dat een handeling eerst niet als schadelijk voor het milieu worden beschouwd en later wel, zoals bijvoorbeeld met PFBS het geval is]. Bovendien wordt dat begrip in artikel 8.99, derde lid van het Bkl (in tegenstelling tot artikel 2.31, eerste lid onder b, van de Wabo) verder verduidelijkt en niet eens limitatief verduidelijkt, gelet op het gebruik van de woorden “in ieder geval”. Het derde lid sluit nauw aan op de tekst van artikel 21, vijfde lid van de RIE. Daarom ziet de rechtbank ruimte voor de door het college voorgestane richtlijnconforme uitleg van artikel 8.99 van het Bkl. De rechtbank vindt steun voor die opvatting in de voormelde passages in de NvT bij het Bkl, waarin is aangegeven dat met het artikel wordt beoogd een zo groot mogelijke bescherming van de fysieke leefomgeving te bieden. Het college heeft de kennis over de eigenschappen van PFBS (en het aanmerken hiervan als ZZS), in combinatie met de informatie in het advies voor de toetsingsnorm van de afdeling Water, Verkeer en Leefomgeving van de Minister na overleg met het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) alsmede de wetenschap van de lozingen van PFBS door SABIC aan kunnen merken als een ontwikkeling die kan leiden tot een zodanige milieuverontreiniging dat nieuwe emissiegrenswaarden in de omgevingsvergunning moeten worden opgenomen.
8.7. De rechtbank ziet niet in dat het college eerst met algemeen wetenschappelijk aanvaarde inzichten moet aantonen dat de lozing van PFBS tot een zodanige milieuverontreiniging kan leiden dat nieuwe emissiegrenswaarden in de omgevingsvergunning moeten worden opgenomen. PFBS is als ZZS aangemerkt. Het bestreden besluit is bovendien gebaseerd op de risicogrens voor PFBS van het European Commission’s Joint Research Centre (JRC) voor zout water van 10 ng/l (hierna: de toetsingsnorm). Hierna zal worden beoordeeld of het college van deze toetsingsnorm mocht uitgaan. Daarnaast ziet de rechtbank evenmin in dat het college pas verplicht is tot het wijzigen van de voorschriften als milieuverontreiniging daadwerkelijk is aangetoond. Met andere woorden: het college hoeft niet te wachten met optreden totdat daadwerkelijk gevolgen van de lozing van PFBS in de Westerschelde zijn geconstateerd. Het college merkt terecht op dat de gevolgen van de lozing van PFBS zich pas na langere tijd van voortdurende blootstelling kunnen openbaren. Als het college daar op gaat wachten, is het (mogelijk) te laat. Dat neemt overigens niet weg dat het college wel de kans op het ontstaan van dergelijke gevolgen voldoende aannemelijk zal moeten maken.
8.8. De rechtbank overweegt tot slot dat het college ook geen vergelijking hoeft te maken tussen de kwaliteit van het milieu ten tijde van de ambtshalve wijziging van 2023 en de kwaliteit van het milieu ten tijde van het bestreden besluit. De actualiseringsverplichting is, gerelateerd aan de ontwikkeling van de kwaliteit van het milieu als zodanig en niet aan de toestand van het milieu op het moment dat de vergunning werd verleend waarop de actualisatieverplichting van toepassing is. Het verhoudt zich ook niet met de doorlopende actualiseringsverplichting in artikel 5.38 van de Ow. Anders gezegd: het college hoeft niet aan te tonen dat de kwaliteit van het milieu de afgelopen twee jaar achteruit is gegaan. Daarbij komt dat de ambtshalve wijziging van 2023 was gebaseerd op een andere grondslag, namelijk de bevoegdheid (en dus geen verplichting) om voorschriften te wijzigen in het belang van de bescherming van het milieu ingevolge artikel 2.31, tweede lid onder b, van de Wabo. Het college heeft van die bevoegdheid gebruik gemaakt en ervoor gekozen om geen lozingsnorm op te nemen maar te volstaan met monitoringsvoorschriften en onderzoeksverplichtingen. Deze keuze ontslaat het college niet van de verplichting om voorschriften te wijzigen als de ontwikkeling van de kwaliteit van het milieu daartoe aanleiding geeft. (…)
8.9. De rechtbank concludeert dat het college op basis van artikel 5.38 van de Ow in combinatie met artikel 8.99, eerste lid, onder b,, en derde lid van het Bkl, verplicht was om de voorschriften van de omgevingsvergunning van SABIC te wijzigen en een lozingsnorm op te nemen.
14.3. De rechtbank heeft hierboven geoordeeld dat het college op basis van artikel 5.38 van de Ow in combinatie met artikel 8.99, eerste lid, onder b, en derde lid van het Bkl, verplicht was om de voorschriften van de omgevingsvergunning van SABIC te wijzigen en een lozingsnorm op te nemen. Bij het nakomen van de verplichting heeft het college geen ruimte om de belangen af te wegen. De nationaalrechtelijk dwingende verplichting van artikel 5.38 Ow en artikel 8.99 van het Bkl sluit een belangenafweging op grond van artikel 3:4 Awb in beginsel uit. Het college heeft slechts een zekere beoordelingsruimte bij het bepalen van de emissiegrenswaarde. De rechtbank heeft hierboven geoordeeld dat het college de toetsingsnorm van 10 ng/l voor zout water juist heeft bepaald en daarmee op een juiste manier invulling heeft gegeven aan deze beoordelingsruimte. Deze beoordelingsruimte op basis van nationale regelgeving biedt het college naar het oordeel van de rechtbank zeer beperkte ruimte om rekening te houden met de belangen van SABIC.

# College van Beroep voor het bedrijfsleven 2 oktober 2025, ECLI:NL:CBB:2025:505, College van Beroep voor het bedrijfsleven 2 oktober 2025, ECLI:NL:CBB:2025:506,
College van Beroep voor het bedrijfsleven 2 oktober 2025, ECLI:NL:CBB:2025:509, College van Beroep voor het bedrijfsleven 2 oktober 2025, ECLI:NL:CBB:2025:529 en (476 t/m 528): Awb, Wet verbod pelsdierhouderij; schadevergoeding, beëindigen bedrijf, nertsen, vervroegde beëindiging overgangsrechtelijke bescherming, normaal maatschappelijk risico, voergeldconstructie, onjuiste vaststelling schade
4.1 Niet in geschil is dat de vervroegde beëindiging van de overgangsrechtelijke bescherming na de inwerkingtreding van het verbod op het houden van pelsdieren een inmenging betekent in het eigendomsrecht van de getroffen pelsdierhouders. Er is dus sprake van een inbreuk op het eigendomsrecht dat is beschermd in artikel 1 van het Eerste Protocol (EP) bij het Europees Verdrag inzake de Rechten van de Mens (EVRM). Dit is door de wetgever onderkend. Daarom is in artikel 8 van de Wvp een aanspraak op vergoeding toegekend aan de getroffen pelsdierhouders.
4.2 Inmenging in het eigendomsrecht is rechtmatig als die is voorzien bij wet (‘lawful’) en het algemeen belang (‘general interest’) dient. Tot slot moet er een redelijk evenwicht (‘fair balance’) bestaan tussen de eisen van het algemeen belang en de bescherming van de fundamentele rechten van het individu. In dit geval is de wettelijke grondslag van de maatregel tot vervroegde beëindiging van de overgangsrechtelijke bescherming niet bestreden. Evenmin is in geschil dat deze het algemeen belang dient. In geschil is of de toegekende vergoeding hoog genoeg is om te voldoen aan het vereiste dat sprake is van een “fair balance” (evenwichtigheid) tussen de maatregel en de nadelige gevolgen voor de getroffen pelsdierhouders.
4.3 Het College toetst de rechtsgeldigheid van de beleidsregel, voor zover bestreden in de beroepsgronden, aan de Wvp waarop deze berust, het evenredigheidsbeginsel in artikel 3:4, tweede lid, van de Awb en voor zover aan de orde aan andere algemene beginselen van behoorlijk bestuur en beoordeelt langs deze weg of de uitkomst zich verdraagt met (artikel 1 EP bij) het EVRM. Daarna toetst het College of de beleidsregel in het individuele geval juist is toegepast, voor zover dat is bestreden in beroep en of er aanleiding bestaat om met toepassing van artikel 4:84 van de Awb af te wijken van de beleidsregel, voor zover daar een beroep op is gedaan. Daarmee wordt tevens beoordeeld of sprake is van een “individual and excessive burden” in het kader van de toets aan artikel 1 EP.
4.4 De verschillende componenten van de vergoeding kunnen tot onder- respectievelijk overcompensatie leiden. Dit komt duidelijk naar voren uit het advies van de STAB. Uit dit advies komt eveneens naar voren dat een andere manier van vaststellen van de inkomensschade dan in de beleidsregel is gekozen mogelijk tot een nauwkeuriger vergoeding zou kunnen leiden. Het College overweegt naar aanleiding hiervan dat hij de vergoeding zoals berekend op grond van de artikelen 4 tot en met 8 van de beleidsregel als één geheel beoordeelt. Dat betekent dat niet bepalend is of de toepassing van een enkele component tot over- dan wel ondercompensatie leidt, zolang de vergoeding zoals die door de minister is vastgesteld maar niet tot ondercompensatie leidt. Uiteindelijk moet de vergoeding immers voldoende zijn om aan het vereiste van “fair balance” te voldoen. Voor het geval de toegekende vergoeding in het concrete geval tot overcompensatie leidt maakt dat de vergoeding niet onrechtmatig. Er is immers in de rechtsverhouding tussen de minister en de betrokken onderneming geen rechtsregel die aan overcompensatie in de weg staat. Evenmin zijn er derde-belanghebbenden die nadeel kunnen ondervinden van eventuele overcompensatie. Alle pelsdierhouders in Nederland zijn immers gelijktijdig, op 8 januari 2021, gedwongen gestopt met hun ondernemingen. De aftrek van 15% als normaal maatschappelijk risico beoordeelt het College wel afzonderlijk op rechtmatigheid, omdat deze los staat van de berekening van de vergoeding zelf.
7.1 Het College is net als partijen van oordeel dat uit de laatste zinsnede van artikel 8 van de Wvp (“die uitgaat boven het normale maatschappelijke risico”) geen verplichting voor de minister volgt om een drempel of aftrek toe te passen. In de Memorie van Toelichting (Kamerstukken 35633, nr. 3, p. 6) is gesteld dat de omvang van het NMR, het normale ondernemersrisico, moet worden bepaald met inachtneming van alle van belang zijnde omstandigheden van het geval. Van belang kunnen hierbij onder meer zijn de aard van de overheidshandeling en de aard en de omvang van de toegebrachte schade. Hieraan verbindt het College, net als de minister en de onderneming, de gevolgtrekking dat de wetgever de mogelijkheid open heeft gelaten dat de vervroegde beëindiging van de overgangsrechtelijke bescherming buiten elk normaal maatschappelijk risico valt. Dat betekent dat de Wvp de mogelijkheid biedt om het NMR op nihil vast te stellen. Het College toetst daarom rechtstreeks of artikel 3 van de beleidsregel in strijd is met artikel 1 van het EP, omdat er geen ‘fair balance’ is.
7.3 Het College volgt de STAB in haar conclusie dat het volledig wegvallen van het inkomen door een pandemie en de vervroegde beëindiging van de overgangsrechtelijke bescherming te uitzonderlijk is om te kunnen aanmerken als een normale maatschappelijke ontwikkeling. Er is daarom geen grond voor een korting op de totale vergoeding vanwege een NMR. Dat betekent dat artikel 3 van de beleidsregel niet rechtsgeldig is. Dat motiveert het College als volgt.
7.3.1 De oorspronkelijke Wvp voorzag in een overgangstermijn van 11 jaar. De onderneming mocht er van uit gaan dat zij gedurende die overgangstermijn overgangsrechtelijke bescherming zou genieten. De vervroegde beëindiging van de overgangsrechtelijke bescherming is louter ingegeven door de coronapandemie. Een pandemie met vergelijkbare maatschappelijke gevolgen heeft zich niet eerder voorgedaan, zodat de beëindiging van de pelsdierhouderij als gevolg van een pandemie niet in de lijn der verwachtingen lag.
7.3.2 De coronapandemie was bovendien een pandemie onder mensen. Dat het coronavirus van mens op nerts zou worden overgedragen en dat besmetting van nerts op mens vervolgens ook mogelijk was, was evenmin voorzienbaar. Het OMT-Z heeft geadviseerd om in het belang van de volksgezondheid de nertsensector eind 2020 te beëindigen. Dit heeft in Nederland uiteindelijk geleid tot de keuze om de overgangsrechtelijke bescherming om redenen van volksgezondheid drie jaar eerder te laten eindigen. Voor de sector, en dus ook voor de onderneming, was dat niet voorzienbaar.
7.3.3 Anders dan de minister heeft gesteld was geen sprake van een dierziekte, waarmee een houder van dieren als algemeen bedrijfsrisico rekening kon houden. De onderneming heeft onbetwist gesteld dat zich wereldwijd nog nooit een dierziekte bij nertsen heeft voorgedaan. Dat zich onder nertsen geen (besmettelijke) dierziekten voordeden, blijkt ook uit de omstandigheid dat nertsenhouders niet meebetaalden aan het diergezondheidsfonds. Tijdens de zitting is toegelicht dat dit ook niet nodig was, omdat nertsen werden gevaccineerd tegen dierziekten.
7.3.4 Het College volgt de minister niet in het standpunt dat de vervroegde beëindiging van de overgangsrechtelijke bescherming voorzienbaar was omdat deze mede is ingegeven door ethische bezwaren tegen de nertsenhouderij. Uit de toelichting bij de Wvp en de stukken met betrekking tot de behandeling van het wetsvoorstel blijkt niet dat ethische bezwaren een rol speelden bij de vervroegde beëindiging van de overgangsrechtelijke bescherming. Het argument dat het maatschappelijk niet meer aanvaardbaar is pelsdieren te fokken, is op 1 juli 1999 al uitgesproken in een Kamermotie. Dit heeft uiteindelijk geleid tot het verbod in 2013, waarbij een overgangsrechtelijke bescherming voor een termijn van 11 jaar is geboden. De discussie over de maatschappelijke aanvaardbaarheid van het houden van pelsdieren was dus afgerond en had zijn neerslag gekregen in de Wet verbod pelsdierhouderij. Het was daarom voor pelsdierhouders ook niet voorzienbaar dat ethische bezwaren tegen de pelsdierhouderij alsnog tot een vervroegde beëindiging van de overgangsrechtelijke bescherming zouden leiden.
7.3.5 Tot slot is het College het niet eens met de stelling van de minister dat een aftrek wegens het NMR mede gerechtvaardigd is omdat het ondernemingsrisico van de onderneming gedurende de laatste drie jaar is weggenomen door de geboden vergoeding. Dit specifieke aspect van het ondernemingsrisico speelt geen rol bij de vaststelling van het NMR. Het had wel betrokken kunnen worden bij de vaststelling van de inkomensschade, maar daarvoor heeft de minister niet gekozen bij de vaststelling van de beleidsregel. Die keuze kan gelet op het rechtszekerheidsbeginsel niet alsnog gemaakt worden.
7.4 De beroepsgrond slaagt. De minister heeft ten onrechte een kortingspercentage vanwege het NMR op de totale vergoeding in mindering gebracht. Bij een nieuw te nemen besluit dient de minister de vergoeding vast te stellen zonder deze korting.

* Rechtbank Noord-Nederland 2 oktober 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:3969: Awb; vovo, buiten behandeling stellen verzoek handhaving, lelieteelt, gebruik bestrijdingsmiddelen zonder vergunning, onderzoeksplicht bestuursorgaan, inhoudelijke beoordeling door bestuursorgaan nodig, afwachten beslissing op bezwaar
5.1. Op de verzoeker om handhaving rust gelet op artikel 4:2, tweede lid, van de Awb, de plicht om gegevens en bescheiden te overleggen die nodig zijn om op de aanvraag te beslissen en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. De verzoeker om handhaving draagt niet de bewijslast voor een (dreigende) overtreding. In beginsel ligt de onderzoeksplicht bij het bestuursorgaan (zie ECLI:NL:RVS:2016:2743). Uit de casuïstische handhavingsjurisprudentie leidt de voorzieningenrechter af dat het volstaat als de verzoeker om handhaving enig aanknopingspunt biedt voor onderzoek door het bestuursorgaan (zie ECLI:NL:CBB:2018:128 en ECLI:NL:CBB:2019:470).
5.2. De lelietelers die zijn genoemd in het handhavingsverzoek ontvangen van de provincie Drenthe subsidie voor lelieteelt. Daarmee acht de rechtbank het voldoende aannemelijk dat de telers op gronden in Drenthe (gaan) telen. Dat gebeurt op jaarlijks wisselende percelen. Juist dat gegeven maakt het voor verzoeksters lastig om aan te geven welke percelen het betreft. Het bestuursorgaan is juist wel in staat daar onderzoek naar te doen, gelet op de bevoegdheden van haar toezichthouders in artikel 5:15 en verder van de Awb. Daarbij betrekt de voorzieningenrechter ook de verplichting van de gebruikers van gewasbeschermingsmiddelen in artikel 67 van Europese Verordening 1107/2009 om een registratie bij te houden van gebruikte middelen.
6. Het voorlopige rechtmatigheidsoordeel leidt er echter niet toe dat de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening toewijst. Daartoe wordt het volgende overwogen.
6.1. Een voorziening inhoudend dat de aanvraag in behandeling moet worden genomen is naar z’n aard niet voorlopig. Dat zou in strijd zijn met artikel 7:1, eerste lid van de Awb. Daaruit volgt dat voorafgaand aan het (definitieve) oordeel van de rechter, volledige heroverweging door het bestuursorgaan plaatsvindt.
6.2. Ook toewijzing van de door verzoeksters gevraagde onderzoeksopdracht aan het college, acht de voorzieningenrechter niet mogelijk in deze procedure. Het college heeft in het bestreden besluit de aanvraag van verzoeksters niet inhoudelijk beoordeeld. Uit rechtspraak volgt dat, gelet op artikel 8:69, eerste lid, van de Awb, de omvang van het geschil beperkt is wanneer in een besluit geen inhoudelijke beoordeling heeft plaatsgevonden (vergelijk ECLI:NL:RVS:2016:544). Dit geldt ook voor het buiten behandeling stellen van een aanvraag, zoals hier aan de orde. De uitkomsten in bezwaar kunnen zijn dat de aanvraag terecht buiten behandeling is gesteld of dat het college de aanvraag alsnog in behandeling moet nemen. Deze beperkte omvang van het geschil maakt dat de voorzieningenrechter geen inhoudelijk oordeel kan geven over de vraag of en hoe het college zijn toezichthoudende taak moet uitvoeren.
6.3. Verzoeksters hebben op de zitting gesteld dat de nationale rechter op basis van Europees recht de verplichting heeft om de Habitatrichtlijn toe te passen en dat de nationale rechtbank aan finale beslechting kan doen. Dit laat onverlet dat de voorzieningenrechter alleen een voorlopige voorziening kan treffen en niet buiten de omvang van het geschil mag treden. De voorzieningenrechter begrijpt de wens van verzoeksters om onvergunde emissies te stoppen maar gelet op hetgeen is aangevoerd acht de voorzieningenrechter de situatie niet dusdanig spoedeisend dat de beslissing op bezwaar niet kan worden afgewacht.

Rechtbank Gelderland 29 september 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:8094: Awb, Ow; handhaving, last onder dwangsom, werkzaamheden zonder omgevingsvergunning, paardenpension, procesbelang, grondslag bouwstop, strijd met omgevingsplan, gebruiksgerichte paardenhouderij, geen bijzondere omstandigheden
5. Voor 1 januari 2024 was de bouwstop als bijzondere vorm van bestuursdwang opgenomen in artikel 5.17 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). In de op dit geschil van toepassing zijnde Omgevingswet, die op 1 januari 2024 in werking is getreden, is de bouwstop niet als een bijzondere vorm van bestuursdwang opgenomen. Daarvoor is doorslaggevend geweest dat de bouwstop als overbodig werd beschouwd omdat een bestuurlijke sanctie in artikel 5:2 van de Awb zodanig ruim is gedefinieerd, dat daaronder ook het treffen van beheersmaatregelen (het wegnemen of beperken van de gevolgen van een overtreding) valt (Kamerstukken II 2013/14, 33962, nr. 3, p. 244). De grondslag voor de bouwstop is nu gelegen in artikel 18.1 van de Omgevingswet, in samenhang met – omdat het college in dit geval bevoegd gezag is – artikel 125 van de Gemeentewet. Aan een bouwstop kan een last onder dwangsom worden verbonden die het doel heeft om de beëindigde illegale bouwactiviteit beëindigd te houden. De grondslag daarvoor is, in aanvulling op de hiervoor genoemde bepalingen, artikel 5:32 van de Algemene wet bestuursrecht (zie ook Rechtbank Midden-Nederland 16 oktober 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:5927). Overigens zal de rechtbank hierna de term bouwstop blijven gebruiken en de bestaande rechtspraak met betrekking tot de bouwstop bij haar oordeel betrekken.
6. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Met de inwerkingtreding van deze wet heeft elke gemeente direct een omgevingsplan van rechtswege dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente (zie artikel 22.1, aanhef en onder a, van de Omgevingswet in samenhang met artikel 4.6, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet). Dat omgevingsplan bestaat voor nu uit een tijdelijk deel, waarin onder meer alle bestemmingsplannen zijn opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden alsook de bestemmingsplannen die na 2024 zijn vastgesteld, maar waarvan het ontwerp vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd. Ook bestaat het tijdelijke deel van het omgevingsplan uit enkele gemeentelijke verordeningen en de bruidsschat. De bruidsschat bevat regels die eerst op Rijksniveau geregeld waren, maar nu (in ieder geval tijdelijk) onderdeel uitmaken van het omgevingsplan.
6.1. (…)
6.2. Op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet is het verboden om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten. In bijlage A behorend bij artikel 1.1 van de Omgevingswet is het begrip ‘omgevingsplanactiviteit’ gedefinieerd. Daaruit volgt dat onder een omgevingsplanactiviteit onder meer wordt verstaan een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het verboden is deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die in strijd is met het omgevingsplan of een andere activiteit die in strijd is met het omgevingsplan. Deze worden als buitenplanse omgevingsplanactiviteit aangeduid.
6.3. Met de artikelen 22.26, 22.27 en 22.28 van het omgevingsplan (de bruidsschat) worden (bouw)activiteiten die onder de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) vergunningplichtig waren voor het bouwen en/of het handelen in strijd met de regels van ruimtelijke ordening (artikel 2.1, eerste lid, aanhef, onder a en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht) onder de Omgevingswet vergunningplichtig voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken. Hiermee wordt geborgd dat deze (bouw)activiteiten, net als onder de Wabo, worden getoetst aan de ruimtelijke regels. Voor de meeste (bouw)werken is dus een omgevingsvergunning vereist (op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet in samenhang met artikel 22.26 van het omgevingsplan).
6.6. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) (zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 6 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1829 en van 16 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3538) dat bij de toetsing van een bouwplan aan een bestemmingsplan niet slechts dient te worden bezien of het bouwwerk overeenkomstig de bestemming kan worden gebruikt, maar dat ook moet worden beoordeeld of het bouwwerk met het oog op zodanig gebruik wordt opgericht. Dit houdt concreet in dat een bouwwerk in strijd met de bestemming moet worden geoordeeld indien redelijkerwijs valt aan te nemen dat het bouwwerk uitsluitend of mede zal worden gebruikt voor andere doeleinden dan die waarin de bestemming voorziet.
6.7. In lijn van deze rechtspraak ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of redelijkerwijs valt aan te nemen dat de door eiseres uitgevoerde werkzaamheden op het terrein (het bouwen van een bouwwerk en grondwerkzaamheden) uitsluitend of mede ten dienste staan aan andere doeleinden dan die waarin de agrarische bestemming van het perceel voorziet. Uit de stukken en de toelichting op zitting blijkt dat het oogmerk van eiseres van meet af aan is geweest om een paardenpension te beginnen. (…) Gelet hierop stelt de rechtbank vast dat het realiseren van een paardenpension altijd het oogmerk is geweest voor eiseres. Het college heeft om die reden terecht kunnen concluderen dat de geconstateerde werkzaamheden op het perceel van eiseres werden verricht met het oog op een met de bestemming strijdig paardenpension. Derhalve kunnen de door eiseres verrichtte werkzaamheden niet vergunningvrij worden gerealiseerd en, nu deze zonder vergunning werden verricht, was sprake van een overtreding.
10.1. Deze beroepsgrond slaagt niet. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat een bouwstop een ordemaatregel is, waarbij slechts een beperkte belangenafweging aan de orde is. Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 16 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1715, van 25 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3826 en van 28 november 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY4375. In het primaire besluit van 19 april 2024 heeft het college overwogen dat het met de bouwstop wilde voorkomen dat de overtreding erger zou worden en steeds moeilijker terug te draaien zou zijn. Ook is vermeld dat het niet opleggen van een bouwstop uiteindelijk zou kunnen leiden tot verhoging van de kosten voor eiseres, in geval van het weer in de originele staat moeten terugbrengen van de werkzaamheden. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het college wel degelijk de belangen van eiseres heeft meegewogen. Het betoog van eiseres slaagt daarom niet.

Rechtbank Gelderland 26 september 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:8026: Awb, Ow; gedeeltelijke intrekking natuurvergunning varkenshouderij, bevoegdheid tot intrekking, geen misbruik van bevoegdheid, behoud van natuurdoelstellingen, belangenafweging, negatieve gevolgen Natura 2000-gebieden, niet aannemelijk in korte tijd benutten
7.1. Het bestuursorgaan weegt de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen af, voor zover niet uit een wettelijk voorschrift, of uit de aard van de uit te oefenen bevoegdheid een beperking voortvloeit (artikel 3:4, eerste lid, van de Awb).
7.2. Uit die rechtspraak volgt dat de provincie bij deze intrekkingsbevoegdheid alle relevante belangen inventariseert en afweegt. Daartoe behoren ook de (financiële) belangen van de vergunninghouder. Daarbij mag in aanmerking worden genomen of het niet tijdig gebruik maken van de vergunning aan de vergunninghouder is toe te rekenen. De enkele omstandigheid dat de houder van een omgevingsvergunning niet aannemelijk weet te maken dat hij deze alsnog binnen korte termijn zal benutten, is voldoende om de intrekking van een ongebruikte omgevingsvergunning te rechtvaardigen.
7.3. De rechtbank is van oordeel dat de provincie de natuurvergunning in redelijkheid heeft kunnen intrekken, omdat het hiervoor volgens vergelijkbare, vaste rechtspraak van de Afdeling al voldoende is dat de varkenshouderij niet aannemelijk heeft weten te maken dat hij deze alsnog binnen korte termijn zal benutten. Zie bijvoorbeeld AbRvS 2 september 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2110, r.o. 5.1 en AbRvS 22 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:213, r.o. 17.1. De provincie kon daar op het moment van de intrekking in redelijkheid van uit gaan, nu het bedrijfsgebouw is verwoest, er op dat moment een nieuw bestemmingsplan in werking was getreden waarmee de intensieve veehouderij-functie is wegbestemd, de aanvraag van de varkenshouderij voor herbouw buiten behandeling is gelaten en de milieuvergunningen waren ingetrokken. De provincie heeft daarbij het algemene belang van het niet willen laten voortbestaan van onbenutte stikstofruimte zwaarder kunnen laten wegen dan het individuele belang van de varkenshouderij bij behoud van de natuurvergunning als referentiesituatie in andere procedures.
7.3.1. Dat de provincie niet heeft gewacht op de uitkomst van de lopende procedures doet daar niet aan af, omdat de omstandigheid dat er nog procedures, met een onzekere uitkomst, lopen niet (zonder meer) in de weg staat aan het gebruik maken van de bevoegdheid tot intrekking. (…) Dat het niet aan de varkenshouderij zou zijn te wijten dat de procedure van de aanvraag voor de herbouw lang zou hebben geduurd, volgt de rechtbank niet. Weliswaar kan het zo zijn dat een discussie over het bouwovergangsrecht en de COVID-pandemie tot vertraging of bemoeilijking van overleg hebben geleid, maar dat doet er niet aan af dat de provincie er op het moment van de intrekking van uit mocht gaan dat de aanvraag op dat moment buiten behandeling was gelaten omdat de varkenshouderij zelf niet (tijdig) alle gevraagde gegevens had aangeleverd. Dit is inmiddels bevestigd in de rechtbankuitspraak van 8 oktober 2024, ECLI:NL:RBGEL:2024:6797 en dat is waar de rechtbank op dit moment van uit gaat. De provincie heeft daartoe ook de beslissing op bezwaar over het buiten behandeling laten afgewacht.
7.3.2. De beroepsgrond dat de noodzaak van het intrekken vanwege de instandhoudingsdoelstellingen van in de buurt gelegen Natura 2000-gebieden niet in het besluit wordt genoemd slaagt niet. De door de varkenshouderij verlangde specifieke onderbouwing van de noodzaak voor de instandhoudingsdoelstellingen per Natura 2000-gebied is bij het toepassen van de intrekkingsbevoegdheid op grond van artikel 5.40, tweede lid, onder b, van de Omgevingswet namelijk niet aan de orde. Dat zou wellicht anders zijn als aan het bestreden besluit de intrekkingsbevoegdheid uit artikel 5.40, tweede lid, onder a, van de Omgevingswet in combinatie met artikel 8.103, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving ten grondslag zou liggen, aangezien daarin wordt voorzien in een intrekkingsbevoegdheid ter uitvoering van artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn. Hiervoor is het namelijk voldoende dat een jaar lang geen gebruik is gemaakt van de natuurvergunning. De provincie mag daarbij gewicht toekennen aan het algemene belang om het laten voortbestaan van onbenutte stikstofruimte tegen te gaan. Natuurvergunningen met onbenutte stikstofruimte kunnen namelijk onder voorwaarden worden ingezet ten behoeve van salderen waarmee de feitelijke stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden toeneemt. Dat het behoud van de natuurvergunning in de tussentijd niet zomaar zal leiden tot ongewenste (stikstof)effecten is dan ook geen grond voor een ander oordeel.

* Rechtbank Noord-Nederland 23 september 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:3862:
Awb, Wabo; omgevingsvergunning viskraam, afwijken bpl, geurhinder, representativiteit onderzoek, bureauonderzoek, richtafstanden VNG, parkeren, landschappelijke inpassing, alternatieve locatie
9.1. De rechtbank overweegt dat de richtafstanden uit de VNG-brochure een hulpmiddel kunnen zijn om te bepalen of ter plaatse van woningen sprake kan zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Hoewel het college in beginsel uit mag gaan van de relevante richtafstand uit de VNG-brochure wordt aangehouden (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 31 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2117), is de rechtbank van oordeel dat in deze zaak niet kon worden volstaan met het overnemen van de conclusie uit het bureauonderzoek en de verwijzing naar de richtafstanden. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de aanleiding voor dat onderzoek nu juist was dat eisers hadden aangevoerd regelmatig geuroverlast te ervaren. De rechtbank neemt daarbij ook in aanmerking dat het college niet duidelijk heeft kunnen maken of de viskraam voldoet aan het Activiteitenbesluit en over de geurbeperkende maatregelen die in verband daarmee zijn genomen. Tenslotte neemt de rechtbank bij haar oordeel in aanmerking dat na het bestreden besluit meerdere overtredingen met betrekking tot geur zijn geconstateerd en handhavingsbesluiten zijn genomen. De rechtbank acht het daarom niet onaannemelijk dat ten tijde van het bestreden besluit sprake was van geuroverlast. De conclusie van het college dat er geen sprake is van onaanvaardbare geurhinder en dat de omgevingsvergunning niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening wordt niet gedragen door het bestreden besluit. Dat er volgens het college geen andere objectieve gegevens aangevoerd zijn die overlast aannemelijk maken en sinds 2014 geen meldingen over geuroverlast zijn gedaan maakt dat niet anders, of dat nu wel of niet klopt.

Rechtbank Rotterdam 17 september 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:11621: Awb, Ow; vovo, omgevingsvergunning bouwen, kelder als extra woonruimte, vervangen kozijnen, geen spoedeisend belang, daglichteisen, relativiteitsvereiste, fietsparkeernorm, vrees voor studentenhuisvesting, beperkte toename fietsparkeren
4.1. Voor zover verzoekster betoogt dat de omgevingsvergunning voor de technische bouwactiviteit ten onrechte is verleend omdat het bouwplan niet voldoet aan de regels van artikelen 3.81 en 3.82 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl), stelt de voorzieningenrechter vast dat deze bepalingen, waarin is neergelegd dat een bouwwerk zodanig is dat daglicht in voldoende mate kan toetreden, zijn geschreven ter bescherming van de belangen van de bewoner van de te verbouwen woning. Ze strekken kennelijk niet tot de bescherming van de belangen van verzoekster. In artikel 8:69a van de Awb is geregeld dat verzoekster zulke bepalingen bij de rechter niet kan inroepen. Het gaat hier echter om een voorlopige voorziening hangende bezwaar. De relativiteit kan in bezwaar verzoekster niet worden tegengeworpen. Dat betekent dat het college in het besluit op bezwaar inhoudelijk moet reageren op dit betoog. Toch weegt de voorzieningenrechter bij de beoordeling of verzoekster spoedeisend belang heeft wel mee dat de bepalingen die verzoekster inroept niet haar eigen belangen beogen te beschermen. Met wat verzoekster heeft aangevoerd vindt de voorzieningenrechter niet gelijk duidelijk dat er strijd met de genoemde bepalingen bestaat. In het besluit op bezwaar kan verder op de door verzoekster genoemde punten worden ingegaan, terwijl er ondertussen geen situatie kan ontstaan dat verzoekster in haar belangen wordt geraakt.

* Rechtbank Noord-Nederland 1 augustus 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:3979: Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouwen, omheining, afwijken bpl, gebruik grond voor vrije uitloop kippen, bevoegdheid, ambtshalve toetsing rechtbank, vvgb, toegestaan gebruik binnen bpl, provinciaal beleid, geur, VNG-richtafstanden, gezondheid, overschrijding redelijke termijn
5.5. De rechtbank stelt allereerst vast dat het besluit tot aanwijzing van de categorieën niet op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt. Het besluit is een algemeen verbindend voorschrift (ECLI:NL:RVS:2013:1987) dat diende te worden bekendgemaakt door publicatie in het Gemeenteblad. Dit volgde ten tijde van het nemen van het categorieënbesluit uit artikel 139 van de Gemeentewet, en sinds 1 juli 2021 uit artikel 6 van de Bekendmakingswet. Nu dat niet is geschied, is het besluit tot aanwijzing van categorieën niet in werking getreden. Dat volgde uit artikel 139 Gemeentewet en sinds 1 juli 2021 uit artikel 8 van de Bekendmakingswet.
5.6. Bovendien acht de rechtbank het besluit tot aanwijzing van categorieën ook om een andere reden onverbindend. Gelet op de formulering van de categorieën 2b en 2c is naar het oordeel van de rechtbank in geen enkel geval voor de afwijking van het bestemmingsplan een vvgb vereist. Deze categorieën zijn zo ruim geformuleerd dat niet valt in te zien welke gevallen hier niet onder zouden vallen. Vaste rechtspraak is dat een aanwijzingsbesluit waaruit volgt dat nooit een vvgb is vereist, niet kan worden aangemerkt als een aanwijzing van een categorie van gevallen. De bevoegdheid tot het maken van uitzonderingen zoals bedoeld in artikel 6.5, derde lid, van het Bor kan niet worden gebruikt om de hoofdregel dat een vvgb is vereist, geheel te omzeilen (zie ECLI:NL:RVS:2014:3207, rechtsoverweging 4.1). Het college heeft ter zitting nog aangevoerd dat door de gemeenteraad in het aanwijzingsbesluit onder 2a een specifieke categorie is aangewezen en bovendien anders dan in het raadsvoorstel de aanwijzing van bouwwerken voor duurzame energie uitdrukkelijk heeft uitgesloten. Dat doet niet af aan de vaststelling dat ingevolge de categorieën 2b en 2c nooit een vvgb is vereist.
5.7. Gelet op het voorgaande is ingevolge artikel 6.5, eerste lid, van het Bor een vvgb vereist. Nu deze niet is verleend, was het college niet bevoegd om met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wabo omgevingsvergunning te verlenen.
9.3.1. In de Rob en het verweerschrift wordt verwezen naar artikel 3 van de Wgv. Deze norm geldt voor bedrijven waarvoor (ook) een vergunning is vereist op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo. Het pluimveebedrijf is echter een zogenaamde B-inrichting waarvoor geen milieuvergunningplicht geldt. Voor pluimveebedrijven geldt een vergunningplicht bij meer dan 40.000 dieren. Dat volgt uit artikel 2.1. tweede lid, van het Bor, in samenhang met categorie 6.6 van bijlage I bij de IPPC-richtlijn (2010/75/EU). Het bedrijf moest daarom ten tijde van de verlening van de omgevingsvergunning voldoen aan de geurnormen in artikel 3:115 van het Activiteitenbesluit milieubeheer (Activiteitenbesluit). Uitgangspunt is evenwel dat voor bedrijven die vallen onder de werking van het Activiteitenbesluit, dezelfde normen gelden als voor vergunningplichtige bedrijven (zie de artikelsgewijze toelichting, Staatsblad 2012, 441, p.177).
9.3.2. Voor het bepalen van de toepasselijke norm is ingevolge artikel 3:115, eerste lid, van het Activiteitenbesluit van belang of nabijgelegen geurgevoelige objecten (onder meer de woningen) zijn gelegen binnen of buiten de bebouwde kom. Binnen de bebouwde kom geldt in dit geval een norm van 2 OU/m3, buiten de bebouwde kom is de norm 8 OU/m3. De rechtbank volgt het college in zijn standpunt dat voor de meeste woningen moet worden uitgegaan van de norm voor buiten de bebouwde kom. Uit rechtspraak blijkt dat het begrip bebouwde kom kan worden omschreven als het gebied dat door aaneengesloten bebouwing overwegend een woon- en verblijffunctie heeft en waarin veel mensen per oppervlakte-eenheid ook daadwerkelijk wonen of verblijven. De grens van de bebouwde kom wordt niet bepaald door de wegenverkeerswetgeving, maar door de aard van de omgeving (ECLI:NL:RVS:2022:3616, rechtsoverweging 4.2).
9.3.3. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college bij de beoordeling of wordt voldaan aan de geurnorm van het Activiteitenbesluit terecht emissies uit de uitloop buiten beschouwing gelaten. Op grond van artikel 3.121 van het Activiteitenbesluit worden geuremissies gemeten overeenkomstig de ministeriële regeling die is vastgesteld krachtens artikel 10 van de Wgv. Dat is de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv). In de toelichting bij die regeling staat: “Volledigheidshalve wordt benadrukt dat een emissiepunt per definitie een punt is op een stalsysteem. Bij het bepalen van het emissiepunt wordt de uitloop die behoort bij het stalsysteem buiten beschouwing gelaten. Dit is alleen anders in het zelden voorkomende geval dat een dierenverblijf uitsluitend bestaat uit een open ruimte, zonder stalsysteem of overkapping.”
11.1. De rechtbank ziet zich allereerst gesteld voor de vraag wanneer de redelijke termijn is aangevangen. In zaken zoals deze, waarin het bestreden besluit is voorbereid met de uitgebreide voorbereidingsprocedure uit afdeling 3.4 Awb, vangt de termijn aan bij het indienen van het (pro forma) beroepschrift in eerste aanleg (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2021:579). Echter, in dit geval is voorafgaand aan de uitgebreide voorbereidingsprocedure over de eerder verleende vergunning een bezwaarprocedure gevoerd en aansluitend een beroepsprocedure in twee instanties. In zaken met een voorafgaande bezwaarschriftprocedure vangt de termijn aan op het moment van ontvangst van het (pro-forma) bezwaarschrift door het bestuursorgaan (zie onder meer ECLI:NL:CRVB:2019:1148 of ECLI:NL:RVS:2024:1165). De rechtbank meent dat de redelijke termijn in dit geval is aangevangen op het moment van ontvangst van de bezwaarschriften in de procedure over de eerder verleende vergunning (vergelijk ECLI:NL:CRVB:2005:AU5643). Voor eisers 1 en eisers 2 is dat respectievelijk 12 augustus 2019 en 16 augustus 2019.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 15 mei 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:3256: Awb, Ow; vovo, herroepen en weigeren omgevingsvergunning nevenactiviteiten agrarisch bedrijf, boerderijwinkel, workshops, proeverijen, gebreken in beslissing op bezwaar, geen etfal, enkel financiële schade
2.3. De voorzieningenrechter constateert dat in de beslissing op bezwaar gebreken zitten. Van het college mocht een actievere houding verwacht worden ten aanzien van de gebreken in het primaire besluit. De constatering van de bezwaarschriftencommissie had moeten leiden tot een houding van het college om die gebreken te herstellen. Het Besluit kwaliteit leefomgeving verwacht daarbij ook een actievere beoordeling van het bevoegde gezag. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 29 oktober 2024, welke is bevestigd in de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland 5 van april 2025 (Rb. Oost Brabant 29 oktober 2024, ECLI:NL:RBOBR:2024:5114 en Rb. Noord-Nederland 5 april 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:1419). Daarin is bepaald dat het college actiever moet zijn bij de beoordeling voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Dat geldt niet alleen voor de fase van de vergunningverlening maar doet zich ook voor in de bezwaarfase.

Samenvattingen van jurisprudentie op STAB-site
Op de website van STAB wordt recente jurisprudentie ook samengevat.
De volgende uitspraken zijn deze week nieuw geplaatst:
Rb Oost-Brabant 19 september 2025 Handhaving, het ophangen van tentdoeken in een rijhal, geen kortdurend en incidenteel strijdig gebruik, overtreding, handhavend optreden onevenredig
ABRvS 3 september 2025 Bestemmingsplan, afwijkingsmogelijkheid van voorwaardelijke verplichting, voldoende waarborg tegen wateroverlast
Rb Noord-Nederland 10 juli 2025 Ambtshalve wijziging omgevingsvergunning milieu, het is in de eerste plaats aan het college om te onderzoeken of eiseres voldoet aan de BBT-conclusies, niet aannemelijk gemaakt dat voorschriften ter voorkoming van legionella nodig zijn in het belang van de bescherming van het milieu

Privacy beleid
STAB hecht aan het naleven van de beginselen uit de AVG. De wijze waarop we met gegevens omgaan, is vastgelegd in een privacyverklaring. Voor onze volledige privacyverklaring kunt u hier terecht.

Privacy Preference Center

Ontdek meer van STAB

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder